Bijlage 1. Bestemmingsplan Kronkels-Zuid
Tekst van het document
Op het bedrijventerrein zelf zorgen bomenrijen voor structuur. Langs de hoofdontsluiting zorgt een profiel met groenstrook en watergang voor een duidelijke as, welke Door het toepassen van heestergroepen en enkele bomen ontstaat er een gevarieerde opbouw van beplantingen, wat de diversiteit ten goede komt. Langs de secundaire wegen zorgt een laanbeplanting zonder onderbegroeiing voor een groene begeleiding. De landschappelijke inpassingszones van het bedrijventerrein zijn voorzien aan de zuidrand van het bedrijventerrein. De sterke groenstructuur van de hoofdontsluiting voorzien bij fase 1 de landschappelijke inpassing richting het open landschap In het beeldkwaliteitsplan is de gewenste beeldkwaliteit per deelgebied uitgewerkt in een beschrijving met referentiebeelden. Voor ieder onderdeel zijn de toetsingscriteria in een tabel opgenomen. Dit schema bevat de feitelijke criteria waaraan de welstandscommissie zal toetsen. Dit alles is samengevat in de zogenaamde ‘aandachtspunten kaart’ (zie figuur 3.2).
24
Figuur 3.2: “Aandachtspunten kaart”
Artikel 9.16 Instructieregel uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen “Uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk” kan regels bevatten voor uitbreiding bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a) de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken of is opgenomen in de Bijlage XIX Wonen en werken; b) de uitbreiding bedrijventerrein leidt niet tot extra bodemdaling; c) de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; en d) de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein, of, wanneer dat niet mogelijk is, in aansluiting op het stedelijk gebied. 2. Een motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. In het Regionaal Programma wonen en werken Regio Amersfoort is de ontwikkeling van De KronkelsZuid opgenomen. Voor de regio Amersfoort is t/m 2030 een maximale vraag geconstateerd van 84 hectare. Het huidige harde aanbod (waaronder De Kronkels-Zuid fase 1) is onvoldoende om deze vraag op te vangen.
Derhalve wordt in het concept Regionaal Programma uitgegaan van uitbreiding vanuit de zachte plancapaciteit in de regio, waaronder De Kronkels-Zuid fase 2. Zoals reeds in paragraaf 3.1.3 is onderbouwd, bestaat op grond van concrete voornemens en aanvragen van bedrijven uit Bunschoten er op korte termijn een aanzienlijke actuele vraag naar bedrijventerrein van ruim 12 ha. ten behoeve van ondernemers gevestigd in Bunschoten. Op grond van historische uitgifte en concrete voornemens en aanvragen is een vraag tot en met 2028 van 14,5 à 15,5 hectare reëel, waarvan 12,5 à 15 hectare van bedrijven die reeds gevestigd zijn in Bunschoten. Daarmee is het bestemmingsplan in lijn met onderdeel a van artikel 9.14 van de provinciale omgevingsverordening.
25
In het Regionaal Programma Regio Amersfoort wordt er van uit gegaan, dat de ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein pas plaats vindt, indien verdere intensivering op de bestaande bedrijventerrein van het ruimtegebruik niet meer mogelijk blijkt te zijn. Zoals aangegeven in de opgestelde ladderonderbouwing (zie paragraaf 3.1.3), worden de bedrijventerreinen in Bunschoten reeds intensief benut. Uitbreidingsvragen van bedrijven zijn derhalve aangewezen op nieuw bedrijventerrein. Binnen het stedelijk gebied van de gemeente Bunschoten is geen ruimte beschikbaar voor de beoogde extra oppervlakte aan bedrijventerrein. De Kronkels-Zuid sluiten aan op het bestaande bedrijventerrein De Kronkels en Haarbrug Zuid. Hiermee is het bestemmingsplan in lijn met onderdelen c en d van artikel 9.14 van de provinciale omgevingsverordening. De ontwerp omgevingsvergunning schrijft tevens voor dat de gemeente Bunschoten een bestemmingsplan voor de uitbreiding van een bedrijventerrein alleen mag vaststellen wanneer die uitbreiding niet leidt tot extra bodemdaling. In lijn met deze regeling is het uitgangspunt vanuit de gemeente Bunschoten voor Kronkels-Zuid als volgt. De bewijslast om aan te tonen dat activiteiten niet geleid hebben tot bodemdaling ligt bij de ondernemer of initiatiefnemer die op het bedrijventerrein activiteiten uitvoert.
Indien bodemingrepen worden verricht, moet de ondernemer aantonen dat dit geen gevolgen heeft. Om middels het bestemmingsplan activiteiten die leiden tot extra bodemdaling uit te sluiten is er een regeling opgenomen die grondroerende activiteiten die leiden tot extra bodemdaling moet voorkomen (zie bijlage 13 en planregels). Voor het planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan geldt, voorziet in specifieke uitgangspunten voor de inrichting en voor de welstandtoetsing. Artikel 9.19 Instructieregel kantoren 1. Een omgevingsplan laat uitsluitend nieuwvestiging van zelfstandige kantoren toe, voor zover het betrekking heeft op: a) zelfstandige kantoren met een lokaal vestigingsgebied, voor zover deze niet gevestigd kunnen worden in gerealiseerde gebouwen of binnen plancapaciteit op basis van het vigerende bestemmingsplan; b) een eenmalige uitbreiding van gerealiseerde kantoren met ten hoogste 10% van het bestaande bvo van het gebouw, voor zover deze niet gerealiseerd kan worden op basis van het bestemmingsplan; of c) transformatie naar zelfstandige kantoren tot een maximum bvo van 1.500 m2 per gebouw. In het bestemmingsplan De Kronkels-Zuid wordt zelfstandige kantoorruimte niet toegestaan. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 9.17 van de omgevingsverordening.
3.2.3 Regionaal programma wonen en werken Regio Amersfoort In samenwerking met de overige zes regiogemeenten in de regio Amersfoort en de provincie Utrecht is door de gemeente Bunschoten een regionaal programma wonen en werken opgesteld. Het bevat afspraken voor de voortgang van de woningbouw en de ontwikkeling van bedrijventerreinen voor de komende jaren, zowel kwantitatief als kwalitatief. Via dit programma kunnen gemeenten en provincie, ieder vanuit z’n eigen rol en verantwoordelijkheden, samen sturen op de woningbouw- en bedrijventerreinontwikkeling. Regionaal programmeren is een cyclisch proces: dit programma zal periodiek (jaarlijks) worden geactualiseerd. Ook is sprake van een groeimodel: deze eerste cyclus is gefocust op reeds bestaande
26
plannen en de korte (en middellange) termijn. De komende jaren kan het programma worden aangevuld, bijvoorbeeld naar aanleiding van besluitvorming in het kader van het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030-2040 dat door de regio en provincie gezamenlijk wordt opgesteld. Samenwerking nodig voor aanpak van urgente maatschappelijke vraagstukken In de hele Provincie Utrecht spelen urgente vraagstukken op de woningmarkt en de markt voor bedrijventerreinen. Zo is er een grote behoefte aan extra woningen en ruimte voor bedrijfsvestigingen. De oplossing voor deze grote maatschappelijke vraagstukken kunnen niet door een enkele partij worden geboden. Samenwerking is noodzakelijk: tussen verschillende overheden, maar ook met andere partners. Daarbij zien we een duidelijke samenhang tussen voor wonen en werken. Het gaat steeds vaker om gezamenlijke vraagstukken en ontwikkelingen. Bijvoorbeeld het realiseren van gemengde woonwerkmilieus, of juist transformaties van werklocaties naar wonen. Dergelijke ontwikkelingen, en mogelijkheden tot daadwerkelijke realisatie hiervan, dienen dan ook in samenhang te worden bekeken.
