Partiële herz BP Centrale As (Veenestraat 12-18b en 20 te Bunschoten)
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.8
Flora en fauna
4.8.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000- gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
33
andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2
Onderzoek
Veenestraat 12-18b Er is door FF Solutions nader onderzoek (d.d. 27 september 2022) naar vleermuizen, de gierzwaluw, de huismus en de steenuil uitgevoerd. De belangrijkste onderzoekconclusies worden hieronder weergegeven. Voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlagen. De vaststellingen van het nader onderzoek worden weergegeven in onderstaande figuren, hierbij worden eveneens de te nemen acties besproken.
Figuur 16 Vaststellingen voor vleermuizen, met risico's en te nemen actie(s)
Figuur 17 Vaststellingen huismus, gierzwaluw, met bijbehorend risico en te nemen actie(s)
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Echter, het aanvragen van een ontheffing blijft van toepassing. Er dient een activiteitenplan te worden opgesteld als ondersteuning bij de ontheffingsaanvraag waarin maatregelen worden opgenomen. Maatregelen bestaan onder andere uit:
Het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis;
Het werken buiten kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis.
Tevens dient een verklaring van geen bedenking te worden aangevraagd voor de huismus en zal groen opgenomen moeten worden in het ontwerp. Binnen de voorgenomen ontwikkeling is een erkend belang van toepassing. De ontwikkeling is in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Deze erkende belangen zijn inzetbaar voor vleermuizen (art. 3.8 lid5, b3).
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
34
Ten behoeve van het voorkomen van algemene broedvogels, soorten met een provinciale vrijstelling en zorgplichtsoorten dienen aanvullende maatregelen genomen te worden. Maatregelen bestaan onder andere uit:
Het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen;
Het uitvoeren van een (broedvogel)schouw voor de werkzaamheden;
Rijsnelheid en werkrichtingen afstemmen op vluchtroutes en veilige plaatsen voor soorten.
De algemene zorgplicht blijft van kracht. Bij calamiteiten zal opnieuw moeten worden beoordeeld welke maatregelen passend zijn. 4.8.3
Conclusie
Het aspect ‘Flora en Fauna’ vormt, met inachtneming van bovenstaande, geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.9
Archeologie & cultuurhistorie
4.9.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie en cultuurhistorie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.
Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.
Beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
De op de gemeente Bunschoten toegespitste Archeologische Beleidsadvieskaart heeft de inmiddels verouderde Indicatieve Kaart Archeologische waarden (IKAW) en Archeologische Monumentenkaart (AMK) vervangen. In tegenstelling tot de IKAW en AMK geeft de Archeologische Beleidsadvieskaart tot op perceel niveau aan of er een archeologische bekende waarde of verwachting is. Op basis daarvan kan in een vroeg stadium van ruimtelijke planvorming gekeken worden of en hoe archeologische waarden beschermd kunnen/moeten worden: middels planaanpassing of het behoud van informatie opgraven. Bij elke voorgenomen
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
35
activiteit om de bodem te verstoren in een gebied met archeologische waarde of verwachting moet namelijk in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om te voorkomen dat er verstoring van archeologische resten in de bodem voorkomt moet de gemeente erop toezien dat er op kosten van de verstoorder een gedegen wetenschappelijk onderzoek komt en dat de archeologische vondsten worden veiliggesteld. Aan elk gebied met archeologische waarde of verwachting is beleid gekoppeld, welk voorschrijft wanneer (vanaf welke oppervlakte en diepte) een vergunningsaanvraag op archeologie getoetst moet worden. Zodat bepaald kan worden of voorafgaand aan de werkzaamheden een archeologisch (voor)onderzoek nodig is. 4.9.2
Onderzoek
Veenestraat 12-18b De Archeologische Beleidsadvieskaart (2015) is geraadpleegd. Op deze kaart ligt het plangebied in de zone ‘Historische Kern /erf’ met een hoge archeologische verwachting. Daarnaast ligt op het plangebied de dubbelbestemming “Waarde – archeologie 3”. Inhoudende dat volgens artikel 28.2.1 er een vergunningplicht geldt indien er 100 m2 of meer aan grondwerkzaamheden wordt uitgevoerd. Er wordt circa 150m2 grond geschikt gemaakt voor het bouwen van woningen. Derhalve zal een vergunning voor deze locatie noodzakelijk zijn. Op basis van de Archeologische Beleidsadvieskaart, het gestelde in het bestemmingsplan en het voorgenomen plan, is voor dit project een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast is het verplicht bij bodem verstorende activiteiten alert te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden. Bij het aantreffen van deze waarden dient hiervan melding te worden gemaakt bij het bevoegd gezag conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988. Bouwhistorische verkenning Onderzoeksbureau Halverstad Archeologie en Bouwhistorie heeft een bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd van de boerderij met aangrenzend bijgebouw gelegen aan de Veenestraat 12 en 14 in Bunschoten, alsmede een bouwhistorische verkenning met waardestelling van de boerderij met schuur gelegen aan de Veenestraat 16, 18 en 18a in Bunschoten.
