CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a, 0-Motivering TAM-omgevingsplan Eemdijk 3.pdf

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1225284 Vaststelling TAM-omgevingsplan Eemdijk 3, Eemdijk Hoofdstuk 22a omgevingsplan Bunschoten22.131 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

50% van 500 m2 is 250 m2. De meters boven de 500 m2 zijn 705 m2 (1.205 – 500). 25% van 705 m2 bedraagt 176 m2. Wanneer deze bij elkaar worden opgeteld zou cliënt uitkomen op een oppervlakte van 426 m 2. De maximale oppervlakte is echter begrensd tot 375 m2. Deze oppervlakte geldt echter per woning (zie sub g onder 4). De initiatiefnemer wenst in de toekomstige situatie 429 m2 aan bebouwing te laten staan. Deze wordt verdeeld over twee woningen waardoor de grootste oppervlakte aan bijgebouwen per woning 215 m2 bedraagt. Dit is binnen de 375 m2 per woning. Echter mag de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 375 m2 bedragen, derhalve dient er maatwerk toegepast te worden. Binnen het vigerend tijdelijk deel omgevingsplan is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van het oppervlak aan bijgebouwen (artikel 33 lid 2). Hier wenst de initiatiefnemer dan ook tevens gebruik van te maken, dit wordt onderaan deze paragraaf toegelicht.

27

g De initiatiefnemer wenst tevens een extra woning te realiseren. Hiervoor dient minimaal 1.000 m2 gesloopt te worden. Aan deze eis zal niet worden voldaan. De provinciale verordening beschikt echter over de mogelijkheid van het realiseren van een extra vrijstaande woning vanaf 750 m2 sloop van gebouwen. Hier is in paragraaf 3.2.2 aan getoetst. Aangezien de provinciale verordening hier meer ruimte toe laat, wordt afgeweken van het minimum van 1.000 m2 sloop. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 375 m 2. De initiatiefnemers wenst echter 429 m2 aan bijgebouwen te behouden. Door de maximaal toegestane oppervlakte met 10% te verhogen geeft dit cliënt de mogelijkheid om 412,5 m 2 aan bijgebouwen te behouden. Hier zit dan echter nog een gat van 40,5 m 2 (429 – 412,5). Hier wenst de initiatiefnemer dan ook graag maatwerk toe te passen. Tevens zal dit worden gecompenseerd doormiddel van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. 3.5.3

Conclusie Het project is in lijn met het gemeentelijk beleid.

28

4 Fysieke uitvoerbaarheid 4.1 4.1.1.1

Verkeer & parkeren Verkeer In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

4.1.1.2

Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente Bunschoten de Beleidsregel Parkeren Bunschoten 2023 opgesteld, welke is vastgesteld op 29 augustus 2023. Hieruit blijkt dat de gemeente Bunschoten eigen parkeernormen heeft vastgesteld. De Beleidsnota maakt onderscheidt tussen de gebieden ‘centrum’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’. De projectlocatie is gelegen in het buitengebied. De gerealiseerde woningen betreffen twee vrijstaande woningen en vallen derhalve onder de categorie ‘koop, vrijstaand’. Dit betekent een maximale parkeerbehoefte van 2,8 parkeerplaatsen per woning.

4.1.2

Toetsing

4.1.2.1

Verkeer De verkeersgeneratie wordt bepaald per woning per etmaal. De stedelijkheidsgraad van een gebied is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en daarmee ook van invloed op het aantal verkeersbewegingen. De mate van stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingadressendichtheid (oad) van het CBS. De oad wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer. Volgens de oad wordt de totale gemeente Bunschoten gemiddeld getypeerd als matig stedelijk gebied (1.000 tot 1.500 per km²). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is ook de stedelijke zone (locatie van de ontwikkeling) van belang. Het besluitgebied is gelegen in het buitengebied. De maximale verkeersgeneratie voor een vrijstaande woning is dan 8,6 verkeersbewegingen per woning. Er worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Dit geeft de volgende verkeersgeneratie: 2x

koop, huis, vrijstaand (8,6)

