Raadsvoorstel 87 (bijlage) Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Oostflank Gemeente Brunssum
BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -
Oostflank Gemeente Brunssum
IDN-nummer:
NL.IMRO.0899.BpOostflank-VA01
Status:
vastgesteld
Datum:
2 november 2021
Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen
Locatie Vught Parklaan 21 5261 LR Vught
024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4
5 5 9 11
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Huidige planologische kaders Leeswijzer
Hoofdstuk 2 Beleidskaders
13
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 13 21 28 33
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving
35
3.1 3.2
Inleiding Overwegend beheersmatig, in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen
35 35
3.3 3.4 3.5 3.6
Ruimtelijke kwaliteit Passende bestemming witte vlekken Uitsluiten bedrijven van milieucategorie 1 Géén (nieuwe) bedrijven van milieucategorie 4.1 of hoger
36 38 39 40
Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten
43
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
43 43 43 44 45 48 50 53 54 59 60
Milieuhygiëne Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Ecologie Archeologie en cultuurhistorie Waterparagraaf Milieueffectrapportage Overige zones
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten
63
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
63 63 64 65 65
Inleiding Uitgangspunten Toelichting op de planregels Artikelsgewijze toelichting Bedrijf - Gasontvangstation
bestemmingsplan Oostflank
3
5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14 5.15 5.16 5.17
Bedrijventerrein Bos Groen Maatschappelijk - Militaire zaken Natuur Verkeer Water Wonen Wonen - Woonwagenstandplaats Leiding - Hoogspanningsverbinding Waarde - Archeologie Waterstaat - Beschermingszone primair water
65 66 67 67 67 67 67 67 67 67 68 68
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
69
6.1 6.2 6.3
69 69 70
Grondexploitatie Planschade Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Procedure
71
7.1 7.2
De te volgen procedure Vooroverleg 3.1.1 Bro
71 71
7.3
Inzage ontwerpbestemmingsplan en vaststelling
71
Toelichting
4
bestemmingsplan Oostflank
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Samen met de Provincie Limburg en Parkstad Limburg wordt gewerkt aan een kwaliteitsverbetering en structuurversterking van de Oostflank van Brunssum. De aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg (verder: de Buitenring) biedt door de verbetering van de bereikbaarheid en zichtbaarheid van het gebied, kansen voor een economische structuurversterking, een kwaliteitsimpuls voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en kansen voor maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie en klimaatadaptatie. Aangezien de huidige planologische kaders voor delen van het gebied sterk verouderd zijn, de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen voor het gebied niet zijn afgestemd op de wijzigingen in het gebied als gevolg van de aanleg van de Buitenring en voor een deel van het gebied momenteel geen planologische kaders gelden, is een herziening van deze ruimtelijke kaders wenselijk. Op 30 juni 2020 heeft de raad van de gemeente Brunssum een voorbereidingsbesluit genomen om ongewenste ontwikkelingen in de Oostflank van Brunssum (tijdelijk) te voorkomen. In navolging hierop wordt een beheersmatig bestemmingsplan opgesteld dat actuele planologische kaders zal gaan bieden voor het gebied. Daarbij worden dan ook de ongewenste ontwikkelingen uit de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen definitief weggenomen.
