CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 1169190 bijlage Reactie Natuur en Recht zienswijzen omgevingsvergunning Sectoradvies houderijvoorschriften roofvogels en uilen

Commissie Ruimte 20 april 2022, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1169190 Verzoek verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning roofvogels Groeneweg 2419.253 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

HOUDERIJVOORSCHRIFT HUISVESTING EN VERZORGING ROOFVOGELS EN UILEN 2020

Stichting Verantwoord Roofvogels Houden Stichting Valkerij Nederland Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel Nationaal Overleg Valkerij Organisaties Uil Topia Roofvogels Arjan Fintelman Zoo-logisch Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit Natuur en Recht

Inhoudsopgave Inleiding 4 1.

Dierenwelzijn in de wet- en regelgeving 5 1.1 Betekenis van het begrip dierenwelzijn 5 1.2 De vijf vrijheden van Brambell 6 1.3 Verankering algemene huisvestings- en verzorgingseisen Besluit houders van dieren 7

2.

roofvogels en uilen 8 2.1 Taxonomische indeling van roofvogels en uilen 8 2.2 Verschillende vormen van houden van roofvogels en uilen 9 De valkerij 9 Vliegvogels 10 Volièrevogels 10 2.3 Afwijkingen van de huisvestingsnormen 11

3.

Huisvesting en verzorging 12 1.

Beperking van de bewegingsvrijheid 12 Wetgeving en vrijheden: 12 Relevante situaties voor roofvogels en uilen 12 Langdurig aangebonden huisvesten 12 Toepassing in de praktijk 13 Korte tijd aangebonden houden van roofvogels en uilen 13

2.

Voldoende ruimte voor fysiologische en ethologische behoeften 14 Wetgeving en vrijheden: 14 Vliegen van en met roofvogels en uilen 14 Andere fysiologische en ethologische behoeften van roofvogels en uilen 14

3. Eisen aan de huisvesting 15 Wetgeving en vrijheden: 15 Invulling en achtergrond volièrevogels: 15 Invulling en achtergrond vliegvogels: 16 4. Omheining volière 17 Wetgeving en vrijheden: 17 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 17 5. Inrichting volière 18 5.1 Schuilmogelijkheid 18 Wetgeving en vrijheden: 18 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 18 5.2 Zitmogelijkheid 19 Wetgeving en vrijheden: 19 Invulling en achtergrond volièrevogels: 19 Invulling en achtergrond vliegvogels: 20 5.3 Visuele horizonverbreding 20 Wetgeving en vrijheden: 20 Invulling en achtergrond volière vogels: 20 Invulling en achtergrond vliegvogels: 20 5.4 Behuizing en Bodembedekking 21

2

Wetgeving en vrijheden: 21 Invulling en achtergrondvolièrevogels en vliegvogels: 21 6. Natuurlijk prooigedrag en voedsel 22 Wetgeving en vrijheden: 22 Invulling en achtergrondvolièrevogels en vliegvogels: 22 Invulling en achtergrond vliegvogels: 22 7. Water 23 Wetgeving en vrijheden: 23 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 23 8. Weersinvloeden en temperatuur 24 Wetgeving en vrijheden: 24 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 24 9. Ventilatie 25 Wetgeving en vrijheden: 25 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 25 10. Inprenting en socialisatie 26 Wetgeving en vrijheden: 26 Invulling en achtergrond: 26 11. Sociale interactie 27 Wetgeving en vrijheden: 27 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 27 12. Kennis en vaardigheden 28 Wetgeving en vrijheden: 28 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 28 Valkeniersakte en diploma dierverzorging: 28 13. Gezondheid 29 Wetgeving en vrijheden: 29 Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: 29 14. Gebruik van roofvogels tijdens evenementen, vliegdemonstraties 30 Wetgeving en vrijheden: 30 Invulling en achtergrond vliegvogels: 30 Bibliografie 32 Bijlage 1. Standpunt Stichting Valkerij Nederland omtrent huisvestingseisen jachtvogels 35 Bijlage 2: Maten document voor roofvogels en uilen.

43 BIjlage 3: Temperatuurvoorschriften voor roofvogels (20) 48 Bijlage 4: Sprenkelverklaring A.A. Oranje, DVM 51 Bijlage 5: artikelen uit de Wet dieren en het Besluit houders van dieren 54

3

INLEIDING Deze verklaring is opgesteld door liefhebbers, houders, kwekers, vogeltrainers en valkeniers op basis van de “Deskundigenverklaring: huisvesting en verzorging van roofvogels” van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in samenwerking met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA), de Landelijke Inspectiedienst (LID) en de Nationale Politie. De specifieke fysiologische en ethologische behoeften van roofvogels en uilen in relatie tot de omstandigheden vraagt om duidelijke, wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen inzake de algemene verzorging en huisvestingsnormen. Met dit document wordt een belangrijke stap voorwaarts gemaakt in het waarborgen van de kwaliteit van de omstandigheden waaronder deze soorten worden gehouden. Houders weten waar zij aan toe zijn en toezichthouders weten waar een houder aan moet voldoen teneinde de bestaande welzijnsregelgeving te kunnen naleven en het welzijn van de dieren te kunnen waarborgen1. Daar waar in dit document over roofvogels wordt gesproken, worden ook uilen bedoeld. Het natuurlijk gedrag is soortafhankelijk, wat inhoudt dat afhankelijk van de soort gedragingen sterk kunnen verschillen. Voorts kunnen er drie vormen van houderij worden onderscheiden, welke ieder hun eigen eisen en normen met zich meebrengen.

Dit zijn de valkerij, het houden van roofvogels en uilen als vliegvogels en het houden als volièrevogels. Voor het houden van roofvogels binnen de valkerij is een specifiek set houderijvoorschriften vastgesteld die zijn opgenomen in Bijlage 1 bij dit document. Onderhavig document bestaat uit de volgende onderdelen. 1. Uiteenzetting van de relevante wetgeving; 2. Een algemene inleiding over roofvogels en uilen en de verschillende vormen van houden; 3. Per algemene bepalingen inzake het houden, verzorgen en huisvesten van dieren zoals neergelegd in de artt. 1.6 t/m 1.8 van het Besluit houders van dieren, een nadere uitwerking van deze eisen voor roofvogels en uilen; 4. Randvoorwaarden voor het deelnemen aan demonstraties en evenementen met roofvogels en uilen; 5. Bibliografie met bronvermeldingen; 6. Bijlage 1. Protocol welzijn van roofvogels die als jachtvogel worden gehouden; 7. Bijlage 2. Maten voor verblijven van roofvogels en uilen met onderscheid tussen jachtvogels, vliegvogels en volièrevogels; 8. Bijlage 3. Temperatuurvoorschriften voor roofvogels; 9. Bijlage 4. Advies inzake het aangebonden houden van roofvogels van deskundige A.A. Oranje; 10. Bijlage 5. Relevante wet- en regelgeving.

1

In de Kamerbrief van 4 oktober 2018 (28286 nr. 991) is dit document aangekondigd door Minister Schouten.

4

1. DIERENWELZIJN IN DE WET- EN REGELGEVING De Wet dieren(1) vormt het wettelijk kader voor het houden van dieren en biedt een samenhangend stelsel van regels voor met name het gehouden dier. In de Wet dieren is ingebed dat de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend en dat inbreuk op de integriteit van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, moet worden voorkomen. In de Wet dieren is onder andere vastgelegd dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen (art. 2.1 lid 1). Daarnaast is het houders van dieren verboden om aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden (art. 2.2 lid 8). De zorgplicht uit de Wet dieren is verder uitgewerkt in het Besluit houders van dieren(2). Paragraaf 2 van dit besluit maakt duidelijk aan welke algemene huisvestings- en verzorgingsnormen een houder moet voldoen(zie bijlage 4). Het overtreden van deze normen kan leiden tot bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen.

