CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a, 0-Motivering TAM-omgevingsplan Eemdijk 3.pdf

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1225284 Vaststelling TAM-omgevingsplan Eemdijk 3, Eemdijk Hoofdstuk 22a omgevingsplan Bunschoten22.131 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Mogelijk wordt er als gevolg het slopen van de stallen, schuur, woning en kapschuur ook een ander bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het

54

werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Als gevolg van het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen gedood en/of verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord, beschadigd of vernield. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Mogelijk moet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Als gevolg van het verwijderen van opgeslagen materialen en het uitvoeren van grondverzet wordt er mogelijk een rugstreeppad en/of heikikker gedood en wordt er een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De (winter)rustplaats van een rugstreeppad en heikikker is beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het doden of vangen van een rugstreeppad en heikikker of het beschadigen en vernielen van de (winter)rustplaats van de rugstreeppad, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden omtrent de aanwezigheid van de rugstreeppad en heikikker in het plangebied. Indien er rugstreeppadden en heikikkers aanwezig zijn, moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mogen de opgeslagen materialen pas verwijderd worden en het grondverzet pas uitgevoerd worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat andere beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’.

Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit van de Omgevingswet vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.

55

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Resultaten QuickScan van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: − Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); − Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); − Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor de huismus; − Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor de steenuil; − Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van bebouwing van vleermuizen; − Nader onderzoek uitvoeren naar de aanwezigheid van de rugstreeppad en heikikker.

Er is een memo opgesteld, welke als bijlage 6 is bijgevoegd, waarin de mogelijke mitigerende maatregelen worden uitgewerkt zodat de haalbaarheid van het plan wordt gewaarborgd. Biodiversiteit en natuurinclusief Natuurinclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Hiermee wordt gezorgd voor een betere leefomgeving van mens en dier, bijvoorbeeld door bomen en wadi’s, maar ook door wat meer alledaagse aanpassingen zoals het planten van bomen en struiken, het bieden van nest- en schuilgelegenheden aan dieren of het aanleggen van natuurlijke vijvers. Voor het plangebied is een ecologische analyse uitgevoerd, waaruit de aanwezigheid of juist afwezigheid van (beschermde) planten en dieren in het plangebied blijkt, in de vorm van een QuickScan flora en fauna. In deze QuickScan staat beschreven welke diersoorten voorkomen in het gebied en of er voor deze soorten een goed habitat aanwezig is. Met de betrokken ecoloog is overlegd hoe het habitat voor een aantal soorten verbeterd kan worden. Hierdoor wordt de biodiversiteit aan diersoorten vergroot. Met het plan wordt derhalve gestreefd naar het delen van de ruimte met vogels, zoogdieren, insecten e.d.

Voor de flora is gekeken welke soorten aantrekkelijk zijn voor de diersoorten die reeds of juist nog niet in het gebied voorkomen. Daarnaast is ingezet op streekeigen beplanting en de toevoeging van veel verschillende soorten (o.a. door verscheidene beplantingsstructuren toe te voegen, denk bijv. aan bomenrijen en een natuurvriendelijke oever). De beplantingsstructuren zijn waar mogelijk aan elkaar gekoppeld om versnippering tegen te gaan en diersoorten binnen een korte afstand van verscheidene natuurelementen gebruik kunnen maken . Door al het hemelwater op te vangen wordt dit via retentie (sloot) in de bodem teruggezet om verdroging te voorkomen.