= 17,2 verkeersbewegingen

In totaal leidt dit tot 18 verkeersbewegingen per etmaal. Deze verkeersgeneratie kan worden opgevangen op de bestaande infrastructuur. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

29

4.1.2.2

Parkeren Het benodigde aantal parkeerplekken wordt tevens bepaald per woning. In totaal worden er twee woningen gerealiseerd die allebei vallen binnen de categorie ‘koop, vrijstaand’. Dit leidt tot een totale parkeerbehoefte van 5,6 parkeerplaatsen, afgerond 6 parkeerplaatsen. In deze behoefte zal worden voorzien op eigen terrein.

4.1.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect mobiliteit en parkeren.

4.2

Milieubelastende activiteiten

4.2.1

Algemeen De gemeente moet ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet (inwerkingtreding 1 januari 2024). Het Rijk heeft hiertoe Instructieregels opgesteld. Binnen deze Instructieregels heeft de gemeente de afwegingsruimte om te bepalen hoeveel gebruiksruimte iedere functie met bijbehorende activiteiten krijgt. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft met de publicatie ‘Handreiking Activiteiten en milieuzonering’ een invulling gegeven aan de afwegingsruimte onder de Omgevingswet. In de VNG-publicatie Handreiking Activiteiten en milieuzonering wordt gebruiksruimte per functie gedefinieerd door expliciete milieuwaarden in plaats van een vaste richtafstand. Zo wordt er een bewuste afweging van toedeling van functies aan locaties gemaakt en wordt er specifiek per functie gekeken hoeveel ruimte die functie in beslag neemt. Daarmee wordt er veel doelmatiger met beschikbare ruimte om gegaan en worden ruimte en milieu geïntegreerd. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Ook in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder de Omgevingswet is gebruiksruimte een belangrijk begrip. Het is aan het bevoegd gezag om per gebied een ambitieniveau vast te stellen.

Er wordt onderscheid gemaakt in vijf gebieden: − Bedrijventerreinen; − Andere werkterreinen; − Gemengd gebied met wonen; − Rustig woongebied; − Buitengebied. Afhankelijk van het type zone worden globaal de volgende overeenkomstige gebruiksruimten voor milieuhinderlijke activiteiten bepaald: − Zone basis > gebruiksruimte op 50 meter afstand of tot grens van het woongebied; − Zone beperkt > gebruiksruimte met extra bescherming voor het woongebied; − Zone verruimd > gebruiksruimte op 100 meter afstand met extra ruimte voor zwaardere bedrijven. 30

Voor een volwaardige toepassing van en toetsing aan de Handreiking dienen de voornoemde gebieden en zones te zijn opgenomen in het omgevingsplan. Op het moment van schrijven is dit voor de gemeente Bunschoten echter nog niet het geval. Ter toetsing in de tijdelijke situatie kan worden teruggevallen op de voormalige VNG-tabellen 2009 met de richtafstanden die in de Handreiking zijn omgezet conform onderstaande werkwijze. Op basis hiervan kan worden bepaald of op voorhand zou kunnen worden voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of dat een nader akoestisch en/of geuronderzoek benodigd is. Beoordeeld wordt de onderlinge ligging van milieugevoelige activiteiten (bv. woonactiviteiten) en milieuhinderlijke activiteiten (bv. bedrijfsactiviteiten). Voormalige richtafstand Tabel VNG2009

Positie

Zones geluid

Tabel VNG2024

Rustig woongebied

0 – 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m en hoger

FM 1 2 3 4 IT

Beperkt Beperkt Basis Verruimd -

Gemengd gebied met wonen Basis Basis Basis Verruimd -

Zones geur

Basis Basis Verruimd Maatwerk -

Omdat gemeente Bunschoten nog geen omgevingsplan heeft vastgesteld zal ten opzichte van functies buiten het besluitgebied op basis van de oude VNG-publicatie worden getoetst. De richtafstand volgens de ‘oude stijl’ wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. 4.2.2