1.1 Betekenis van het begrip dierenwelzijn De wet geeft betekenis aan het belang van diergezondheid en dierenwelzijn(3). Dierenwelzijn is een veelomvattend begrip dat zowel het fysieke als het geestelijke welzijn van een dier omvat. De faculteit Diergeneeskunde hanteert de volgende definitie van Ohl & Hellebrekers(4): “Een individu verkeert in een staat van welzijn als het in staat is zich actief aan te passen aan zijn levensomstandigheden en daarmee een toestand bereikt die het individu als positief ervaart.” In 1965 zijn door de BrambellCommittee (EU) de vijf vrijheden genoemd als algemene richtlijnen om in de praktijk het welzijn van dieren meer eenduidig te kunnen nastreven. Zij worden tot op de dag van vandaag gehanteerd en geïnterpreteerd conform de beschikbare en voortschrijdende wetenschappelijke kennis en zijn op advies van de Europese commissie verwerkt in het Welfare Quality® project (2009). Deze vijf vrijheden zijn opgenomen de Wet dieren (art. 1.3, derde lid). Het niet voldoen aan één of meerdere van de hieronder genoemde vrijheden heeft tot gevolg dat het dier geen positieve staat van welzijn kan bereiken. Het wel voldoen aan alle vrijheden zorgt er daarentegen niet automatisch voor dat het dier wel de gewenste positieve staat kan bereiken. Welzijn gaat verder dan de vrijheden, die gericht zijn op het vermijden van negatieve ervaringen.

Om een staat van welzijn te bereiken moeten dieren ook in staat gesteld worden om positieve emoties te ervaren. Deze vijf vrijheden staan nooit op zichzelf, een belemmering in één vrijheid heeft vrijwel altijd negatieve gevolgen voor de overige vier vrijheden. In dit document worden de meest directe gevolgen van het overtreden van de Wet dieren en/of het Besluit houders van dieren in termen van de vijf vrijheden weergegeven. In de meeste gevallen zal een dier echter ook belemmerd worden in de vrijheden die niet een direct oorzakelijk verband hebben met de overtreding.

5

1.2 De vijf vrijheden van Brambell De vijf vrijheden van Brambell houden kort gezegd in dat dieren gevrijwaard zijn van: 1) Dorst, honger en ondervoeding; Door de beschikbaarheid van een toereikende hoeveelheid vers water en een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kan een optimale gezondheid en energiehuishouding worden gegarandeerd. 2) Fysiek en fysiologisch ongerief; Door een geschikte en veilige huisvesting te bieden, die bescherming biedt tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en roofdieren, inclusief een comfortabele rust- en schuilplaats, waarbij de bewegingsvrijheid van een dier niet op zodanige wijze wordt beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht en waarin het dier kan voldoen aan de fysiologische behoeften. 3) Pijn, verwondingen en ziektes; Door pijn, verwondingen en ziektes te voorkomen en wanneer deze toch optreden, ze snel en adequaat te diagnosticeren en op passende wijze te behandelen. 4) Angst en chronische stress; Door huisvesting en management te hanteren die angst en chronische stress zullen voorkomen en waarbij het dier voldoende ruimte wordt gelaten voor de fysiologische en ethologische behoeften; door een goede socialisatie om angst voor mensen, andere dieren en stimuli in de toekomst te voorkomen. 5) Beperking van het natuurlijke gedrag.

Door voldoende bewegingsvrijheid te geven om te kunnen voldoen aan de ethologische behoeften, in een daartoe geschikte ruimte, het aanbieden van een prikkelrijke omgeving, die uitnodigt tot het vertonen van normaal soort-typisch gedrag, en door sociale huisvesting met soortgenoten (NB. in ieder geval bij sociale dieren).

6

1.3 Verankering algemene huisvestings- en verzorgingseisen Besluit houders van dieren De algemene vereisten inzake het welzijn van dieren zijn opgenomen in de Wet dieren en nader uitgewerkt in het besluit houders van dieren. De eisen die in het Besluit houders van dieren worden gesteld aan het houden en verzorgen van dieren, kunnen als volgt worden samengevat. Ten algemene mag de bewegingsvrijheid van een dier niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht en moet een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren. Ten aanzien van verblijven waarin dieren worden gehouden, is het volgende bepaald. Een verblijf waarin dieren worden gehouden moet voldoende ruimte laten voor de fysiologische en ethologische behoeften van het dier, voldoende verlicht en verduisterd worden om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen en voorzien in voldoen verse lucht of zuurstof. Het verblijf en de inrichting daarvan, moeten voorts op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden zijn, dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en mogen geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden.

Verder mogen er geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking worden gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier. De materialen waarvan het verblijf en de inrichting daarvan zijn gemaakt moeten eenvoudig kunnen worden gereinigd en ontsmet. Het verblijf moet verder in voldoende hygiënische omstandigheden voorzien. Ook mag het dier niet kunnen ontsnappen uit het verblijf. Ten aanzien van het verzorgen van dieren is bepaald dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden en slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is. Voorts moet een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd. Een dier moet een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer toegediend krijgen op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier. Tenslotte moet een dier toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen.

7

2. ROOFVOGELS EN UILEN 2.1 Taxonomische indeling van roofvogels en uilen Onder roofvogels worden de verschillende vogelsoorten verstaan die vooral gewervelde dieren eten. In Nederland zijn de veel gehouden roofvogels de kerkuil (Tyto alba), oehoe (Bubo bubo), steenuil (Athene noctua), slechtvalk (Falco peregrinus), en woestijnbuizerd (Parabuteo unicinctus)(5). Roofvogels kenmerken zich door een sterk gebogen snavelpunt en uitzonderlijk sterke poten met vier tenen, waarvan er drie naar voren en één naar achter zijn gericht (6; 7; 8).Er kan hierbij onderscheid gemaakt worden tussen dagroofvogels en uilen (6; 9). Dagroofvogels zijn vogels die tot de orde Falconiformes horen (8; 10),waarbinnen de families:  Cathartidae (gieren van de Nieuwe wereld);  Accipitridae (o.a. gieren van de Oude wereld, haviken, arenden en buizerds)  Pandionidae (visarenden);  Falconidae (valken);  Sagittariidae (secretarisvogels). Onder de dagroofvogels bevinden zich zowel vogels die aas eten (de gieren - Carthartidae en sommige Accipitridae) als vogels die op levend wild jagen (de meeste Accipitridae, Pandionidae, Falconidae en Sagittariidae) (6; 9). Uilen behoren tot de orde Strigiformes horen, waarbinnen de families:  Tytonidae (kerkuilen);  Strigidae (echte uilen). Niet alle uilen zijn uitgesproken nachtactief.

Een deel van de uilen is overdag of in de schemering actief, een ander deel is nachtactief. In het algemeen jagen deze dieren van nature gedurende de nacht en rusten overdag. In sommige delen van de wereld is het delen van het jaar 24 uur donker of 24 uur licht en uilen hebben zich hieraan aangepast. Het aanpassingsvermogen van uilen aan het, afhankelijk van de omstandigheden dag- of nachtactief zijn moet dan ook worden erkend. Een voorbeeld hiervan is de kerkuil, door velen als echte nachtuil beschouwd, maar die zich ook in het wild uitstekend kan aanpassen tot overdag actieve uil. (6; 8; 9; 11, 75, 76).