56

Concreet wordt naar aanleiding natuur inclusief ingezet op: Natuur inclusief inrichten buitenruimte − Realiseren bosschage; − Realiseren bloemrijk grasland; − Realiseren wadi. Het realiseren van een bosschage zal van positieve invloed zijn op het voorkomen van zoogdieren en vogels. De bosschage kan worden gebruikt als foerageergebied en als verblijfplaats van deze soorten. Doordat er in de huidige situatie al een bomenrij aanwezig is, is de bosschage goed bereikbaar. De bomen tezamen met de ondergroei maken het een beschutte plek voor soorten. Het leefgebied voor soorten die reeds gebruik maken van de bomenrij zal derhalve worden vergroot. Daarnaast zal het bosschage ook nieuwe soorten aantrekken, zeker in samenhang met de andere twee maatregelen (bloemrijk grasland en wadi). Het inzaaien van een bloemrijk grasland heeft een positief effect op de kleine zoogdieren. Het hogere gras zorgt ervoor dat zij beschutting kunnen vinden. Tevens is in deze diversiteit aan grassen een hoop voedsel te vinden. Van de soorten die reeds gebruik maken van de bestaande bomenrij zal het leefgebied worden vergroot, en het bloemrijk grasland zal ook nieuwe soorten aantrekken. Daarnaast wordt een wadi gerealiseerd. Deze heeft in hoofdsom een waterbergende functie, maar kennen ook een ecologische functie.

De wadi kan dienen als drinkwater voor soorten en wellicht zullen ook amfibieën gebruik gaan maken van de wadi. De wadi sluit direct aan op het bosschage en het bloemrijk grasland, waardoor deze drie inrichtingsonderdelen elkaar versterken. 4.10.3

Conclusie Er wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van de nadere soortenonderzoeken. Rekening houdend met het bovenstaande, voldoet het plan aan de kaders voor het aspect natuur.

4.11

Archeologie & cultuurhistorie

4.11.1

Archeologie

4.11.1.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. 57

De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.11.1.2

Toetsing Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ toegevoegd. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Op en in de gronden mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Het bovenstaande is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm en de oppervlakte niet meer dan 10.000 m² bedraagt. De werkzaamheden zullen de gestelde oppervlakte niet overschrijden. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.11.1.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect archeologie.

4.11.2 4.11.2.1

Cultuurhistorie Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in

58

afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.11.2.2

Toetsing In het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Deze bevinden zich tevens niet in de directe omgeving van het besluitgebied. Het meest noordelijke puntje is wel voorzien van de dubbelfunctie ‘Waarde - Cultuurhistorie gebieden’ en is het gehele besluitgebied voorzien van de dubbelfunctie ‘Waarde - Grebbelinielandschap’. Ook is het besluitgebied opgenomen als Militair erfgoed binnen Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de Provinciale verordening. Op de gronden met de dubbelfunctie ‘Waarde - Cultuurhistorie gebied’ mag slechts worden gebouwd indien uit cultuurhistorisch onderzoek blijkt dat de ruimtelijke karakteristiek en de cultuurhistorische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord of vernietigd. Op deze gronden zal echter niet worden gebouwd, de cultuurhistorische waarden van deze gronden blijft behouden. Op de gronden met de dubbelfunctie ‘Waarde - Grebbelinielandschap’ geldt dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning de voorwaarde dat voor het bouwen van bouwwerken geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorisch waarden, deel uitmakende van de Grebbelinie. Daarnaast moet bij de afweging in ieder geval het Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie betrokken.

Uit het Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie blijkt dat het gebied is gelegen in het deelgebied de ‘open Grebbelinie’. De open linie wordt gekenmerkt door een zeer weids, open landschap. Fysieke linie-elementen, zoals de liniedijk en keerkaden, ontbreken. Door de grootschalige openheid hebben uitbreidingen in de diepte een gering effect op het zicht op het landschap. Echter uitbreidingen aan het lint/dijklichaam kunnen het zicht op het achterliggende open landschap sterk beperken. Doel van de open linie is dan ook dichte bebouwingslinten te beperken door de erven te ontwikkelen in de diepte. Binnen dit gebied gelden de volgende beeldkwaliteitseisen: Algemeen − houd rekening met open, natte karakter van het open liniegebied; − plaats de erven/bebouwing op afstand van het dijklichaam in de Eempolder; Uitbreiding van het erf − laat het erf uitbreiden in de diepte van het perceel; − plaats het nieuwe gebouw met de kopgevel haaks op het linie-element; − plaats het nieuwe gebouw in dezelfde richting als de bestaande gebouwen (eenduidigheid); − plaats het nieuwe gebouw in één lijn met al bestaande gebouwen; − plaats bedrijfsmatige elementen (zoals silo’s en/of sleufplaten), aan of in één lijn met kopgevels van bebouwingen, of neem deze inpandig op in het gebouw;