Eén van de maatschappelijke vraagstukken die relevant zijn voor de programmering is dat er voldoende ruimte geboden wordt voor bedrijventerreinen die nodig zijn voor de gewenste economische ontwikkeling, in de gewenste kwaliteiten, uitgaande van zorgvuldig en intensief ruimtegebruik. Doorwerking plangebied In het regionaal programma wonen en werken Regio Amersfoort is de ontwikkeling van De KronkelsZuid (fase 1) opgenomen. Het rapport is ter vaststelling aangeboden aan de colleges van B&W van de regiogemeenten. Hiermee is voldaan aan de afspraak om de beoogde ontwikkeling regionaal af te stemmen. Het programma is tevens vastgesteld door de Provincie Utrecht. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten van de regionale afstemming ten aanzien van de bedrijventerreinen in de gemeente Bunschoten. In het rapport is in regionaal verband het uitgeefbaar (plan)aanbod van nieuwe bedrijventerreinen inzichtelijk gemaakt. Verder is geïnventariseerd welke concrete en zachte plannen er in de regio zijn voor nieuw bedrijfsgebied. Naast het bestaande aanbod is sprake van niet terstond aanbod, waarover deels al besluitvorming heeft plaatsgevonden en waarover deels nog besluitvorming moet plaatsvinden. Het gaat hier met name om fase 1op De Kronkels-Zuid. Dit is het realisatiedeel van het regionaal programma.
De regio kiest er voor om in dit eerste regionale programma werken geen andere locaties toe te voegen. Aanvullend hebben gemeenten een ambitie aangegeven om nieuw bedrijventerrein aan te leggen. Het gaat om plannen, waarover nog nadere besluitvorming moet plaatsvinden in het kader van het regionaal programma (met de regio en met de provincie). Dit zijn de pijplijn plannen. In dit overzicht is fase 2 van De Kronkels-Zuid opgenomen. Zoals in paragraaf 3.1.3 is onderbouwd, bestaat op grond van concrete voornemens en aanvragen van bedrijven uit Bunschoten er op korte termijn een aanzienlijke actuele vraag naar bedrijventerrein van ruim 12 ha. ten behoeve van ondernemers gevestigd in Bunschoten. Op grond van historische uitgifte en concrete voornemens en aanvragen is een vraag tot en met 2028 van 14,5 à 15,5 hectare reëel, waarvan 12,5 à 15 hectare van bedrijven die reeds gevestigd zijn in Bunschoten. Echter richt onderhavig bestemmingsplan zich slechts op de eerste fase van 7 ha.
27
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Bunschoten 2015 (gemeentelijke structuurvisie) De Toekomstvisie Bunschoten 2015 dateert uit 2001. In 2009 is de Toekomstvisie hernieuwd vastgesteld door de gemeenteraad als structuurvisie, zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij is geen aanleiding gevonden om de toekomstvisie inhoudelijk te actualiseren, aangezien er geen wezenlijke wijzigingen in het ruimtelijk beleid aan de orde waren. De Toekomstvisie omvat een integrale visie voor het grondgebied van de gemeente. In 1998 is de landschapsontwikkelingsvisie Bunschoten door de gemeenteraad vastgesteld. Daarop is in 1999 gestart met het uitvoeren van onderzoeken naar de gewenste ontwikkeling van werken, wonen, recreatie en voorzieningen. De bevindingen zijn samengevat in het rapport "Toekomstvisie Bunschoten 2015". Om de gemeente leefbaar te houden wordt een groei geambieerd tot ca. 23.000 inwoners in 2015 (1-1-2002: ca. 19.360). Dit om het huidige voorzieningenniveau in ieder geval in stand te houden. In de nota is berekend, dat er tot 2015 minstens 20 hectare bedrijventerrein bij moet komen, om zo de eigen bevolking binnen de gemeentegrenzen aan het werk te kunnen houden. Hierbij is uitgegaan van 12 ha. ten behoeve van de autonome ontwikkeling van de eigen bedrijven en nog eens 5 à 12 ha. voor nieuwe bedrijven.
Daarnaast wil de gemeente verplaatsing mogelijk maken van enkele grote bedrijven uit o.a "De Zuidwenk" naar de zuidelijke bedrijventerreinen. De ligging van de Zuidwenk is zodanig dat binnen de kern verkeershinder en milieuhinder ontstaat (onder andere op de Oostelijke Randweg). De Zuidwenk kan vervolgens worden heringericht als nieuw woongebied. Met betrekking tot het vestigingsbeleid is gesteld, dat bestaande bedrijven en bedrijven die bijdragen aan een hoogwaardige werkgelegenheid voorrang moeten krijgen. De gemeente voert een actief beleid om een grotere variatie in de bedrijvigheid te stimuleren, hierbij echter niet de traditionele bedrijfstakken (visserij en landbouw) uit het oog verliezend. Arbeidsintensieve bedrijven met een beperkte ruimtevraag genieten de voorkeur. Om dit te verwezenlijken moet gezorgd worden voor een goede bereikbaarheid van bedrijventerreinen, ook met het openbaar vervoer, en worden nieuwe uitbreidingen voornamelijk aan de zuidzijde van de bebouwde kom gerealiseerd (mede ter vervanging van het huidige "Zuidwenk").
3.3.2 Groenbeleidsplan Het groenbeleidsplan 2015 - 2025 bevat een samenhangende visie op de instandhouding, ontwikkeling, inrichting en beheer van de groene leefomgeving: 'Het vergroten van de identiteit en natuurwaarde met ruimte voor de groene leefomgeving waarbij het groen en onderhoud is afgestemd op de functie.' Aan de visie zijn een zevental doelstellingen gekoppeld: Ruimte voor groen in de leefomgeving: instandhouding en versterking van het groen; Beplanting omvormen: efficiënter beheer; Onderhoud op peil: vastgesteld onderhoudsniveau en -kwaliteit; Vergroten van de identiteit: versterken van cultuurhistorische structuren; Burgerparticipatie: het betrekken van burgers bij vraagstukken in de groene leefomgeving; Natuurwaarde vergroten: het toepassen van zo veel mogelijk inheemse en gebiedseigen beplanting en alternatieve onkruidbestrijding;
28
Groen afstemmen op de functie beschreven.