Toetsing De ontwikkellocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Bunschoten. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van voornamelijk agrarische functies en woonbebouwing. Alleen ten zuiden van de ontwikkellocatie ligt een bedrijfsmatige functie. De omgeving is dan ook een gebied waar functiemenging vrijwel afwezig is, het gebied kan dan ook getypeerd worden als ‘rustig buitengebied’. De voorgenomen betreft de stopzetting van een agrarisch bedrijf, waarbij de bestaande bedrijfswoning en een deel van de bebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor twee reguliere burgerwoningen. Woningen worden niet gezien als een hinderveroorzakende activiteit. Op basis van het Bkl (artikelen 3.21 & 5.91) worden woningen wel gezien al een geluidsgevoelige functie. Daarom wordt de geluids- en geurhinder door milieubelastende activiteiten getoetst op de ontwikkeling. In de navolgende tabel is de aanwezige bedrijvigheid binnen 1 kilometer van de ontwikkeling weergegeven met de bijhorende richtafstand voor geur en geluid op basis van de oude VNG publicatie.

31

Locatie Eemdijk 1 & 4

Eemdijk 7 Eemdijk 10 Eemdijk 12 Eemdijk 15 Eemdijk 17

Eemdijk 19 Eemdijk 23 Eemdijk 24a

Eemdijk 27a Maatweg 2

Omschrijving VNG Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerijen Fokken en houden van rundvee Groothandel in akkerbouwproducten Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van rundvee Kinderboerderij & bouwbedrijf algemeen <2.000 m2 Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerijen Bouwbedrijven algemeen > 2.000 m² Fokken en houden van rundvee

Voormalige richtafstand

Positie geur

Positie

Gemeten

geluid

afstand (m)

50 m (geur) 30 m (geluid)

2

1

± 60 m

100 m (geur) 30 m (geluid) 30 m (geur) 50 m (geluid) 100 m (geur) 30 m (geluid) 100 m (geur) 30 m (geluid) 30 m (geur) 50 m (geluid)

3

1

± 110 m

1

2

± 170 m

3

1

± 200 m

3

1

± 560 m

2

1

± 600 m

30 m (geluid)

1

0

± 620 m

30 m (geluid)

1

0

± 650 m

50 m (geur) 30 m (geluid)

2

1

± 630 m

10 m (geur) 100 m (geluid) 100 m (geur) 30 m (geluid)

FM

3

± 800 m

3

1

± 920 m

Er vallen geen bedrijfsmatige functies binnen de richtafstanden van de nieuw te realiseren woningen ten aanzien van geluid. De gebruiksruimte van de bedrijven wordt niet beperkt door de voorgenomen ontwikkeling, nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.2.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect milieubelastende activiteiten.

4.3

Bodem

4.3.1

Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

32

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 4.3.2

Toetsing Vanwege onderhavige initiatief is een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verkennend asbestonderzoek2 uitgevoerd op de locatie. De resultaten zijn samengevat in de onderstaande tabel.

2

PJ Milieu BV (2024). Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek Eemdijk 3 te Eemdijk. Kenmerk: 24057901A. 3 december 2024.

33

Dit leidt tot de volgende conclusies en aanbevelingen: Bodemonderzoek Ter plaatse van deellocatie B (bovengrondse brandstoftank) is minerale olie licht verhoogd aangetoond. Het grondwater is vanwege ondoordringbare lagen niet onderzocht. Voor het overige terrein zijn geen van de onderzochte parameters aangetoond in een gehalte boven de waarde Landbouw/natuur of streefwaarde. De locatie is relatief onbelast. Asbest in grondonderzoek Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van het asbest in grondonderzoek ter plaatse van gaten 201 en 202 stand houdt. In gaten 201 en 202 is asbest aangetroffen. Het gehalte overschrijdt de interventiewaarde niet. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van het asbest in grondonderzoek ter plaatse van gaten 301 en 302 geen stand houdt. Er is geen asbest aangetroffen en/of aangetoond. Ten aanzien van de verdenking van verontreiniging met PCB wordt voor beide locaties geconcludeerd dat de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand houdt. Aanbevelingen De kwaliteit van de bodem is, met uitzondering van deellocatie B (bovengrondse dieseltank), in voldoende mate vastgesteld. Ter plaatse van deellocatie B is aanvullend grondwateronderzoek nodig om in uit te sluiten dat de bovengrondse tank het grondwater heeft verontreinigd.