De onderzoeken bestonden uit een veldonderzoek in de objecten zelf, waarbij structuren, constructies, vormen, bouwmaterialen, bouwsporen en afwerkingen zijn vastgelegd en geïnterpreteerd. Tenslotte is literatuur- en archiefonderzoek uitgevoerd. Het archiefonderzoek was in hoofdzaak gericht op bouwtekeningen, kadastrale- en historische kaarten en oud fotomateriaal van de panden. De analyse van de hieruit voortkomende gegevens vormde de basis voor de samenstelling van de monumentwaarden. Het onderzoek naar de panden kende enkele beperkingen. Zo waren het dak en de achtergevel van het bijgebouw van 12-14 gedeeltelijk ingestort waardoor deze niet toegankelijk was voor onderzoek en waren het dak en de achtergevel van de schuur van nr. 16-18 gedeeltelijk ingestort. Verder waren de kelders van de panden niet toegankelijk omdat deze onder water stonden. Tenslotte waren oudere interieurafwerkingen uit het zicht door later aangebrachte voorzetwanden en recentere vloer-, wand- en plafondafwerkingen. De rapporten gaan in op de contextuele en interne waardestelling, bedoeld om de diverse elementen van het monument te wegen. Doel is het bepalen van het relatieve belang van de monumentale waarden van onderdelen van het bouwwerk, voorafgaande aan een verbouwing of restauratie waarbij men voor de keus staat deze onderdelen te behouden, te vervangen of te verwijderen.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
36
De belangrijkste onderzoekconclusies worden hieronder weergegeven. Voor de volledige rapporten wordt verwezen naar de bijlagen. Veenestraat 12 en 14 Bouwmassa, exterieur en constructie
De bouwmassa van de boerderij met aangrenzend bijgebouw aan de rechter gevelzijde is, met uitzondering van de dakopbouw aan de linker- en rechterzijde, in één keer in 1897 tot stand gekomen. Het gebouw is ondanks diverse bouwkundige gebreken redelijk gaaf behouden en heeft een hoge monumentwaarde.
De dakopbouwen van de boerderij maken onderdeel uit van de verbouwingen die in 1953 werden uitgevoerd toen de boerderij in twee woningen werd opgesplitst. Deze hebben een positieve monumentwaarde
De in machinale roodbruine baksteen, in kruisverband opgetrokken gevels waarvan de voorgevel is voorzien van siermetselwerk in de vorm van speklagen en voorzien van jaartalankers hebben een hoge monumentwaarde. De schoorsteen aan de rechter voorzijde heeft een positieve monumentwaarde. Waarschijnlijk was hier vanaf de bouwtijd (1897) een hoekschouw op aangesloten en werd deze in 1953 vervangen door de huidige, onlangs ontmantelde kachel.
Ook de gevels van het aangrenzend bijgebouw in machinale roodbruine baksteen, in kruisverband opgetrokken op het begane grond niveau en in halfsteensverband in de geveltop hebben een hoge monumentwaarde. Zij dateren uit de bouwtijd van het bijgebouw (in 1897). De gietijzeren stalvensters met gecementeerde bakstenen raamdorpels dateren uit de bouwtijd en hebben een hoge monumentwaarde.
De vensters, waaronder de betonnen vensters, die in 1953 werden aangebracht hebben een positieve monumentwaarde. Ook de dubbele ingang met gemetseld trapje heeft een positieve monumentwaarde.
De boerderij en bijgebouw hebben een traditionele constructie met bakstenen muren, houten vloeren en een houten kapconstructie. De gebintconstructie van het achterhuis is aangetast. De standvinken van beide gebinten zijn verwijderd. Sporen van de verwijderde standvinken zijn aanwezig. De traditionele constructie heeft een hoge monumentwaarde.
Interieur en afwerking
In het interieur resteert van de oorspronkelijke structuur alleen nog de kelder met gemetselde keldertrap en de brandmuur tussen het woon- en bedrijfsgedeelte. Deze hebben een hoge monumentwaarde. De in circa 1945 en 1953 uitgevoerde verbouwingen waarbij de boerderij werd opgesplitst in twee woningen hebben een positieve monumentwaarde. In meerdere vertrekken is de interieurafwerking en enkele elementen uit 1953 nog bewaard gebleven zoals beide hoekschouwen in huisnummer 14; inbouwkasten; tegellambriseringen met patroon; vloertegels; systeemplafonds met ruitvorm in het midden; bovenramen met glas-in-lood en paneeldeuren. Een aanwezig kelderluik uit 1953 onder de trap in huisnummer 14 kon niet worden geopend. Hierdoor kon de mogelijk aanwezige kelder niet worden onderzocht en gewaardeerd.
Zowel de indeling als de interieurafwerking uit 1953 hebben een positieve monumentwaarde. De naderhand uitgevoerde verbouwingen in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben een indifferente monumentwaarde.
De oorspronkelijke indeling met een middendeel en stallen aan weerszijden van de deel is niet meer goed herkenbaar. De standvinken van beide gebinten zijn verwijderd en vervangen door stempels. Een gedeelte van het bedrijfsgedeelte is in 1953 afgescheiden ten behoeve van woonruimte voor de woning aan de zuidzijde. De voergoten en de gruppen langs beide bouwmuren zijn gemoderniseerd. De indeling van het bedrijfsgedeelte heeft een positieve monumentwaarde.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
37
Op de verdieping hebben de in 1953 aangebrachte slaapkamers en overloop een positieve monumentwaarde.