8

2.2 Verschillende vormen van houden van roofvogels en uilen 1. Houden van jachtvogels door valkeniers 2. Houden van vliegvogels 3. Houden van volièrevogels

De valkerij De valkerij kent een lange nationale en internationale historie en traditie en is in Nederland reeds lange tijd wettelijk erkend en vastgelegd. De wetgeving en richtlijnen borgen het verantwoord en diervriendelijk houden en trainen van toegestane jachtvogels teneinde een optimaal rendement ten behoeve van jacht, beheer en schadebestrijding te realiseren. De Wet Natuurbescherming stelt in artikel 3.19 van het Besluit natuurbescherming eisen aan het behalen van de valkeniersakte. De eisen worden getoetst door een onafhankelijke examencommissie onder toezicht en verantwoording van de examenkamer, beschreven in het handboek kwaliteitsborging van de Stichting Jachtexamens. Om als kandidaat in aanmerking te komen voor het jachtexamen moet allereerst een door het Ministerie erkende gedegen opleiding worden gevolgd. De opleiding omvat theorie en praktische vaardigheden en betreft diverse onderdelen zoals dierenwelzijn, huisvesting en verzorging, aangevuld met een tweejarige stage onder leiding van een mentor. In 2009 heeft de toenmalige minister van LNV, mevrouw Gerda Verburg, de 'valkerij' verzocht: 1. volledig medewerking te verlenen aan controles die moeten garanderen dat de valkerij alleen met in gevangenschap gefokte vogels wordt beoefend; en 2. stelling nemen tegen uitwassen in de roofvogelhouderij; en 3. rotte appels binnen de valkerijorganisaties te royeren.

Het Nationaal Overleg Valkerij Organisaties heeft invulling aan dat verzoek gegeven en in afstemming met het ministerie voor en namens de 'sector valkerij Nederland' het “Welzijnsprotocol voor jachtvogels” opgesteld (oktober 2009). Het protocol betreft uitsluitend het welzijn van roofvogels die gehouden worden ten behoeve van de uitoefening van jacht (zowel nationaal als internationaal), beheer en schadebestrijding, alsmede de bijbehorende nakweek van een volgende generatie. Essentieel hierbij is dat deze roofvogels, om goed te kunnen jagen en hun voortplanting te garanderen, gezond en in optimale conditie moeten verkeren.“ Geconcludeerd kan worden dat de valkeniers die in het bezit zijn van de valkeniersakte ("de valkerij") een wettelijk erkende opleiding hebben gevolgd en gehouden zijn aan het naleven van wetgeving en interne protocollen. Omdat daarmee reeds invulling is gegeven aan het doel van voorliggende richtlijn en omdat jachtvogels met een volstrekt andere intentie worden gehouden dan bedoeld in deze notitie, valt de valkerij buiten de reikwijdte van deze richtlijnen. De invulling en achtergrond van het houden van jachtvogels door valkeniers is beschreven in Bijlage 1 over Valkerij van de Stichting Valkerij Nederland.

9

Vliegvogels (anders dan binnen de valkerij) Bij vliegvogels gaat het om roofvogels en uilen die regelmatig in de gelegenheid worden gesteld om vrij te vliegen buiten het verblijf. Daarmee wordt in de fysiologische en ethologische behoefte in bewegingsvrijheid door te vliegen, volledig voorzien. De aanbevolen frequentie waarin vogels vrij gevlogen moeten worden, verschilt per soort en ligt rond de 3 tot 7 keer per week. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheden van de soort. Dagelijks vliegen kan soms teveel zijn. (12; 27). Om te controleren of een vogel vrije vlucht krijgt, zijn er meerdere mogelijkheden. De eigenaar kan gevraagd worden om de vogel vrij te laten, waarbij de vogel vlot door de verzorger op de hand moet kunnen worden genomen (21). Voorts kan ook het bijhouden van een logboek bijdragen aan het te leveren bewijs en inzicht, dit is dan ook sterk aan te bevelen. Logboek kan dan de volgende gegevens bevatten: naam, soortnaam, ringnummer, dagen, gewicht, gezondheidsafwijkingen en daglog (vrij gevlogen of niet) en voortgang. Wanneer de eigenaar al heeft aangegeven dat de vogel heeft gevlogen en gegeten dient er gevraagd te worden een andere dag terug te komen op kort termijn. Een roofvogel of uil die al heeft gegeten zal niet vliegen.

Hierbij is verder van belang dat het op grond van de Wet natuurbescherming alleen is toegestaan om te vliegen met een havik, slechtvalk of woestijnbuizerd in het veld2 wanneer de houder in het bezit is van een valkeniersakte en een bezitsontheffing in geval van de havik. Zonder valkeniersakte mag alleen in een gebied worden gevlogen dat niet als veld kan worden bestempeld. Voorts is het van belang bij losse vluchten te vliegen met telemetrie, zender en naamplaatje. Hierdoor kan een vogel die wegvliegt terug gevonden worden.

Volièrevogels Volièrevogels worden uitsluitend in een verblijf gehouden, met deze dieren wordt niet vrij gevlogen. Dit brengt met zich mee dat in het verblijf voldoende moet worden voorzien in de fysiologische en ethologische bewegingsvrijheid die de soort nodig heeft. Dit zal onder andere tot uiting moeten komen in de maten en de inrichting van het verblijf, waarbij overigens voldoende rekening moet worden gehouden met de mate van activiteit of juist passiviteit van de betrokken soort en diens aanpassingsvermogen (12).

2

In artikel 1.1 2e lid van de Wet natuurbescherming staat beschreven wat onder veld wordt verstaan.

10

2.3 Afwijkingen van de huisvestingsnormen Van de normen, neergelegd in onderhavige houderijvoorschriften, geven een duidelijk kader waaraan moet worden voldaan bij het houden van roofvogels en uilen. Rekening moet echter worden gehouden met het feit dat onderhavige normen nieuw zijn en er dus (beperkt) ruimte moet zijn voor overgangsbepalingen. Voorts kan er sprake zijn van individuele omstandigheden waardoor er tijdelijk niet kan worden voldaan aan de normen. Om afwijking van de normen te beperken tot vooraf gecontroleerde situaties en misbruik te voorkomen, is het noodzakelijk om afwijkingen te beperken tot die gevallen waarin door de Minister daartoe een ontheffing is verleend. Een dergelijke ontheffing kan uitsluitend worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Er is sprake van tijdelijke huisvesting op een ziekenboeg. Dit moet blijken uit aanwezigheid van extra zorg en toezicht zoals extra hygiënemaatregelen, aanwezigheid van warmtelampen, toediening van extra vitaminen, voedsel en medicijnen. Tijdelijke huisvesting in de ziekenboeg moet worden vermeld in het register. Wanneer wordt getwijfeld of aan de voorwaarden van tijdelijke huisvesting op een ziekenboeg is voldaan, kan een verklaring van de behandeld dierenarts worden gevraagd; 2. Er is een ontheffing afgegeven voor het houden in een afwijkend verblijf.

