Raadsvoorstel 87 (bijlage) Toelichting.pdf
Tekst van het document
28
bestemmingsplan Oostflank
Visie op Bedrijventerreinen De principes van dynamisch voorraadbeheer toepassen op locatieniveau: Behoud van harde plancapaciteit (alle typen plannen die in vastgestelde bestemmingsplannen voorkomen). Geen nieuwe bedrijventerreinen, inclusief afschrijven van zachte plannen (plannen die niet in vastgestelde bestemmingsplannen voorkomen). Logistiek en productie op goed ontsloten (trimodale) locaties. Blijvende inzet op kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad. Functiemenging of -wijziging alleen op stedelijke bedrijventerreinen. Continu werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad: De ruimte op bedrijventerreinen dient zorgvuldig en duurzaam gebruikt te worden. Daarbij past structureel beheer via parkmanagement. Functiemenging op bedrijventerreinen kan bijdragen aan de kwaliteit van die terreinen en aan een optimaal ruimtegebruik. Dat geldt zeker op campussen waar een menging van functies bijdraagt aan een uitnodigende werkomgeving. Op grote logistieke en productielocaties is functiemenging niet voor de hand liggend. Daar moet juist heel zorgvuldig omgegaan worden met de invulling van het terrein, rekening houdend met de specifieke functie en het segment daarvan. De bedrijventerreinen met een overwegend lokale functie bieden soms meer mogelijkheden. Terughoudendheid is op zijn plaats met functies die bij voorkeur in het stedelijk gebied of centrum thuis horen.
Voor vestiging van zelfstandige kantoren en detailhandel op bedrijventerreinen is geen plaats. Deze functies horen bij uitstek thuis in steden, kernen of specifieke winkelgebieden. Kantoorruimte als onderdeel van productiebedrijven is wel mogelijk (mits ondergeschikt). Er moet ook ruimte zijn voor ondergeschikte verkoop van goederen die zich bij uitstek leent voor vestiging op dit soort terreinen. Denk
bestemmingsplan Oostflank
29
aan grove bouw- materialen en ondergeschikte productie- gerelateerde detailhandel. Het aantal branches is gelimiteerd en sluit aan bij lokaal beleid, zie ook bijlage met definities. De milieugebruiksruimte (geluidzones, risicocontouren, geurcirkels) van bedrijven en bedrijventerreinen wordt beheerd met het oog op een duurzame inpassing van bedrijven in hun omgeving. Nieuwe ontwikkelingen alleen in combinatie met schrappen capaciteit elders: Indien er binnen de bestaande voorraad aantoonbaar geen geschikte ruimte meer is. Deze toevoeging additionele kwaliteit toevoegt aan het regionale aanbod, passend binnen lokaal, subregionaal en regionaal bedrijven- terreinenbeleid. Dit geldt voor nieuwe terreinen en grotere uitbreidingen van bestaande bedrijventerreinen. Beperkte uitbreiding van bestaande terreinen (kavelniveau) voor reeds op het terrein gevestigde bedrijven of lokale, solitair gevestigde bedrijven is onder voorwaarden mogelijk via maatwerk en met een goede onderbouwing. Kleinschalige uitbreidingen van bedrijfsruimte- gebruikers op bedrijventerreinen tot 3.000 m² kavel worden vrijgesteld van saldering. De ontwikkeling past binnen de geformuleerde algemene verstedelijkingsprincipes (zie hoofdstuk 1), waaronder de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Er tegelijkertijd elders in de regio bestaande voorraad of harde plannen (in vergelijkbare omvang) uit de markt worden genomen. Hierover overeenstemming is bereikt conform de procesboom. Toepassing Dit bestemmingsplan betreft een overwegend beheersmatig bestemmingsplan, waarvan het gebied - met uitzondering van de bestaande groeve Hendrik / Mourik - is aangewezen als bedrijventerrein in de SVREZL. Er vindt geen toevoeging van nieuw areaal aan bedrijventerrein plaats. Gezien de optimale bereikbaarheid en de beoogde kwaliteitsverbetering worden goede kansen gezien voor (her)invulling van momenteel onbenutte kavels langs de Buitenring, waarmee wordt voorzien in een duurzaam en efficiënt ruimtegebruik. Nieuwe detailhandel en zelfstandige kantoren worden niet toegestaan. Ook wordt terughoudendheid betracht ten aanzien van het toestaan van functies die bij voorkeur in de rest van het stedelijk gebied kunnen landen, door bedrijven van milieucategorie 1 niet (langer) toet te staan binnen het plangebied. 2.4.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken.
Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen, met voor de overige kernen een goed functionerend en aantrekkelijk woonklimaat; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van
30
bestemmingsplan Oostflank
de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie.
Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.
Het plangebied De Oostflank is aangegeven als een ontwikkelingszone, dat de de gebieden Bouwberg, Ora et Labora, Hendrik en het groevengebied omvat. In de structuurvisie uit 2009 is beschreven dat de aanleg van de Buitenring en de afwerking van de groeve Hendrik/ Mourik kansen biedt voor een duurzame en hoogwaardige herontwikkeling, gericht op economie (werkgelegenheid) en ecologie (landschapsherstel). De Buitenring wordt ingezet als belangrijke landschappelijke ontsluitingsas, een hoogwaardige Parklane met 'groene landmarks'.
bestemmingsplan Oostflank
31
Verder gaat de structuurvisie uit van het ontwikkelen van voormalige Hendrik e.o. tot een kwalitatief hoogwaardig gebied waarbij de inzet is: Het ontwikkelen van nieuwe economie in de toeristische-recreatieve sector/leisure en pleasure in het verlengde van Gravenrode c.a. Revitalisering en uitbreiding van het bedrijventerrein Bouwberg t.b.v. verplaatsers en nieuwe bedrijvigheid. De aanleg van de Buitenring via het noordtrace. Het saneren van de bedrijventerreinen Hendrik, Ora et Labora (deels) en NIC (deels). In het gebied zal ruimte gezocht worden voor hightech recyclingbedrijven. Toepassing Hoewel de structuurvisie op onderdelen nog actueel is, is de visie op onderdelen ook achterhaald. Zo is het geen sprake meer van het realiseren van een toeristisch hoogtepunt of het zwaar inzetten op leisure en pleasure. Wel biedt het gebied door de aanleg van de Buitenring en door het op relatief korte termijn op te leveren afgewerkte groeveterrein van groeve Hendrik / Mourik nog steeds kansen voor een revitalisering en een hoogwaardige her- en doorontwikkeling. Onderhavig bestemmingsplan faciliteert een revitalisering van bestaande bedrijfskavels, maar voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen. In het bestemmingsplan wordt overigens ook niet bewust ingezet op nieuwe recyclingbedrijven.