Het openbaar groen op de bedrijventerreinen staat onder grote ruimtedruk. Parkeerdruk, bedrijfsuitbreiding en inritten leggen steeds meer een claim op het openbaar groen. Doorwerking plangebied De groenstructuur van het bedrijventerrein De Kronkels-Zuid zal hoofdzakelijk bestaan uit een brede landschappelijke zone langs de zuid- en westrand en laanbeplantingen. Langs de buitenrand van het bedrijventerrein zijn waterpartijen vormgegeven in lijn met de sloten- en verkavelingsstructuur van de polder. De sloten zijn benadrukt door losse bomen en boomgroepen die enerzijds het zicht op de bebouwing camoufleren en anderzijds de recreatieve route begeleiden. Door te werken met losse structuren blijft het open karakter hier bestaan. Op het bedrijventerrein zelf zorgen bomenrijen voor structuur. Langs de hoofdontsluiting zorgt een profiel met groenstrook en watergang voor een duidelijke as. Door het toepassen van heestergroepen en enkele bomen ontstaat er een gevarieerde opbouw van beplantingen, wat de diversiteit ten goede komt. Langs de secundaire wegen zorgt een laanbeplanting zonder onderbegroeiing voor een groene begeleiding. Het plan sluit daarmee aan op het gemeentelijke groenbeleidsplan en streeft een groene inpassing van het bedrijventerrein na.
29
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst. In diverse onderzoeken wordt tevens de later te ontwikkelen fase 2 meegenomen in het onderzoek. Hiermee wordt voorgesorteerd op de ontwikkeling van fase 2 die de gemeente in de toekomst beoogt.
4.1 Verkeer en parkeren Parkeren Op het bedrijventerrein zijn geen parkeerplaatsen opgenomen in het openbaar gebied. Er zal geen parkeren mogelijk gemaakt worden langs de rijbaan. Dit heeft als voordeel dat er geen conflicten zijn tussen parkerende voertuigen en rijdende voertuigen of fietsers. De verkeersveiligheid is hierbij gebaat. Bovendien wordt een rommelige aanblik op de straat voorkomen door de toepassing van geconcentreerd parkeren. Alle parkeerplaatsen en opstelplekken voor vrachtverkeer dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd of op een collectief beheerde opstelplek die onder het toezicht valt van het parkmanagement. Parkeervraag op eigen terrein Omdat de bedrijven grotendeels op hun eigen kavel in hun parkeerbehoefte dienen te voorzien, dienen arbeidsintensieve bedrijven (met relatief veel personeel per m2 bvo) in verhouding op hun kavel een groter aantal parkeerplaatsen te realiseren dan arbeidsextensieve bedrijven (met relatief weinig personeel per m2 bvo). Het benodigd aantal parkeerplaatsen voor een bepaald type bedrijf leidt tot een bepaalde ruimtevraag op de kavel, die dus niet bebouwd kan worden met bedrijfsgebouwen. De parkeerbehoefte van een bedrijf legt hiermee een beperking op aan de oppervlakte aan bebouwing dat een bedrijf kan realiseren op zijn kavel.
Per bedrijf zal hierin een balans worden gezocht, zodat het bedrijf zijn kavel optimaal kan bebouwen en tegelijkertijd op eigen terrein in zijn parkeerbehoefte kan voorzien. Om te waarborgen dat bedrijven voornamelijk op eigen terrein in hun parkeerbehoefte zullen voorzien zijn in het voorliggende bestemmingsplan parkeerregels opgenomen. Op basis van deze parkeerregels dient bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van gebouwen, en bij de gebruikswijziging van gronden of gebouwen, te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Tevens dient, voor zover van toepassing, te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. Daarnaast is gebruik van bestaande parkeerplaatsen, anders dan voor parkeren, aangemerkt als strijdig gebruik. Middels deze parkeerregeling is ook in de toekomst voldoende gewaarborgd dat er geen parkeerproblemen ontstaan op het bedrijventerrein. In de planregels is een parkeernorm opgenomen voor diverse functies. Dit betreft een minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen. Collectieve parkeervoorziening/ parkeerkoffers Naast de verplichting voor bedrijven om op eigen terrein in voldoende parkeerplaatsen te voorzien afhankelijk van de omvang en het type bedrijf worden er op de Kronkels-Zuid ook collectieve parkeervoorzieningen in parkeerkoffers gerealiseerd.
30
In de Kronkels-zuid wordt voor elke 400m2 bvo (bruto vloeroppervlakte) rekening gehouden met de beschikbaarheid van 1 parkeerplaats in een collectieve parkeerkoffer. Deze parkeerplaats mag in mindering worden gebracht op het totaal aantal te realiseren parkeerplaatsen van het betreffende bedrijf. Voor fase 1 (ca. 75.024 m2 uitgeefbare grond) zijn er 120 collectieve parkeerplaatsen beschikbaar in de parkeerkoffers. De parkeerterreinen zullen openbaar blijven en géén eigendom van bedrijven worden, noch kunnen zij een claim leggen op een aantal (vaste) parkeerplaatsen op deze terreinen. Doordat bedrijven gebruik kunnen maken van deze parkeergelegenheid, hebben zij op eigen terrein meer ruimte voor hun bedrijfsactiviteiten en kunnen de kavels efficiënter worden ingedeeld. De parkeerterreinen worden uitgevoerd in een open bestrating/waterdoorlatende verharding. De collectieve parkeervoorziening is opgenomen in het stedenbouwkundig plan en op de bestemmingsplanverbeelding. Verkeer Door middel van een mobiliteitstoets is door Mobycon onderzocht wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid op het omliggende wegennet en wat voor voorzieningen aanwezig moeten zijn op het bedrijventerrein. Deze mobiliteitstoets is opgenomen in de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.
Omdat naar aanleiding van de provinciale vooroverlegreactie de wijzigingsbevoegdheid voor fase 2 is komen te vervallen, heef Mobycon een aanvullende oplegnotitie opgesteld. Het doel van deze oplegnotitie is om het resultaat van de gewijzigde fasering en ontsluiting te beschrijven en beoordelen ten opzichte van het resultaat van de oorspronkelijke Mobiliteitstoets. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van deze twee rapportages. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige adviesrapportages. Verkeersgeneratie De Kronkels-Zuid wordt een gemengd bedrijventerrein met verschillende type bedrijven, maar met de nadruk op de vestiging van bedrijven die actief zijn in onder andere ambulante handel, maar ook grootschalige industriële bedrijven. Het bedrijventerrein heeft –na realisatie van fase 2- een netto oppervlakte van 14 hectare. Om te bepalen wat de verkeersgeneratie van het nieuwe bedrijventerrein is, zijn de richtlijnen van het CROW toegepast. Het berekenen van verkeersgeneratie kan op twee manieren; op basis van de specifieke functies en de daarbij behorende bruto vloeroppervlaktes of op basis van netto oppervlakte in hectare voor een bepaald type bedrijventerrein.