Veenestraat 16, 18 en 18a Bouwmassa, exterieur en constructie
De bouwmassa van de boerderij is, met uitzondering van de dakopbouw aan de linkerzijde, in één keer in 1904 tot stand gekomen. Het gebouw is ondanks diverse bouwkundige gebreken redelijk gaaf behouden en heeft een hoge monumentwaarde. Ook de bijbehorende vrijstaande schuur links van de boerderij die in of kort voor 1905 werd gebouwd heeft ondanks de bouwkundige gebreken een hoge monumentwaarde.
De dakopbouw van de boerderij maakt onderdeel uit van de verbouwingen die in 1957 werden uitgevoerd toen de boerderij in twee woningen werd opgesplitst na beëindiging van de veehouderij. Deze heeft een positieve monumentwaarde
De in machinale roodbruine baksteen, in kruisverband opgetrokken gevels waarvan de voorgevel is voorzien van siermetselwerk in de vorm van speklagen en het bouwjaar van gele verblendsteen, de gevelsteen links van de originele ingang in het midden van de voorgevel, het zadeldak ter hoogte van het voorhuis (woongedeelte) gedekt met gesmoorde platte Friese dakpannen en ter hoogte van het achterhuis (bedrijfsgedeelte) met gesmoorde Hollandse pannen op een dunne laag riet en het rookkanaal tegen de brandmuur van de verdwenen keukenschouw dateren alle uit 1904 en hebben een hoge monumentwaarde. De schoorsteen in het rechter dakvlak heeft een positieve monumentwaarde. In 1957 was de dubbele hoekschouw van de en suitekamer hierop aangesloten.
Ook de gevels van de schuur in machinale roodbruine baksteen, in kruisverband opgetrokken op het begane grond niveau en in halfsteensverband in de geveltop, en het zadeldak gedekt met gesmoorde Hollandse pannen op een dunne laag riet hebben een hoge monumentwaarde. Zij dateren uit de bouwtijd van de schuur (in of kort voor 1905).
De gietijzeren stalvensters met gecementeerde bakstenen raamdorpels van de boerderij en schuur en het gietijzeren roosvenster in de geveltop van de achtergevel van de boerderij dateren uit de bouwtijd en hebben een hoge monumentwaarde.
De vensters waaronder de betonnen vensters die in 1957 werden aangebracht hebben een positieve monumentwaarde. Ook de ingang met portiek, waarvan de wanden zijn voorzien van siermetselwerk, en het gemetselde trapje van een strengperssteen met boomschors motief die in de linker zijgevel werd aangebracht als toegang van de woning aan de zuidzijde heeft een positieve monumentwaarde. Het originele gemetselde trapje van de toegang in de voorgevel werd in 1957 vervangen door een identiek trapje van strengperssteen met boomschors motief. Ook deze gemetselde trap heeft een positieve monumentwaarde.
De boerderij en schuur hebben een traditionele constructie met bakstenen muren, houten vloeren en een houten kapconstructie. De gebintconstructie van het achterhuis is nog redelijk gaaf intact. De constructie heeft een hoge monumentwaarde.
Interieur en afwerking
In de boerderij is de indeling van een woongedeelte en een bedrijfsgedeelte aan weerszijden van een brandmuur bewaard gebleven. In het voorhuis is de originele indeling uit 1904 deels bewaard gebleven waaronder de kenmerkende middengang en de kelder aan de rechter voorzijde. De oorspronkelijke indeling heeft een hoge monumentwaarde. De in 1957 uitgevoerde verbouwingen waarbij de boerderij werd opgedeeld in twee woningen en een zuivelwinkel hebben een positieve monumentwaarde. In meerdere vertrekken is de interieurafwerking uit 1957 nog bewaard gebleven waaronder een hoekschouw in de
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
38
woonkamer van de linker woning aan de zuidzijde, systeemplafonds met in het midden een ruitvorm, tegellambriseringen van een crèmewitte tegel en zwarte bies en rood omrande tegelvloeren van gele en bruine vloertegels. Zowel de indeling uit 1957 als de interieurafwerking hebben een positieve monumentwaarde. De naderhand uitgevoerde verbouwingen in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben een indifferente monumentwaarde.
In het bedrijfsgedeelte hebben de in 1957 aangebrachte vertrekken ook een positieve monumentwaarde. De oorspronkelijke indeling met een middendeel en stallen aan weerszijden van de deel is niet meer herkenbaar. De oorspronkelijke driebeukige opzet is nog herkenbaar aan het gebint waarvan de dekbalk wordt ondersteund door twee standvinken. De vloer van het bedrijfsgedeelte is gedekt met betontegels. Deze vloer heeft een indifferente monumentwaarde.
Op de zolderverdieping hebben de in 1957 aangebrachte slaapkamers en overloop in het voorhuis en in het achterhuis een positieve monumentwaarde. In het achterhuis is de dakopbouw in 1957 ten behoeve van de slaapkamers aangebracht.
Deelconclusie Archeologie & Cultuurhistorie Bovenstaande waardestellingen voor de panden zijn meegenomen in het ontwerp voor de herontwikkeling. Zowel deze als de contextuele waardestellingen die gemeente Bunschoten in 2020 heeft afgegeven, vormen de totale context waarbinnen de herontwikkeling plaatsvindt. Door het meenemen van de waarden van het monumentale pand en haar omgeving, voldoet de herontwikkeling aan de uitgangspunten voor archeologie en cultuurhistorie en vormt dit geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan. 4.9.3
Conclusie
Het aspect ‘Archeologie & cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.
