Bijlage 1. Bestemmingsplan Kronkels-Zuid
Tekst van het document
45
4.6 Ecologie en stikstof Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Onderzoek Om te kunnen beoordelen of de voorliggende uitbreiding van het bedrijventerrein De Kronkels-Zuid in overeenstemming met de natuurwetgeving en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting.
46
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ook andere beleidskaders uit het Natuurbeheerplan (NBP) zijn niet van toepassing. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NNN en het NBP dan ook geen consequenties te verwachten. Het plangebied is gelegen binnen provinciaal Weidevogelkerngebied Eemland. Dit is een provinciaal beleidskader vanuit de PRS (Structuurvisie) en het Natuurbeheerplan zonder consequenties bij ruimtelijke ingrepen. De Kronkels-Zuid is gelegen op ongeveer 17 km ten westen van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebied Veluwe, en tevens op ongeveer 17 km ten oosten van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen. Onder de huidige wet- en regelgeving wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied in potentie een significant negatief effect kan hebben. Om inzicht te krijgen in de bijdrage aan de stikstofdepositie van De Kronkels-Zuid van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is door Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, welke als separate bijlage bij onderhavige bestemmingsplantoelichting is gevoegd. Voor de gebruiksfase zijn verschillende scenario’s doorgerekend.
Ook is het effect van salderen met weidegrond inzichtelijk gemaakt. De resultaten staan hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Aangezien nog niet bekend is welke bedrijven zich op De Konkels-Zuid fase 1 zullen vestigen is uitgegaan van algemene emissiekentallen en kentallen voor de verkeersgeneratie. De conclusies voor de realisatiefase en de gebruiksfase worden hieronder gegeven. Realisatiefase Op basis van worstcase uitgangspunten voor de realisatiefase kan gesteld worden dat per jaar minimaal 16.000 m2 BVO aan bedrijfspanden gerealiseerd kan worden alvorens een stikstofdepositiebijdrage van meer dan 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, waarboven potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Per 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt.
Gebruiksfase Om potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te kunnen sluiten is vereist dat niet meer 5,4 hectare3 van de 7,1 hectare aan uitgeefbaar terrein 4 van het beoogde bedrijventerrein De Kronkels-Zuid fase 1 op het gasnet wordt aangesloten. In dat geval worden de stikstofemissies van het bedrijventerrein volledig gecompenseerd door het wegvallen van stikstofdepositie door bemesting; waarbij dus wordt aangenomen dat bemesting daadwerkelijk plaatsvindt in de huidige situatie.
3
Geldt wanneer op het bedrijventerrein uitsluitend gebruik wordt gemaakt van elektrische mobiele werktuigen. Indien op het bedrijventerrein uitsluitend gebruik wordt gemaakt van diesel- en benzine aangedreven mobiele werktuigen is dit oppervlak 5,1 hectare 4 Dit is hetzelfde als het netto oppervlak. Het bijbehorend bruto oppervlak doet niet ter zake
47
Wanneer het gewenst is om een groter deel van het bedrijventerrein op het gasnet aan te sluiten, kan in een ecologische of passende beoordeling onderzocht worden of de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, waarop een depositiebijdrage wordt berekend, daadwerkelijk aangetast worden. Wanneer het bedrijventerrein geheel gasloos wordt aangelegd kunnen potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten (de depositiebijdrage is dan 0,00 mol/ha/jaar), ook zonder saldering met weidegrond (bemesting). Fase 2 Voor fase 2 van bedrijventerrein De Kronkels-Zuid zal een vergelijkbare conclusie gelden aangezien de oppervlaktes aan uitgeefbaar terrein (6,52 voor fase 2 versus 7,08 hectare voor fase 1) en de oppervlakte aan weidegrond dat uit productie wordt gehaald (11,4 voor fase 2 versus 11,2 hectare voor fase 1) vergelijkbaar zijn met die oppervlaktes voor fase 1. Voor fase 2 zal te zijner tijd een separate planologische procedure doorlopen worden, waarvoor een nieuw stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd zal moeten worden. Soortenbescherming Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, konijn, vos, kleine marterachtigen, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn niet-vrijgestelde nationale of Europees beschermde soorten (Habitat- en Vogelrichtlijn), waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn verblijfplaatsen van beschermde gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis) niet uit te sluiten binnen het plangebied. Tevens wordt het voorkomen van gierzwaluw, steenmarter, kerkuil, steenuil, grote modderkruiper, heikikker, poelkikker er rugstreeppad niet uitgesloten binnen het plangebied. Door het uitvoeren van werkzaamheden worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van bovenstaande soorten aangetast. Er is daarom een aanvullend ecologisch veldonderzoek uitgevoerd, om vast te stellen of bovengenoemde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen bij onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Vogels Huismus Bij gericht onderzoek naar de huismus zijn meerdere nestplaatsen aangetroffen onder de dakpannen van de woning aan de Bisschopsweg 5 te Bunschoten.
Ook worden deze plaatsen in de winter gebruikt als rustplaats en wordt de omliggende tuin gebruikt om te foerageren. De nest- en rustplaatsen en het foerageergebied, en daarmee de volledige functionaliteit, zullen verloren gaan door de voorgenomen ingreep. Er dient voor deze aantasting een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze dienen uitgewerkt te worden in een projectplan wat bij de ontheffingsaanvraag gevoegd kan worden. Er zijn verschillende mitigerende maatregelen die toegepast kunnen worden, bijvoorbeeld: Het uitvoeren van de activiteiten buiten de kwetsbare perioden van de huismus.
48
Voor elke nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, wordt gezorgd dat er meerdere nieuwe alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn. Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand of het realiseren van nieuw geschikt habitat voor huismussen. Dit moet tijdig gerealiseerd zijn en moet buiten de invloedsfeer van de activiteiten plaatsvinden. Door activiteiten gefaseerd in de ruimte en tijd uit te voeren, kan er voor worden gezorgd dat er op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven. Nestplaatsen worden tijdens het uitvoeren van de activiteiten toegankelijk gehouden voor de huismus. Nestplaatsen worden tijdig voorafgaand aan de eigenlijke activiteiten ongeschikt gemaakt. Opstellen van een ecologisch werkprotocol door een deskundige. Dit ecologische werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken werknemers bekend zijn. De activiteiten moeten aantoonbaar volgens dit protocol worden uitgevoerd.