Ook is geen sprake van het saneren van bedrijventerrein, in die zin dat die bestemming aan delen van het plangebied wordt onttrokken.
32
bestemmingsplan Oostflank
2.5
Gemeentelijk beleid
2.5.1 Structuurvisie Brunssum In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen, wijkvoorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden. In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is. De gemeente Brunssum wil met de ontwikkeling van de Oostflank een belangrijke impuls voor de economische dynamiek teweegbrengen. In de Oostflank wordt de ruimte gecreëerd voor economische vernieuwing. In nauwe samenwerking met de andere Parkstad gemeenten streeft de gemeente naar een krachtige ontwikkeling op het gebied van toerisme/recreatie/leisure en duurzame energie.
Een ontwikkeling die moet leiden tot een structurele economische toegevoegde waarde, dus moet leiden tot extra investeringen en bestedingen van bezoekers van buiten de regio. Want alleen dan ontstaat een economische meerwaarde die ook leidt tot meer werkgelegenheid en een breder toekomstperspectief voor zowel de huidige inwoners als voor mensen die zich in Brunssum willen vestigen.
Ruimtelijke doorwerking van dit beleid Uitbreidingen van bestaande bedrijventerreinen hebben betrekking op de volgende werkgebieden: 1. Bouwberg: revitalisering en verbeterde uitstraling naar Buitenring. Ontwikkelingen in werkgebieden die in het toeristisch-recreatieve segment werkgelegenheid creëren zijn: 1. Rembrandstraat-Rimburgerweg: Door herstructurering zal de locatie geëxtensiveerd worden en plaats bieden aan groene, recreatieve en/of defensiedoeleinden omwille van een optimale ontwikkeling van de Oostflank. 2. Hendrik: Gestreefd wordt naar verplaatsing of een verbeterde kwalitatieve uitstraling c.q. hinderbeperking van de aanwezige bedrijven ten behoeve van de Oostflank. 3. Ora et Labora: Voor de werklocatie Ora et Labora wordt gestreefd naar een concentratie van de werkzaamheden op een meer centraal gelegen locatie in de regio en een meer ondersteunende functie voor de Oostflank. Voor de overige bedrijventerreinen worden geen uitbreidingen voorzien. Herstructurering cq. revitalisering kan wel tot de mogelijkheden behoren wanneer de toekomstwaarde van het bedrijventerrein niet optimaal is. In zijn algemeenheid wordt gestreefd naar een verbeterde uitstraling naar de Buitenring. Dit geldt met name ook voor het gehele Oostflankgebied.
Toepassing Hoewel ook deze visie op onderdelen inmiddels is achterhaald zijn de beoogde revitalisering en verbeterde uitstraling van de bedrijventerreinen naar de Buitenring en het beperken van hinder door bedrijven nog steeds een belangrijk aandachtspunt dat in dit plan ook een nadere uitwerking krijgt, door zware bedrijvigheid te weren en de beeldkwaliteit te verhogen, onder meer door terughoudend te zijn met de
bestemmingsplan Oostflank
33
mogelijkheden voor buitenopslag. Zie daarover ook paragraaf 3.3.
34
bestemmingsplan Oostflank
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Inleiding
In Hoofdstuk 1 is de aanleiding voor dit bestemmingsplan toegelicht, net als de keuze voor de planbegrenzing. Vervolgens zijn in Hoofdstuk 2 de relevante beleidskaders beschreven, waarbij met name de wat oudere beleidsdocumenten van kanttekeningen zijn voorzien. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten toegelicht die de basis vormen voor de planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt en hoe dat zich verhoudt tot de mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen bieden. Deze uitgangspunten vloeien voort uit een Nota van Uitgangspunten die de gemeenteraad heeft vastgesteld op 28 oktober 2020.
3.2
Overwegend beheersmatig, in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen
Zoals uit navolgende paragrafen nog zal blijken vragen de geformuleerde uitgangspunten hoofdzakelijk om een actualisatie van de planologische kaders voor het plangebied, er is geen directe aanleiding nieuwe ontwikkelingen te faciliteren. Daarmee is niet gezegd dat per definitie geen ruimte wordt geboden om de nieuwe ontwikkelingen een plek te geven in dit plan. Nieuwe ontwikkelingen kunnen in beginsel worden meegenomen in dit bestemmingsplan, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan: 1. 2.
de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling is tijdig en afdoende aangetoond; het meenemen van de ontwikkeling leidt niet tot een vertraging van de planprocedure.
De eerste voorwaarde houdt kortgezegd in dat ten behoeve van die ontwikkelingen een door de gemeente beoordeelde en akkoord bevonden ruimtelijke onderbouwing beschikbaar is, voorzien van de vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijke onderzoeksrapporten. Daartoe behoort in ieder geval een rapportage die aantoont dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling (per saldo) geen (toename van de) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt groter dan 0,00 mol/hectare/jaar. De tweede voorwaarde houdt verband met de noodzaak om, gelet op het bepaalde in artikel 3.7 Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 3.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) binnen de looptijd van het op 30 juni 2020 genomen voorbereidingsbesluit een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Het onderbreken van de uit voornoemde artikelen voortvloeiende aanhoudingsverplichtingen is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst, gelet op de uitgangspunten die in navolgende paragrafen nog nader worden beschreven.