Het CROW geeft aan dat als er geen specifieke informatie over de verschillende functies aanwezig zijn, er toch een globale berekening van de verkeersgeneratie op etmaalniveau gemaakt kan worden. Wel is belangrijk dat het type werkgebied bekend is. Het type werkgebied van De Kronkels-Zuid is een gemengd terrein. Dit is een terrein bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de categorieën ‘hoogwaardig bedrijvenpark’ of ‘distributiepark’. Gemengde terreinen kennen een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid, voornamelijk bestaande uit licht moderne industrie en overige (‘modale’) industrie. Het CROW geeft aan dat een weekdag intensiteit omgerekend kan worden naar werkdagintensiteiten. Daartoe moeten de weekdagcijfers vermenigvuldigd worden met 1,33. Dit komt neer op een
31
verkeersgeneratie van ca. 2.998 verkeersbewegingen per etmaal voor fase 1 en fase 2 gezamenlijk (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1: Berekening verkeersgeneratie (Bron: Mobiliteitstoets, Mobycon, oktober 2020)
Kruispunt Bisschopsweg (N414) – De Kronkels De huidige kruispuntinrichting van het kruispunt Bisschopsweg (N414) – De Kronkels is niet voldoende voor een goede doorstroming en een verkeersveilige afwikkeling van het verkeer. Onafhankelijk van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid is het nodig om het kruispunt aan te passen. Er is verder onderzoek nodig naar de mogelijke inpassing waarbij geanticipeerd moet worden op de toekomstige aansluiting van fase 2 van De Kronkels-Zuid op dit kruispunt. Voor fase 1 is aanpassing van dit kruispunt nog niet noodzakelijk. Kruispunt Bisschopsweg (N414) – Amersfoortseweg (N199) In de scenario’s 2020 en 2020 incl. De Kronkels-Zuid fase 1 biedt het huidige kruispunt voldoende capaciteit. De ontwikkeling van de eerste fase zorgt er dus niet voor dat de VRI niet goed kan afwikkelen. Door de autonome groei kan het kruispunt in de huidige configuratie het verkeer niet meer goed afwikkelen. Dit verergert in het scenario 2030 met het verkeer van de gehele ontwikkeling De Kronkels-Zuid erbij. Het aandeel van de Kronkels-Zuid is hierin beperkt. Rotonde Amersfoortseweg (N199) – Neerduist (bedrijventerrein Haarbrug-Zuid) In de scenario’s 2020 en 2020 incl. De Kronkels-Zuid fase 1 biedt de huidige enkelstrooksrotonde voldoende capaciteit. Door de ontwikkeling van de eerste fase van De Kronkels-Zuid zijn er geen aanpassingen nodig aan de huidige rotonde.
Als gevolg van de autonome groei in scenario 2030 en 2030 incl. De Kronkels-Zuid fase 1 en 2 kan de enkelstrooksrotonde het verkeer niet meer goed afwikkelen. Er zal moeten worden nagegaan welke kruispuntoplossing hier de meest veilige oplossing biedt en die wel voldoende capaciteit biedt in 2030. Rotonde Amersfoortseweg (N199) – Noordelijke af-/toerit A1 De kruising met de op- en afrit van de A1 is op dit moment een rotonde. Vanwege de mogelijke ontsluiting van Vathorst-Bovenduist naar dit punt zal de kruising worden aangepast. Er is in de mobiliteitstoets daarom een indicatie gegeven wat de effecten van De Kronkels-Zuid op deze kruising zijn. De hoeveelheid verkeer op de kruispunttakken groeit tussen de 2,3% en 5,4% bij het vergelijken van de scenario’s 2020 en 2020 incl. De Kronkels-Zuid (fase 1 & 2). Bij het vergelijken van de scenario’s 2030 en 2030 incl. De Kronkels-Zuid is dit 2,4% en 4,9%. De ontwikkeling De KronkelsZuid heeft dus niet of nauwelijks invloed op de hoeveelheid autoverkeer op deze kruising. Fietsverkeer op parallelweg Amersfoortseweg (N199)
32
De Amersfoortseweg (N199) heeft een parallelweg met gemengd verkeer waar veel fietsverkeer gebruik van maakt. In de toekomstige situatie komen deze fietsers mogelijk in conflict met bestemmingsverkeer van en naar De Kronkels-Zuid. De gemeente participeert in een project snelfietsroute met de provincie Utrecht en de gemeente Amersfoort. Het is de bedoeling dat de fietsroute langs de Amersfoortseweg medio 2022/2023 wordt opgewaardeerd tot snelfietsroute waarbij vanuit verkeerskundige optiek de voorkeur bestaat voor een ongelijkvloerse kruising met de ontsluiting van de Kronkels-Zuid. In de door Mobycon opgesteld oplegnotitie (zie bijlagen) is een nadere afweging gemaakt met betrekking tot het fietsverkeer. In verband met beperkte ruimte en functionaliteit van de ontsluiting is het aan te bevelen dat in één keer een volwaardige integrale oplossing wordt gerealiseerd voor de gehele kruising/rotonde Amersfoortseweg – Neerduist inclusief ontsluiting De Kronkels-Zuid en snelfietsroute. Bij een dergelijke insteek kan van begin af aan ingespeeld op een toekomstvaste oplossing met een veilige en vlotte verkeersafwikkeling voor auto en fiets.
Daarom is voor een toekomstvaste, veilige en vlotte verkeersafwikkeling op de kruising van de beoogde snelfietsroute (via de parallelweg van de Amersfoortseweg) met de ontsluiting van De Kronkels-Zuid alvast rekening gehouden met een ongelijkvloerse kruising van de snelfietsroute (fietstunnel of -brug of deels verdiepte oplossing) met de ontsluiting De Kronkels-Zuid vanwege: Grotere veiligheid en doorstroming van de snelfietsroute bij een ongelijkvloerse kruising dan bij een gelijkvloerse kruising zolang de enkelstrooksrotonde er nog ligt. Er is geen grote uitbuiging van de snelfietsroute om de rotonde nodig die ten koste gaat van het uitgeefbare bedrijfsterrein. Toekomstvastheid: Bij toekomstige uitbreiding van de enkelstrooksrotonde naar meerstrooksrotonde of verkeerslicht biedt een ongelijkvloerse kruising in de snelfietsroute veel meer mogelijkheden voor een veilige vormgeving van de snelfietsroute en een vlotte verkeersafwikkeling op de ontsluiting dan een gelijkvloerse kruising in de snelfietsroute. Door de ongelijkvloerse kruising van de snelfietsroute met de ontsluiting van De Kronkels-Zuid naar de rotonde Amersfoortseweg – Neerduist verbetert de verkeersveiligheid op de snelfietsroute en de verkeersafwikkeling op de ontsluiting aanzienlijk ten opzichte van een gelijkvloerse oplossing. Bovendien is geen grote uitbuiging van de snelfietsroute nodig.