In de regels van onderhavig bestemmingsplan is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat de locaties van de permanente nestkasten voor de huismus en het bijbehorende groen in de directe omgeving van de nestkasten worden gerealiseerd. Gierzwaluw Tijdens het onderzoek naar gierzwaluwen zijn enkel een aantal, maximaal vier tijdens één onderzoeksronde, waarnemingen gedaan van hoog overvliegende dieren. In het onderzoeksgebied zijn geen nestplaatsen van gierzwaluwen aangetroffen en daarmee is aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soort uitgesloten. Steenuil De steenuil heeft geen verblijfplaats binnen het plangebied, maar maakt wel gebruik van het plangebied om te foerageren. Met de voorgenomen ingreep blijft er voldoende foerageergebied buiten het plangebied over voor deze soort. Het is aan te raden om voorafgaand aan de ingreep maatregelen te treffen, waarmee kan worden voorkomen dat deze soort zich alsnog vestigt in de bestaande bebouwing. Kerkuil De kerkuil is niet waargenomen of gehoord binnen het plangebied. Ook zijn er geen verblijfplaatsen en sporen aangetroffen van kerkuil. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soort is uitgesloten. Weidevogels In het gerichte onderzoek naar weidevogels is vastgesteld dat momenteel geen territoria van weidevogels aanwezig zijn in het plangebied.
Omdat het plangebied momenteel geen territoria van weidevogels omvat en het plangebied in het Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie niet langer wordt gezien als ‘weidevogelkerngebied’, zijn er geen consequenties voor weidevogelpopulaties. Bij realisatie van de ingreep dient altijd rekening te worden gehouden met het broedseizoen van verschillende vogelsoorten. Vleermuizen In het kraam- en paarseizoen zijn de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is foerageergebied voor deze soorten. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen het plangebied.
49
Bij gericht onderzoek naar vleermuizen is een essentiële vliegroute aangetroffen aan de oostzijde van de bebouwing binnen het plangebied. De groenstrook wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt als essentiële vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied en maakt onderdeel uit van het functioneel leefgebied voor deze soort. Net ten noorden buiten het plangebied is namelijk een kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis aangetroffen, die gebruik maakt van een essentiële vliegroute in het huidige plangebied. In het te realiseren bedrijventerrein wordt een alternatieve vliegroute gerealiseerd, welke middels een gebiedsaanduiding in de planregels en verbeelding in onderhavig bestemmingsplan is geborgd. Men is voornemens om bij de ingreep ook verschillende groenstructuren te realiseren. Deze groenstructuren dienen zodanig ingericht te worden dat deze geschikt is voor vleermuizen om te gebruiken als vervanging van de bestaande essentiële vliegroute en dient bij voorkeur te worden gecreëerd nabij of parallel aan de originele vliegroute, zodanig dat energieverlies door omvliegen wordt beperkt. In het stedenbouwkundig plan, komt de huidige vliegroute te vervallen, echter worden verschillende nieuwe groenstructuren gerealiseerd. Dit wordt tevens geborgd in het bestemmingsplan, door de noord-zuid corridor langs de hoofdverbinding te bestemmen als ‘groen’.
Bij de aanleg van beplanting moet onder andere rekening gehouden worden met de tijd die de beplanting nodig heeft om te kunnen functioneren. Hierbij geldt dat de lijn voldoende dichtheid aan bomen moet hebben met ondergroei van struiken en een boomhoogte van minimaal 6 meter. Verder geldt dat er geen tijdelijke en permanente (bouw)licht op de vliegroute gericht mag worden. De vliegroute dient in elk geval geschikt te zijn voor vleermuizen in de periode april tot en met oktober. Dat deze route wordt gerealiseerd wordt middels een voorwaardelijke verplichting in onderhavig bestemmingsplan geborgd. Naast de alternatieve vliegroute worden in het plangebied groene lijnelementen aangebracht, in de vorm van opgaand groen, die het gebruik van de alternatieve vliegroute versterkt en tevens het aanbod in foerageergebied vergroot. Ook de realisatie van deze groene lijnelementen wordt middels een voorwaardelijke verplichting in onderhavig bestemmingsplan geborgd. In het noordoosten van het bedrijventerrein worden daarnaast permanente voorzieningen (in de vorm van inbouwstenen) gerealiseerd voor de gewone dwergvleermuis. Door het aanbieden van verblijfplaatsen wordt het plangebied geschikt gemaakt voor de gewone dwergvleermuis en kan de huidige lokale populatie zich hier verspreiden.
Middels een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat deze permanente voorzieningen gerealiseerd worden. Grondgebonden zoogdieren Steenmarter Om de aanwezigheid van steenmarter te onderzoek is een gerichte schuurinspectie naar steenmarter uitgevoerd. Er zijn geen waarnemingen of sporen van steenmarter gevonden. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter binnen het plangebied is uitgesloten. Amfibieën Heikikker en poelkikker Tijdens gericht onderzoek naar heikikker of poelkikker zijn er zijn geen individuen of eiklompen van deze soorten aangetroffen. Aanwezigheid van heikikker en poelkikker binnen het plangebied is daarmee uitgesloten.
50
Vissen Grote modderkruiper Door middel van eDNA-bemonstering en vissen met een schepnet is gericht onderzoek gedaan naar grote modderkruiper. Er zijn geen DNA-materiaal of individuen aangetroffen. Aanwezigheid van grote modderkruiper binnen het plangebied is dan ook uitgesloten. Overige waarnemingen De spreeuw heeft nestplaatsen in de bebouwing (Bisschopsweg 4 te Bunschoten) binnen het plangebied. Met de voorgenomen ingreep gaan deze nestplaatsen verloren. De spreeuw is in principe voldoende flexibel om een nieuwe nestplaats te vinden en de omgeving biedt hiervoor voldoende mogelijkheid. Daarnaast is het nest van deze soort buiten het broedseizoen niet beschermd. De buizerd heeft een nestplaats net buiten het plangebied, in een hoge populier aan de Amersfoortseweg 38 te Bunschoten, die niet direct wordt aangetast met de voorgenomen ingreep. De boom valt buiten het plangebied, maar tijdens de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein wel rekening mee gehouden moeten worden met het nest. Dit kan door aantasting met directe verlichting te voorkomen en door geluidsverstoring anders dan de autonome situatie te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, dan zal een ontheffing voor verstoring aangevraagd moeten worden bij de Provincie Utrecht. De bastaardkikker en bruine kikker zijn binnen het plangebied gehoord en gezien.
Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling voor verstoring van het leefgebied, waardoor een ontheffing niet noodzakelijk is. Er zijn ten aanzien van overige soorten geen consequenties voor de geplande ingreep binnen of direct naast het plangebied. Wel dienen de voorwaarden ten aanzien van het broedseizoen (kwetsbare periode) en de zorgplicht in acht te worden genomen. Conclusie ecologie en stikstof De nest- en rustplaatsen en het foerageergebied van de huismus, en daarmee de volledige functionaliteit, zullen verloren gaan door de voorgenomen ingreep. Er is voor deze aantasting een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd en er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Deze zijn uitgewerkt in een projectplan welke bij de ontheffingsaanvraag is gevoegd. Verder zal, met inachtneming van bovenstaande maatregelen, het aspect ‘ecologie en stikstof’ geen belemmering vormen voor onderhavig initiatief.