De volgende ontwikkeling voldoet aan het voorgaande en zijn daarom via dit bestemmingsplan in juridisch-planologisch opzicht gefaciliteerd: 1.
een wijziging van de groeve 'Swelsen', waarbij de activiteiten worden verplaatst binnen het terrein van de bestaande groeve ten noorden van de Waubacherweg. De uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling c.q. de toets van deze ontwikkeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting .
bestemmingsplan Oostflank
35
3.3
Ruimtelijke kwaliteit
De bereikbaarheid van het gebied is sterk verbeterd door de aanleg van de Buitenring. Dat biedt kansen voor een verdere doorontwikkeling c.q. herontwikkeling van het gebied. Om die kansen verder te vergroten is het ook gewenst de ruimtelijke kwaliteit van het gebied aan te pakken. Een belangrijk punt van aandacht daarbij is het feit dat het gebied nu wordt doorkruist door de Buitenring en daarbij ook percelen doorsneden zijn geraakt. Als gevolg daarvan zijn percelen die grenzen aan die Buitenring 'zichtlocaties' geworden, terwijl de aanwezige gebouwen daar niet op zijn georiënteerd en ontworpen. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de onbebouwde delen van die percelen, waarbij achtererven waarop voorheen vanaf de openbare weg geen zicht was, nu wel in het zicht liggen. Hier is een eenduidiger en representatiever beeld wenselijk.
Een andere factor van belang is dat voor een groot deel van de Groeve Hendrik / Mourik geldt dat de ontgrondingsactiviteiten binnen enkele jaren worden beëindigd, waardoor dat gebied voor herontwikkeling als bedrijventerrein in aanmerking komt, hetgeen ook momentum biedt om dat gebied een kwaliteitsimpuls te geven. Onderhavig plan sorteert daar al deels op voor omdat onderhavig plangebied in feite het entreegebied is voor voornoemd gebied. Hoewel de herontwikkeling van de groeve zelf nog geen onderwerp is van onderhavig bestemmingsplan, worden met de plan wel al randvoorwaarden geschapen voor een
36
bestemmingsplan Oostflank
opwaardering van onderhavig plangebied als entreegebied vanaf de Buitenring. Concreet krijgt hetgeen hiervoor is beschreven als volgt invulling: De bestemmingsvlakken en bouwvlakken rond de Buitenring (met name deelgebied 3) zijn opnieuw begrensd en de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn daarbij goed afgestemd op hetgeen binnen het aangrenzende PIP (PM) wordt geregeld. Voor het nieuw toevoegen van gebouwen in het noordelijk deel van deelgebied 3, gelegen tussen Ganzepool en Buitenring geldt als voorwaarde een goede landschappelijke inpassing van die gebouwen, om een representatieve invulling van die percelen te kunnen bewerkstelligen, ook richting de Buitenring. Ook de bouwgrenzen binnen deelgebied 1 (Bouwberg) zijn beperkt aangepast, waarmee in de toekomst een logischer en consitentere rooilijn zal ontstaan en overschrijdingen daarvan op termijn zullen verdwijnen. De mogelijkheden voor buitenopslag op delen van percelen die grenzen aan de openbare ruimte worden beperkt, omdat het aan het zicht onttrekken van buitenopslag de kwaliteit ten goede komt. Mocht een bedrijf toch behoefte hebben aan buitenopslag dan kan dat alsnog worden toegestaan, mits wordt voorzien in een goede landschappelijke c.q. ruimtelijke inpassing, waarmee een goede ruimtelijke kwaliteit geborgd blijft.
Voor voornoemde punten geldt overigens wel dat rekening wordt gehouden met bestaande legale situaties die met het voorgaande in strijd zijn. Voor dergelijke gevallen wordt voorzien in maatwerk die recht doen aan de belangen van de betreffende bedrijven, maar daar wordt veelal wel een uitsterfconstructie aan verbonden, omdat het uitgangspunt wel blijft dat dergelijke situaties op termijn worden beëindigd.
bestemmingsplan Oostflank
37
3.4
Passende bestemming witte vlekken
Voor een aantal percelen binnen onderhavig plangebied geldt op dit moment geen bestemmingsplan of beheersverordening. Dit betreft een groot deel van de groeve Hendrik / Mourik (deelgebied), aangezien alleen het meest noordelijke / noordwestelijk gelegen deel van de groeve binnen het besluitgebied van de beheersverordening Bedrijventerreinen is meegenomen. Hetzelfde geldt voor het bedrijventerrein Ora en Labora, waarvan het - vanaf de Waubacherweg bezien - achterste deel nu een zogenoemde witte vlek is.
Groeve Hendrik / Mourik Voor de Groeve Hendrik / Mourik geldt dat het meest recente planologisch kader voor deze locatie tot 1 juli 2013 bestond uit het "Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemmingen in hoofdzaak" (hoofdzakenplan) van de voormalige gemeente Schinveld. Daarin had de groeve de bestemming 'Mijnindustrie'. Uit de invoeringswet Wet ruimtelijke ordening van 1 juli 2008 vloeit voort dat dit plan per 1 jul 2013 is vervallen. Op dat moment was de groeve al als zodanig in gebruik en de daarvoor noodzakelijk vergunningen zijn verleend. Om die reden wordt voor dit deel van de groeve aansluiting gezocht bij de regeling die voor het meest noordelijke c.q. noordwestelijk deel van de groeve is opgenomen in de beheersverordening Bedrijventerreinen. Hoewel het (op termijn) wenselijk is deze groeve, nadat de ontgrondingsactiviteiten zijn afgerond, in te vullen als bedrijventerrein, is daarvan de uitvoerbaarheid in dit stadium nog niet aangetoond. Daarom wordt geen 'bredere' bestemming Bedrijventerrein toegekend. Zie omtrent deze afweging ook paragraaf 3.2.
Ora et Labora Voor dat deel van Ora et Labora waarvoor op dit moment geen bestemmingsplan of beheersverordening geldt, was het meest recente planologisch kader de 1e herziening van het hoofdzakenplan van de voormalige gemeente Schinveld. Daarin had dit deel van het plangebied de bestemming 'Mijnindustrie'. Ook deze 1e
38
bestemmingsplan Oostflank
herziening is per 1 juli 2013 vervallen. In een deel van dit gebied vinden al enkele jaren ontgrondingsactiviteiten plaats. Voor die activiteiten wordt een passende bestemming opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Het voornemen bestaat deze activiteiten binnen het huidige terrein uit te breiden c.q. te verschuiven. Van de daarvoor benodigde ontgrondingsvergunning is reeds een ontwerpbesluit genomen en de gemeente Brunssum heeft daaraan al eerder haar principemedewerking verleend. De uitvoerbaarheid van deze uitbreiding, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, is onderbouwd in een ruimtelijke onderbouwing, die als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting. Om die reden wordt aanleiding gezien een andere bestemming op te nemen dan het huidige gebruik.