4.10
Stikstof
4.10.1
Toetsingskader
Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State bepaald dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming mag worden gebruikt voor het onderdeel Natura 2000 (gebiedsbescherming) van de Wet natuurbescherming. Per plan dient aangetoond te worden dat er geen toename is van de stikstofdepositie. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat de bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daardoor geconstateerd dat de bouwvrijstelling niet meer gebruikt mag worden bij bouwprojecten. Hierdoor dient naast de gebruiksfase ook de sloop- en aanlegfase berekend te worden. 4.10.2
Onderzoek
Veenestraat 12-18b Een stikstofdepositieonderzoek is uitgevoerd (d.d. 30 maart 2023). Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de gebruiksfase en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat ervan het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn,
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
39
geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. 4.10.3
Conclusie
Het aspect ‘Stikstof’ vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.
4.11
M.e.r.-beoordeling
4.11.1
Toetsingskader
Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig. 4.11.2
Onderzoek
Veenestraat 12-18b Met dit planvoornemen wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Derhalve is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.
Om na te gaan of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden is in voorgaande paragrafen inzichtelijk gemaakt welke effecten het beoogde plan omvat. Het project betreft de realisatie van maximaal 4 nieuwe woningen met bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Doordat er woningbouw wordt mogelijk gemaakt zullen er permanente natuurlijke bronnen worden gebruikt. Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal verder geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. Er is met de realisatie van woningbouw bovendien geen sprake van een nieuwe risicobron.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
40
Voor de opgestelde vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt verwezen naar de bijlagen. 4.11.3
Conclusie
Gezien de bevindingen als beschreven in voorgaande paragrafen, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiele effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
41
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Tevens is waar mogelijk aangesloten op het vigerende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen: een verbeelding, plan-regels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maken de opgenomen bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij behorend bouwvlak. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond. De in dit bestemmmingsvlak opgenomen bestemmingen en aanduidingen worden in paragraaf 5.4 nader toegelicht.
5.3
Regels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels behorende bij de verschillende enkel- en dubbelbestemmingen. Deze worden in par. 5.4 nader toegelicht. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de voor elk bestemmingsplan verplichte overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden, zoals bovenstaand toegelicht. De in hoofdstuk 2 opgenomen bestemmingen kennen een gestandaardiseerde opbouw:
Bestemmingsomschrijving;
Bouwregels;
Nadere eisen;
Afwijken van de bouwregels;
Specifieke gebruiksregels;
Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
42
Wijzigingsbevoegdheid.
Een bestemming hoeft niet alle genoemde onderdelen te bevatten.
5.4
Wijze van bestemmen
In het bestemmingsplan zijn de volgende enkel- en dubbelbestemmingen opgenomen: Tuin Voor het oostelijk gedeelte van het plangebied, langs de Veenestraat, wordt de huidige tuinbestemming behouden. De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de bijbehorende gronden gelegen woningen, alsmede in- en uitritten en nutsvoorzieningen. De bestemming is opgenomen in het voorerfgebied. Binnen de bestemming mogen uitsluitend erkers en andere bouwwerken (geen gebouwen zijnde) worden gebouwd. Wonen- Aaneengesloten Naast de opgenomen Tuin-bestemming is voor de resterende percelen de enkelbestemming ‘Wonen- Aaneengesloten’ opgenomen. Binnen deze bestemming staat wonen centraal. Wonen mag gecombineerd worden met een vrij beroep. Binnenplans kan, onder voorwaarden, worden afgeweken ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, anders dan een vrij beroep, en internetwinkel in een woning en daarbij behorende aanbouwen- en bijgebouwen. Voor de bouw- en goothoogte van hoofdgebouwen wordt in de regels aangesloten bij de bestaande hoogtes, tenzij ter plaatse een aanduiding is opgenomen. Voor aan-uit en bijgebouwen en andere bouwwerken is een aparte, uitgebreide regeling opgenomen.