Deze ontheffing kan uitsluitend worden afgegeven indien er sprake is een verblijf dat op beperkte schaal niet aan de voorgeschreven maten voldoet, het verblijf reeds meer dan één jaar voor het in werking treden van de houderijvoorschriften in gebruik is en het verblijf om nauwkeurig beschreven, niet te wijzigen feiten en omstandigheden niet kan worden aangepast aan de voorgeschreven maten. De ontheffing wordt uitsluitend afgegeven voor de dieren die er voor inwerkingtreding van de normen in werden gehouden. Voor deze dieren is er bij de bestaande houder geen optie voor plaatsing naar een ander verblijf. Er is een verklaring van de dierenarts dat de dieren in het verblijf op geen enkele wijze in hun welzijn worden geraakt. Indien de betrokken dieren zijn overleden mag het verblijf niet langer in strijd met de houderijvoorschriften worden gebruikt voor volgende dieren. 3. Er is voor individuele dieren ontheffing afgegeven voor het houden op van de richtlijnen afwijkende wijze wegens de individuele lichamelijke en gedragskenmerken van een specifiek dier, waardoor huisvesting op andere wijze noodzakelijk is om in de eisen die de gezondheid en het welzijn van het individuele dier stellen te voldoen.

Deze ontheffing kan uitsluitend worden afgegeven op basis van een specifiek ten aanzien van het individuele dier opgestelde verklaring van de dierenarts, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor de verlening van een ontheffing wordt voldaan.

11

3. HUISVESTING EN VERZORGING De verschillende aspecten die betrekking hebben op de huisvesting en verzorging van roofvogels worden in dit document uitgewerkt aan de hand van de bepalingen zoals gesteld in artikel 1.6 “Houden van dieren”, artikel 1.7 “Verzorgen van dieren” en artikel 1.8 “Behuizing” van het Besluit houders van dieren (2) en de gevolgen die dit heeft voor de vijf vrijheden.

1. Beperking van de bewegingsvrijheid Wetgeving en vrijheden: Zoals aangegeven in onderdeel 1.3, mag de bewegingsvrijheid van een dier niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht (art. 1.6 lid 1). Voorts moet een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2) en moet een dier dat niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren. Onder fysiologische behoeften wordt verstaan primaire behoeften die noodzakelijk zijn om te overleven zoals eten en drinken, slaap en rust, bescherming tegen weersinvloeden en gezondheid. Onder ethologische behoeften wordt verstaan de behoeften van een dier aan bepaald gedrag.

Relevante situaties voor roofvogels en uilen Bij het houden en huisvesten van roofvogels en uilen moet aan deze bepalingen toepassing worden gegeven. Voor roofvogels en uilen zijn deze bepalingen relevant in twee omstandigheden. In de eerste plaats is dit het geval wanneer een roofvogel of uil aangebonden wordt gehouden, al dan niet buiten een gebouw. In de tweede plaats zijn de bepalingen relevant bij het houden van roofvogels en uilen in een verblijf. Onder aangebonden huisvesting wordt het huisvesten aan een langveter verstaan. Vaak wordt het dier aan een blok of sprenkel vastgemaakt, maar dit kan ook een spitshuis, vliegrail of vlieglijn zijn. (12; 13; 14).

Langdurig aangebonden huisvesten Het ondeskundig (langdurig) aangebonden huisvesten van een roofvogel, kan bij het dier fysiek en/of fysiologisch ongerief veroorzaken zoals pijn, verwondingen en ziektes, angst en chronische stress en van belemmering in het uitvoeren van het natuurlijke gedrag. Voorts kan bij onbeschermd aanbinden gevaar ontstaan vanuit de lucht door bijvoorbeeld een havik of slechtvalk en op de grond door een hond of marter (art. 1.6 lid 3). De aangevallen vogel kan zich niet verdedigen of vluchten wanneer deze onbeschermd is aangebonden. Van belang is om bij het beoordelen van blootstelling aan angst, stress en verwondingen, rekening te houden met de betrokken soort. O.a. de havik, valk, en arend zitten van nature stil wanneer zij niet jagen of zichzelf willen laten gelden en zullen (in relatie tot uilen en gieren) in mindere mate beperkt worden in hun natuurlijke gedrag door tijdelijke aangebonden huisvesting dan andere roofvogels en uilen (zie ook Bijlage 4). Door deze eigenschappen zijn juist de havik, valk en arend vogels bij uitstek geschikt zijn voor de valkerij zoals volledig in de bijlage over valkerij van de Stichting Valkerij Nederland beschreven.

12

Met name bepaalde soorten uilen en gieren, die van nature veel op de grond lopen en foerageren, worden ernstig beperkt in hun natuurlijke gedrag door aangebonden huisvesting (14; 15; 16; 17; 18). Dit kan ook het geval zijn bij uilen die het grootste gedeelte van de dag op hoogte doorbrengen (er is maar een klein aantal soorten die bekend staan om het “foerageren” op de grond). Er moet ook rekening mee worden gehouden dat er enorme verschillen in activiteit die bij de verschillende soorten bestaat. Zo beschikt de kerkuil over het grootste aanpassingsvermogen, van passief tot actief, overdag tot nachtactief en diverse gespecialiseerde jachttechnieken. De sperweruil, die zijn naam dankt aan zijn actieve leefstijl en bijzonder snelle vluchten, is bijvoorbeeld niet te vergelijken met de extreem rustige melkoehoe, veel passiever worden ze niet gemaakt.

Toepassing in de praktijk Het langdurig aangebonden huisvesten van roofvogels en uilen brengt risico’s met zich mee en vergt gespecialiseerde kennis en vaardigheden. Het langdurig aangebonden huisvesten van roofvogels en uilen moet dan ook worden beperkt tot valkeniers en zieke of gewonde vogels.

Korte tijd aangebonden houden van roofvogels en uilen Ten aanzien van het gedurende korte periode aangebonden houden van roofvogels en uilen moet, naast rekening te houden met de verschillen tussen aanpassingsvermogen en meer of minder actief gedrag, ook rekening worden gehouden met de tijdsduur en het doel van het aangebonden houden van roofvogels en uilen. Wanneer roofvogels en uilen tijdelijk (max. 2 uur) worden aangebonden teneinde ze vrij te laten vliegen, weegt de welzijnsverbetering van het vrij kunnen vliegen op tegen de welzijnsaantasting door het kortdurend aanbinden van de vogels. Het aanbinden van een vogel dient dan aan allebei de poten worden gedaan, met genoeg ruimte om te kunnen bewegen. Het aanbinden aan beide poten verdeeld de druk tussen de poten evenredig, waarmee de kans op beschadiging beperkt wordt. (72, pg 131). Wanneer de vogel aan één poot word aangebonden kunnen er onnodige beschadigingen optreden dit word door aan beide poten aan te binden voorkomen. Wat bij het vliegen met vogels wel van belang is dat een vogel rustig kan wennen aan het tijdelijk aangebonden gehuisvest zijn en het vrij vliegen. Training is daarbij onmisbaar.

13

2. Voldoende ruimte voor fysiologische en ethologische behoeften Wetgeving en vrijheden: Volgens aangehaalde wet- en regelgeving moet een dier voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2). Onder fysiologische behoeften wordt verstaan primaire behoeften die noodzakelijk zijn om te overleven zoals eten en drinken, slaap en rust, bescherming tegen weersinvloeden en gezondheid. Onder ethologische behoeften wordt verstaan de behoeften van een dier aan bepaald gedrag.

Vliegen van en met roofvogels en uilen Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er niet éénduidig kan besloten worden of het vliegen een noodzakelijk gedrag en/of natuurlijk gedrag is voor de roofvogel in gevangenschap (waar voedsel en een paarpartner worden aangeboden). De beoordeling over de nood die het dier heeft aan het vliegen (als comfortgedrag) is eerder afhankelijk van de gevolgde benadering van het dierenwelzijn (12). Vliegen kan wel een cardiovasculaire oefening ten voordele van de gezondheid vormen (12).