Vanwege de ondoordringbare laag wordt geadviseerd aanvullend onderzoek naar grondwater uit te voeren wanneer de schuur waarin de tank zich bevindt is verwijderd. Tevens wordt geadviseerd de tank door een bevoegde partij te laten saneren. Tevens zijn ter plaatse van deellocatie B mogelijk asbestverdachte bodemvreemde materialen aangetroffen. Er wordt geadviseerd om gelijktijdig met het aanvullende grondwateronderzoek een uitspraak te doen betreft de aanwezigheid van asbestverdachte bodemvreemde materialen. De resultaten geven geen aanleiding om, naast de aanvullende werkzaamheden ter plaatse van deellocatie B, verder bodemonderzoek te adviseren. Het gaat op deellocatie B echter maar om een licht verhoogd gehalte van minerale in de bovengrond. De gemeente Bunschoten heeft daarom aangegeven dat geen verder bodemonderzoek noodzakelijk is. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning.

34

4.3.3

Conclusie Rekening houdend met het bovenstaande, voldoet het plan aan de kaders voor het aspect bodem.

4.4

Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.

4.4.1

Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).

4.4.2

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

35

Grenswaarde in Lden (dB) Geluidbronsoorten

Standaardwaarde in Lden (dB)

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen

aanpassing bron

50

60

65

53

70

70

55

65

70

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en

Aanleg of

waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. 4.4.3

Toetsing Geluid door activiteiten De voorgenomen betreft de stopzetting van een agrarisch bedrijf, waarbij de bestaande bedrijfswoning en een deel van de bebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor twee reguliere burgerwoningen. De ontwikkellocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Bunschoten. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van voornamelijk agrarische functies en woonbebouwing. Woningen worden niet gezien als een hinderveroorzakende activiteit. Op basis van het Bkl (artikelen 3.21 & 5.91) worden woningen wel gezien al een geluidsgevoelige functie. Daarom is in paragraaf 4.2 beoordeeld of de woningen hinder kunnen ondervinden van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Er vallen geen bedrijfsmatige functies binnen de richtafstanden van de nieuw te realiseren woningen ten aanzien van geluid.

36

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is noodzakelijk om de veroorzaakte geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer te onderzoeken. Het erf inclusief de beoogde woningen worden ontsloten via de bestaande oprit. De Eemdijk is een vrij smalle weg die voornamelijk wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer en daardoor een lage verkeersintensiteit kent. De overige wegen liggen op geruime afstand van het besluitgebied. In navolgende afbeelding is weergegeven de geluidsbelasting van de omliggende weergegeven.

Uitsnede kaart ‘geluid van wegverkeer’, besluitgebied is rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving) Uit de afbeelding blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van het besluitgebied minder dan 45 dB bedraagt. Hiermee worden de standaardwaarden niet overschreden. Dit alles maakt dat kan worden aangenomen dat geen geluidshinder hoeft te worden verwacht wat betreft wegverkeerslawaai. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten aanzien van geluid door wegverkeer. 4.4.4

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een 37

aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg. 4.5.2

Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorliggend initiatief betreft de stopzetting van een agrarisch bedrijf, waarbij de bestaande bedrijfswoning en een deel van de opstallen worden gesloopt om twee woningen te kunnen realiseren. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.