Er is een uitgebreide regeling opgenomen voor binnenplans afwijken bij omgevingsvergunning ten aanzien van hoofdgebouwen, goothoogte bij aan- of uitbouwen, grootte bouwpercelen en dakterrassen. Bij alle afwijking dient in ieder geval het bepaalde in de regels bij de dubbelbestemming ‘Waarde- Cultuurhistorie’ in acht te worden genomen. Het plangebied bevat twee bouwvlakken. Aan oostzijde sluiten de contouren van de bouwvlakken aan aan de gevels van de huidige bebouwing. Uitsluitend binnen het bouwvlak mag een hoofdgebouw in de vorm van een aaneengesloten woning, een twee-aaneengesloten woning of een vrijstaande woning. Waarde- Archeologie 3 Voor het gehele plangebied is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 3’ gehandhaafd. Deze dubbelbestemming waarborgt de bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Er is een vergunningplicht opgenomen in geval van uitvoering van werken en werkzaamheden over een oppervlakte van 100m2 of meer. Deze werken en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien kortgezegd
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
43
één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Daarnaast dient door aanvrager van de aanlegvergunning een rapport te worden overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Indien er een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd op de met deze dubbelbestemming bestemde gronden gelden er nadere eisen. Ten slotte zijn het college burgemeester en wethouders bevoegd de dubbelbestemming te wijzigen zodat deze wordt verschoven, verkleind of vergroot. Waarde- Cultuurhistorie Voor het gehele plangebied is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan ‘Centrale As’ de dubbelbestemming ‘Waarde- Cultuurhistorie’ gehandhaafd. Deze dubbelbestemming waarborgt het behoud, de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en ruimtelijke waarden. In de regels zijn voorwaarden opgenomen voor het bouwen op en gebruiken van gronden met deze dubbelbestemming, tevens is een vergunningenplicht opgenomen. Verwezen wordt daarbij naar de Cultuurhistorische beleidskaart Centrale As.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
44
6
Uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor dit bestemmingsplan inclusief de partiële herziening van bestemmingsplan ‘Centrale As’ zal de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen worden. Het bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen. Na afloop van de tervisielegging worden (eventuele) zienswijzen beoordeeld en wordt het bestemmingsplan ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. De resultaten van deze procedure worden te zijner tijd in deze toelichting verwerkt. 6.1.1
Omgevingsdialoog
Veenestraat 12-18b Hieronder is de omgevingsdialoog samengevat. Voor het volledige verslag wordt verwezen naar de bijlagen. Op 26 september 2022 heeft er een informatieavond plaatsgevonden. Hierbij waren naast omwonenden zowel de architect, de opdrachtgever, coördinator, bouwkundig tekenaar en een afgevaardigde van de gemeente Bunschoten aanwezig. In de presentatie werden de volgende punten werden aangekaart: het aantal nieuwe wooneenheden; de doelgroep; architectonische visie; parkeren; wanneer wordt de start bouw verwacht; hoe gaan we funderen/heien; aansluiting van de goot/afwatering met huisnummer 20. Zodra de presentatie afgelopen was, was er ruimte voor de omwonenden om te reageren op het plan. Ten eerste waren omwonenden erg blij met dat de twee boerderijen eindelijk opgeknapt werden. Ten tweede lieten de bewoners weten dat ze enthousiast zijn met het ontwerp. Maar enkele andere zorgen werden wel geuit. Het was onduidelijk hoe mogelijke schade aan omliggende gebouwen wordt voorkomen. Aangegeven werd dat het laden en lossen (bouwverkeer) gebeurt via de ingang op de Cornelis Houtmanstraat. Ook wordt er een nulmeting georganiseerd. Hier zijn de omwonenden content mee en er leken hierover geen verdere zorgen te ontstaan. Bij het buurperceel was men lichtelijk bezorgd over de nieuwe ramen op de eerste verdieping in de noordgevel van huisnummer 12.
Echter zitten deze ramen met meer dan 9 meter afstand van de gevel en 6 meter van de perceelgrens. Toen de verhouding duidelijk werd leek verdere discussie niet meer nodig. Voor de goot en de afwatering met huisnummer 20 wordt een onderlinge oplossing gezocht. Een bouwkundige maatregel lijkt voor nu onnodig. Tot slot ging het over het behoud van de twee grote bomen links op het kavel. Van de twee bomen is er één die ziek oogt. Deze zien ze liever verdwijnen. De andere boom zien ze optioneel verdwijnen. Voor alsnog blijft het plan beide bomen te behouden als dit mogelijk is.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
45
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Veenestraat 12-18b Het betreft een particulier initiatief. Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:
de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve
oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie een vier wooneenheden. Er is derhalve sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer, die daarvoor de benodigde budgetten heeft gereserveerd. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar Veenestraat 18d – 20 Dit deel van het plan betreft een gemeentelijk initiatief. De partiële herziening maakt geen nieuwe ontwikkelingen of bouwplannen mogelijk. Dit plan heeft een beheersmatig karakter en uitvoering van dit plan brengt geen kosten met zich mee. De kosten voor het opstellen van een deel van het bestemmingsplan en de met de procedure gemoeide kosten komen voor rekening van de gemeente. Er is hier binnen de gemeentelijke begroting budget voor gereserveerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee aangetoond. Bij vaststelling van het herziene bestemmingsplan door de gemeenteraad zal tevens het besluit worden genomen dat, voor die gevallen waar op basis van artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1 Bro een exploitatieplan verplicht is, geen exploitatieplan wordt vastgesteld omdat de kosten anderszins verzekerd zijn.