Op een later moment zal vervolgens een nieuw, ontwikkelingsgericht bestemmingsplan (of omgevingsplan) worden opgesteld dat de gewenste (door)ontwikkeling van het gebied faciliteert. Daarmee wordt op korte termijn voorzien in actuele planologische kaders, afgestemd op onder meer de aangelegde Buitenring en het uitsluiten van ongewenste ontwikkelingen, terwijl parallel daaraan verder kan worden onderzocht welke nieuwe ontwikkelingen binnen het gebied wenselijk, maar ook uitvoerbaar zijn.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied van het beheersmatige bestemmingsplan voor de Oostflank van Brunssum is gelegen in het oostelijk deel van de gemeente Brunssum. Het gebied bestaat uit een aantal deelgebieden die niet direct aan elkaar grenzen. Voor een belangrijk deel wordt deze begrenzing ingegeven door het feit dat bij de vaststelling van de provinciale inpassingsplannen (PIP's) ten behoeve van de Buitenring is bepaald dat de gemeenteraad van Brunssum tot 18 maart 2026 geen bestemmingsplan mag vaststellen voor gronden waarvoor deze PIP's gelden. De gebieden blijven daarom buiten de begrenzing van voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast is van belang dat voor delen van het gebied gezien het doel en de aanleiding als beschreven in paragraaf 1.1 van dit document, geen aanleiding bestaat nu het geldende bestemmingsplan, dan wel de geldende beheersverordening te herzien. Voor die gebieden geldt dat de geldende planologische kaders nog aansluiten bij de huidige planologische inzichten. In navolgende afbeelding zijn de gebieden globaal aangegeven. Daarbij is elk deelgebied voorzien van een nummer. Aan de hand van die nummering worden de deelgebieden hierna de begrenzing van die gebieden nader beschreven en toegelicht.
bestemmingsplan Oostflank
5
Deelgebied 1: Bouwberg Dit gebied wordt gevormd door het bestaande bedrijventerrein aan weerszijden van de Boschstraat, globaal gelegen tussen de Hoogenboschweg en Boschstraat in het noordwesten en de Zwanenpool in het zuidoosten. Tot dit deelgebied behoren ook enkele percelen aan de Waubacherweg. Tussen dit deelgebied, de Emmastraat /Ruscher en de Neutrale Straat / Heringsbosch zijn gronden aanwezig die zijn ingericht als natuur en ook als zodanig zijn bestemd. Omdat voor die gronden geen wijziging of actualisatie van de planologische mogelijkheden nodig is, blijven die gronden buiten de begrenzing van dit plan.
6
bestemmingsplan Oostflank
Deelgebied 2: Groeve Hendrik / Mourik In een deel van de groeve tussen de Waubacherweg, Zwanenpool en Kranenpool vindt ontgronding plaats. Die activiteiten zullen de zich de komende jaren verplaatsen naar het noordwestelijk deel van dit deelgebied. Hoewel al wordt bezien op welke wijze de gronden waarop de activiteiten worden afgebouwd c.q. beëindigd, is de uitvoerbaarheid daarvan nog onderwerp van nader onderzoek. Aangezien de activiteiten in dit hele gebied ten tijde van vaststelling van dit bestemmingsplan nog in uitvoering zullen zijn en er op dit moment geen planologische kaders gelden voor een groot deel van de groeve (centrale en zuidoostelijk deel, wordt deze groeve toch meegenomen binnen de begrenzing van dit bestemmingsplan om het bestaande (planologische) gebruik vast te leggen. Onderdeel van dit deelgebied zijn ook nog enkele min of meer solitair gelegen percelen aan de Kranenpool, die ingesloten liggen tussen voornoemde groeve aan de noordzijde, percelen die in gebruik zijn door c.q. ten behoeve van het Allied Joint Force Command (JFC), dan wel het United States Army Garisson (USAG) en de Golfbaan Brunssummerheide. Aangezien voor deze percelen verouderde bestemmingsplannen gelden, worden ook deze percelen meegenomen binnen het plangebied, om ze weer een actueel planologisch kader te kunnen bieden.
Het terreinen van JFC / USAG tussen de groeve en de Zwanenpool worden niet meegenomen binnen onderhavig bestemmingsplan, omdat daarvoor nog passende planologische kaders zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan c.q. de geldende beheersverordening. Dit met uitzondering van het meest noordelijk gelegen deel van het complex, dat relatief recent is verworven door Defensie. Daar is in de geldende beheersverordening Bedrijventerreinen een regeling voor opgenomen die is gericht op een gebruik als groeve. Aangezien dat niet meer aansluit bij het huidige gebruik, wordt voor dat perceel een bestemming opgenomen die aansluit bij het huidige gebruik.