4.7 Bodem Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
51
Onderzoek In het plangebied wordt een verkennend en nader bodem- en verkennend asbest in grond- en puinonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is momenteel nog in uitvoering. Echter wordt onderstaand de stand van zaken van dit onderzoek uiteengezet. Het volledige onderzoek zal opgenomen worden in het ontwerpbestemmingsplan. Vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek blijkt dat 1 verontreiniging binnen het plangebied aanwezig is, te weten ter plaatse van de Bisschopsweg 5. Het betreft een asbestverontreiniging met een omvang tussen 45 en 75 m³. Uit het vooronderzoek en de proefboringen volgen verder de volgende deellocaties: A. Verkennend bodemonderzoek, grootschalig onverdacht terrein; B. Voormalige druplijnen en asbestverdacht materiaal op het maaiveld; C. Voormalige tank nummer 5, de locatie is niet achterhaald; D. Waterbodems; E. Dam en rijpad; F. Dam; G. Puinverharding/fundering en dam; H. Dam met rijspoort; I. Dam; J. Ophoging; K. Dam; L. Ophoging; M. Slootopvulling; N. Dam. De asbestverdachte deellocaties zijn weergegeven op de tekening in de memo, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Het is tevens niet geheel uitgesloten dan van nature verhoogde gehalten arseen voorkomen in het grondwater. Onderstaand worden de resultaten per deellocatie besproken.
Deellocatie A en C verkennend bodemonderzoek Er zijn geen olie-water-reacties waargenomen die helderheid over de voormalige ligging van de tank kunnen geven. In boring 36 (binnen deellocatie E) is een sterk verhoogd gehalte PAK aangetoond. In boring 73 ter plaatse van een vuurton is sterk verhoogd gehalte nikkel aangetoond en zijn matig verhoogde gehalten zink en koper aangetoond. De verhoogde gehalten dienen als nieuw geval van verontreiniging te worden beschouwd. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Deellocatie D De waterbodems vallen, behoudens vak 4, in de klasse ‘altijd toepasbaar’. Vak 4 is niet verspreidbaar over een aangrenzend perceel en zal dus separaat als klasse ‘industrie’ moeten worden afgevoerd. Deellocatie B Het maaiveld en 1 sleuf (2126) zijn verontreinigd met asbest boven de interventiewaarde. Binnen het plangebied is de verontreiniging afgeperkt. De spoedeisendheid van de sanering is nog in onderzoek.
52
Deellocatie E Er is een puinverharding van volledig baksteen aangetroffen. Tot nu toe is er geen asbest boven de norm aangetoond. De PAK-verontreiniging (boring 36) is nog niet volledig in beeld. Deellocatie F Asbest is niet aangetroffen of aangetoond boven de grenswaarde voor nader onderzoek. In het mengmonster van de grond zijn sterk verhoogde gehalten minerale olie en PAK aangetoond (ten gevolge van de aanwezigheid van asfaltdeeltjes). Nader onderzoek naar de omvang is noodzakelijk. Deellocatie H, J, K, L, M en N Asbest is niet aangetroffen of aangetoond boven de grenswaarde voor nader onderzoek. Deellocatie G Er zijn twee funderingslagen aangetroffen. De eerste aan het maaiveld en de tweede na een laag bodem tussen de 10 en 40 centimeter. Deze tweede laag van metselpuin is niet herbruikbaar op het gehalte PAK en/of minerale olie. Asbest is niet aangetroffen of aangetoond boven de grenswaarde voor nader onderzoek. Deellocatie I In 1 sleuf (2501) wordt de interventiewaarde voor asbest en PAK overschreden. Nader onderzoek naar de omvang is noodzakelijk. De spoedeisendheid van de asbestsanering is nog in onderzoek. Verontreinigingen Ondanks dat de omvang en/of spoedeisendheid nog niet (op alle deellocaties) volledig in beeld is, is wel duidelijk dat de volgende gevallen van verontreiniging aanwezig zijn: 1. Bisschopsweg 5, asbestverontreiniging; 2.
Nieuw geval Bisschopsweg 3, zware metalen ten gevolge van brandton; 3. Deellocatie B, asbestverontreiniging; 4. Deellocatie E, PAK-verontreiniging; 5. Deellocatie F, minerale olie en PAK-verontreiniging; 6. Deellocatie I, asbest- en PAK-verontreiniging. Op deellocatie G is een verhardingslaag aanwezig, welke indicatief een niet-herbruikbare bouwstof betreft. Conclusie Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek een aantal deellocaties die aanvullend onderzoek vereisten (deellocatie hierboven beschreven). Ondanks dat de exacte omvang en ernst van deze bodemverontreiniging nog niet bekend is, kan gesteld worden dat (na de uitvoering van eventuele deelsaneringen) de bodemkwaliteit geschikt is voor het oprichten en in werking hebben van een bedrijventerrein.
53
4.8 Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet is in de plaats van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) uit 2007 en de Monumentenwet uit 1988 gekomen. De Wamz was een wijzigingswet en regelde globaal genomen drie aspecten van de archeologische monumentenzorg: de financiering, de bestuurlijke besluitvorming en de archeologische uitvoering. Samen met de op 1 januari 2022 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samen gebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Met de inwerkingtreding van de Wamz zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Om dit te kunnen onderbouwen dient de gemeente er voor te zorgen dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied bekend zijn.
Deze waarden en verwachtingen zijn aangegeven op een voor de gemeente opgestelde Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart, die op basis van archeologische waarnemingen en vondsten, landschappelijke en historische gegevens tot stand is gekomen. Onderzoek Voor het plangebied De Kronkels-Zuid (fase 1 en fase 2) is in 2020 een archeologisch bureauonderzoek opgesteld (Beumer 2020: ‘Archeologische inventarisatie (BO) Bedrijventerrein De Kronkels-Zuid Bunschoten’, CAR-rapport 98, Amersfoort). Op basis van dit bureauonderzoek werden binnen het plangebied archeologische resten verwacht uit de Vroege Prehistorie, de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd: Uit de Vroege Prehistorie kunnen sporen en vondsten van (jacht)kampjes op lokale ophogingen langs onder andere het voormalige veenstroompje bij de Bisschopsweg en op de verspoelde dekzandvlakte aan de oostkant van het plangebied liggen. Uit de Late Middeleeuwen gaat het om ontginningssporen en andere resten van de agrarische activiteiten die zich in het plangebied hebben afgespeeld. Bewoningssporen zijn te vinden op lokale ophogingen langs de Bisschopsweg en de Amersfoortseweg. De woonterp aan de noordkant van het plangebied is mogelijk in de Late Middeleeuwen en in ieder geval rond 1870 aangelegd. Op deze terp kunnen resten worden gevonden van een erf.
Hierop is geadviseerd voor fase 1 van het plangebied archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Voor de periode Vroege Prehistorie diende dit te gebeuren middels een verkennend booronderzoek. Voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd middels een proefsleuvenonderzoek (zie figuur 4.5).
54
Figuur 4.5: Advieskaart uit het archeologisch bureauonderzoek (Beumer 2020).