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
46
Separate bijlagen Bijlage 1: Percelen kadaster Bijlage 2: Mobiliteit en parkeren Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Asbestonderzoek Bijlage 5: Waterplan Bijlage 6: Flora en fauna onderzoek Bijlage 7: Archeologisch onderzoek Bijlage 8: Bouwhistorisch onderzoek Bijlage 9: Maatschappelijke haalbaarheid Bijlage 10: M.e.r.-aanmeldingsnotitie Bijlage 11: Notitie stikstofberekening
Partiële herziening BP Centrale As-Veenestraat 12-20, Bunschoten
47
REGELS
Veenestraat te Bunschoten
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 9
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
10
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Tuin Wonen - Aaneengesloten Waarde - Archeologie 3 Waarde - Cultuurhistorie
10 11 15 17
Hoofdstuk 3
Algemene regels
20
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels
20 21 22 23 24
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
25
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
25 26
Bijlagen regels
27
Bijlage 1
28
2
Cultuurhistorische beleidskaart Centrale As
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
Regels
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Veenestraat te Bunschoten met identificatienummer NL.IMRO.0313.Centraleas0107-0201 van de gemeente Bunschoten. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
ander bouwwerk:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.6
aan- en uitbouw:
een aan een woning aangebouwd, al dan niet voor bewoning bestemd gebouw, dat als uitbreiding van een woning dient. 1.7
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8
bebouwingspercentage:
de oppervlakte van de bebouwing binnen het bouwvlak, bestemmingsvlak of aanduidingsvlak, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat vlak. 1.9
bestaand bouwwerk, object, afmeting, percentage, afstand, plaats, situatie:
bouwwerk, object, afmeting, percentage, afstand, plaats, situatie, zoals dat of die rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van ontwerp terinzagelegging van het plan. 1.10
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
4
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
1.11
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.12
bijgebouw:
een niet voor bewoning bestemd gebouw, behorende bij en dienstbaar aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan en ten dienste staat van het hoofdgebouw. 1.13
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.14
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.15
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel. 1.17
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.18
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.19
cultuur- /bouwhistorisch onderzoek:
schriftelijke rapportage met een onderzoek naar de architectuur- bouw- en cultuurgeschiedenis en de ruimtelijke kwaliteit van een bouwwerk; Dit omvat een inventarisatie, analyse en waardering. 1.20
cultuur- /bouwhistorisch projectonderzoek:
schriftelijke motivering of rapportage waarin de cultuur- en bouwhistorische waarden zijn geanalyseerd, meegewogen en ingepast in de uit te voeren werkzaamheden.
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
5
1.21
cultuurhistorische beleidskaart Centrale As:
de kaart, zoals opgenomen in behorende bij deze regels, waarop de erfgoedcontour van het gebied 'Centrale As' is aangegeven met daarbinnen de onderscheidenlijke cultuurhistorische waarden. 1.22
dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 1.23
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.24
eengezinswoning:
een zelfstandig, al dan niet zijdelings aaneengebouwd, gebouw dat één woning omvat. 1.25
erfgoedcontour:
contour op de verbeelding met de waarde cultuurhistorie; de binnen deze contour gelegen objecten (panden en elementen, zoals karakteristieke details en groen), en structuren en aspecten worden, voor zover zij aangegeven staan op de 'Cultuurhistorische beleidskaart Centrale As', beschermd door (de planregels van) de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. 1.26
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27
hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.28
horecabedrijf:
het bedrijfsmatig verschaffen c.q. verstrekken van logies, dranken, maaltijden en/of kleine eetwaren -overwegend voor nuttiging ter plaatse-, zoals het hotelbedrijf, het restaurant bedrijf, een snackbar, een cafe of een combintatie van twee of meer van deze bedrijven. 1.29
huishouden:
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 1.30
internetwinkel:
detailhandel via internet, met dien verstande dat:
6
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
a. het te koop aanbieden, de uitstalling ten verkoop en het verkopen uitsluitend geschieden via internet en niet fysiek ter plaatse, en b. het leveren van goederen overwegend plaatsvindt via post-, pakket- of soortgelijke bezorgdiensten. 1.31
monumentencommissie:
de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de erfgoedverordening en het monumentenbeleid. 1.32
oorspronkelijke woning:
de woning, zoals die is of mag worden gebouwd overeenkomstig de eerste daarvoor verleende omgevingsvergunning of een ander oudtijds verworven recht. 1.33
opslag:
het bedrijfsmatig opslaan, verpakken en verhandelen van goederen. 1.34
pand:
De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.35
peil:
a. de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang, of, b. de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, indien deze hoogte meer dan 1 m boven of meer dan 1 m beneden de onder a. genoemde hoogte is gelegen. 1.36
seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.37
voorgevel:
de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, één van die gevels. 1.38
voorgevelrooilijn:
de voorgevel van een gebouw en het verlengde daarvan. 1.39
vrij beroep:
een beroep of de beroepsmatige verlening van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein.
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
7
1.40
welstandscommissie:
de door de gemeenteraad ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.41
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde een woonwagen, of voor de huisvesting van maximaal vier afzonderlijke personen wanneer er geen huishouden in het gebouw is ondergebracht en de vloeroppervlakte van de woning groter is dan 80 m² bvo.
8
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
Afstand tot de bouwperceelsgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2
De breedte, lengte, diepte van een bouwwerk
Afstand tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of het de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 2.3
De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5
De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6
De hoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.7
De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9
Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de bijbehorende gronden gelegen woningen, alsmede in- en uitritten en nutsvoorzieningen. 3.2
Bouwregels
Ten behoeve van de in 3.1 genoemde bestemmingsomschrijving mogen, met inachtneming van de in 3.2.1 en 3.2.2 genoemde regels, de daarbij behorende gebouwen, uitsluitend bestaande overkappingen en overige andere bouwwerken en andere werken worden gerealiseerd. 3.2.1
Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: a. erkers over maximaal tweederde van de gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m en er minimaal een 2 m diepe tuin overblijft, met dien verstande dat de afstand van een aan gebouwde hoekerker ten minste bedraagt: 1. 2,5 m tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens, 2. 1 m tot de grens van de aangrenzende bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat erkers met een grotere overschrijding, die ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp-bestemmingsplan reeds bestonden, zijn toegestaan; c. de onder a. en b. genoemde bouwwerken hebben een bouwhoogte van maximaal 3 m. 3.2.2 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m, met dien verstande dat erf- en terreinafscheidingen, die een verbinding vormen tussen de woning en bijgebouwen, ten hoogste 2 m bedragen; b. bestaande overkappingen mogen uitsluitend op dezelfde plaats en in ten hoogste dezelfde omvang worden gebouwd.