Deelgebied 3: Ganzepool / Kranenpool Dit is het deelgebied waarop de aanleg van de Buitenring de grootste impact heeft gehad. Het gebied is globaal gelegen tussen het Schutterspark en de Ganzepool, Rimburgerweg, het USAG-depot aan de Zwanenpool / Kranenpool en is door de aanleg van de Buitenring en de bijbehorende infrastructuur in de vorm van toe- en afritten en rotondes doorsneden geraakt. Voor een groot deel van dit deelgebied geldt nog een verouderd bestemmingsplan uit de jaren '80, dat daarom logischerwijs niet is afgestemd op de situatie die door de aanleg van de Buitenring is ontstaan. Het USAG-terrein als hiervoor genoemd wordt overigens niet meegenomen binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, aangezien daarvoor enkele jaren geleden een afzonderlijk bestemmingsplan is vastgesteld. Ook het deel van het USAG-terrein dat nog binnen het besluitgebied van de beheersverordening Bedrijventerreinen valt wordt niet meegenomen binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, omdat de geldende beheersverordening voldoende actuele planologische kaders biedt voor dat terrein.
De gronden die zijn gelegen binnen de begrenzing van de Provinciale inpassingsplannen 'Buitenring Parkstad Limburg 2012' en 'Herziening PIP BPL Optimalisatie Kranenpool Brunssum' blijven buiten het plangebied omdat, zoals reeds vermeld in paragraaf 1.2, bij de vaststelling van laatstgenoemd PIP is bepaald dat de gemeenteraad van Brunssum tot 18 maart 2026 geen ruimtelijke plannen mag vaststellen voor deze gronden. Een aantal percelen in dit deelgebied is ingesloten en ook doorsneden geraakt door de eerder genoemde PIP's. Die gronden worden in overleg door de provincie meegenomen in een in voorbereiding zijnd PIP en zijn daarom niet opgenomen binnen onderhavig bestemmingsplan. Tot slot blijven ook de gronden rondom de Rode Beek buiten het plangebied, omdat voor deze beek en de gewenste renaturering daarvan een apart bestemmingsplan is vastgesteld dat geen aanleiding geeft de voor dat gebied geldende planologische kaders te wijzigen.
bestemmingsplan Oostflank
7
Deelgebied 4: Ora et Labora Dit deelgebied betreft een deel van het terrein Ora et Labora, gelegen tussen de Neutrale Straat / Heringsbosch, Waubacherweg en de grens met Duitsland. Het terrein van Afvalzorg is geen onderdeel van het deelgebied c.q. dit plangebied. Voor dat terrein is enkele jaren geleden een bestemmingsplan op maat opgesteld dat nog voldoende actueel is. De voornaamste aanleiding om dit deelgebied mee te nemen binnen het plangebied is het feit dat voor het achterste deel (vanaf de Waubacherweg) op dit moment geen bestemmingsplan geldt, terwijl behoefte is aan planologische kaders om te voorkomen dat hier activiteiten kunnen ontstaan die zich niet verdragen met een goede ruimtelijke ordening.
Deelgebied 5: Rimburgerweg Aan de Rimburgerweg liggen nog een aantal min of meer solitair gelegen bedrijven waarop vooralsnog de beheersverordening 'Bedrijventerreinen' van toepassing is. Hoewel de aanleg van de Buitenring geen directe aanleiding is voor het meenemen van deze percelen binnen het plangebied en het actualiseren van de planologische kaders, speelt hier wel de wens de planologische kaders te actualiseren en daarbij planologisch niet langer wenselijke mogelijkheden ten opzichte van de geldende beheersverordening te schrappen, zoals nader geconcretiseerd in Hoofdstuk 3.
8
bestemmingsplan Oostflank
1.3
Huidige planologische kaders
Voor het plangebied gelden nu een aantal bestemmingsplannen en een beheersverordening. In navolgende tabel worden die plannen opgesomd, waarbij tevens de begrenzing wordt aangegeven. Na de tabel wordt dit per deelgebied kort toegelicht.
bestemmingsplan Oostflank
9
Naam + datum vaststelling Ligging en begrenzing Beheersverordening Bedrijventerreinen (11 september 2013)
Bestemmingsplan Buitengebied (20 mei 1997)
Bestemmingsplan Hendrik en omgeving (2 juni 1981)
Beheersverordening Bedrijventerreinen Op dit moment geldt voor een groot deel van het plangebied de beheersverordening 'Bedrijventerreinen' als vastgesteld door de gemeenteraad van Brunssum op 11 september 2013. Deze beheersverordening geldt voor het bedrijventerrein Bouwberg (deelgebied 1), een deel van de Groeve Hendrik (deelgebied 2), een klein deel van Ora et Labora (deelgebied 4) en de bedrijven aan de Rimburgerweg die binnen onderhavig plangebied worden meegenomen (deelgebied 5).