Andere fysiologische en ethologische behoeften van roofvogels en uilen Veel roofvogels (specifiek van de familie Accipitridae) besteden een groot deel van de dag aan rusten of op zijn minst niet actief bewegen, waarschijnlijk omdat het vliegen energie kost. Ze brengen de tijd door met het gladstrijken van de veren, baden en zonnebaden (in de vroege ochtend) (12). Aan de mogelijkheid voor het uitvoeren van deze vormen van gedrag is in onderhavig document dan ook aandacht besteed bij de eisen aan de maten en de inrichting van het verblijf.

14

3. Eisen aan de huisvesting Wetgeving en vrijheden: Dat de bewegingsvrijheid van een dier niet op zodanige wijze beperkt mag worden dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht (art. 1.6 lid 1) en dat het dier voldoende ruimte wordt gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2) is reeds aan de orde gekomen bij de onderdelen (langdurig) aangebonden huisvesten en de fysiologische en ethologische behoeften. Bij het bepalen van de afmeting van de huisvesting van roofvogels en uilen moet derhalve meegewogen worden of reeds in de bewegingsbehoeften van het dier wordt voorzien omdat het een jachtvogel betreft welke gehouden word door een valkenier met akte of omdat het een vliegvogel betreft waarmee met de vereiste regelmaat buiten het veld wordt gevlogen. In de overige fysiologische en ethologische behoeften van roofvogels en uilen (poetsen van de veren, baden en zonnebaden) moet in het verblijf voldoende worden voorzien. Voorts geldt ten algemene dat aan de algemene vereisten moet worden voldaan. Deze houden het volgende in:       

het verblijf moet voldoende verlicht en verduisterd worden om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen; het verblijf moet voorzien in voldoen verse lucht of zuurstof. het verblijf en de inrichting daarvan moeten voorts op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden zijn, dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en mag geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden. Er mogen geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking worden gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier. De materialen waarvan het verblijf en de inrichting daarvan zijn gemaakt, moeten eenvoudig kunnen worden gereinigd en ontsmet. Het verblijf moet in voldoende hygiënische omstandigheden voorzien. Het dier mag niet kunnen ontsnappen uit het verblijf.

Er moet bij de afmetingen van het verblijf rekening worden gehouden met vogels die hoge snelheden kunnen halen in een voor de soort te ruime volière, daar dan het risico bestaat dat het dier zich kan verwonden (12).

Invulling en achtergrond volièrevogels: Het is van belang dat een roofvogel ten alle tijden zijn vleugels volledig kan strekken en zijn natuurlijk poets-, en uitrekgedrag kan vertonen waarbij er voldoende ruimte tussen de vleugelpunten en de wand van de huisvesting moet zijn om beschadiging te voorkomen (28). Bij vogels waarmee niet wordt gevlogen kan als indicatieve richtlijn worden aangehouden dat de breedte en lengte van de huisvesting minimaal twee, respectievelijk drie keer de spanwijdte van de vleugels van de roofvogel moeten zijn, zie tabel 1 en bijlage 1 (21; 23; 29). De lengte van de volière biedt de vogel de mogelijkheid om minimaal drie vleugelslagen te maken. Door de lengte van de vogel als uitgangspunt te nemen voor de hoogte van de volière wordt ook de grotere vogelsoorten met een kleine spanwijdte voldoende hoogte geboden.

15

Er zijn reeds verschillende documenten met normen voor de afmetingen van verblijven die een goed fundament vormen voor de voorgeschreven maten van verblijven van volièrevogels (38, 73, 74). Deze maten waarborgen dat vogels voldoende ruimte hebben voor hun fysiologische en ethologische behoefte aan beweging. Deze maten zijn opgenomen in Bijlage I van dit document. Daarbij betreft categorie C volièrevogels, categorie J de jachtvogels en categorie V de vliegvogels.

Invulling en achtergrond vliegvogels: Zoals aangegeven wordt bij vliegvogels al voorzien in de behoefte aan bewegingsvrijheid door middel van vliegen. Het verblijf van deze vogels dient echter wel te voorzien in andere fysiologische en ethologische behoeften van de vogels, zoals het normale poets-, en uitrekgedrag (12), waarbij er voldoende ruimte tussen de vleugelpunten en de wand van de huisvesting moet zijn om beschadiging te voorkomen (28). Maten voor verblijven van vliegvogels zijn opgenomen in Bijlage I van dit document bij dieren met code V. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat enkele (vlieg)vogels behoefte hebben aan een kleinere huisvesting of moeten te worden aangebonden indien zij een hoge startsnelheid hebben en zichzelf in een te grote volière kunnen verwonden.(12, 72, pag. 93-97).

16

4. Omheining volière Wetgeving en vrijheden: Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier moeten op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en mogen geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden (art. 1.8 lid 2). Daarnaast moet de houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden er zorg voor dragen dat het dier daaruit niet kan ontsnappen (art. 1.6 lid 4). Door een roofvogel in een volière te houden waaraan deze zich kan verwonden kan het dier niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief en pijn, verwondingen en ziektes.

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Het dak van een volière kan bestaan uit een nylon net dat een beetje meegeeft als de vogel ertegenaan vliegt, maar wel zo strak zit dat het niet om een poot kan draaien (30). Een geschikt alternatief is gaaspaneel met een diameter van 5 cm (voor de kleinste roofvogels 1.25-2.5 cm) of volle wanden als damwand(21; 29). Geplastificeerd harmonicagaas wordt bij diverse dierentuinen en particulieren zonder problemen gebruikt en vormt een goed alternatief. Kippengaas is ongeschikt omdat de roofvogel zich verwondt als hij hier tegenaan vliegt (29). Het is aan te raden om het mogelijk te maken om de volière via een sluis te betreden, zodat een ontsnapte vogel niet meteen weg is(26; 29).

17

5. Inrichting volière 5.1 Schuilmogelijkheid Wetgeving en vrijheden: Een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2). Daarnaast moet een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren (art. 1.6 lid 3). Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, moet bovendien voldoende worden verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen (art 1.8 lid 1). Door een roofvogel geen of ongeschikte schuilmogelijkheid te bieden, kan deze niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief; van angst en chronische stress; en belemmering in het uitvoeren van het natuurlijke gedrag.

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Roofvogels en uilen zijn sterk visueel ingesteld. Het is dan ook belangrijk dat roofvogels de mogelijkheid hebben om zich terug te trekken van menselijke activiteit, andere roofvogels of andere stressoren rond de huisvesting (12). Daarnaast is het noodzakelijk om rekening te houden met het soort-typische dag- en nachtritme, nacht- en schemerdieren moeten bijvoorbeeld overdag kunnen schuilen tegen daglicht. Dit geldt met name voor bepaalde soorten uilen, die van nature de behoefte hebben om overdag in een donkere/beschutte ruimte te rusten (12; 14; 22). Daarbij moet wel worden opgemerkt dat diverse uilen hebben een verenpak hebben dat gebruik maakt van camouflage en ervoor zorgt dat de uil in natuurlijk omgeving wegvalt. Natuurlijke begroeiing zou in diverse gevallen de voorkeur hebben over een schot. Daarnaast zijn er diverse dagactieve, actief jagende uilen (denk aan de sperweruil). Het moet duidelijk zijn dat huisvesting te allen tijde soortspecifiek bekeken moet worden, en niet onder de groep “uilen”. Om evenwichtig om te gaan met de visuele instelling van roofvogels en uilen, is het raadzaam om twee of drie zijdes van de volière dicht te maken (21; 29;26; 27; 31) maar wel voldoende ruimte te laten voor een uitkijkpost (12).