Verkennend booronderzoek Het Centrum voor Archeologie (CAR) heeft van 31 mei tot en met 08 juli 2021 een archeologisch onderzoek uitgevoerd aan het toekomstig bedrijventerrein Kronkels Zuid (fase 1). Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Hoofddoel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Het gaat hierbij om het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventueel vervolgonderzoek. De bodemopbouw is aan de hand van 103 verkennende boringen in kaart gebracht. Hierbij zijn kansrijke, kansarme en verstoorde/puin zones in het onderzoeksgebied bepaald. De bodemopbouw bestaat vanaf het maaiveld naar beneden gezien uit een kleiige bouwvoor van circa 30 cm dik, met daaronder een pakket veraard veen (20 tot 60 cm dik). Daaronder bevind zich een pakket van verspoeld dekzand. Uitzondering hierop zijn vijf zones: daar is geen verspoeld dekzand, maar een podzolbodem aangetroffen. Dit zijn lokale dekzandwelvingen op een hoogte tussen circa 0,85 en 1,20 m – NAP. Archeologisch kansrijke zones Aan de hand van de bodemopbouw kan het onderzoeksgebied ter hoogte van fase 1 opgedeeld worden in archeologisch kansrijke en kansarme zones.
De aanwezigheid van een podzolbodem (Een B-horizonten) is indicatief voor een onverstoorde grond en wordt daarom als kansrijke zone beschouwd. In totaal zijn vijf kansrijke zones aangewezen (zie afbeelding). De top van het dekzand ligt in deze zones tussen circa 0,85 en 1,20 m – NAP en ligt daarmee aanzienlijk hoger (0,55 tot 0,85 m) dan in het verspoelde dekzand. Archeologisch kansarme zones Buiten de vijf zones met een aanwezige podzol bestaat de bodem uit verspoeld dekzand. De aanwezigheid van verspoeld dekzand is indicatief voor een nat en verspoeld landschap. In het verleden waren dergelijke natte plekken niet geschikt voor bewoning en/of intensief gebruik. Deze zones worden als archeologisch kansarm beschouwd (zie figuur 4.6).
55
Figuur 4.3: Advieskaart uit het archeologisch bureauonderzoek (Beumer 2020).
Figuur 4.6: Advieskaart op basis van het verkennend booronderzoek. De dieptes van de archeologisch kansrijke zones zijn met blauw weergegeven in m. – NAP.
Advies voor vervolg De uitvoering van het archeologisch proefsleuvenonderzoek ter hoogte van Bisschopsweg 3-5 kan plaatsvinden zodra de betreffende gronden vrij zijn gekomen. Uitvoering van het onderzoek dient te gebeuren op basis van het reeds opgestelde Programma van Eisen (Verhamme 2020: Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek middels Proefsleuven Bisschopsweg 3-5 Bunschoten). Dat proefsleuvenonderzoek kan leiden tot vrijgave van het terrein of tot vervolgonderzoek (opgraving). In de archeologisch kansrijke zone 1 van fase 1 wordt een vervolgonderzoek in de vorm van karterende boringen geadviseerd indien de geplande bodemingrepen dieper reiken dan 0,80 m. – NAP. Hiermee kan de aan/afwezigheid van vindplaatsen met vuursteenverspreidingen (uit de Steentijd) worden bepaald; Afhankelijk van de ouderdom van de nog te analyseren en dateren veenmonsters kan voor de kansrijke zones behalve een karterend booronderzoek ook een proefsleuven onderzoek worden geadviseerd. Met een proefsleuvenonderzoek kan de aan/afwezigheid van grondsporen (bijvoorbeeld resten van huisplattegronden) worden bepaald. Nadat de ouderdom van het veen is bepaald aan de hand van een analyse van vijf 14C monsters, kan bepaald worden of het nog zin heeft om hier proefsleuven te trekken; De kansrijke zones 2 en 3 horen vermoedelijk bij het dekzandkopje (of terp) ter hoogte van Bisschopsweg 3-5.
Deze percelen worden in een later stadium middels een proefsleufonderzoek onderzocht. Geadviseerd wordt om voor kansrijke zone 2 en 3 geen apart karterend booronderzoek uit te laten voeren; De archeologisch kansrijke zones 4 en 5 betreffen vermoedelijk relatief kleine dekzandkopjes. De beslissing om hier een karterend booronderzoek uit te voeren is afhankelijk van de resultaten van het karterend booronderzoek in zone 1;
56
In de overige (de archeologisch kansarme) delen van fase 1 hoeft geen archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden; Voor fase 2 geldt dat lokaal – net als ter hoogte van fase 1 – (kleine) kansrijke zones kunnen voorkomen. De beslissing om hier een (verkennend) booronderzoek uit te voeren is afhankelijk van de resultaten van het karterend booronderzoek in zone 1 en de resultaten van de te analyseren veenmonsters.
Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. Wel zal er nog nader onderzoek nodig zijn indien de geplande bodemingrepen dieper reiken dan 0,80 m. – NAP ter plaatse van de kansrijke zone 1.
4.9 Cultuurhistorie Toetsingskader In het besluit ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.6 sub 5 onder a opgenomen dat ten minste een beschrijving wordt neergelegd van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Onderzoek Ontwikkelingsgeschiedenis en historische structuren De westzijde van de gemeente wordt gekenmerkt door een grote veenvlakte met een dik veenpakket. Ten noorden van de as Dorpsstraat, Veenestraat en Amersfoortseweg wordt het veenpakket steeds dunner en komt de onderliggende zandgrond steeds verder omhoog. In de vroege middeleeuwen was het Eemland niet of nauwelijks bevolkt. Naarmate het veengebied droger werd, vond er in de twaalfde eeuw systematische veenontginning plaats vanaf de Eem richting de as van de Dorpsstraat die in eerste instantie de achterkade vormde (polder Bunschoten te Velde). Het verkavelingspatroon heeft zich dan ook in smalle stroken loodrecht hierop ontwikkeld. Alleen de polder de Haar, waarbinnen De Kronkels-Zuid voorzien is, vormt daar een uitzondering op. De verkaveling heeft zich hier juist vanaf 1250 evenwijdig aan de as ontwikkeld, mogelijk omdat de grond in leen werd gegeven aan Amersfoortse burgers die de richting van de ontginning op zichzelf hebben georiënteerd.
Ter plaatse van deze afwijkende verkavelingsstructuur is in het vigerende bestemmingsplan dan ook de aanduiding 'overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied' opgenomen. Binnen deze zone zijn de gronden in aanvulling op de hoofdbestemming, mede bestemd voor het behoud, de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden in de vorm van een historische copeontginning met een kenmerkende noord-zuid verkaveling. In de stedenbouwkundige indeling van het plangebied is rekening gehouden met de structuur van het omliggende landschap. De langgerekte kavelstructuur in noord-zuidrichting is in twee groene stroken doorgezet in het stedenbouwkundige structuur. Met het doorzetten van de langgerekte noordzuidstructuur moet bereikt worden dat het bedrijventerrein aansluit op en een relatie aangaat met het slagenlandschap. Hiermee wordt een meer soepele overgang van het landschap naar het geplande stedelijk gebied wordt bereikt.