Anders ligt dat voor de rest van de gronden binnen dit deel van het plangebied. Daar is geen sprake van concrete bedrijfsmatige activiteiten, geen activiteiten waaraan de gemeente principemedewerking heeft toegezegd en er is ook geen sprake van initiatieven die voldoen aan de voorwaarden voor het meenemen daarvan in onderhavig bestemmingsplan, zoals beschreven in paragraaf 3.2 van deze toelichting. Voor dat deel van het plangebied wordt daarom aanleiding gezien een bestemming op te nemen die aansluit bij het huidige feitelijke gebruik, namelijk Bos.
3.5
Uitsluiten bedrijven van milieucategorie 1
In de beheersverordening Bedrijventerreinen worden binnen de bestemming c.q. het besluitvlak Bedrijf bedrijven toegestaan van milieucategorie 1 tot en met 3.2, op basis van een limitatieve en toegesneden Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage is opgenomen bij de regels. In die bijlage zijn echter geen bedrijven van milieucategorie 1 genoemd, waardoor in feite alleen bedrijven van milieucategorie 2 tot en met 3.2 zijn toegestaan. Bedrijven van milieucategorie 1 zijn buiten bedrijventerreinen, in overig stedelijk gebied goed inpasbaar. Bovendien is de ruimte op bedrijventerreinen waar bedrijven van milieucategorie 3.1 en 3.2 zich kunnen vestigen beperkt. Om die reden is het niet wenselijk de vestiging van bedrijven van milieucategorie 1 (alsnog) mogelijk te maken binnen onderhavig plangebied. Voor die delen van het plangebied waarvoor nu nog het bestemming Hendrik en omgeving, bestemmingsplan Buitengebied of géén bestemmingsplan geldt, wordt om dezelfde redenen ook geen ruimte geboden voor de
bestemmingsplan Oostflank
39
vestiging van bedrijven van milieucategorie 1.
3.6
Géén (nieuwe) bedrijven van milieucategorie 4.1 of hoger
Uit de beleidsdoelstellingen voor de Oostflank, zoals beschreven Hoofdstuk 2 in van deze toelichting, blijkt dat een ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt nagestreefd voor het gebied. In lijn daarmee is het gewenst nieuwe overlastgevende bedrijven uit het gebied te weren en de toegelaten milieucategorieën te beperken tot 2 tot en met 3.2. Hierna wordt toegelicht wat dat in relatie tot de huidige planologische kaders betekent. Eerst wordt ingegaan op het plangebied van de huidige beheersverordening Bedrijventerreinen, vervolgens op de percelen die zijn gelegen binnen de plangebieden van respectievelijk het bestemmingsplan Hendrik en omgeving en het bestemmingsplan Buitengebied. Tot slot wordt ingegaan op die delen van het plangebied waarvoor op dit moment geen bestemmingsplan of beheersverordening geldt. Voor meer informatie over voor welke deelgebieden welke planologische kaders gelden, zie paragraaf 1.3 van deze toelichting.
Beheersverordening Bedrijventerreinen Voor die delen van het plangebied waarvoor de beheersverordening Bedrijventerreinen geldt, is bij de vaststelling van die verordening al grotendeels juridisch geborgd dat bedrijven die overlast (kunnen) veroorzaken zich niet kunnen vestigen binnen het gebied. risicovolle bedrijven als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen zijn niet toegestaan; ingevolge de Wet geluidhinder zoneringsplichtige bedrijven zijn niet toegestaan; bedrijven waarvoor in de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de kolom geur een afstand van 100 meter is opgenomen, zijn niet toegestaan. Hoewel uit de beheersverordening blijkt dat in beginsel alleen bedrijven van een milieucategorie niet hoger dan 3 zijn toegestaan, biedt de beheersverordening c.q. de daarin gehanteerde systematiek langs twee lijnen toch ruimte voor bedrijven van een hogere milieucategorie: 1. 2.
op een viertal locaties worden bedrijven van milieucategorie 4.1 toegestaan, gekoppeld aan een aanduiding op de verbeelding; bestaande bedrijven van een hogere milieucategorie dan 3.2, dan wel van een hogere categorie dan 4.1 ter plaatse van de aanduiding als bedoeld onder 1, mogen worden voortgezet, mits de afwijking van het plan niet mag worden vergroot.
Daarnaast is de bestaande groeve Hendrik / Mourik, voor zover die is gelegen binnen het besluitgebied van de beheersverordening specifiek aangeduid, aangezien ook die activiteiten van een hogere milieucategorie zijn dan 3.2.
Ad 1) Aanduiding maximaal milieucategorie 4.1 Hoewel de vestiging van bedrijven van milieucategorie 4.1 niet per definitie tot overlast leidt en de bestaande bedrijven van een milieucategorie hoger dan 3.2 ook niet allemaal overlast geven of in het verleden overlast hebben gegeven, is het gezien de ontwikkelingsrichting voor het gebied wenselijk nieuwe overlast zoveel mogelijk te voorkomen. Om die reden wordt aanleiding gezien voor die percelen waar op basis van de beheersverordening bedrijven van milieucategorie 4.1 zijn toegestaan, vanwege de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1' op de verbeelding, niet meer alle vormen van bedrijvigheid van milieucategorie 4.1 toe te staan. In plaats daarvan wordt voor die percelen - naast de reguliere mogelijkheden van milieucategorie 2 tot en met 3.2 - gekozen voor het vastleggen van de huidige, legale bedrijfsactiviteiten. Daarmee is géén sprake van een uitsterfconstructie. De bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering en hun huidige uitbreidingsruimte. Ook blijft het mogelijk om op de locatie een soortgelijk bedrijf te vestigen, indien een
40
bestemmingsplan Oostflank
bedrijf zijn activiteiten zou beëindigen. Wat echter niet meer mogelijk is, is het vestigen van een andersoortig bedrijf van milieucategorie 4.1 dan er nu is gevestigd. Mocht zich toch een initiatief aandienen om een ander bedrijf van milieucategorie 4.1 op een dergelijke locatie te vestigen, dan kan gebruik worden gemaakt van een in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid, waarbij moet worden aangetoond dat de milieueffecten daarvan vergelijkbaar zijn met de bedrijven die ter plaatse wel zijn toegestaan. Concreet gaat het om de navolgende locaties. In de tabel is per adres aangegeven welke aanduiding de locatie op de verbeelding heeft gekregen en welke omschrijving van de bedrijfsactiviteiten daar aan is gekoppeld.