Bestemmingsplan Buitengebied
10
bestemmingsplan Oostflank
Voor een tweetal percelen in deelgebied 2 geldt nog het bestemmingsplan 'Buitengebied' als vastgesteld door de gemeenteraad van Brunssum op 20 mei 1997. Het betreft het perceel Kranenpool 25, waarop een bedrijf is gevestigd dat pallets, kisten en kratten van hout produceert en een perceel aan de Waubacherweg, waarop een was- en sorteerinstallatie aanwezig is die tot de groeve Hendrik / Mourik behoort. De bestemming daarvan is nu 'Bedrijfsdoeleinden'.
Bestemmingsplan Hendrik en omgeving Rondom de Buitenring en dan met name voor de percelen die door de PIP's ingesloten zijn geraakt (deelgebied 3), geldt het bestemmingsplan Hendrik en omgeving, als vastgesteld door de gemeenteraad op 2 juni 1981. Dit bestemmingsplan geldt ook voor een aantal percelen aan de Kranenpool die onderdeel uitmaken van deelgebied 2. Het betreft de percelen Kranenpool 42, waarop een bedrijf is gevestigd dat handelt in brand- en rondhout en het perceel Kranenpool 21, dat momenteel leeg staat, maar in het verleden onderdeel heeft uitgemaakt van het sportcomplex van JFC. De bestemming van deze percelen is 'Industriële doeleinden'.
1.4
Leeswijzer
In navolgend hoofdstuk 2 worden de voor het plangebied geldende beleidskaders geschetst. Mede op basis daarvan worden de doelen voor het plangebied c.q. onderhavig bestemmingsplan nader geconcretiseerd in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Vervolgens vindt in hoofdstuk 4 een toetsing aan de relevante sectorale aspecten plaats. Hoofdstuk 5 voorziet in een toelichting op de juridische aspecten van het plan, waarna in hoofdstuk 6 en 7 wordt ingegaan op respectievelijk de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan en de procedure.
bestemmingsplan Oostflank
11
12
bestemmingsplan Oostflank
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskaders
Inleiding
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het plangebied relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Brunssum.
2.2
Rijksbeleid
2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden worden behouden. Naast de hoofddoelen heeft het Rijk een keuze gemaakt om de sturingsfilosofie te wijzigen.
Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven) en laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving.
Een Rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport en greenports; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners. In totaliteit zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen,
bestemmingsplan Oostflank
13
energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Parkstad Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt. Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde Rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen. Ten oosten van het plangebied, net over de grens met Duitsland ligt een NAVO-vliegbasis ("NATO Air Base Geilenkirchen".) Het functioneren van dit luchtvaartterrein vraagt om beperking van ruimtelijke ontwikkelingen die het functioneren daarvan kunnen belemmeren. Ook de werking van het radarstation dat bij de vliegbasis aanwezig is vraagt om bepaalde regels die voorwaarden stellen aan ruimtelijke ontwikkelingen.
De gebieden waarvoor deze beperkingen gelden en welke beperkingen dat zijn, zijn nader geconcretiseerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, die verderop in dit hoofdstuk aan de orde zullen komen. Nationale Omgevingsvisie (Novi) Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zoek goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden.
Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.
14
bestemmingsplan Oostflank
In het NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.
1. Ruimte voor klimaatadaptatieen energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat. 3. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen.
Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen. Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in. Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.
Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
bestemmingsplan Oostflank
15
Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Conclusie Gezien de aard van het gebied en het feit dat bestemmingsplan overwegend beheersmatig van aard is, zijn er weinig directe en concrete raakvlakken tussen deze visies en onderhavig plan, anders dan de meer algemene uitgangspunten ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving, duurzaam ruimtegebruik, etc. Op deze onderwerpen wordt in navolgende paragrafen en hoofdstukken nog nader ingegaan. Ook op de belangen van en eventuele beperkingen vanwege de genoemde militaire vliegbasis Geilenkirchen wordt in navolgende paragraaf nog nader ingegaan. Kortgezegd blijkt daaruit dat door het borgen van de betreffende belangen en beperkingen in dit bestemmingsplan wordt voldaan aan c.q. geen sprake is van een inbreuk het ruimtelijk beleid van het Rijk voor deze terreinen. 2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd.
Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
In totaal gaat het om dertien nationale belangen, te weten: Rijksvaarwegen; Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Natuurnetwerk Nederland.
Militaire vliegbases Zoals al aangegeven in paragraaf 2.2.1 dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met militaire luchtvaartterreinen. De NAVO-vliegbasis Geilenkirchen kent een tweetal geluidzones in
16
bestemmingsplan Oostflank
respectievelijk dB(A) en Kosteneenheden (Ke) en een obstakelbeheergebied, welke gebieden zijn begrensd op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het Rarro. Het noordelijk deel van het plangebied (met name Bouwberg en omgeving, Ora et Labora en een deel van groeve Hendrik) is gelegen binnen het obstakelbeheergebied. Een klein deel daarvan is ook gelegen binnen de Ke-geluidzone. Zie navolgende uitsnede voor de begrenzing van beide gebieden in de Rarro.
Obstakelbeheergebied De maximale hoogte voor objecten binnen een obstakelbeheersgebied dient op grond artikel 2.6.4, lid 4 van het Barro in overeenstemming te zijn met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens. Dat Besluit strekt ertoe om met betrekking tot militaire luchthavens uitvoering te geven aan de Wet luchtvaart. Dit besluit is in feite primair een herschikking van reeds geldende regels die vanuit diverse regelgeving in dit besluit bijeen zijn gebracht. Het obstakelbeheergebied is een samenstelling van een aantal verschillende obstakelvlakken:
de invliegfunnel; het Inner Horizontal Conical Sufrace (IHCS); het Instrument Landing System-gebied (ILS).
bestemmingsplan Oostflank
17
De funnel, gekoppeld aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen, is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken. Zie ook navolgende afbeelding. Zoals uit de Rarro en navolgende tekening blijkt, ligt het plangebied deels binnen het obstakelgebied en dient om die reden in het plan te worden geborgd dat binnen het plangebied niet hoger mag worden gebouwd dan de hoogtes die voortvloeien uit het Barro en de Rarro. Om die reden is in dit bestemmingsplan voorzien in een aantal gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone', met daaraan regels gekoppeld die de maximale bouwhoogtes binnen die zones vastleggen en daarmee in voorkomend geval de bouwhoogtes die voortvloeien uit hoofdstuk 2 van de regels beperken vanuit het oogpunt van een veilige luchtvaart. Binnen dit plangebied variëren die maximale bouwhoogtes van 110 meter tot 220 meter. Dit zijn hoogtes die worden gemeten vanaf N.A.P. Het maaiveldniveau binnen deze aanduidingen varieert volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland van ongeveer 85 tot 95 + N.A.P.
Gezien deze hoogteligging van het plangebied, de maximaal toelaatbare bouwhoogtes binnen de in het plan conform Barro en Rarro aangeduide luchtvaartverkeerzones en de binnen het plangebied op grond van hoofdstuk 2 van de regels toegelaten bouwwwerken, leidt dit alleen in het meest noordelijk gelegen deel van het plangebied tot mogelijke beperkingen (de zone waar de bouwhoogte is beperkt tot 110 meter). Door de hiervoor beschreven planregeling is in het plan geborgd dat de veilige luchtvaart niet in het geding komt.