59

Functieverandering van het erf − plaats het nieuwe gebouw(en) met de kopgevel haaks op het linie-element; − plaats het nieuwe gebouw(en) in één lijn (eenduidigheid). Het voorliggend initiatief betreft de stopzetting van een agrarisch bedrijf, waarbij de bestaande bedrijfswoning en een deel van de opstallen worden gesloopt om twee nieuwe woningen te kunnen realiseren. Zoals omschreven in paragraaf 2.2 komen de nieuwe woningen grotendeels ter plaatse van het bestaande agrarische bouwvlak met de kopgevel haaks op het linie-element (Eemsdijk). Ook wordt een groot deel van de gebouwen geplaatst in één lijn, met uitzondering van de woning die wordt gerealiseerd op de plek van de bestaande bedrijfswoning. Door een deel van de bedrijfsbebouwing te slopen wordt de openheid van het landschap vergroot en wordt de kwaliteit van het landschap verbeterd. Daarnaast blijft de bestaande verkavelingsstructuur behouden. De landschappelijke inpassing wordt nader toegelicht in paragraaf 2.2. Er wordt voldaan aan de beeldkwaliteitscriteria Grebbelinie voor het open linie gebied. Verder worden de dubbelfuncties die de cultuurhistorische waarden in het gebied beschermen in het voorliggend project overgenomen. Op die manier zijn de belangen van de cultuurhistorische waarden in het besluitgebied juridisch-planologisch beschermd. 4.11.2.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect cultuurhistorie.

4.12

Leidingen

4.12.1

Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.

4.12.2

Toetsing In het besluitgebied zijn geen ruimtelijk relevant kabels en leidingen aanwezig.

4.12.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect kabels en leidingen.

4.13

Explosieven

4.13.1

Algemeen In en nabij het besluitgebied hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling bouw- en aanlegactiviteiten plaatvinden waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten c.q. conventionele explosieven.

60

4.13.2

Toetsing Raadpleging van BAG-viewer wijst uit dat de bebouwing aanwezig binnen het besluitgebied naoorlogs is gerealiseerd. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd op gronden waar de bodem reeds geroerd is vanwege reeds aanwezige bebouwing. Oorlogsresten zijn hier derhalve niet te verwachten. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten hoeft dan ook niet te worden uitgevoerd.

4.13.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect ontplofbare oorlogsresten.

4.14

Milieueffectrapportage

4.14.1

Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.14.2

Toetsing Onderhavig plan betreft een zeer kleinschalige woningbouwontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied in de gemeente Bunschoten. De voorgenomen betreft de stopzetting van een agrarisch bedrijf, waarbij een deel van de bedrijfsbebouwing en de bestaande bedrijfswoning worden gesloopt om plaats te maken voor twee 61

reguliere burgerwoningen. Gezien de zeer beperkte toevoeging van één woning zijn er niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Daarnaast wordt de agrarische functie stopgezet waardoor de stikstofdepositie op de omliggende natuurgebieden juist afneemt. Dit maakt, gelet op de aard (wonen) en omvang, dat gesteld wordt dat er geen sprake is van een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 4.14.3

Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport is niet nodig.

62

5 Juridische planbeschrijving 5.1

Algemeen In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2

Opzet van de regels Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken De regels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken: 1 Inleidende regels (toepassingsbereik, begrippen en meten en rekenen); 2 Specifieke regels over functies (voorheen: bestemmingsregels); 3 Algemene regels over functies (o.a. afwijkingsregels); 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten; 5 Overgangsregels. 63

5.2.2

Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: − Toepassingsbereik (artikel 1); − Begrippen (artikel 2); − Meten en rekenen (artikel 3). In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn.

5.2.3

Specifieke regels over functies Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: − Toepassingsbereik; − Beschrijving gebruiksdoel; − Gebruiksactiviteiten; − Bouwactiviteiten.