Adres Boschstraat 31 Waubacherweg 7a Kranenpool 4
Aanduiding op verbeelding specifieke vorm van bedrijventerrein - 1 specifieke vorm van bedrijventerrein - 2 specifieke vorm van bedrijventerrein - 3
Omschrijving Productie polyurethaan Opslag en recycling van ertsen en mineralen baksteen- en baksteenelementenfabriek
In de geldende beheersverordening is voor nog één locatie de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1' opgenomen, namelijk Boschstraat 32. In het verleden hebben hier activiteiten plaatsgevonden van milieucategorie 4.2, maar die activiteiten zijn begin 2020 beëindigd en sindsdien ook niet meer hervat. Daarmee is gezien de redactie van artikel artikel 3.1.1, sub f (voor zover bestaande bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend in een zwaardere milieucategorie dan onder a en b toegestaan, mogen deze worden voortgezet met dien verstande dat de afwijking niet mag worden vergroot) de mogelijkheid om op het betreffende perceel activiteiten te verrichten van een afwijkende milieucategorie (4.2 of hoger) van rechtswege komen te vervallen. Er is immers geen sprake meer van 'voortzetten'. Op dat perceel is ook geen sprake (meer) van activiteiten van milieucategorie 4.1. Gezien de hiervóór gemotiveerde beleidslijn om de milieubelasting binnen het plangebied (en omgeving) terug te brengen en in beginsel géén nieuwe bedrijven toe te staan van een milieucategorie 4.1 of hoger en de hiervoor beschreven systematiek voor bestaande bedrijven van milieucategorie 4.1 (of hoger), worden bij recht voor Boschstraat 32 geen mogelijkheden meer geboden om daar bedrijven te vestigen van milieucategorie 4.1 of hoger.
Gezien de aard, omvang en ligging van het perceel en de planologische mogelijkheden die dit plan voor het perceel biedt, resteren onzes inziens voldoende mogelijkheden om het perceel in te vullen c.q. opnieuw in gebruik te nemen. Mocht zich toch een activiteit aandienen die niet binnen de mogelijkheden bij recht past, dan kan met toepassing van de in artikel opgenomen afwijkingsbevoegdheid maatwerk worden geleverd.
Ad 2) Voortzetting bestaande bedrijven van een hogere milieucategorie dan 3.2 dan wel 4.1 Ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan is nagegaan in hoeverre er nog bedrijven binnen het besluitgebied van de beheersverordening Bedrijventerreinen aanwezig zijn van een hogere categorie dan 3.2 en in hoeverre er ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1' aanwezig zijn van een hogere milieucategorie dan 4.1. Uit de uitgevoerde inventarisatie zijn echter geen feitelijk bestaande en legaal uitgeoefende bedrijven naar voren gekomen die daar aan voldoen, met uitzondering van de groeve Hendrik / Mourik, voor zover die is gelegen binnen het besluitgebied van de beheersverordening Bedrijventerreinen. Als reeds is beschreven in paragraaf 3.4 wordt door middel van een aanduiding het gebruik van dat perceel beperkt tot het gebruik als groeve en dus niet voor andere bedrijvigheid, hetgeen aansluit bij de planologische mogelijkheden die de huidige beheersverordening biedt.
bestemmingsplan Oostflank
41
Bestemmingsplan Hendrik en omgeving Op basis van het vooralsnog geldende bestemmingsplan Hendrik en omgeving geldt voor een aantal percelen in deelgebied 3 en de percelen Kranenpool 21 en 42 in deelgebied 2 de bestemming 'Industriële doeleinden'. Binnen die bestemming zijn industriële bedrijven toegestaan. Hoewel geen milieuzonering is toegepast conform de nu gebruikelijke methode op basis van de uitgave Bedrijven en Milieuzonering van de VNG (2009), is wel gewerkt met een limitatieve lijst van bedrijven als bijlage bij de regels, waarin de toegelaten vormen van bedrijvigheid zijn ingedeeld in categorie A, B dan wel C. Alleen bedrijven van categorie A en B zijn toegestaan. In onderhavig bestemmingsplan wordt de in de rest van het plangebied reeds gehanteerde principe van milieuzonering ook voor deze percelen toegepast, waarbij in lijn met voorgaande uitgangspunten wordt uitgegaan van minimaal milieucategorie 2 en maximaal milieucategorie 3.2. Dit sluit ook aan bij de huidige activiteiten op die percelen, waardoor bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Bestemmingsplan Buitengebied Voor de percelen Kranenpool 25, waarop een bedrijf is gevestigd dat pallets, kisten en kratten van hout produceert en een perceel aan de Waubacherweg, waarop een was- en sorteerinstallatie aanwezig is die tot de groeve Hendrik / Mourik behoort, geldt vooralsnog het bestemmingsplan Buitengebied, waarin aan die percelen de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' is toegekend. Dat is geen 'brede' bestemming voor uiteenlopende vormen van bedrijvigheid, maar door middel van aanduidingen op de verbeelding is per perceel een specifieke vorm van bedrijvigheid toegestaan. Voor het perceel Kranenpool 25 is dat een 'transportbedrijf en handelsonderneming' en voor het perceel aan de Waubacherweg is dan een 'wasserij en sorteerinrichting'. geluidzoneringsplichtige bedrijven zijn expliciet uitgesloten. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, zoals een duurzaam ruimtegebruik, bestaat geen aanleiding (meer) om de gebruiksmogelijkheden voor het perceel Kranenpool 25 te beperken tot alleen de in het geldende bestemmingsplan genoemde activiteiten. Er zijn in de directe omgeving geen voor milieuhinder gevoelige functies (geluid, stof, gevaar, etc) gelegen en daar worden ook geen planologische mogelijkheden voor geboden.