38

Stoffen

EU-Grenswaarde

WHO-advieswaarde

2022

2030

NO2 concentratie

40 µg/m3

10 µg/m3

10,9 µg/m3

8,5 µg/m3

PM10 concentratie

40 µg/m3

20 µg/m3

16,3 µg/m3

13,0 µg/m3

PM2,5 concentratie

25 µg/m3

10 µg/m3

8,8 µg/m3

6,7 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Ook wordt grotendeels voldaan aan de advieswaarde vanuit het WHO. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 4.5.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

4.6.2

Toetsing De voorgenomen betreft de stopzetting van een agrarisch bedrijf, waarbij een deel van de bebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor twee reguliere burgerwoningen. De ontwikkellocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Bunschoten. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van voornamelijk agrarische functies en woonbebouwing. Woningen worden niet gezien als een hinderveroorzakende activiteit. Op

39

basis van het Bkl (artikelen 3.21 & 5.91) worden woningen wel gezien al een geurgevoelige functie. Daarom is in paragraaf 4.2 beoordeeld of de woningen hinder kunnen ondervinden van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Hierbij is eveneens gekeken naar de omliggende geurhinder veroorzakende activiteiten. De afstand tot de dichtstbijzijnde geurhinder veroorzakende activiteit bedraagt 60 meter. Dit betreft een paardenhouderij met een vaste richtafstand. In de directe nabijheid zijn verder enkele melkveehouderijen gevestigd. Dit betreffen allemaal grondgebonden veehouderijen waarvoor vaste afstanden gelden. Er vallen geen bedrijfsmatige functies binnen de richtafstanden van de nieuw te realiseren woningen ten aanzien van geur. Gezien het feit dat er in de verdere omgeving geen sprake is van de aanwezigheid van veel intensieve veehouderijen, hoeft er tevens geen achtergrondberekening van geur te worden uitgevoerd. 4.6.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geur.

4.7

Omgevingsveiligheid

4.7.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

40

Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.7.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit plan nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Daarom wordt stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 km vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is rood aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in zwart aangeduid.

41

Uitsnede digitale risicokaart met ontwikkellocatie (rode ster) (bron: Atlas leefomgeving)

Binnen een straal van 1,5 kilometer zijn geen locaties gevestigd waar risicovolle activiteiten plaatsvinden. Zoals op kaart is te zien valt het besluitgebied niet binnen het aandachtsgebied plaatsgebonden risico of het aandachtsgebied groepsrisico van risicovolle objecten. Een verdere beschouwing ten aanzien van omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk. 4.7.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Algemeen Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1 waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2 waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater;

42

3 waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4 in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 5 realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6 verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 7 behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 8 een veilige en klimaatbestendige delta; 9 een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 10 een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk.

Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid - Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 – 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht.

43

Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraag deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk − Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1 Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. Het principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen. Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2 Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3 Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven.

Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4 Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let de provincie op de hoeveelheid goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6 Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q.

wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding

44

en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie.

Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Deze thema’s worden in het vervolg van het document verfijnd uitgewerkt per deelgebied, waarmee de doelstellingen inzichtelijker worden weergegeven. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Gemeentelijk beleid - Water en klimaat in Omgevingsvisie Bunschoten Water De gemeente Bunschoten streeft ernaar het water te beschermen en recreatief te benutten. Spakenburg moet herkenbaar blijven als watersportdorp met een mooi en herkenbaar waterfront. Het Eemmeer moet geschikt blijven voor recreatievaart en zeilwedstrijden voor onder andere de Bruine Vloot. De Geul is geschikt voor beroepsvaart met schoon en helder water. De Laak en de Rengerswetering als onderdeel van de Laakzone zijn afwateringsriviertjes en geschikt voor extensieve vaarrecreatie (kleine fluisterbootjes). De Eem is voor beroeps- en recreatievaart. Waar zich kansen voordoen, wil de gemeente deze kwaliteiten versterken. Ook moet de relatie en verbinding met de Eemhof worden versterkt. Daarnaast moet de waterkwaliteit worden verbeterd.