Bij de uitwerking van de ongelijkvloerse kruising dient rekening te worden gehouden met de doorwerking van hoogteverschillen, sociale onveiligheid en een volwaardige fietsverbinding met Haarbrug Zuid. De uitkomsten van de verkeersstudie voor de Amersfoortseweg zullen mede richting geven aan de oplossing. Voetgangersontsluiting naar bushalte Bij de aanleg van fase 1 wordt gestreefd naar een zo optimaal mogelijk route voor voetgangers naar de bushaltes ten noorden van het kruispunt Bisschopsweg – Amersfoortseweg. Vooralsnog wordt hiervoor een fiets/voetpad aangelegd via de zuidzijde van het perceel van het bedrijf Boetech aan de Amersfoortseweg. Dit bedrijf heeft hiervoor haar medewerking toegezegd. Evenwel blijft het streven om dit fiets/voetpad nog noordelijker aangelegd te krijgen. De opties hiertoe worden nader onderzocht.
33
Oplegnotitie Mobiliteitstoets De Kronkels-Zuid (2022) Mobycon heeft in 2020 een Mobiliteitstoets voor het bestemmingsplan bedrijventerrein De KronkelsZuid opgesteld. Hierin is onder andere een advies gegeven over de aansluiting van het bedrijventerrein op de rotonde Amersfoortseweg-Neerduist. De rapportage is ter visie gelegd bij het voorontwerpbestemmingsplan. Daarbij is vast komen staan dat naar aanleiding van de provinciale vooroverlegreactie de beoogde fase 2 van het bedrijventerrein niet met een wijzigingsbevoegdheid kon worden opgenomen. Fase 1 moet worden beschouwd met een eigenstandige verkeeroplossing. De Mobiliteitstoets en het advies van Mobycon sluiten daarom niet meer geheel aan op het ter visie te leggen ontwerp bestemmingsplan en exploitatieplan. Er is daarom een oplegnotitie opgesteld, welke is opgenomen in de bijlagen. In de oplegnotitie wordt geconcludeerd dat de gewijzigde uitgangspunten ervoor zorgen dat er nauwelijks extra verkeer ten gevolge van De Kronkels-Zuid wordt afgewikkeld via de kruispunten Bisschopsweg – De Kronkels en Bisschopsweg – Amersfoortseweg ten opzichte van de autonome situatie (zonder De Kronkels-Zuid). De enkelstrooksrotonde Amersfoortseweg – Neerduist wordt bij de gewijzigde uitgangspunten wel extra belast ten opzichte van de autonome situatie (zonder De Kronkels-Zuid).
De verkeersbelasting van de enkelstrooksrotonde Amersfoortseweg – Neerduist bij de gewijzigde uitgangspunten (alleen fase 1; één ontsluiting) is even groot als de verkeersbelasting bij de oorspronkelijke uitgangspunten uit de Mobiliteitstoets (fase 1 en 2; twee ontsluitingen). De hoeveelheid motorvoertuigen is nagenoeg even groot in beide situaties. De conclusies voor de verkeersafwikkeling op deze rotonde zijn dus hetzelfde als in de oorspronkelijke Mobiliteitstoets uit 2020: De huidige enkelstrooksrotonde kan als gevolg van autonome ontwikkelingen (zonder realisatie van De Kronkels-Zuid) de hoeveelheid autoverkeer in 2030 niet verwerken. Realisatie van de aansluiting van De Kronkels-Zuid (fase 1) leidt tot verdere verslechtering van de verkeersafwikkeling. De huidige enkelstrooksrotonde moet worden opgewaardeerd naar meerstrooksrotonde of verkeerslicht. Hierbij moet rekening worden gehouden met de realisatie van de aansluiting van De Kronkels-Zuid. Conclusie In het verkeerskundig advies is uitgegaan van een verkeersgeneratie van circa 2.998 verkeersbewegingen per etmaal voor de gehele De Kronkels-Zuid (fase 1 en fase 2). In het advies is aangetoond dat deze verkeersaantrekkende werking niet significant van invloed is op de ontsluitingswegen van het bedrijventerrein en de omliggende wegen.
Door autonome groei van het verkeer in totaal (onafhankelijk van de ontwikkeling van De Kronkels-Zuid) zullen er op termijn wel knelpunten gaan opspelen en zal een aantal kruispunten aangepast moeten worden. Voor wat betreft de haalbaarheid voor De Kronkels-Zuid worden er geen problemen verwacht met de afwikkeling van het verkeer. Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. De gemeente Bunschoten is in gesprek met de provincie Utrecht en heeft het voornemen een onderzoek laten uitvoeren naar alle verkeerskundige aspecten rond N199 en haar zijwegen.
34
4.2 Geluidhinder Toetsingskader Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Als een geluidszone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Toekomstige ontwikkelingen die niet binnen voorliggend bestemmingsplan worden geregeld (bijvoorbeeld via een omgevingsvergunning) moeten ten aanzien van geluid getoetst worden. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. Indien de geluidbelasting lager is dan worden door de Wet geluidhinder geen aanvullende eisen gesteld. Wanneer deze waarde wordt overschreden dan zal moeten worden nagegaan welke geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om deze overschrijding terug te brengen tot, bij voorkeur, 48 dB. Na afweging van de geluidbeperkende maatregelen kan het college van burgemeester en wethouders hogere geluidbelastingen toestaan. In deze situatie bedraagt de maximale grenswaarde 63 dB.
In de Wet geluidhinder is verder bepaald, dat rond industrieterreinen, waarop inrichtingen volgens het Besluit omgevingsrecht, bijlage 1, onderdeel D (de zogenaamde grote lawaaimakers) zijn gevestigd of zich mogen vestigen, een geluidzone moet zijn vastgesteld. Bij nieuwe ontwikkelingen op het industrieterrein en in de zone (omgevingsvergunningverlening aan bedrijven (milieu, bouw, sloop) en verkoop van percelen op die industrieterreinen), dient deze geluidzone in acht te worden genomen. Tot slot worden in artikel 2.17a, lid 2 van het Activiteitenbesluit geluid grenswaarden gegeven geldend voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. Het systeem van zoneringen van industrieterreinen betekent dat in principe geen nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone gewenst is. Dit betekent dat de geluidbelasting ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Wanneer de waarde van 50 dB(A) wordt overschreden, kan eventueel onder voorwaarden een ontheffing voor een hogere grenswaarde door het college van burgemeester en wethouders worden verleend. Deze ontheffing is tot maximaal 55 dB(A) mogelijk. Voor vergunningsplichtige inrichtingen worden de geluidsvoorschriften in de vergunning gebaseerd op de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening.
Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. Echter is om diverse redenen een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Door Antea is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarin de volgende aspecten zijn onderzocht: 1. Op grond van de Wet geluidhinder is geprognosticeerd op welke plek de nieuwe geluidzone zal moeten worden gepositioneerd om ruimte te bieden aan de nieuw te vestigen bedrijven, en welke geluidbelastingen er als gevolg van het (gehele) industrieterrein (bestaand plus uitbreiding) zullen optreden bij geluidgevoelige objecten in de (nieuwe) geluidzone. In lijn met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is ook geprognosticeerd welke geluidbelastingen er zullen optreden bij geluidgevoelige objecten op het industrieterrein.
35
2. Voor geluidgevoelige objecten waarvoor een zogenaamde hogere waarde benodigd is, is aanvullend ook de cumulatieve geluidbelasting LIL,CUM onderzocht. Dit ter beoordeling van de totale akoestische kwaliteit van de desbetreffende objecten. 3. Ter toets aan de normen uit de Wet geluidhinder zal de geluidbelasting vanwege het verkeer op nieuwe wegen (ontsluitingswegen op het uit te breiden deel van het industrieterrein) op bestaande woningen worden bepaald; 4. Ter beoordeling of er met het plan sprake zal zijn van een zogenaamde ‘goede ruimtelijke ordening’ is ook het geluideffect inzichtelijk gemaakt als gevolg van de verkeer aantrekkende werking van het plan. De belangrijkste resultaten van dit onderzoek zijn hieronder opgenomen. Het gehele akoestische onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Vigerende geluidzone en geluidgevoelige objecten Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de geluidzone aan de zuidzijde moet worden verruimd om voldoende geluidruimte te reserveren voor de nieuwe inrichtingen op De Kronkels-Zuid. Figuur 4.2 geeft een impressie van het te wijzigen deel van de geluidzone. Deze zone wordt middels een separate bestemmingsplanprocedure planologisch-juridisch geborgd.
Figuur 4.2: Impressie te wijzigen (blauwelijn lijn met van de geluidzone. Impressie van hetvan te het wijzigen deeldeel (blauwe metdriehoek-nodes) driehoek-nodes) van de geluidzone.
Als gevolg van deze uitbreiding komen geen nieuwe geluidgevoelige objecten in de geluidzone te liggen. Wel neemt de geluidbelasting bij de woning aan de Amersfoortseweg 40 tot naar 53 dB(A) als gevolg van het gehele industrieterrein, inclusief uitbreiding. Deze woning ligt namelijk het dichtst bij het uit te breiden deel van het industrieterrein. Bij deze woning geldt een ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 51 dB(A) op grond van artikel 45 Wet geluidhinder (eerder vastgestelde hogere waarde). Op grond van artikel 46 Wet geluidhinder mag de hogere waarde worden verhoogd met ten hoogste 5 dB(A) tot 56 dB(A). Het vaststellen van een (nieuwe) hogere waarde van 53 dB(A) is daarmee mogelijk. Een dergelijke hogere waarde is enkel mogelijk wanneer het maximaal toegestane binnenniveau op grond van artikel 111b Wet geluidhinder wordt gewaarborgd. Op grond van dat artikel mag het binnenniveau maximaal 35 dB(A) bedragen als gevolg van het gezoneerde industrieterrein. Met een
36
hogere waarde van 53 dB(A) moet de gevel ten minste 53 – 35 = 18 dB(A) aan geluid weren. De ervaring leert dat een moderne goed onderhouden woning doorgaans een geluidwering heeft van 20 dB(A) of meer. Het Bouwbesluit kent ook een minimale eis van 20 dB(A), waaraan doorgaans kan worden voldaan zonder geluidwerende voorzieningen. De verwachting is dat het maximaal toegestane binnenniveau bij deze woning dan ook reeds geborgd is. De geprognosticeerde geluidbelasting van een andere nabijgelegen woning, die aan de Bisschopsweg 7, ten westen van de uitbreiding, bedraagt 46 dB(A) als gevolg van het nieuwe – vergrote – industrieterrein, ondanks dat deze woning reeds in de vigerende geluidzone is gelegen. En voldoet daarmee aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (50 dB(A)) op grond van artikel 44 Wet geluidhinder. Opvalt is dat met name de eigen opstallen zorgen voor een geluidafschermende werking. Het vaststellen van een hogere waarde is daardoor niet nodig. Een punt van aandacht is daarbij wel dat bij eventuele sloop van deze opstallen een overschrijding van de zonegrenswaarde te verwachten valt. Geluidgevoelige objecten op het industrieterrein Uit de uitgevoerde inventarisatie blijkt dat er ook op het industrieterrein zelf geluidgevoelige objecten zijn gelegen. De Wet geluidhinder is voor deze objecten niet van toepassing.
In lijn met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 is wel getoetst aan een richtwaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde ter borging van een acceptabele geluidkwaliteit. Uit de berekeningen blijkt dat bij alle (bedrijfs)woningen nog steeds zal worden voldaan aan de richtwaarde van 65 dB(A), met uitzondering van Celsiusweg 9. Daar treedt met 69 dB(A) een overschrijding van 4 dB(A) op. Voor deze woning is al in 2018 een sloopvergunning verleend (bron: bagviewer.nl). Bovendien wordt deze hoge geluidbelasting vooral veroorzaakt door het eigen bedrijf en staat dit daarmee los van de beoogde uitbreiding van het industrieterrein. Stiltegebied Ten westen van het industrieterrein is het stiltegebied Eemland gelegen. De vigerende geluidzone hoeft aan deze zijde niet te worden verruimd. In de provinciale milieuverordening van de Provincie Utrecht is in artikel 26, lid 2, een geluidrichtwaarde opgenomen voor inrichtingen buiten het stiltegebied: “Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting buiten een stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter in een stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied”.
Uit de uitgevoerde geluidberekeningen blijkt dat de afstand van het uitbreidingsdeel van het industrieterrein tot aan het stiltegebied dermate groot is dat zelfs het geluid van alle 15 nieuwe inrichtingen tezamen minder dan 35 dB(A) zal bedragen aan de rand van het stiltegebied. De richtwaarde van een individuele inrichting wordt daarmee eveneens nageleefd. Wegverkeer Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de nieuw aan te leggen wegen zal voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB.