Om die reden worden de gebruiksmogelijkheden voor dit perceel, in lijn met de rest van het plangebied, verruimd tot bedrijven van milieucategorie 2 tot en met 3.2.
42
bestemmingsplan Oostflank
Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Sectorale aspecten
Milieuhygiëne
In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels. Gelet op het beheersmatige karakter van dit bestemmingsplan wordt niet bij alle aspecten even uitgebreid stilgestaan. De uitvoerbaarheid van nieuwe ontwikkelingen die in het plan worden meegenomen, als genoemd in paragraaf 3.2 van deze toelichting, wordt in aparte bijlagen bij deze toelichting beschouwd. Om die reden wordt daar in navolgende paragrafen niet aan getoetst.
4.2
Bodem
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Aangezien dit bestemmingsplan beheersmatig van aard is en niet voorziet in functiewijzigingen die leiden tot een gevoeliger gebruik van de bodem, bestaat geen aanleiding voor het uitvoeren van een bodemonderzoek.Voor de binnen het plangebied aanwezige functies geldt dat de bodemkwaliteit reeds is getoetst in het kader van de vestiging van die betreffende functie. Bovendien geldt dat bij het bouwen van een gebouw in het kader van de daarvoor te verlenen omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek dient te worden overlegd waaruit blijkt dat de bodemkwaliteit voldoet aan de geldende normen voor de bodemkwaliteit Aangezien in dit bestemmingsplan uitsluitend de bestaande situatie voor wat betreft gebruik en bouwen wordt vastgelegd, is een milieukundig bodemonderzoek niet noodzakelijk.
4.3
Geluid
4.3.1 Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Onderhavig bestemmingsplan is echter een overwegend beheersmatig van aard. Hoewel het plangebied is gelegen binnen de zone van diverse wegen, worden binnen die zones geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Ook worden geen nieuwe wegen mogelijk gemaakt die een zone kennen. Het aspect wegverkeerslawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.3.2 Industrielawaai De Wet geluidhinder is ook van toepassing op bedrijventerreinen waarvoor een bestemming is opgenomen die de vestiging mogelijk maakt van bedrijven die ‘in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken’ en die als zodanig zijn aangewezen in onderdeel D van Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht.
Dergelijke geluidzoneringsplichtige bedrijven zijn binnen het plangebied niet aanwezig en ze worden in dit
bestemmingsplan Oostflank
43
bestemmingsplan ook niet toegestaan. In het verleden was binnen het plangebied wel een betonwarenfabriek aanwezig (Kranenpool 42). Rond die inrichting was ook een geluidzone vastgelegd. Het betreffende bedrijf is echter niet meer aanwezig en gezien het voorgaande biedt het bestemmingsplan ook geen mogelijkheden meer om hier nieuwe geluidzoneringsplichtige bedrijven te vestigen. De milieuvergunning (die later van rechtswege is overgegaan in een melding met een omgevingsvergunning OBM) is in 2018 ingetrokken door de provincie. Om die reden wordt ook geen aanleiding meer gezien de bij die inrichting behorende geluidzone in het plan vast te leggen. 4.3.3 Spoorweglawaai Net als wegverkeerslawaai en geluid vanwege (gezoneerde) industrieterreinen wordt spoorweglawaai gereguleerd door de Wet geluidhinder. Binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan zijn geen spoorlijnen gelegen waarmee in bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden vanwege het aspect spoorweglawaai.
4.4
Luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2 ) en zwevende deeltjes als PM1 0 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Nederland kan vooralsnog niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die „niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof.
Voor een aantal functies (onder andere woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan indien de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Binnen het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in betekende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Ook voorziet het bestemmingsplan niet in mogelijkheden voor nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
44
bestemmingsplan Oostflank
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van externe veiligheid heeft als doel om de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. De regelgeving is vervat in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de relevante besluiten. Bij onderzoek naar externe veiligheid worden twee grootheden onderscheiden: het plaatsgebonden risico; het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een ongeluk met gevaarlijke stoffen bij een inrichting, buisleiding of transportas. Voor het PR geldt een ‘harde’ grenswaarde van 10-6/jaar (PR10-6) die op kaart kan worden aangeduid met een contour. Binnen deze contour mogen geen zogenoemde 'kwetsbare objecten' zoals woningen of scholen liggen. Hieraan zal in alle gevallen moeten worden voldaan bij het vaststellen van Wabo besluiten en bestemmingsplannen. Er is in dit geval geen sprake van beleidsruimte voor het gemeentebestuur.
Voor zogenoemde 'beperkt kwetsbare objecten', zoals verspreid liggende woningen of kleine kantoren, geldt het PR niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Dit betekent dat op grond van zwaarwegende motieven van de norm mag worden afgeweken.
Groeprisico De hoogte van het groepsrisico (GR) betreft de kans per jaar, dat een groep van 10 of meer personen overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving direct overlijdt bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waarde kans (F) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter voor het groepsrisico geldt wel een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag dient binnen het invloedsgebied een afweging te maken tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of ongeval met gevaarlijke stoffen. Ook eventueel te nemen maatregelen en risico’s dienen in de verantwoording opgenomen te worden.
Voorafgaand aan de verantwoording van het groepsrisico moet een plan of vergunning ter advisering aan de veiligheidsregio worden voorgelegd. 4.5.2
Toepassing
Inrichtingen Blijkens navolgende uitsnede van de Risicokaart zijn er binnen het plangebied twee risicovolle inrichtingen
bestemmingsplan Oostflank
45
aanwezig, namelijk Limburgse Urethaan Chemie op het adres Boschstraat 31 en Bastin Pallets op het adres Kranenpool 25. Eerstgenoemd bedrijf kent een PR-contour van 40 meter. Binnen die contour zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig en er zijn ook geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan binnen die contour. Bastin Pallets kent geen PR-contour, maar is opgenomen in de risicokaart vanwege de opslag van vaste brandbare stoffen. Ook in de directe omgeving van die inrichting zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig en er zijn ook geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan.