De gemeente wil geen drijvende zonnepanelen in het Eemmeer toestaan in het kader van energie. De gemeente heeft een zorgplicht voor schoon drinkwater binnen de gemeente. In de komende jaren moet de

45

gemeente hier ook rekening mee gaan houden bij vergunningen en calamiteiten. De gemeente draagt bij aan de gezondheid van haar inwoners door een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. De gemeente promoot (het zuinig omgaan met) drinkwater op scholen en legt samen met Vitens drinkwatertappunten aan in de openbare ruimte. De gemeente let op de goede kwaliteit van het oppervlaktewater. Klimaat De klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gemeente Bunschoten, zoals vaker extreme weersomstandigheden, droogte, en overstromingen. De zeespiegel stijgt en er is steeds meer hittestress, wat invloed heeft op gezondheid en leefomgeving. De gemeente werkt aan maatregelen voor klimaatmitigatie (het beperken van opwarming) en klimaatadaptatie (aanpassing aan de veranderingen), zoals energietransitie en het verbeteren van de infrastructuur om klimaatbestendig te zijn. Daarnaast speelt de biodiversiteit een belangrijke rol in het behouden van een gezonde leefomgeving. 4.8.2

Toetsing Uit de digitale watertoets3 blijkt dat het plan onder de normale procedure valt. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Vallei en Veluwe. Hierna wordt ingegaan op diverse waterhuishoudkundige aspecten. Waterkering Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst uit dat onderhavig besluitgebied is gelegen in de beschermingszone van een primaire waterkering. Het meest noordelijk puntje van het besluitgebied is gelegen binnen beschermingszone A. Er worden echter geen ingrepen beoogd binnen beschermingszone A van de waterkering. Verder wordt voor de dijk en haar beschermingszone de huidige gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk’ in het voorliggend project overgenomen. Op die manier zijn de belangen van de waterkering juridisch-planologisch beschermd. Daarnaast is een deel van het besluitgebied gelegen in beschermingszone B. De gestelde regels uit de Waterschapverordening zullen hier worden gehandhaafd.

3

Digitaal wateradvies Eemdijk 3, Eemdijk. 4 oktober 2024.

46

Legger Waterkeringen Waterschap Vallei en Veluwe (bron: Waterschap Vallei en Veluwe)

Waterwingebied / grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat de locatie is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en een boringsvrijezone. In paragraaf 3.2.2 is getoetst aan het beleid uit de provinciale verordening, hier is gebleken dat er geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de bescherming van het grondwater. Daarnaast worden er geen mijnbouwactiviteiten, energietoevoeging- en onttrekking en het oprichten en uitvoeren van boorputten, boringen en grondwerken dieper dan 40 m onder het maaiveld mogelijk gemaakt met het onderhavig project. Verharding Het bestaande erf is op dit moment grotendeels verhard. In de toekomstige situatie wordt de bestaande bedrijfswoning, een groot deel van de bedrijfsbebouwing en de bijbehorende verharding gesloopt, dit betekent dat het aantal vierkante meters verhard oppervlak zal afnemen in de toekomstige situatie. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. Desalniettemin wordt op de locatie een wadi gerealiseerd waar in het overtollig regenwater kan worden opgevangen. Watercompensatie Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst verder uit dat in het projectgebied wel oppervlaktewater is gelegen in de vorm van een C-watergang. Deze hoeft voor de ontwikkeling echter niet gedempt te worden.

Het is derhalve op dit punt niet nodig om watercompensatie door te voeren. Daarnaast grenst het projectgebied aan de noord- en zuidzijde aan een A-watergang, zoals op de navolgende afbeelding te zien is. De watergangen vallen buiten het projectgebied en blijft derhalve behouden. Het oppervlaktewatersysteem zal hier niet wijzigen. Volgens de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe valt een klein gedeelte van het projectgebied in de beschermingszone van de watergangen.

47

Doordat ter plaatse van de beschermingszone geen nieuwe bebouwing is beoogd, wordt het waterbelang in dit plan gewaarborgd.