57
Cultuurhistorische objecten De polders kenden nauwelijks bebouwing, waardoor er binnen het plangebied weinig historische bebouwing voorkomt. De enige historische bebouwing in de directe omgeving van De Kronkels-Zuid staat aan de Bisschopsweg 1, welke net buiten de plangrens van onderhavig bestemmingsplan ligt. Dit object vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10 Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving is een planologisch relevante leiding gelegen. Het betreft een aardgastransportleiding die vanuit zuidelijke richting loopt richting een nutsvoorziening aan de zuidzijde van bedrijventerrein De Kronkels (zie paragraaf 4.5). Deze leiding is voorzien van een dubbelbestemming op de verbeelding met bijbehorende juridische regeling. Er bevinden zich geen hoogspanningsverbindingen in de omgeving van het plangebied. Conclusie Het aspect ‘kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.11 Duurzaamheid In het kader van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is een zogenaamde ‘nota van uitgangspunten’ opgesteld om te komen tot een duurzame en klimaatbestendige ontwikkeling van de locatie (zie bijlage 13). Deels heeft dit betrekking op het bestemmingsplan, voor een groot deel is het onderzoek echter ook gericht op maatregelen die buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan liggen. Gedurende het ontwikkelingstraject van De Kronkels-Zuid is door de betrokken partijen besloten dat het aspect klimaat en duurzaamheid een nadere aandacht verdient. De opgestelde nota van uitgangspunten vormt de basis voor de verwerking van verschillende thema’s op het gebied van duurzaamheid in het ontwerp bestemmingsplan van bedrijventerrein Kronkels-Zuid in Bunschoten. In dit document wordt de visie vanuit de gemeente Bunschoten beschreven, wordt ingegaan op zaken die als planregels in het bestemmingsplan opgenomen zijn, en worden zaken die in het beeld- en kwaliteitsplan passen beschreven. Het betreft de volgende thema’s: energie, mobiliteit, circulariteit, klimaatadaptatie en gezondheid. Ook het thema bodemdaling wordt beschreven in deze nota, om de richtlijnen vanuit de ontwerp omgevingsvergunning te volgen. De gemeente Bunschoten stimuleert, als uitgangspunt vanuit regionale programmering, ook het uitgangspunt zorgvuldig en intensief ruimtegebruik op het bedrijventerrein.
Verschillende maatregelen gerelateerd aan duurzaamheid die hier ook aan bijdragen zijn in deze nota benoemd. De specifieke uitgangspunten en maatregelen met betrekking tot intensief ruimtegebruik worden komend jaar in regionaal overleg nog verder uitgewerkt en kunnen dan meegenomen worden in het uitgifteprotocol en de inrichting van het bedrijventerrein. Maatregelen als intensivering door verdichting, functiemenging, in de hoogte bouwen en gebruik in tijd, dragen bij aan een hogere Floor space index (fsi) en
58
terreinquotiënt. Ten slotte begint verduurzaming op bedrijventerreinen vaak met goed georganiseerde ondernemers-collectieven (denk aan een ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). Daarom wordt in de ontwikkeling van het bedrijventerrein Kronkels-Zuid ook aandacht besteedt aan het oprichten van een collectieve organisatie. Hierbij is een aandachtspunt om bestaande bedrijven langs de Amersfoortseweg mee te nemen. Energie De gemeente Bunschoten heeft zich in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) geconformeerd aan de opgave van de energietransitie, met bijbehorende CO2 doelstellingen, die volgen vanuit het landelijke klimaatakkoord. Het verduurzamen van bedrijventerreinen speelt een belangrijke rol in de energietransitie. Van het energiegebruik en de bijbehorende CO2 uitstoot van de gemeente Bunschoten is een groot deel gerelateerd aan de sectoren industrie (38%), commerciële dienstverlening (12%) en gerelateerd vervoer (een deel van verkeer en vervoer 18%)5. Het is de ambitie vanuit de gemeente Bunschoten, zoals in regionaal overleg afgesproken in het regionaal programma Regio Amersfoort, om Kronkels Zuid op een duurzame manier te ontwikkelen.
Zo worden individuele bedrijventerreinen en bedrijfsruimtegebruikers gestimuleerd om mee te gaan in de energietransitie (energiebesparende maatregelen, de overstap naar aardgasvrij, opwekken van duurzame vormen van energie, etc.). Omdat verschillende maatregelen op het gebied van duurzame energie impact hebben op de ruimte en benodigde infrastructuur op het terrein is het belangrijk om deze mee te nemen in het bestemmingsplan. Organisatie Vanuit de toekomstige parkmanagementorganisatie kunnen maatregelen om energie te besparen, energiereststromen te gebruiken en duurzame energie op te wekken collectief worden opgepakt. Ook kunnen verschillende ontwikkelingen op het gebied van energie die er nog aankomen collectief worden onderzocht en aangepakt; denk aan energiemanagement op gebouw en terreinniveau, het gebruiken van restenergie, en eventueel het ontwikkelen van een smart grid, etc. Duurzame elektriciteit In lijn met het doel om intensief ruimtegebruik op het bedrijventerrein te realiseren moet bij het indelen en ontwerpen van de ruimte rekening worden gehouden met het opwekken van duurzame elektriciteit, zoals zonnepanelen en windturbines. Bij de indeling van de kavels en het ontwerpen van de gebouwen dient hier rekening mee gehouden te worden. Het bedrijventerrein wordt met een noordzuid oriëntatie ingedeeld, wat gunstig is voor opwek van zonne-energie.
Ook is het bestemmingsplan zo opgesteld dat de planregels de ontwikkeling van installaties op daken niet in de weg zitten. Ook is het de ambitie om alle gebouwen zo te ontwerpen dat de daken voldoende draagkracht hebben voor het plaatsen van zonnepanelen. De Gasunie geeft hierbij aan dat ontwikkelingen op het gebied van wind- en zonne-energie nabij gastransportleidingen (circa 200 voor zonne-energie en 245 meter voor windenergie, gemeten vanaf de leidingen) negatieve invloed kunnen hebben op het waarborgen van de veiligheid en leveringszekerheid. Initiatieven op dit gebied binnen de genoemde afstanden dienen dan ook worden afgestemd met de leidingbeheerder.