Transportroutes Daarnaast is van belang dat over de Buitenring vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het gaat dan voornamelijk om bevoorrading van tankstations en betreft transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. In het kader van de aanleg van de Buitenring is onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid en ook ten behoeve van de vaststelling van de beheersverordening Bedrijventerreinen is onderzoek verricht naar de invloed van de Buitenring op onderhavig plangebied. Daaruit blijkt dat de Buitenring (ter hoogte van het plangebied) geen PR-contour kent en het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. Ook ten aanzien van de Buitenring geldt dat dit bestemmingsplan geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt, waarover verantwoording moet plaatsvinden.
Buisleidingen Blijkens de risicokaart zijn geen buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Ook zijn in de omgeving van het plangebied geen leidingen gelegen waarvan het invloedsgebied het plangebied van dit bestemmingsplan overlapt.
46
bestemmingsplan Oostflank
4.5.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. 4.5.4 Advies Brandweer Brandweer Zuid-Limburg (als onderdeel van Veiligheidsregio Zuid-Limburg) is in het kader van het wettelijk vooroverleg in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dit bestemmingsplan. Dat advies wordt hierna puntsgewijs samengevat en van commentaar voorzien. Het eerste adviespunt ziet toe op het opnemen van regels die hoge personendichtheden of de aanwezigheid van verminderd zelfredzame personen binnen 200 meter (voorkeur) dan wel 30 meter van de de Buitenring uitsluiten. Daarnaast wordt verzocht om regels op te nemen die binnen 200 meter (voorkeur) dan wel 30 meter van de Buitenring het stellen van extra bouwtechnische eisen aan gebouwen mogelijk maken, vooruitlopend op de Omgevingswet. Gezien de aard van het gebied en hetgeen aan activiteiten wordt mogelijk gemaakt met dit overwegend beheersmatig bestemmingsplan, is de (langdurige) aanwezigheid van grote personendichtheden of verminderd zelfredzame personen niet te verwachten. Anticiperen op de Omgevingswet door zogenoemde voorschriftengebieden binnen brand- of explosieaandachtsgebieden aan te wijzen is nog niet mogelijk.
In aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt wel bezien in hoeverre het aanwijzen van die gebieden mogelijk en wenselijk is, waana die gebieden na inwerkingtreding in het omgevingsplan kunnen worden aangewezen.
Het tweede adviespunt heeft betrekking op de uitvoering van gebouwen. Het is gewenst dat nooduitgangen van gebouwen van gebouwen van de Buitenring afgekeerd worden gerealiseerd en ventilatie centraal uitschakelbaar is. Voor zover dit is vereist op grond van het Bouwbesluit 2012 zullen bouwaanvragen daar zonder meer op worden beoordeeld. In die gevallen waarin dat niet het geval is en dit niet kan worden geëist, zal dit wel nadrukkelijk in de advisering richting de aanvrager worden meegenomen. Dat geldt overigens ook voor risicocommunicatie binnen bedrijven, in de vorm van bedrijfsnoodplannen en opleiding en oefening voor de BHV-organisatie van bedrijven. Het derde adviespunt heeft betrekking op de bereikbaarheid van het gebied. Als gevolg van de aanleg van de Buitenring zijn doodlopende straten ontstaan, waardoor percelen niet via twee zijden bereikbaar zijn, zoals wel wenselijk is voor de brandweer. Verzocht wordt dit waar mogelijk alsnog mogelijk te maken, zo nodig door maatregelen te treffen als wegneembare palen, indien gebruik van die toegangen voor regulier verkeer niet wenselijk is. Voor nieuwe ontwikkelingen wordt verzocht altijd het bereiken via twee zijden mogelijk te maken en wegen zodanig uit te voeren dat ze berekend zijn op gebruik voor een brandweervoertuig. Dit bestemmingsplan is overwegend beheersmatig van aard.
Hoewel de bereikbaarheid van het gebied een aandachtspunt is, ontbreekt een directe relatie met dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet immers niet in nieuwe ontwikkelingen, maar is overwegend beheersmatig van aard. Dat laat onverlet dat in het kader van de reguliere afstemming / operationele voorbereiding kan worden bezien of aan dit verzoek tegemoet kan worden gekomen. Het vierde adviespunt heeft betrekking op de bereikbaarheid op perceelsniveau (toegang percelen en gebouwen) en de beschikbaarheid van bluswater. Gebouwen dienen goed rondom benaderd te kunnen worden en de capaciteit van de (primaire) bluswatervoorzieningen moet op orde zijn. Door minimale afstanden tussen gebouwen en percelsgrenzen aan te houden, in combinatie met de regels over open opslag, wordt de goede bereikbaarheid van percelen geborgd. De beoordeling van de toegang tot gebouwen en de beschikbaarheid van de bluswatervoorzieningen is onderdeel van de beoordeling van
bestemmingsplan Oostflank
47
vergunningaanvragen in het kader van het Bouwbesluit 2012 en is daarom via dat 'spoor' geborgd. 4.5.5 Verantwoording groepsrisico en restrisico Zoals uit voorgaande paragrafen blijkt, is sprake van een overwegend beheersmatig bestemmingsplan, dat geen nieuwe risicobronnen of kwetsbare objecten mogelijk maakt. Een verandering van het groepsrisico is ook niet aan de orde. Zoals uit paragraaf 4.5.4 blijkt, worden - voor zover mogelijk - via het ruimtelijke spoor en in het vergunningtraject bij de bouw van bouwwerken mogelijkheden bekeken en zo mogelijk afgedwongen om risico's te verkleinen of in ieder geval de effecten van een incident zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of vertragen, onder meer door de (gebruikelijke) risicocommunicatie. Toch blijft altijd sprake van een restrisico. Incidenten en de effecten van die incidenten zijn namelijk nooit volledig uit te sluiten. Bovendien leidt het uitsluiten van activiteiten binnen brede zones langs de Buitenring tot grote beperkingen ten opzichte van de huidige gebruiksmogelijkheden, die onevenredig nadelige gevolgen hebben voor de rechthebbenden in relatie tot de hoogte van het risico (< 0,1 x oriënterende waarde, als berekend in het kader van de aanleg van de Buitenring).
Met onderhavig bestemmingsplan, in combinatie met de aspecten die bij vergunningverlening worden geborgd (op basis van het Bouwbesluit 2012), resteert een aanvaardbaar restrisico.
4.6
Milieuzonering
4.6.1 Inleiding Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten, zoals woningen. Het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten bij bedrijven enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Daarmee worden twee doelen gediend: 1. 2.