10
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
Artikel 4 4.1
Wonen - Aaneengesloten
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen-Aaneengesloten' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen al dan niet in combinatie met een vrij beroep; met de daarbij behorende tuinen en erven. 4.2
Bouwregels
Ten behoeve van de in 4.1 genoemde bestemmingsomschrijving mogen, met inachtneming van de in 4.2.1 t/m 4.2.3 genoemde regels, de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken worden gerealiseerd. 4.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd in de vorm van een aaneengesloten woning, een twee-aaneengesloten woning of een vrijstaande woning; b. de voorgevel van een woning mag uitsluitend worden gebouwd in de voorgevelrooilijn; c. de goothoogte van de woning mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte', dan mag de maximale goothoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte; d. de bouwhoogte van de woning mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte; tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte', dan mag de maximale bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte; e. het aantal eengezinswoningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal eengezinswoningen, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', dan mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan het aangegeven aantal f. de dakhelling bedraagt ten minste 35º en ten hoogste 55º , met dien verstande dat een woning over ten hoogste 25% van de oppervlakte plat mag worden afgedekt, of, indien een mansarde-kap of een daarvan afgeleide kapvorm wordt gebouwd, mag de dakhelling niet minder dan 20º en niet meer dan 80º zijn. g.
de afstand tussen twee niet aaneengebouwde woningen binnen een bouwvlak tot de zijdelingse bouwperceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m. 4.2.2 Aan-, uit- en bijgebouwen Voor het bouwen van aan-, uit- en bijgebouwen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen mogen uitsluitend 5 m achter de voorgevelrooilijn worden gerealiseerd; b. de diepte van de oorspronkelijke woning, inclusief aan de achterzijde daarvan aangebouwde aan- en uitbouwen, mag over één laag met kap tot een diepte van ten hoogste 12 m worden vergroot, met dien verstande dat het bepaalde in 3.2.1, alsmede in 4.2.2, sub e. onverminderd van kracht blijft; c. aansluitend aan de achtergevel van de woning dient te allen tijde een niet te bebouwen ruimte over te blijven van minimaal de helft van de achtergevelbreedte en een diepte van minimaal 6 m; d. de gezamenlijke oppervlakte van de aan-, uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw, alsmede de oppervlakte van overkappingen als bedoeld in 4.2.3, sub a. mag niet meer dan 85 m² bedragen waarbij geldt dat de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, die zich aan de achterzijde van de woning bevindt tot een diepte van ten hoogste 12 m achter de voorgevelrooilijn voor de berekening van die oppervlakte niet meetelt; e.
de bij een woning behorende gronden waarop aan-, uit- en bijgebouwen zijn toegestaan mogen voor ten hoogste 50% worden bebouwd, of indien het bestaande percentage meer bedraagt dan 50% dan mag het bestaande percentage worden bebouwd, met dien verstande dat de grond onder de
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
11
oorspronkelijke woning alsmede de gronden aan de achterzijde van de woning tot een diepte van 12 m daarbij niet worden meegerekend; f. de goothoogte van een aan- en uitbouw mag niet meer dan de bouwhoogte van de begane grondlaag waaraan wordt gebouwd; g. de goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 5 m. 4.2.3 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen bij een hoofdgebouw, alsmede de oppervlakte van aan- en uit- en bijgebouwen als bedoeld in 4.2.2 sub d, mag niet meer dan 85 m² bedragen, waarbij geldt dat de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen die zich aan de achterzijde van de woning bevinden, tot een diepte van ten hoogste 12 m achter de voorgevelrooilijn, voor de berekening van die oppervlakte niet meetelt; b. de bouwhoogte van pergola's en overkappingen met een open constructie ten hoogste 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen en andere bouwwerken, geen vlaggenmasten zijnde, bedraagt ten hoogste 2 m. 4.3
Afwijken van de bouwregels
4.3.1
Afwijken hoofdgebouwen algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van: a. sublid 4.2.1, sub a ten behoeve van het uitbreiden van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. de diepte van de woning niet meer dan 12 m bedraagt, 2. aansluitend aan de achtergevel van de woning te allen tijde een niet te bebouwen ruimte over dient te blijven van minimaal de helft van de achtergevelbreedte en een diepte van minimaal 10 m, 3. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 1 m aan de niet aaneen gebouwde zijde bedraagt; 4. er geen onderlinge verschillen mogen ontstaan tussen de diepte van aaneengebouwde woningen, 5. er geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige situatie van de omgeving, waaronder onder andere wordt verstaan het openhouden van zichtlijnen ; b. het bepaalde in 4.2.1, sub b ten behoeve van het bouwen van de voorgevel op ten hoogste 2 m achter de voorgevelrooilijn; c. het bepaalde in 4.2.1, sub c ten behoeve van het bouwen van een woning tot 1 m hoger dan de bestaande goothoogte; d. het bepaalde in 4.2.1, sub d ten behoeve van het bouwen van een woning tot 1 m hoger dan de bestaande bouwhoogte; e. het bepaalde in 4.2.1, sub g ten behoeve van het verkleinen van de afstand tussen twee niet aaneengebouwde woningen binnen een bouwvlak tot de zijdelingse bouwperceelsgrens tot 1 m; f.