5.2.4

Algemene regels over functies Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: − Anti-dubbeltelregel; − Afwijken van beoordelingsregels; − Omgevingsplanactiviteit - bouwen; − Omgevingsplanactiviteit - gebruiken.

5.2.5

Regels ter bescherming van waarden en objecten Hoofdstuk 4 bevat de regels ter bescherming van waarden en objecten. Deze regels hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: − Overige zone - ecologie; − Vrijwaringszone - dijk; − Waarde - Aardkundige waarden; − Waarde - Archeologie 5; − Waarde - Cultuurhistorie gebieden; − Waarde - Grebbelinielandschap.

5.2.6

Overgangsregels Hoofdstuk 5 bevat de overgangsregels.

64

5.3

Verantwoording van de regels Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

5.3.1

Agrarisch met waarden De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden hebben de functies agrarische bedrijfsactiviteit, met dien verstanden dat kwekerijen van bomen, heesters en andere houtgewassen zijn uitgezonderd. Daarnaast heeft het de functie behoud, herstel en/of ontwikkeling van het aldaar voorkomende landschap Eemland, zoals beschreven in de kernkwaliteiten landschap behorende bij de provinciale verordening, dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, zoals deze tot uitdrukking komen in de extreme visuele openheid van het landschap, het karakteristieke verkavelingspatroon in de vorm van een slagenverkaveling en de aanwezige weidevogelkerngebieden. Tevens hebben de gronden de functies behoud van de voor oxidatie gevoelige veenbodem, hobbymatig agrarisch gebruik, voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets- en voetpaden en picknickplaatsen, duurzame energievoorziening, natuurontwikkeling en – beheer, watergangen en -lopen, en oevers met natuurwaarden, tuinen, erven en voorzieningen, zoals dierweiden, ontsluitingswegen en -paden.

5.3.2

Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden hebben de functies tuinen behorende bij de op de bijbehorende gronden gelegen woningen, in- en uitritten, nutsvoorzieningen, watergangen, groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen waaronder bruggen.

5.3.3

Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden hebben de functies wonen, vrij beroep, tuinen en erven.

5.3.4

Overige zone - ecologie Een locatie die is aangewezen als overige zone - ecologie heeft mede als functie het beschermen van beschermde soorten zoals genoemd in de Omgevingswet.

5.3.5

Vrijwaringszone - dijk Een locatie die is aangewezen als Vrijwaringszone - dijk heeft mede als functie de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering.

5.3.6

Waarde - Aardkundige waarden Een locatie die is aangewezen als Waarde - Aardkundige waarden heeft mede als functie het beschermen van aanwezige of naar verwachting aanwezige aardkundige waarden.

65

5.3.7

Waarde - Archeologie 5 Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 5 heeft mede als functie het beschermen van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

5.3.8

Waarde - Cultuurhistorie gebieden Een locatie die is aangewezen als Waarde - Cultuurhistorie gebieden heeft mede als functie de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en ruimtelijke waarden.

5.3.9

Waarde - Grebbelinielandschap Een locatie die is aangewezen als Waarde - Grebbelinielandschap heeft mede als functie het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie.

66

6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten; − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een particulier. De particulier zal moeten voldoen aan de legesverordening voor het wijzigingen van het omgevingsplan. Daarnaast zal een aparte nadeelcompensatie overeenkomst worden gesloten. De leges zullen worden betaald bij ter inzage legging van het ontwerp-omgevingsplan. Hiermee is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Consultatie Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een wijzigingsbesluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het wijzigingsbesluit voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.3

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

67

Voor deze ruimtelijke ontwikkeling zijn de initiatiefnemers persoonlijk langsgegaan bij de omwonenden om hun op de hoogte te stellen van de plannen. De omwonenden zijn geïnformeerd door middel van het tonen van een tekening van de gewenste situatie en nadere uitleg. De omwonenden konden vragen stellen en hun reactie op het plan geven. Het project is positief ontvangen.

6.4

Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit omgevingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

68

69

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15883898/1