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van (voorzienbare) hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
4.6.2 Systematiek: richtafstanden en omgevingstypen RIchtafstanden Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in onderhavig bestemmingsplan de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 als uitgangspunt genomen. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Deze richtafstanden bedragen per milieucategorie:
Milieucategorie
48
Richtafstand
bestemmingsplan Oostflank
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1.000 meter 1.500 meter
Van belang is verder dat deze afstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk of een rustig buitengebied enerzijds en een - zoals in dit geval - bedrijventerrein anderzijds. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van “functiescheiding”, wat wil zeggen dat er afgezien van wijkgebonden voorzieningen vrijwel geen andere functies voorkomen en er langs de randen van het gebied weinig verstoring is door verkeer. Vergelijkbaar met “rustige woonwijk” zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Daarnaast wordt een zogenoemd 'gemengd gebied' onderscheiden, waaronder wordt verstaan een gebied met een variatie aan functies waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijvigheid. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. 50 meter wordt dan 30 meter, 30 meter wordt 10 meter, etc.
De hiervoor beschreven methode is in beginsel niet bedoeld voor gevallen c.q. gebieden waarin functiemenging plaatsvindt. Ook is de methode in beginsel niet geschikt om bestaande situaties te beoordelen. 4.6.3 Toepassingen motivering Maximale milieucategorie 3.2 met maatwerk voor bestaande bedrijven milieucategorie 4.1 Het plangebied is aan te merken als een bestaand bedrijventerrein. Zoals blijkt uit Hoofdstuk 3 van deze toelichting is in de voor een groot deel van het plangebied geldende beheersverordening reeds het principe van milieuzonering toegepast. Op basis van die beheersverordening is de maximaal toegelaten milieucategorie 3.2, maar is voor specifieke locaties door middel van een aanduiding ook bedrijvigheid van milieucategorie 4.1 toegestaan. Daarnaast is een zogenoemde uitsterfconstructie opgenomen voor bestaande bedrijven van bedrijven van een milieucategorie hoger dan 3.2, anders dan ter plaatse van voornoemde aanduiding. In paragraaf 3.6 is toegelicht dat in dit bestemmingsplan de mogelijkheden om bedrijven van een milieucategorie hoger dan 3.2 verder worden beperkt door de mogelijkheden ter plaatse van locaties die zijn voorzien van een aanduiding die bedrijven van milieucategorie 4.1 toelaat, toe te spitsen op de huidige vorm van bedrijvigheid en omschakeling naar een ander bedrijf van milieucategorie 4.1 niet bij recht mogelijk te maken.
Wel is het overigens mogelijk om met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid een ander bedrijf van miliecategorie 4.1 toe te staan of een ander bedrijf toe te staan dat niet is opgenomen in de toegesneden lijst van bedrijven die als bijlage bij de regels is opgenomen, mits daarbij wordt aangetoond dat de milieueffecten daarvan vergelijkbaar zijn met de bedrijven die ter plaatse wel zijn toegestaan. Nieuwe woningen of bedrijfswoningen worden niet toegelaten en er vindt geen nieuw ruimtebeslag plaats ten behoeve van bedrijvigheid plaats waarbij niet wordt voldaan aan de relevante richtafstanden als genoemd in
bestemmingsplan Oostflank
49
paragraaf 4.6.2. Ten opzichte van de planologische mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen Hendrik en omgeving en Buitengebied bieden wordt voorzien in dezelfde planologische mogelijkheden als hiervoor beschreven voor de delen van het plangebied waarop vooralsnog de beheersverordening Bedrijventerreinen van toepassing. Daarmee wordt eenduidigheid geboden. Voor die percelen die ten tijde van het opstellen c.q. vaststellen van dit bestemmingsplan geen of slechts beperkt bedrijfsactiviteiten plaatsvinden geldt dat ten opzichte van de meest nabij gelegen woningen (nog steeds) wordt voldaan aan de relevante richtafstanden als genoemd in paragraaf 4.6.2, waardoor op dat punt geen aanleiding bestaat de mogelijkheden van die percelen in te perken, anders dan wordt ingegeven door hetgeen in Hoofdstuk 3 is beschreven.
Bedrijven afwijkende milieucategorie Zoals blijkt uit paragraaf 3.6 is nagegaan in hoeverre er bedrijven aanwezig zijn van een milieucategorie hoger dan 3.2 en die in de beheersverordening niet zijn voorzien van een aanduiding die de vestiging van een bedrijf van maximaal milieucategorie 4.1 mogelijk maakt. In dezelfde paragraaf is beschreven welke bedrijven dat zijn en van welke bestemming die bedrijven worden voorzien. Gelet op de doelen die vanuit het geldende beleid (zie Hoofdstuk 2) en de nagestreefde ontwikkelingsrichting voor het gebied (zie Hoofdstuk 3) worden nagestreefd is het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk bij recht meer mogelijkheden te bieden voor de vestiging van bedrijvigheid van een milieucategorie hoger dan 3.2. Daarbij is overigens de directe omgeving van het plangebied relevant, gezien de ligging op korte afstand van de Natura 2000-gebieden Brunsummerheide en Tevenerheide. Wel is het overigens mogelijk om met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid een ander bedrijf van miliecategorie 4.1 toe te staan of een ander bedrijf toe te staan dat niet is opgenomen in de toegesneden lijst van bedrijven die als bijlage bij de regels is opgenomen, mits daarbij wordt aangetoond dat de milieueffecten daarvan vergelijkbaar zijn met de bedrijven die ter plaatse wel zijn toegestaan.
4.7
Ecologie
4.7.1 Wettelijk kader In de Wet natuurbescherming is de soortbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN).
50
bestemmingsplan Oostflank
4.7.2 Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de bescherming van flora en fauna en met name de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat bij voorgenomen nieuwe ontwikkelingen op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen hiermee in sommige situaties strijdig zijn. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot verstoring en/of vernietiging van leefgebieden van dieren en groeiplaatsen van planten. Ook de afzonderlijke plant- en diersoorten kunnen als gevolg van de werkzaamheden (onopzettelijk) gedood, verontrust en/of verjaagd worden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming is ook een algemene zorgplicht opgenomen.