5
Bron: klimaatmonitor, gegevens van het jaar 2019: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard
59
De gemeente Bunschoten stelt in 2021 een ‘Toets- en afwegingskader voor het grootschalig opwekken van duurzame elektriciteit’ op, welke door de gemeenteraad vastgesteld zal worden. In het afwegingskader worden de ruimtelijke kaders voor de inpassing van grootschalige windturbines en zonnevelden binnen de gemeente vastgelegd. Dit kader wordt gebruikt om te beoordelen of nieuwe initiatieven voldoen aan de voorwaarden van de gemeente. Deze voorwaarden kunnen ruimtelijk, technisch of financieel zijn, maar ook gaan over wat de gemeente maatschappelijk acceptabel vindt. De ruimtelijke uitgangspunten zullen zowel algemeen als gebieds-specifiek geformuleerd worden. Wanneer windturbines langs de rand, op omliggende percelen buiten bedrijventerrein De KronkelsZuid gebouwd worden is het van belang om rekening te houden met externe veiligheid; een verplichte afstand tot beperkt kwetsbare objecten, waar de verwachte bebouwing op het bedrijventerrein onder valt (zoals loodsen en kleine kantoren). In een later stadium zal onderzocht worden wat de mogelijkheden zijn voor wat betreft het realiseren van windturbines rondom De Kronkels-Zuid. Duurzame warmte Op bedrijventerreinen zijn verschillende warmteoplossingen mogelijk. Welke warmteoplossing het meest geschikt is hangt af van de beschikbare warmtebronnen, zoals bodemwarmte, restwarmte en oppervlaktewarmte.
Bij beschikbaarheid van de juiste warmtebronnen, kan de warmtevoorziening collectief worden georganiseerd. Wanneer blijkt dat dit de beste warmteoplossing is wordt in het uitgiftebeleid een verplichting opgenomen om warmte af te nemen bij de gekozen warmteleverancier voor het gebied. Ruimtelijk is het van belang dat voldoende ruimte langs de hoofdwegen en het nutstracé, en in de ondergrond, beschikbaar blijft voor het plaatsen van warmteleidingen voor collectieve warmte oplossingen. Daardoor zal het uitgeefbare oppervlak kleiner worden. Infrastructuur Voor zowel elektriciteit opwekken als de warmtevoorziening op het bedrijventerrein is de benodigde infrastructuur van belang. Hiervoor is het belangrijk om tijdig met de netbeheerder af te stemmen. Er geldt geen aansluitplicht voor bedrijven voor zowel elektriciteit als gas. In overleg met de netbeheerder wordt gekeken of een basisvoorziening aangelegd kan worden, hierbij is het van belang beoogde duurzaamheidsmaatregelen mee te nemen. Stikstofproblematiek De Kronkels-Zuid is gelegen op ongeveer 17 km ten westen van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebied Veluwe en ongeveer 17 km ten oosten van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000gebieden Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen.
Om binnen de geldende normen van stikstofdepositie op deze locaties te kunnen blijven stuurt de gemeente Bunschoten bij de ontwikkeling van het terrein op maatregelen die niet, of zo min mogelijk, bijdragen aan stikstofdepositie. De stikstofdepositiebijdrage mag niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarboven kunnen potentieel significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Om te kunnen borgen dat de staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden niet wordt aangetast wordt de voornoemde depositiebijdrage in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd. Om binnen de geldende normen van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden te kunnen blijven stuurt de gemeente Bunschoten bij de ontwikkeling van het terrein op maatregelen die niet, of zo min mogelijk, bijdragen aan stikstofdepositie. Zoveel mogelijk gasloos bouwen is één van die maatregelen. Het is mogelijk dat er in de toekomst nog strengere duurzaamheidseisen gesteld worden vanuit de Rijksoverheid en de gemeente Bunschoten wil hier zoveel mogelijk op kunnen
60
anticiperen. Daarom wil de gemeente graag een regeling in het bestemmingsplan opnemen om te voorkomen dat er teveel stikstof uitgestoten wordt danwel dat er teveel stikstofdepositie plaatsvindt op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De gemeente zal daarom de maximale stikstofuitstoot gereguleerd. De initiatiefnemer zal dit bij de vergunningaanvraag aan moeten geven. Wel zal dit tot extra administratieve lasten bij de gemeente/ de omgevingsdienst leiden, want die zal deze maxima moeten handhaven en monitoren. Om grip te houden op de hoeveelheid ‘stikstofruimte’ die nog te vergeven wordt een zogenaamde ‘stikstofbank’ opgezet. Deze stikstofbank wordt voorzien van een verdeelsleutel. Dit is noodzakelijk, omdat het opnemen van een maximumplafond leidt tot een beperking van de beschikbare stikstofrechten, waarbij er waarschijnlijk meer behoefte dan aanbod zal zijn. In dat geval is er sprake van een ‘schaars recht’ en moet er een verdelingsmethode worden toegepast om de beschikbare rechten te verdelen6. Er wordt een protocol opgesteld waarin deze verdelingsmethodiek verder uitgewerkt wordt. Dit protocol wordt als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Een ontwikkelaar zal bij de vergunningaanvraag moeten aangeven hoeveel zijn/haar activiteiten tijdens de verbruiksfase bijdragen aan stikstofdepositie.
Er zijn verschillende manieren om een verdeling van stikstofrechten te maken; op basis van ontvangst van de aanvragen (al dan niet in combinatie met een wachtlijst), bepaalde (categorieën) van projecten en/of activiteiten prioriteit geven (vergelijkbaar met de prioritaire projecten uit de voormalige PAS), verdeling aan de hand van minimale mitigerende maatregelen (dus als je aan kunt tonen dat je ook compenserende maatregelen getroffen hebt, kun je voor de rest stikstofruimte krijgen), etc. In het onderhavige geval lijkt toedeling op basis van ontvangst van de aanvragen het meest voor de hand liggend. Het voorgestelde systeem bestaat uit een ‘tweetrapsraket’; allereerst is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van het terrein gasloos is, tenzij een bedrijf of ontwikkelaar met goede argumenten en door een extern deskundige kan aantonen dat gas benodigd is voor bedrijfsprocessen. Daarnaast moeten deze ontwikkelingen bovendien passend zijn binnen de maximum toegestane uitstoot. Een ontwikkelaar zal bij de vergunningaanvraag moeten aangeven hoeveel zijn/haar activiteiten tijdens de verbruiksfase bijdragen aan stikstofdepositie. De gemeente Bunschoten zal deze maxima handhaven en monitoren. Voor de bouwfase geldt volgens de gewijzigde Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) een vrijstelling voor depositie van stikstof.
Uitgangspunt vanuit de gemeente Bunschoten is desondanks om stikstofdepositie in deze fase waar mogelijk te voorkomen. Mobiliteit Mobiliteit speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling en het functioneren van een bedrijventerrein. Een nieuw te ontwikkelen terrein zoals Kronkels-Zuid biedt kansen om mobiliteit slim en duurzaam te organiseren. Dit is in lijn met het coalitieakkoord van het college van B&W 2018-2022, waarin is opgenomen dat bedrijventerreinen goed bereikbaar, schoon en goed onderhouden moeten zijn. Voor mobiliteit in de Kronkels-Zuid wordt uitgegaan van de uitgangspunten van de ThAMES sequentie. Conform deze methodiek focust deze nota op maatregelen om mobiliteit te voorkomen, veranderen of verduurzamen. Het is namelijk van belang om: eerst mobiliteit te voorkomen (Thuiswerken en voorzieningen), vervolgens mobiliteit te veranderen (Actieve mobiliteit en Mobility as a Service) 6
Conclusie staatsraad advocaat-generaal Widdershoven over schaarse rechten 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1421
61
en ten slotte mobiliteit te verduurzamen (Elektrische mobiliteit en duurzame Stadslogistiek).