37
Verkeer aantrekkende werking/goede ruimtelijke ordening Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de toename van de geluidbelasting bij bestaande geluidgevoelige objecten – als gevolg van de verkeer aantrekkende werking van het plan – ten hoogste 1.3 dB bedraagt. Deze toename is dermate klein dat deze niet significant wordt geacht, waarmee het plan niet van invloed is op de ‘goede ruimtelijke ordening’ ten aanzien van de verkeer aantrekkende werking. Cumulatie van geluid Vast te stellen hogere waarde Bij het vaststellen van een hogere waarde dient het bevoegd gezag op grond van artikel 110a, lid 6, Wet geluidhinder te oordelen dat het besluit niet zal leiden tot onaanvaardbare cumulatieve effecten. Enkel voor Amersfoortseweg 40 dient een hogere waarde te worden vastgesteld, van 53 dB(A). Aan de noordgevel, waar de hogere waarde voor industrie maatgevend is, bedraagt de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Amersfoortseweg in de plansituatie 60 dB. De cumulatieve geluidbelasting LIL,CUM bedraagt daardoor 61 dB, en neemt 1 dB toe als gevolg van het de uitbreiding van het industrieterrein. Geluidgevoelige objecten op het industrieterrein Uit onze inventarisatie blijkt dat er ook op het industrieterrein zelf geluidgevoelige objecten zijn gelegen. De Wet geluidhinder is voor deze objecten niet van toepassing.
In lijn met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 is wel getoetst aan een richtwaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Bij de bedrijfswoningen aan de Celsiusweg 2 en 9, Fahrenheitweg 7, en Amersfoortseweg 2 is de deelbijdrage van de uitbreiding van De Kronkels-Zuid dermate laag dat dit niet leidt tot een verhoging van de reeds bestaande geluidbelastingen. Bij de overige woningen, die aan de Bisschopsweg 1 en die aan de Amersfoortseweg, is de bijdrage van de uitbreiding van De Kronkels-Zuid wel relevant. Vooral omdat door de uitbreiding de geluidbelasting toeneemt aan de andere zijde van de woning. De geluidbelasting van de woningen aan de Amersfoortseweg neemt aan de westgevel maximaal met 6 dB toe. Desondanks zal de geluidbelasting ruimschoots onder de streefwaarde van 65 dB(A) blijven, waarmee een acceptabele geluidbelasting geborgd is. Hogere waarden Enkel voor de woning aan de Amersfoortseweg 40 moet een hogere waarde van 53 dB(A) worden vastgesteld als gevolg van de uitbreiding van het industrieterrein aan de zuidwest zijde. Een dergelijke hogere waarde is enkel mogelijk wanneer het maximaal toegestane binnenniveau op grond van artikel 111b Wet geluidhinder wordt gewaarborgd. Op grond van dat artikel mag het binnenniveau maximaal 35 dB(A) bedragen als gevolg van het gezoneerde industrieterrein.
Met een hogere waarde van 53 dB(A) moet de gevel ten minste 53 – 35 = 18 dB(A) aan geluid weren. De ervaring leert dat een moderne goed onderhouden woning doorgaans een geluidwering heeft van 20 dB(A) of meer. Het Bouwbesluit kent ook een minimale eis van 20 dB(A), waaraan doorgaans kan worden voldaan zonder geluidwerende voorzieningen. De verwachting is dat het maximaal toegestane binnenniveau bij deze woning dan ook reeds geborgd is.
38
Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat bij alle woningen kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde maximale streefwaarde (op het industrieterrein) of maximaal vast te stellen hogere waarde (in de geluidzone). De uitbreiding lijkt daarmee vanuit akoestisch oogpunt gezien haalbaar. Afgaande op deze onderzoeksresultaten zal er voor 1 woning een zogenaamde hogere waarde moeten worden vastgesteld. Voor de juridisch-planologische borging van de uit te breiden geluidzone wordt een separate bestemmingsplanprocedure doorlopen.
4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Onderzoek Door middel van een onderzoek luchtkwaliteit zijn de effecten van het voorliggende plan op de luchtkwaliteit onderzocht. Op basis van dit luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Voor meer informatie en details wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlagen. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
39
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. De achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof in de lucht, kunnen worden achterhaald middels de NSL-monitoringstool. In figuur 4.3 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat
1 2
3
Figuur 4.3: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)
sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Meetpunt
Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
1 2 3 Norm
197559 15639601 198259
11,5 12,0 12,5 40
18,0 15,6 15,7 40
PM10 overschrijdingsdagen 6,3 6,0 6,0 35
PM2.5 μg/m3 11,1 8,7 8,8 25
Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige bestemmingen/ gebieden, zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), editie 2009. De inhoud van de milieuzonering wordt bepaald aan de hand van drie bouwstenen, te weten de milieucategorie, omgevingstype en functiemenging. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven opgenomen, ingedeeld in milieucategorieën, waarbij op basis van deze categorie-indeling per bedrijf is aangegeven
40
wat de afstand tot een milieugevoelige bestemming dient te zijn. In onderstaande tabel zijn de voor dit bestemmingsplan relevante richtafstanden weergegeven: Milieucategorie
Richtafstand (m) tot rustige
Richtafstand (m) tot gemengd
woonwijk en buitengebied
gebied
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, worden afgeweken van deze richtafstanden. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit de richtafstandenlijst bijvoorbeeld met één afstandsstap worden verminderd (dit geldt niet voor externe veiligheid). Tenslotte geeft de specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging een overzicht van bedrijfsactiviteiten die vanuit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De indeling van de bedrijven wordt vastgelegd in een afstandentabel, waarin de diverse aspecten van de bedrijven in normatief opzicht zijn weergegeven. Op grond van deze afstandentabel kan men een beleidsmatige selectie maken van de toe te laten bedrijfsactiviteiten. Bij deze selectie dienen milieuoverwegingen een belangrijke rol te spelen. Onderzoek Het plangebied wordt bestempeld tot gemengd gebied. In dit bestemmingsplan wordt bedrijvigheid toegestaan bestemd voor ambachtelijke, industriële, groothandels-, transport- en distributiebedrijven in de milieucategorieën 1 t/m 3.2.
Alleen het type bedrijven dat ook in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' (zie bijlagen bij de regels) is opgenomen, mag zich in het plangebied vestigen. Voor bedrijvigheid in de milieucategorie 3.2 geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 50 meter ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Aan de westzijde van de Amersfoortseweg bevindt zich een aantal bedrijfswoningen. Ook aan de Bisschopsweg 7 en de Amersfoortseweg 40 bevinden zich woningen die door de beoogde ontwikkeling akoestisch belast zullen worden. Uit de onderzoeksresultaten van het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd door Antea (zie bijlage) blijkt dat bij alle woningen kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde maximale streefwaarde (op het industrieterrein) of maximaal vast te stellen hogere waarde (in de geluidzone). De uitbreiding lijkt daarmee vanuit akoestisch oogpunt gezien haalbaar. Afgaande op deze onderzoeksresultaten zal er enkel voor de woning aan de Amersfoortseweg 40 een zogenaamde hogere waarde moeten worden vastgesteld. Voor de aspecten externe veiligheid en geur wordt verwezen naar respectievelijk paragraaf 4.5 en 4.13.