het bepaalde in 4.2.2, sub b ten behoeve van het vergroten van de diepte van de woning, inclusief aan de achterzijde daarvan aangebouwde aan- en uitbouwen, over één laag met kap tot ten hoogste 18 m, met dien verstande dat: 1. aansluitend aan de achtergevel van de woning te allen tijde een niet te bebouwen ruimte over dient te blijven van minimaal de helft van de achtergevelbreedte en een diepte van minimaal 10 m, 2. de bij een woning behorende gronden waarop aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn toegestaan voor ten hoogste 50% mogen worden bebouwd, met dien verstande dat de grond onder de woning alsmede de gronden aan de achterzijde van de woning tot een diepte van 18 m achter de voorgevelrooilijn daarbij niet worden meegerekend, 3. de gezamenlijke oppervlakte van de aan-, uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw,
12
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
alsmede de oppervlakte van overkappingen, niet meer dan 85 m² mag bedragen, met dien verstande dat de oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen die zich aan de achterzijde van de woning bevindt tot een diepte van ten hoogste 18 m achter de voorgevelrooilijn voor de berekening van die oppervlakte niet meetelt, 4. er geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige situatie van de omgeving; g. het bepaalde in 4.2.2, sub c ten behoeve van een bredere aan- of uitbouw, voor zover het percentage als gegeven in 4.2.2, sub e niet wordt overschreden. Bij afwijking wordt het bepaalde in artikel 6, 'Waarde - Cultuurhistorie', in acht genomen. 4.3.2
Afwijken hogere goothoogte
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor een hogere goothoogte van naast de woning gelegen aan- of uitbouwen, met dien verstande dat: a. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 2 m bedraagt; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige situatie van de omgeving; c. de aan- of uitbouw qua uiterlijke verschijning ondergeschikt blijft aan het hoofdgebouw, waarbij de goothoogte van de aan- of uitbouw tenminste 0,5 m lager is dan de goothoogte van het hoofdgebouw. Bij afwijking wordt het bepaalde in artikel 6, 'Waarde - Cultuurhistorie', in acht genomen. 4.3.3
Afwijken bouwbeleid grote percelen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen, in afwijking van het bepaalde in lid 4.2.2 sub d en lid 4.2.3 sub a, ten behoeve van bouwpercelen met een minimale oppervlakte van 1.000 m², voor het bouwen van aan-, uit- en bijgebouwen en overkappingen tot een oppervlakte van 10% van het bouwperceel met een maximum van 150 m². Bij afwijking wordt het bepaalde in artikel 6, 'Waarde - Cultuurhistorie', in acht genomen. 4.3.4
Afwijken dakterrassen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van 4.2.2, sub f ten behoeve van de bouw van dakterrassen op aan- en uitbouwen naast of achter de woning, met dien verstande dat de bouwhoogte van de balkonafscheiding niet meer bedraagt dan 1,2 m boven de maximale goothoogte van de aan- of uitbouw en er bovendien geen onevenredige inbreuk wordt gedaan op de privacy van omwonenden. Dakterrassen die bij het in ontwerp ter visie leggen van dit bestemmingsplan reeds bestonden worden geacht te passen binnen de regels van dit plan en behoeven daarom geen omgevingsvergunning als hier bedoeld. Bij afwijking wordt het bepaalde in artikel 6, 'Waarde - Cultuurhistorie', in acht genomen. 4.4
Specifieke gebruiksregels
Een verboden gebruik is in ieder geval niet het gebruik van een woning en daarbij behorende aanbouwen en bijgebouwen voor de uitoefening van een vrij beroep, met dien verstande dat: a. tot ten hoogste 50% van de aanwezige vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 80 m², voor de uitoefening van het vrije beroep mag worden gebruikt.
Bestemmingsplan "Veenestraat te Bunschoten" (ontwerp)
13
4.5
Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1
Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bepaalde in 4.4 ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, anders dan een vrij beroep, en internetwinkel in een woning en daarbij behorende aanbouwen en bijgebouwen, met dien verstande dat: a. tot ten hoogste 50% van de aanwezige vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 80 m², voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep mag worden gebruikt; b. voor milieuvergunningplichtige en meldingplichtige bedrijven ingevolge de Wet milieubeheer geen afwijking wordt verleend; c. aan detailhandel slechts medewerking wordt verleend, indien het verkoop betreft van aan huis vervaardigde, vaak ambachtelijke producten , die niet concurrerend zijn ten opzichte van de overige detailhandel -uitgezonderd vis en visproducten- onder de voorwaarden dat de vestiging geen onevenredige aantasting van de woonsituatie en de verkeersveiligheid met zich meebrengt en de hoofdfunctie wonen van het pand gehandhaafd blijft; d. voor horecabedrijven geen afwijking wordt verleend; e. het gebruik zowel naar aard als wat betreft de visuele aspecten ervan met het woonkarakter in overeenstemming moet zijn; f. het gebruik geen onevenredige parkeerdruk met zich mag meebrengen.