Voor jachtvogels heeft het veelal de voorkeur de volière geheel afgesloten te hebben, met uitzondering van het dak, zie hiervoor het advies van de Stichting Valkerij Nederland (Bijlage 1). Bij het in de nabijheid of samen huisvesten van andere roofvogels moet rekening worden gehouden met het feit dat dit niet altijd werkt en kan leiden tot agressie en daarop volgende verwondingen (12). Aan elkaar grenzende volièrewanden kunnen, afhankelijk van tolerantie naar elkaar, deels of volledig worden afgesloten door middel van bijvoorbeeld rietmatten, damwand of andere afscherming die voorkomt dat de vogels elkaar zien. (21; 29; 26; 27; 31).

18

5.2 Zitmogelijkheid Wetgeving en vrijheden: Een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2).Wanneer een roofvogel géén gevarieerde en voor de soort en leeftijd geschikte zitmogelijkheden aangeboden krijgt, kan dit leiden tot een belemmering van het natuurlijke roestgedrag en bovendien tot fysiek en fysiologisch ongerief; en tot pijn, verwondingen en ziektes.

Invulling en achtergrond volièrevogels: Het is van belang dat de vogel zelf de keuze kan maken om hoog of laag te gaan zitten. Voor vogels die de voorkeur hebben om op enige hoogte te roesten is belangrijk dat tenminste één van de zitplekken op het hoogste punt is geplaatst waar het dier nog normaal kan zitten (12; 26; 27; 29). De zitplekken moeten bovendien zodanig geplaatst worden dat de roofvogels maximaal gebruik kunnen maken van de vliegruimte, ook rekening houdende met vegetatie. Daarnaast moet de vogel zelf de keuze kunnen maken in hoeverre hij/zij tijdens het roesten wordt blootgesteld aan de zon, regen, wind; visueel contact met mensen, dieren en roofvogels (al dan niet in andere volières) (12; 26). Bij zitmogelijkheid in een hoek moet een afweging worden gemaakt tussen de wens van het dier om zich veilig te kunnen terugtrekken, wat juist in een hoek goed mogelijk is, en het risico op vervuiling van de muur en beschadiging van de vleugels (29). Bij de keuze en de plaatsing van zitmogelijkheden dient naast de hoogte altijd rekening gehouden te worden met de spanwijdte van de vogel en de mogelijkheid om tijdig de vleugels in te trekken om beschadiging te voorkomen. Wanneer de zitstok te dicht op het gaas of andere objecten is geplaatst, kan de roofvogel zijn veren beschadigen (12).

Van nature maken roofvogels gebruik van verschillende soorten zitmogelijkheden, wat van groot belang is voor de pootgezondheid en pododermatitis3 voorkomt (32). Bij roofvogels die lange tijd op (ongeschikte) zitstokken zitten kan plaatselijk druknecrose optreden. Op deze plekken op de voetzool zal het afweermechanisme minder goed werken, waardoor ziekteverwekkende kiemen hier makkelijker kunnen binnendringen en pododermatitis kan ontwikkelen (6; 33). Grote valken, die van nature vaak op platte oppervlaktes staan en een relatief hoger gewicht hebben, zijn hier vatbaarder voor dan relatief lichtere haviken die van nature vaak op takken zitten (34). Grote valken en uilen hebben daarom in ieder geval één vlak zitoppervlakte nodig, zoals bijvoorbeeld: rotsen of takken met een grote diameter (35). Om pododermatitis te voorkomen moeten zitstokken daarnaast niet te glad/ongestructureerd zijn en verschillende oppervlaktestructuren bieden door bijvoorbeeld: bekleding met astroturf, sisaltouw of tapijt (19; 35).Het oppervlak mag ook niet te hard zijn en moet vrij zijn van scherpe randen en uitstekende delen (Bijlage 4). Zitstokken die meegeven wanneer de vogel er op landt en zitstokken met verschillende (geschikte) diameters zijn bevorderlijk voor de pootgezondheid (21; 26; 29).

3

Pododermatitis (“Bumblefoot”) is een aandoening aan de poten die veel voorkomt bij (grote) roofvogels in gevangenschap en wordt gekenmerkt door beschadiging, zweren en zwelling aan de klauwen, en uiteindelijk kan leiden tot een infectie van het interne pootweefsel.

19

In tabel 1 staan de meest geschikte zitmogelijkheden voor de verschillende vogelsoorten genoteerd. Tabel 1: Vereiste zitmogelijkheden voor verschillende vogelsoorten (29)

Vogelsoort: Gieren: Arenden: Grote valken en uilen: Buizerds, haviken, kleine roofvogels:

Zitmogelijkheid: Groot, anti-slip, voldoende landmogelijkheid Groot, tak-achtig, veel ruimte om te landen (>spanbreedte) Rotsranden, takken met grote diameter, halfronde houten randen met kokosmat of kunstgras. Mix hoog en laag, boomachtig, dik touw .

Invulling en achtergrond vliegvogels: Voor vliegvogels dienen er tenminste twee zitplekken in het verblijf te zijn om te zitten. Eén van deze plekken moet beschut zijn en de andere open om in de fysiologische behoefte de omgeving te bekijken te voldoen. Voorts moet er rekening mee worden gehouden bij de keuze voor zitplekken dat roofvogels van nature gebruik maken van verschillende soorten zitmogelijkheden, wat van groot belang is voor de pootgezondheid en pododermatitis voorkomt (32). Daarnaast moet de vogel zelf de keuze kunnen maken in hoeverre hij/zij tijdens het roesten wordt blootgesteld aan de zon, regen, wind; visueel contact met mensen, dieren en roofvogels (al dan niet in andere volières) (12; 26). Doormiddel van schotten en beschutte plekken kan dit worden gerealiseerd. In tabel 3 staan de meest geschikte zitmogelijkheden voor de verschillende vogelsoorten genoteerd.

5.3 Visuele horizonverbreding Wetgeving en vrijheden: Een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2).

Invulling en achtergrond volière vogels: Roofvogels zijn predatoren en hebben van nature de behoefte aan observatiemogelijkheden, waarbij ze bij voorkeur zelf verscholen kunnen zitten (12, 26, 36).Hierbij dient de vogel de omgeving op zowel land- als luchtniveau te kunnen scannen (18).Om dit te kunnen bewerkstelligen dient tenminste een deel van het dak open te zijn.

Invulling en achtergrond vliegvogels: Roofvogels zijn predatoren en hebben van nature de behoefte aan observatiemogelijkheden, dit geldt ook voor vogels die dagelijks worden gevlogen en ingezet voor demonstraties, waarbij ze bij voorkeur zelf verscholen kunnen zitten (26, 36). Om dit te kunnen bewerkstelligen dient tenminste een deel van het dak open te zijn.

20

5.4 Behuizing en Bodembedekking Wetgeving en vrijheden: Degene die een dier houdt, moet er zorg voor dragen dat een dier een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden (art. 1.7 sub d). In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, mogen geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking worden gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier (art. 1.8 lid 3). De behuizing, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft, moet op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn kan worden veroorzaakt en mogen geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden (art. 1.8 lid 2). Bovendien moeten deze materialen eenvoudig kunnen worden gereinigd en ontsmet (art. 1.8 lid 4). Er mogen in de ruimte waarin een dier wordt gehouden ook geen materialen en bodembedekking worden gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier (art. 1.8 lid 3). Een ontoereikende behuizing kan stress voor het dier opleveren met als gevolg hiervan een grotere kans op het ontstaan van ziektes, zoals bijvoorbeeld Aspergillose. Hierdoor kan het dier niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief en van pijn, verwondingen en ziektes.