Vanuit de mobiliteitstoets voor De Kronkels-Zuid is er inzicht in de toekomstige vervoersstromen en de mogelijkheden voor verschillende modaliteiten. Verschillende aanbevelingen vanuit dit document zijn meegenomen in de nota van uitgangspunten. OV, fiets en voetgangers Naar verwachting zal, gezien de verwachte doelgroep op het bedrijventerrein, met name veranderen en verduurzamen van vervoer kansrijk zijn. Dat begint met actieve mobiliteit. Lokale bedrijven en werknemers die in de buurt wonen worden aangemoedigd om met een combinatie van OV, fiets en te voet naar het bedrijventerrein te komen. We voorzien dat verschillende zaken die mobiliteit kunnen verduurzamen collectief opgepakt kunnen worden door de toekomstige parkmanagementorganisatie. Denk hierbij aan het opzetten van een werkgeversaanpak om mobiliteitsgedrag van werknemers te veranderen, in te zetten op het delen van auto’s, het gebruik van elektrische fietsen voor ritten op de middellange afstand en meer gebruik te maken van het openbaar vervoer. Ook het vervoer van afvalstromen kan goed collectief georganiseerd worden. Wanneer deze ontwikkelingen concreet worden wordt overwogen om de juiste faciliteiten te organiseren en mogelijk een parkeernorm voor deelauto’s en deelfietsen in te voeren. Momenteel zijn er bushaltes op 500 tot 700 meter loopafstand.
Dit wordt verbeterd door een directe doorgang naar een van de bushaltes (via Boetech of nog korter via de noordoostelijke hoek van het bedrijventerrein), of door bushaltes toe te voegen aan huidige buslijnen. Hier moet in het ontwerp van voet- en fietspaden rekening mee gehouden worden, zodat een goede aansluiting met de OV haltes wordt gerealiseerd. Parkeren en laadinfrastructuur Vanuit de mobiliteitstoets is er een inschatting van de vervoersstromen en verwachte aantallen parkeerplaatsen. Dit is een belangrijk onderwerp in samenhang met het stimuleren en faciliteren van elektrisch vervoer door aanleg van de benodigde laadinfrastructuur. Hierbij zijn nationale ontwikkelingen en regelgeving ook relevant. Het aantal elektrische voertuigen neemt toe, om deze ontwikkeling te faciliteren is door de gemeente Bunschoten een laadvisie opgesteld, waarin het beleid rondom het ontwikkelen van een publiek laadnetwerk is opgenomen. Op het bedrijventerrein zijn geen parkeerplaatsen opgenomen in het openbaar gebied. Alle parkeerplaatsen en opstelplekken voor vrachtverkeer dienen of op eigen terrein te worden gerealiseerd, of om parkeren op de openbare wegen tegen te gaan op een collectief beheerde opstelplek die onder het toezicht valt van het parkmanagement. Er zullen naar verwachting bij de ontwikkeling De Kronkels-Zuid 120 publieke parkeerplaatsen nodig zijn in de parkeerkoffers.
Om elektrisch vervoer voor bezoekers te faciliteren moet een deel van de gemeenschappelijke publieke parkeerkoffers met laadinfrastructuur voorzien worden. De aanwezigheid van publieke laadinfrastructuur bevordert het gebruik daarvan namelijk. Voor bedrijven met eigen parkeerterrein is de verwachting dat zij zelf in laadinfrastructuur op privaat terrein investeren. Onder bepaalde voorwaarden is dit ook een verplichting: in het geval van nieuwbouw zijn bedrijven onder regelgeving vanuit EPBD III sinds 10 maart 2020 verplicht om op parkeerterreinen met meer dan 10 parkeerplaatsen minimaal 1 oplaadpunt te realiseren, en er moet leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor 1 op de 5 parkeervakken om uitbreiding mogelijk te maken. In overleg met de
62
netbeheerder wordt met deze ontwikkeling rekening gehouden met het oog op de investering in het elektriciteitsnet van het bedrijventerrein. Duurzame logistiek In het kader van duurzame logistiek is het uitgangspunt om zo min mogelijk logistieke bewegingen te maken en als die gemaakt worden het duurzame logistieke bewegingen te laten zijn. Zo zal naar verwachting op het bedrijventerrein veel ambulante handel plaatsvinden. Transport op het terrein zelf zal deels met heftrucks plaatsvinden. Om deze zoveel mogelijk met elektrische vorkheftrucks te voorzien wordt dit in een milieuvergunning opgenomen. De gemeente en het parkmanagement spelen een belangrijke rol in het ondersteunen van de transitie naar elektrische voertuigen zoals bestelbusjes en trucks. Hierbij is kennis over de mogelijkheden in de transitie en de ontwikkeling van de benodigde infrastructuur namelijk een belangrijke voorwaarde. Een maatregel om duurzamer of volledig zero-emissie vervoer te realiseren is het instellen van een milieuzone met een inrijverbod voor vervuilend (vracht)verkeer. Wanneer de stikstof problematiek minder vervuilend, of zero emissie vervoer vereist wordt verplicht, dan wordt een dergelijk beleid ingesteld. Ten slotte zijn er ook mogelijkheden om tijdens de realisatiefase van het bedrijventerrein CO2 emissies en stikstofdepositie gerelateerd aan bouwverkeer te beperken.
Het is de ambitie om waar mogelijk elektrisch aangedreven bouwmaterieel in te zetten. Hier wordt in het uitgiftebeleid aandacht aan besteed. Circulair Het aspect circulair heeft vooral betrekking op het gebruik van bepaalde materialen. In het bestemmingsplan kan dat niet geregeld worden. In de toekomst kan dat wel in het omgevingsplan onder de omgevingswet. Ook de scheiding van afvalstoffen is niet via het bestemmingsplan te regelen. De gemeente kan dit wel stimuleren via door middel van afvalstoffenheffingen. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert en dat merken we vandaag de dag al. In het klimaatakkoord staan afspraken over het terugdringen van de broeikasgassenuitstoot per sector, maar daarnaast moeten we rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Nederland heeft daarom de ambitie uitgesproken om in 2050 water robuust en klimaatbestendig te zijn ingericht. Dit staat vastgelegd in de Nationale adaptatiestrategie en het Deltaplan ruimtelijke adaptatie. Waar moeten we rekening mee houden voor De Kronkels-Zuid? Hevige neerslag wordt tweemaal zo waarschijnlijk, middelgrote kans (1x per 50 jaar) op >20cm water op straat.