Legger Watersysteem Waterschap Vallei en Veluwe (bron: Waterschap Vallei en Veluwe)

Overstromingsrisico Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat de locatie is gelegen in een overstroombaar gebied. Binnen dit gebied moet de motivering van een omgevingsplan een beschrijving bevatten van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. In de omgevingsvisie wordt het volgende gezegd over bestand zijn tegen overstromingen: De gemeente zorgt ervoor dat ze voorbereid zijn op overstromingen. Daarbij is meerlaagse veiligheid belangrijk. Dat betekent dat ze het risico op overstromingen bestrijden door een combinatie van waterkeringen (laag 1), ruimtelijke ordening (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Op al deze niveaus worden maatregelen bedacht om dit te bereiken. Deze maatregelen hebben vaak ruimtelijke gevolgen. Hierbij proberen ze diverse opgaven te combineren, ook wel meekoppelkansen. Met het voorliggend project wordt een agrarische functie omgezet naar wonen, waarbij de bestaande bedrijfswoning en een deel van de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor twee nieuwbouwwoningen. De locatie is gelegen aan de Eemdijk. Raadpleging van de overstromingskaarten van het LIWO wijst uit dat het besluitgebied eens in de 100 jaar tussen 0,5 en de 1,0 meter kan overstromen.

Het is daarom verstandig om maatregelen te nemen om schade te beperken en om te schuilen en evacueren, zoals de woning te voorzien van een waterdichte gevel en een aggregaat op een droge verdieping. 4.8.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect water.

48

4.9

Klimaat & duurzaamheid

4.9.1

Algemeen Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie paragraaf 4.8).

4.9.2 4.9.2.1

Toetsing Klimaatadaptatie Hittegolven, hoosbuien en droogte zijn inmiddels bekende gevolgen van de niet meer te ontkennen klimaatverandering en gaan vaak gepaard met aanzienlijke schade en risico’s voor economie, gezondheid en veiligheid. Om schadelijke gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, is voor klimaatadaptatiemaatregelen een belangrijke rol weggelegd. Klimaatadaptatiemaatregelen zullen moeten bijdragen aan het terugdringen of ten minste beheersbaar houden van deze effecten. Om welke maatregelen gaat het: − Extra waterberging in te graven greppel/zaksloot en of verbreden bestaande watergang.

49

− Gescheiden waterafvoersystemen om overbelasting van het riool te voorkomen. − Meer bomen planten en nieuwbouw met lichte gekleurde daken uitvoeren om hittestress te beperken. Extra waterberging Door de klimaatverandering worden regenbuien intensiever, neemt de kans op wateroverlast toe en wordt de riolering meer belast. Daarnaast wordt door de warmere periodes het thema verdroging steeds belangrijker. Door extra bebouwing en toename van verharding wordt steeds meer oppervlak verhard waardoor regenwater versneld wordt afgevoerd en minder kan infiltreren in de bodem. In de toekomstige situatie is er minder bebouwing aanwezig dan in de huidige situatie. Voor de afvoer van hemelwater is dit een positieve ontwikkeling. Het hemelwater van dit woonerf is schoon (geen erfafspoeling). Daarom is bij de realisatie van dit plan en de extra verharding het plan om het hemelwater te infiltreren op eigen bodem, af te voeren naar de bestaande watergangen, en vast te houden in een nieuw te realiseren wadi. De bestaande watergangen en de nieuwe wadi dragen bij aan een natuurlijkere waterhuishouding en zorgen ervoor dat regenwater blijft waar het valt, ze helpen het grondwaterpeil hoger te houden en ontlasten de riolering. Waterafvoersystemen In de gewenste situatie wordt het hemelwater los van het huishoudelijk water afgevoerd. Op deze wijze wordt overbelasting van het riool voorkomen.

Aanleg groen Met de aanleg van groen kan vaak al veel schade en overlast door klimaatverandering worden tegengegaan. Als op de juiste manier groen wordt aangelegd, kan dit helpen tegen wateroverlast en hitte. Verder maakt groen een terrein niet alleen klimaatbestendiger, maar ook biodiverser en aantrekkelijker. Het is belangrijk om rekening te houden met schaduw en licht, maar ook met de bodem en ondergrond. Het perceel is reeds voorzien van diverse beplantingsstructuren, in de vorm van houtsingel op de noordelijke perceelgrens, een aantal bomen op de zuidelijke perceelgrens en een aantal bomen langs de weg. Dit zorgt ervoor dat op het perceel sprake is van veel schaduwwerking. Daarnaast nemen de bomen het water op uit de bodem. Er wordt zo min mogelijk verharding toegevoegd, waardoor een zo groot mogelijke oppervlakte aan gronden beschikbaar blijft voor groen en daarmee tevens de infiltratie van water. In de gewenste situatie worden twee extra bomen aangeplant op het voorerf en een bosschage aangeplant op het achtererf. Deze uitbreiding groen heeft een positieve werking op extreme weersomstandigheden.