Invulling en achtergrondvolièrevogels en vliegvogels: Ongeschikte bodembedekking speelt een grote rol bij de ontwikkeling van Aspergillose4, een van de meest verwoestende en dodelijke ziektes onder roofvogels (6; 24; 37; 38). Sommige soorten, waaronder giervalken, zijn bijzonder gevoelig voor de ontwikkeling van Aspergillose (27). Aspergillus spp. groeien snel in vochtige substraten (bijv. bagasse, hooi, stro, zaagsel of houtschilfers) en sporen verspreiden zich gemakkelijk in een stoffige ruimte (29; 38). Daarom wordt aangeraden om grof materiaal (bijv. kiezelstenen, ronde erwt, natuurlijk turf, gras, zand) te gebruiken als bodembedekking en voedsel- en plantenresten en ontlasting regelmatig op te ruimen (26; 27; 36; 38; 39. Wanneer een biologische reiniging van het grondmateriaal kan plaatsvinden (bijvoorbeeld bij gebruik van groenvegetatie), is slechts twee- tot driemaal per jaar reiniging nodig (31; 40). Bij huisvesting onder een gesloten dak en grondbedekking met grof zand, keien, aarde of schorsbedekking die de ontlasting en urine goed absorberen moet een grondige reiniging vaker uitgevoerd worden om o.a. ziektes en vederbevuiling te voorkomen (31).

4

Dodelijke ziekte in het ademhalingssysteem die wordt veroorzaakt door Aspergillusspp. (een specifieke groep van schimmels). De symptomen zijn een algemeen ziektebeeld (niet strak in de veren en rusteloos), versnelde ademhaling, hijgen, uitputting, verlies van gewicht en gebrek aan eetlust. (38)

21

6. Natuurlijk prooigedrag en voedsel Wetgeving en vrijheden: Een dier moet een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier (art. 1.7 sub e). Een dier moet bovendien voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2). Indien hier niet aan voldaan wordt, kan het dier niet gevrijwaard worden van dorst, honger en/of ondervoeding, fysiek en fysiologisch ongerief of ziektes.

Invulling en achtergrondvolièrevogels en vliegvogels: Het is van belang dat roofvogels hun natuurlijke prooigedrag kunnen uitoefenen en een uitgebalanceerd voer krijgen van de juiste kwaliteit en kwantiteit. Het dieet van een roofvogel moet bestaan uit volledige en voor de soort en leeftijd geschikte prooidieren om voedingsdeficiënties tegen te gaan, waarbij variatie belangrijk is (6; 22; 27). Het voeren van ongeschikt voer draagt bij aan een afname van de weerstand en daardoor toename van het risico op het ontstaan van infecties en/of het niet of slechter herstellen van verwondingen. Juiste voeding speelt een belangrijke rol in het voorkomen van verschillende infecties, waaronder pododermatitis(32). Voor nagenoeg alle soorten roofvogels en uilen kan in de voedingsbehoefte worden voorzien met kleine zoogdieren en kuikens/vogels. Een goed naslagwerk inzake voeding voor roofvogels en uilen is het voedingsboekje Kiezebrink in samenwerking met Verstappen. Het bevoelen van het borstbeen (en de borstbespiering) door een gespecialiseerde dierenarts van roofvogels geeft een indicatie van de (voedings)conditie van een roofvogel (42; 43). Rekening moet worden gehouden met de samenhang tussen frequent vliegen en gewicht. Wanneer het borstbeen niet (of moeilijk) voelbaar is, is de vogel te dik. De conditie is goed wanneer het borstbeen gemiddeld voelbaar, maar niet scherp is.

De vogel kan te mager zijn wanneer het borstbeen te scherp aanvoelt (43; 44; 45; 46). Een goede voedingsconditie betekent echter niet dat het dier geen specifieke nutritionele tekorten heeft. Er moet echter wel rekening mee worden gehouden dat in de praktijk blijkt dat ook vogels, net als andere dieren, aanleg kunnen hebben voor obesitas, of juist ondergewicht, ondanks juiste verzorging. Wanneer met het bevoelen een indicatie ontstaat dat het dier niet in een goede voedingsconditie is, moet nader onderzoek worden uitgevoerd om de oorzaak vast te stellen.

Invulling en achtergrond vliegvogels: Door de roofvogels vrij te vliegen en tijdens de vlieguren te belonen met voeding wordt het natuurlijke gedrag nagebootst dat de roofvogels actief hun voeding verkrijgen. Ook bij vliegvogels dient er afwisseling in het dieet te zijn.

22

7. Water Wetgeving en vrijheden: Een dier moet toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit (art. 1.7 sub f). Door een roofvogel geen toegang te bieden tot voor de soort en leeftijd geschikt vers drink-/ badwater van passende kwaliteit, kan het dier niet gevrijwaard worden van dorst, honger en ondervoeding; fysiek en fysiologisch ongerief; pijn, verwondingen en ziektes; en is sprake van een beperking in de mogelijkheden tot het uitvoeren van het natuurlijke gedrag.

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Roofvogels voldoen normaal gesproken grotendeels aan hun waterbehoefte door dit aan hun opgenomen voedsel te onttrekken. Als gevolg hiervan drinken ze zelden water (26; 31). Hoewel roofvogels niet regelmatig drinken, doen ze dit van tijd tot tijd wel, in het bijzonder wanneer ze jong zijn, bij warm weer of wanneer ze ziek zijn (29). De vogel moet daarom altijd schoon en vers drinkwater tot zijn beschikking hebben (6; 21; 29; 31). De makkelijk te reinigen bad moet bovendien zo geplaatst worden dat ze niet met uitwerpselen van een daarboven zittende vogel worden besmeurd (12, 47). Sommige roofvogels baden graag, dus moet vers water in een schaal (ondiep, met anti-slip vloer) beschikbaar zijn (12, 27; 26; 29; 31).Waterbaden moeten tenminste eenmaal per week en tijdens de zomermaanden driemaal per week tot dagelijks ververst worden om algengroei te voorkomen (6; 29). Op het moment dat er kans bestaat op vorst of de temperatuur zo laag is dat dit, in geval van het nat worden van het verenpak, risico’s voor de gezondheid van het betrokken dier met zich meebrengt, geldt het advies het badwater weg te halen(6; 48) (er hoeft maar één schaal water in een volière te staan, dus niet afzonderlijk badder- en drinkwater).

Uitdroging kan bij roofvogels worden herkend aan de mate van oplichtbaarheid van de huid (huidturgor), de bek en de ogen. Een uitdroging tot en met 5% is visueel moeilijk waarneembaar; de huidturgor is hierbij ook nog minder dan één seconde (43; 49).Een grotere mate van uitdroging (5%10%) is te herkennen aan droge slijmvliezen, toename van de huidturgor, doffer wordende ogen en rimpeliger worden van de washuid (49).Wanneer de uitdroging tot meer dan 10% toeneemt, is de situatie voor de roofvogel levensbedreigend. Hierbij neemt de huidturgor substantieel toe, verrimpelt de huid op de tenen en neemt de hartslag toe (43; 49). Een (lichte) vermagering kan overigens ook op uitdroging duiden (43).

23

8. Weersinvloeden en temperatuur Wetgeving en vrijheden: Een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2) en een dier moet bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s, en - zo nodig - roofdieren indien het niet in een gebouw wordt gehouden (art. 1.6 lid 3). Door een roofvogel onvoldoende te beschermen tegen kou en/of hitte, kan het dier niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief en van pijn, verwondingen, ziektes en chronische stress (het zich niet kunnen beschermen tegen klimaatinvloeden is een duidelijke stressor).