Bij hevige buien blijft er nu al water in het gebied De Kronkels-Zuid staan (510mm), verdere verharding doet dit toenemen; Er is een kleine tot aannemelijk toename in de kans op grondwateroverlast; Een standaard (niet-adaptief) bedrijventerrein leidt tot 1-1,5 graad extra lokale opwarming gemiddeld. Klimaatadaptief bouwen biedt kansen bij de aanleg van nieuwe infrastructuur, nieuwbouw en energievoorzieningen. Bedrijventerreinen zijn bij uitstek geschikt om klimaatadaptief in te richten. Groenblauwe bedrijventerreinen kunnen zo een geleidelijke overgang vormen tussen stedelijk gebied en landelijk gebied. Met kleine en betaalbare maatregelen kan al een verrassend groot effect
63
waargemaakt worden. Door een terrein klimaatadaptief in te richten worden de volgende kansen benut: Toekomstige schadeposten voor ondernemers, of claims aan gemeente of waterschap ten gevolge van (extreem) weer kunnen hiermee drastisch verlaagd worden. Levensduur van duurzame panden is langer: een gebouw met een levensduur van minimaal 50 jaar, moet dus bestand kunnen zijn tegen het klimaat van 2075 en ook dan nog een prettige werkplek bieden. Adaptieve maatregelen kunnen leiden tot toename van vastgoedwaarde tot wel 16%. Groenbedekking verlengt de levensduur van het dak. Een zogenaamd “ groenblauw” bedrijventerrein dat droogte-, hitte- en waterbestendig is, vormt een mooie, groene en gezonde omgeving voor mensen om te werken en recreëren. Dit resulteert in stijgende werknemers-tevredenheid en dalend ziekteverzuim. Klimaatadaptatie en versterking van de biodiversiteit gaan over het algemeen vaak samen. Door slimme aanleg van groen en waterstructuren ontstaat een grotere variatie in flora dan voorheen, wordt ruimte gecreëerd voor beleefgroen en is er extra verkoeling (het tegengaan van hittestress). Overige kansen die ontstaan als het terrein toekomstbestendig wordt ingericht: geluidsreductie, energiebesparing, afvangen van fijnstof, verbeterde luchtkwaliteit, etc.
Volgens de keur en afvoernormenkaart van Waterschap Vallei en Veluwe mag niet meer dan 26 mm/24 uur afgevoerd worden naar het watersysteem. Bij hevige neerslag (1/100 jaar, 86 mm in 24 uur) is er daarom bergingscapaciteit van minimaal 60 mm in het plangebied nodig 7. Bovendien stelt de keur van het waterschap dat er door de nieuwe functie van het terrein geen negatieve effecten op grondwaterstand ontstaan (verdroging of vernatting). De Kronkels-Zuid wordt kwalitatief hoogwaardig en toekomstbestendig ingericht, met voldoende ruimte voor groenvoorzieningen en waterberging. In het stedenbouwkundig plan voor het bedrijventerrein zijn uitgangspunten opgenomen voor de omgang met hemelwater, op basis van de bovengenoemde opgave van waterberging. Hierbij is een aantal voorzieningen opgenomen waarin hemelwater geborgen en/of geïnfiltreerd kan worden. De benodigde waterbergingsopgave wordt collectief voor het gehele plangebied aangelegd, alvorens het terrein in gebruik wordt genomen. Gezondheid Een gezond bedrijventerrein schept alle voorwaarden om optimaal te werken. Daarom gaan we uit van de wettelijke milieueisen. Dat is in het belang van zowel de werkgever als werknemer. Het kan bijdragen aan werkgeluk, arbeidsproductiviteit en verzuim voorkomen. Er wordt een Keurmerk Veilig Ondernemen Bedrijventerrein (KVO-B) opgesteld.
In het KVO-B maken de ondernemers samen met de gemeente, politie en brandweer en eventuele andere partijen afspraken om overlast, criminaliteit en onderhoud en beheer op het bedrijventerrein aan te pakken. Op het gebied van gezondheid zijn veel koppelkansen met klimaatadaptatie en verhogen van de biodiversiteit. Door groene, parkachtige aanleg wordt recreatie en beweging op het bedrijventerrein gestimuleerd. Een groene werkomgeving resulteert in stijgende werknemers-tevredenheid en dalend ziekteverzuim. Daarnaast treden andere positieve aspecten op zoals het afvangen van fijnstof en een verbeterde luchtkwaliteit. De ambitie is daarom om ruimte voor groen te realiseren. Er is in de planregels van onderhavig bestemmingsplan een regeling opgenomen om een minimale hoeveelheid groen te realiseren.
7
Rapport waterstructuur de Kronkels Zuid, Royal Haskoning DHV, 2018
64
Conclusie Er wordt in onderhavig bestemmingsplan ruimschoots aandacht geschonken aan het aspect duurzaamheid. Er is in het kader van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is een zogenaamde ‘nota van uitgangspunten’ opgesteld om te komen tot een duurzame en klimaatbestendige ontwikkeling van de locatie. Het aspect ‘duurzaamheid’ vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.12 Geurhinder veehouderijen Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden en vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. Een geurgevoelig object is een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. De locatie moet in het bestemmingsplan de functie wonen of verblijf hebben. In beginsel mag binnen de bebouwde kom op nieuwe geurgevoelige objecten de geurbelasting maximaal 3 ouE/m³ bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze waarde maximaal 14 ouE/m³. Het beoordelingskader uit de Wgv moet worden toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning. lndirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de 'omgekeerde werking' genoemd. Afstanden tot geurgevoelige objecten worden gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van het agrarisch perceel en niet tot het emissiepunt van het dierenverblijf dat in het milieuspoor bepalend is.
Onderzoek Het te ontwikkelen bedrijventerrein wordt hier met betrekking tot de geurbelasting beschouwd als liggend binnen de bebouwde kom. Agrarische bedrijven in de omgeving van het plan zijn: Bisschopsweg 6, 7 en 10 (melkrundveehouderijen), Bisschopsweg 22 (paardenhouderij), Zevenhuizerstraat 283 en 287 (melkrundveehouderijen), Gasthuisweg 3 en 4 (melkrundveehouderijen), Amersfoortseweg 40 (melkrundveehouderij), Amersfoortseweg 23 (varkenshouderij).
65
Figuur 4.7: Geurcontouren varkenshouderij Amersfoortseweg 23
Het bedrijf aan de Bisschopsweg 1 is bij de RUD geregistreerd als een melkrundveehouderi. Echter is dit adres in het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Zuid” een bedrijfsbestemming toegewezen gekregen. Hier zal dan ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder. Milieuafstanden met betrekking tot geur De genoemde melkrundveehouderijen en paardenhouderij hebben een vaste milieuafstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Voor de varkenshouderij aan de Amersfoortseweg 23 gelden geen vaste afstanden maar geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units/m3 voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Hieronder zijn de geurcontouren (in odour units/m3) aangegeven van de varkenshouderij aan de Amersfoortseweg 23 in Bunschoten-Spakenburg. Hierin is te zien dat deze contouren niet reiken tot het plangebied. Daarmee vormde het aspect geur geen belemmering voor de realisatie van bedrijventerrein De Kronkels-Zuid en dus ook niet voor dit bestemmingsplan. Conclusie Het aspect ‘geurhinder veehouderijen’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.