41
Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.5 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven), installaties of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Onderzoek Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. In figuur 4.4 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Inrichtingen GOS Bisschopsweg, De Kronkels 31A Het gasontvangststation (GOS) valt onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) en is daarin aangewezen als type B inrichting. Artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit stelt regels aan de werking van een gasontvangststation en geeft de veiligheidsafstanden die aangehouden moeten worden rond gasontvangststations.
Het gasontvangststation is een categorie C station conform NEN 1059, met een jaardoorzet van maximaal 40.000 m³.
42
Voor categorie C stations met een doorzet lager dan 40.000 m³ gelden de volgende veiligheidsafstanden: 15 m tot kwetsbare objecten; 4 m tot beperkt kwetsbare objecten. Binnen genoemde afstanden zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten voorzien. Er zijn zodoende geen belemmeringen voor het plangebied vanwege de aanwezigheid van de GOS. In een separate rapportage die is opgenomen in de bijlagen is ook onderzocht wat de externe veiligheidsrisico’s zijn op het plangebied van nabijgelegen bedrijven. Het bedrijf Polynorm N.V. heeft in het kader van de toekomstige omgevingswet een aandachtsgebied voor een gifwolk. Er moet in dit geval voor het plangebied rekening gehouden worden met de eisen uit het BKL met betrekking tot aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. Indien in het plangebied rekening gehouden wordt met de eisen die gesteld worden volgens het RIVM en het BKL vormt dit aandachtsgebied geen belemmering voor het plangebied. Het invloedgebied van het bedrijf Bungas B.V. heeft een minimale overlap met het plangebied. Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Naar verwachting zal het groepsrisico als gevolg van deze ontwikkeling daarom niet significant toenemen ten opzichte van de huidige situatie.
In de huidige situatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden volgens de gegevens van de Risicokaart. Het is aannemelijk dat hierom de oriëntatiewaarde van het groepsrisico in de nieuwe situatie niet overschreden zal worden. Transport over de weg Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats langs én naar de bedrijventerreinen via de N199, die is aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. De N199 bij Bunschoten is de toevoerweg voor transporten voor gevaarlijke stoffen die naar de bedrijventerreinen Haarbrug-Noord en de Kronkels leidt. Uit eerdere berekeningen is gebleken dat het groepsrisico langs deze transportroute binnen de bebouwde kom erg laag is. Zo is een berekening in Amersfoort gemaakt voor de Amsterdamseweg waarbij een groepsrisico van maximaal 0,051 maal de oriënterende waarde is bepaald. De bevolkingsdichtheid binnen het plangebied is lager dan bij de Amsterdamseweg in Amersfoort zodat het groepsrisico lager is dan 0,051 maal de oriënterende waarde. Vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen nabij het plangebied blijkt uit de beoordeling dat er geen PR 10-6 contour aanwezig is. Het groepsrisico ligt ruim beneden 0,1 maal de oriënterende waarde, en deze neemt niet verder toe vanwege het bestemmingsplan. Verdere verantwoording is zodoende niet noodzakelijk.
Buisleiding Binnen en in de omgeving van het plangebied is één hogedruk aardgasleiding gelegen, namelijk aardgasleiding W-500-05. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een leidingbreuk gas kan vrijkomen. Het risico voor mensen in de omgeving wordt gevat onder het begrip externe veiligheid. Voor de externe veiligheidsrisico’s van aardgastransportleidingen is de relevante wetgeving vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) die sinds 1 januari 2011 van kracht is.
43
Hierin zijn het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) vastgelegd als toetsingscriteria. Het PR en GR zijn in een separate rapportage berekend met behulp van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Gezien de leiding dwars door het plangebied loopt, dient rekening gehouden te worden met de belemmeringenstrook. De gemeente dient een ruimtelijke reservering op te nemen voor de belemmeringenstrook. De voor onderhoud gereserveerde belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Deze strook is op de planverbeelding weergegeven. Uit de resultaten van de risicoberekeningen blijkt dat voor deze gasleiding het PR-contour 10-6 zich op de leiding bevindt. Aangezien bouwen op de leiding niet is toegestaan, levert deze contour geen extra beperkingen op in vergelijking met de beperkingen die er al zijn door de aanwezigheid van de leiding. Eveneens wijzigt het PR niet met de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie. Doordat er geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten zijn bepaald wordt er voldaan aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het berekende PR brengt geen beperking met zich mee met betrekking tot de beoogde plaatsing van gebouwen. Indien uitgegaan wordt van kengetallen van aanwezigheid (40 personen per hectare) om het groepsrisico te berekenen, kan gesteld worden dat het groepsrisico niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Tevens is berekend op welke waarde het groepsrisico overschreden wordt in het plangebied. Hierbij moet gesteld worden dat het groepsrisico niet bedoeld is als normatieve grens. Belangrijker hierbij is dat er rekening gehouden wordt met de reden en discussie die achter het groepsrisico schuilt, namelijk de veiligheid van de bron, de interactie met de omgeving en de capaciteiten van de hulpverlening of de mogelijkheid tot zelfredzaamheid. Berekend is dat bij een aanwezigheid van 430 personen per hectare (type werken), de oriëntatiewaarde en daarmee het groepsrisico wordt overschreden. Buiten het invloedsgebied van de buisleiding zijn er geen restricties in het kader van externe veiligheid volgens het Bevb.
44
Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl)
Verantwoording groepsrisico Na de berekening van het groepsrisico voor de buisleidingen dient tevens het groepsrisico hiervan te worden verantwoord (beschreven in artikel 12 van het Bevb). Bij de verantwoordingsplicht draait het om de vraag in hoeverre risico’s, als gevolg van ruimtelijke ordening (zoals meer personen nabij een risicobron), worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen getroffen kunnen worden. Het onderstaande en informatie uit dit rapport kunnen als aanzet gebruikt worden voor de verantwoording. Een verantwoordingsplicht kent een uitgebreide en een gedeeltelijke verantwoording. De uitgebreide verantwoordingsplicht geldt niet als: A. een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied waarbinnen de letaliteit van personen binnen het invloedsgebied minder dan 100 % of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is, of B. het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan niet hoger is dan een bij regeling van Onze Minister gestelde waarde (het groepsrisico is minder dan 10 % van de oriëntatiewaarde of het groepsrisico neemt met minder dan 10 % toe), welke waarde voor verschillende categorieën van buisleidingen verschillend kan worden vastgesteld.
Aan uitzondering A wordt niet voldaan, het bestemmingsplan ligt namelijk in het 100 % letaliteitsgebied van de buisleiding. Aan uitzondering B wordt wel voldaan. Zoals gesteld in het onderzoek is geen groepsrisico aanwezig. Op basis hiervan kan gesteld worden dat een beperkte verantwoording volstaat. Deze verantwoording is opgesteld door Oostkracht 10 en is als separate rapportage opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.