50

Nieuwbouw en verharding Door de een toename van dakoppervlak en verharding kan het op terrein en de gebouwen erg heet worden. Hitte is slecht voor mens en dier. Hitte kan tegen worden gegaan door lichte kleuren te gebruiken voor daken, gevels, gebouwen en verhardingen. Ook in het ontwerp van de woningen kan hier aandacht aan worden besteed. In de toekomstige situatie is er minder bebouwing en verharding aanwezig dan in de huidige situatie. Waar wel verharding wordt toegepast wordt gekozen voor een lichte kleur. Dit zal de hittestress in en rondom de woningen beperken. Bij het ontwerpen van de gevels van de nieuw te realiseren woningen zal worden gestreefd naar het toepassen van materialen die de temperatuur binnen de woning lager kunnen houden, denk hierbij aan het toepassen van zonweringen, zonwerende beglazing, en de oriëntatie van de glas partijen. 4.9.2.2

Duurzaamheid Door het herbouwen van de bestaande woning met de huidige isolatiewaarden en andere duurzaamheidsmaatregelen zal deze bij uitgangspunt duurzamer worden uitgevoerd dan de bestaande woning. Verder biedt het plan mogelijkheden voor duurzame energievormen. Deze bestaan onder andere uit het opnemen van zonnecollectoren en zonnecellen (PVT) in de daken van de woningen. Deze voorzieningen worden in de vormgeving van de gebouwen geïntegreerd. Voor de bouw van de woningen zal daarnaast gebruik worden gemaakt van duurzame materialen die rekening houden met het milieu. Er zal gasloos worden gebouwd. Op de erven zal daarnaast duurzaam worden omgegaan met water. Dit door het water op zoveel mogelijk plekken in de bodem te laten infiltreren en een wadi te realiseren waarin water kan worden opgevangen. Dit is van belang voor het goed kunnen aanvullen van de grondwatervoorraden.

4.9.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor de aspecten klimaat en duurzaamheid.

4.10

Ecologie

4.10.1

Algemeen

4.10.1.1

Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. 51

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. 4.10.1.2

Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.

Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

52

4.10.2

Toetsing Voor deze ontwikkeling zal de agrarische functie van de locatie worden omgezet tot woonfunctie, waarbij de bestaande bedrijfswoning en een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 2 woningen gerealiseerd. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat, sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. QuickScan natuurwaardenonderzoek In de QuickScan natuurwaardenonderzoek4 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied in de ontwikkelfase, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening5 uitgevoerd te worden.

Omdat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn berekend, blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen echter op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden ook uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Als gevolg van het slopen van de bebouwing wordt er mogelijk een huismus gedood en wordt er een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een huismus is het jaarrond beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden 4

5

Natuurbank Overijssel (2025). QuickScan Natuurwaardenonderzoek Eemdijk 3, Eemdijk. Projectnummer: 6878 versie 1.0. 23 januari 2025. Van Westreenen (2025). Rapportage Beoordeling Stikstofeffecten Eemdijk 3, Eemdijk. Kenmerk: CdR – 11856 - stikstofmemo. 29 januari 2025.

53

van een huismus of het beschadigen en vernielen van de nestplaats van de huismus, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden omtrent hoeveel nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied en of deze bezet zijn. Indien er nesten van huismussen aanwezig zijn, moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag de bebouwing pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Als gevolg van het slopen van de ligboxenstal wordt er mogelijk een steenuil gedood en wordt er een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een steenuil is het jaarrond beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van een steenuil of het beschadigen en vernielen van de nestplaats van de steenuil, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden of er nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Indien er nesten van steenuilen aanwezig zijn moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag de ligboxenstal pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15883898/1