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Hoewel roofvogels over het algemeen goed tegen kou bestand zijn, moeten ze beschermd worden tegen extreme weersomstandigheden. Roofvogels moeten de mogelijkheid hebben om de mate waarin ze blootgesteld worden aan weersinvloeden zelf te bepalen. Dit houdt in dat zij de mogelijkheid moeten hebben om zowel in als uit de regen, wind en zon te zitten (6; 12; 18; 21).Hierbij verschillen de behoeftes per soort. Giervalken en sneeuwuilen zijn bijvoorbeeld gevoelig voor hitte en hebben een grote behoefte aan schaduw, terwijl woestijnbuizerds weer behoefte hebben aan zonlicht (6). Bij bevriezing (frostbite) worden normaliter de tenen en soms de voet, de poot en de vleugeltip aangetast. Bevriezing geeft symptomen van lichte roodheid of zwelling tot – in ernstiger gevallen - afsterving (51). Wanneer frostbite optreedt heeft de huisvesting niet de benodigde bescherming geboden (51; 52). Het wordt om bovenstaande redenen aangeraden om roofvogels in een volière met deels gesloten en deels open dak te huisvesten, waarbij het open gedeelte is overspannen met net en het gesloten gedeelte met waterbestendig en niet-lichtdoorlatend materiaal (bijvoorbeeld vezelbeton of bitumen) (21; 29). Als het dak van de volière toch in zijn geheel open is, moet er in de volière een overdekking gerealiseerd worden (26).

Deze schuilplaats moet tochtvrij zijn en gelegenheid bieden om comfortabel voor weersinvloeden te kunnen schuilen. Afhankelijk van de soort zal de schuilplaats vorstvrij moeten zijn of zal er een (deels) verwarmd binnenverblijf moeten worden aangeboden (zie Bijlage 3).

24

9. Ventilatie Wetgeving en vrijheden: Degene die een dier houdt, moet er zorg voor dragen dat een dier voldoende verse lucht of zuurstof krijgt (art 1.7 sub g). Door een roofvogel geen verse lucht te bieden kan het niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief en van pijn, verwondingen en ziektes.

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: De ruimte waarin een roofvogel gehouden wordt, moet voldoende geventileerd worden. Slechte ventilatie draagt bij aan een snelle groei van schimmels, waaronder Aspergillose (38). Daarnaast ondervinden roofvogels door de bouw van hun ademhalingsstelsel veel hinder van stof en rook. Elke ruimte waarin een roofvogel wordt gehouden (waaronder een binnenruimte), moet voldoende verse lucht hebben en de aangeboden verse lucht mag niet stoffig of rokerig zijn. Het heeft (naast de eisen die gesteld worden aan behuizing en bodembedekking) dan ook de voorkeur om roofvogels buiten te huisvesten (26).

25

10. Inprenting en socialisatie Wetgeving en vrijheden: Voor de juiste ontwikkeling van een dier is het noodzakelijk dat het dier een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier (art. 1.7 sub e). Daarnaast moet een dier in staat worden gesteld om te kunnen voldoen aan zijn ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2). Tijdens de leerfase breidt een vogel het gedragsrepertoire uit door te leren volgens de principes van habituatie, associatie, klassieke en operante conditionering.

Invulling en achtergrond: Een dier moet in staat worden gesteld om soort-typisch gedrag te ontwikkelen en uitoefenen, i.e. een roofvogel moet zich kunnen ontwikkelen tot en leven als een roofvogel. Hiervoor is het o.a. van belang dat het dier op de juiste wijze wordt opgevoed (i.e. door de ouderdieren en soortgenoten of door de mens), en wanneer dit bij de soort past, met soortgenoten in een stabiele leefomgeving wordt gehuisvest. Soort-typisch gedrag is deels genetisch bepaald, het dier zal dit gedrag kunnen en willen uitoefenen, onafhankelijk van leermomenten en de omgevingsfactoren. Voorbeelden van dergelijk instinctief gedrag zijn jagen en migratie (24). De fases waarin overig gedrag wordt aangeleerd moeten op de juiste wijze worden ingevuld om te zorgen dat de vogel het volledige repertoire aan soort-typische gedragingen kan ontwikkelen en uitoefenen. Tijdens de inprentingperiode leert de vogel soort-typisch gedrag aan dat essentieel is voor het latere functioneren, onder andere met betrekking tot partner- en soortherkenning, de ontwikkeling van angsten en hoe de vogel omgaat met nieuwe situaties. Voeding kan door de mens aangereikt worden.

Een andere optie is bij het fokken van roofvogels en uilen de dieren te het wennen aan sociaal contact met mensen maar zodra dit voor wat betreft de leeftijd van het dier mogelijk is, het voedsel aan te bieden los van de aanwezigheid van mensen, samen met andere soortgenoten of soortgelijke dieren. De vogels zullen het voer ook niet associëren met de mens en soorten herkennen door de sociale opfok. (12; 24; 55; 56). Door de bovenstaande methode zullen de dieren minder bang zijn voor mensen en stress reduceren maar ze herkennen dan wel hun eigen soort. Het belangrijkste is steeds dat er geen ongewenst gedrag ontstaat dat geassocieerd wordt met voedsel, zoals bedelen.

26

11. Sociale interactie Wetgeving en vrijheden: Een dier moet voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften (art. 1.6 lid 2) en een dier moet, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren (art. 1.6 lid 3). Door een roofvogel niet in de juiste sociale context te huisvesten, kan het dier niet gevrijwaard worden van fysiek en fysiologisch ongerief; pijn, verwondingen en ziektes; angst en chronische stress; en een beperking in het uitvoeren van het normale gedrag.

Invulling en achtergrond volièrevogels en vliegvogels: Algemeen gezien worden de meeste roofvogels als solitair beschouwd maar vaak tolereren ze andere individuen van hun eigen soort wel, alhoewel dit niet voor alle soorten geldt. Steenuilen kunnen territoriaal zijn en soms als paar ook niet goed gedijen in een volière. Oehoe’s kunnen juist als er voldoende voedsel is heel goed in groepen gehouden worden, deze soorten vertonen nauwelijks territoriaal gedrag. Wanneer een woestijnbuizerd solitair wordt gehuisvest bestaat er een verhoogd risico dat dit dier zal gaan verenplukken (41). Er bestaat dus veel ruimte voor nuances bij het bepalen of een soort al dan niet sociaal of solitair gehouden kan worden. Wanneer vogels wel samen gehuisvest worden, mogen er geen aanwijzingen zijn van afwijkend gedrag, zoals agressie ten opzichte van elkaar. Indien dit wel het geval is, moeten de dieren uit elkaar worden gehaald en afzonderlijk gehuisvest worden. Roofvogels in gevangenschap kunnen bijvoorbeeld bij confrontaties met betrekking tot de hiërarchie niet vluchten (12; 24; 57).

27

12. Kennis en vaardigheden Wetgeving en vrijheden: De houder van een roofvogel moet er zorg voor dragen dat deze verzorgd wordt door een persoon die beschikt over de voor de verzorging benodigde kennis en vaardigheden (art. 1.7 sub a) én onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk in staat is de dieren te verzorgen (art. 1.7 sub b). Bij het bedrijfsmatig fokken en verkopen van dieren is in Hoofdstuk 3 § 2 van het Besluit houders dieren geregeld op welke wijze moet worden voorzien in een bewijs van vakbekwaamheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11378800/1