Geluidzone Het meest noordelijk gelegen deel van het plangebied valt binnen de geluidzone (Ke) van de vliegbasis. Deze grens van deze geluidzone is weergegeven in navolgende afbeelding door middel van een rode lijn, waarbij geldt dat de geluidzone is gelegen ten noorden van deze rode lijn. Deze zone wordt vastgelegd in onderhavig plan, met daaraan gekoppeld planregels waaruit volgt dat binnen deze zone geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen zijn toegestaan. Overigens zijn dergelijke gebouwen in de huidige situatie niet aanwezig en is de
18
bestemmingsplan Oostflank
realisatie daarvan op grond van de geldende beheersverordening ook al niet toegestaan.
Militaire terreinen Een klein deel van het plangebied is in de Rarro aangeduid als een militair terrein, als bedoeld in artikel artikel 2.6.2 Barro. Het betreft slechts een relatie smalle strook. Voor die gronden dient een maatschappelijke bestemming te worden opgenomen die is gericht op militair gebruik en in onderhavig plan mogen geen bestemmingen worden opgenomen die de bruikbaarheid van dat terrein belemmeren. Die gronden krijgen daarom de bestemming Maatschappelijk - Militaire zaken, in aansluiting op de bestemming die is gehanteerd voor de aangrenzende gronden die door het JFC / USAG in gebruik zijn. Direct grenzend aan voornoemde strook is een terrein aanwezig dat relatief recent door Defensie is verworven. Dit terrein is niet aangewezen als militair terrein in de Rarro, maar hiervoor is ook de bestemming 'Maatschappelijk - Militaire zaken opgenomen met gebruiksmogelijkheden die aansluiten op het huidige gebruik. 2.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro).
Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
bestemmingsplan Oostflank
19
De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hierna volgt een toetsing van onderhavig planvoornemen aan de nieuwe Ladder. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de Ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.
In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij plannen voor maximaal 11 nieuwe woningen of andersoortige ontwikkelingen met een ruimtebeslag c.q. brutovloeroppervlakte van maximaal 500 m² (Zie overzichtsuitspraak ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Verder hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als beoordelingslijn dat hiervan géén sprake is als het bestemmingsplan of omgevingsvergunning bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar daarbij ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter ruimtebeslag, maar alleen in een functiewijziging.
Overigens kan in geval van een functiewijziging toch sprake zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, indien de ruimtelijke uitstraling van de nieuwe functie wezenlijk afwijkt van de functie die eerder op basis van het voorgaande planologische regime op die locatie was toegelaten. Toepassing Onderhavig bestemmingsplan is in de basis beheersmatig van aard. Er vindt ten opzichte de geldende beheersverordening en geldende bestemmingsplannen geen groter planologisch ruimtebeslag plaats en er worden geen nieuwe ontwikkelingen c.q. functiewijzigingen toegestaan met zodanig afwijkende ruimtelijke effecten ten opzichte van de bestaande planologische kaders, dat aanleiding bestaat te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarmee is overigens niet gezegd dat niet in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien in hoeverre eventuele onbenutte planologische mogelijkheden in dit bestemmingsplan kunnen worden overgenomen. In dat kader is van belang dat het bedrijventerrein voor het overgrote deel is uitgegeven en voor bedrijfsdoeleinden in gebruik is.
De percelen die nog niet zijn uitgegeven betreffen hoofdzakelijk percelen die in het verleden voor bedrijfsdoeleinden in gebruik zijn geweest, maar als gevolg van de aanleg van de Buitenring zijn aangekocht en zijn ontruimd, maar daarbij hun bestemming hebben behouden. Nu de Buitenring is aangelegd, zijn deze percelen opnieuw uitgeefbaar. Zoals blijkt uit paragraaf 2.4.1 zijn deze percelen gelegen binnen de bedrijventerreinen die zijn aangewezen in de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg, waarin vraag en aanbod voor wat betreft bedrijventerreinen op regionaal niveau in beeld zijn gebracht. Uit Hoofdstuk 4 van deze toelichting blijkt overigens ook dat voor het overige vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding bestaat af te zien van het overnemen van de planologische mogelijkheden voor de vooralsnog niet uitgegeven kavels binnen het plangebied.
20
bestemmingsplan Oostflank
Conclusie Nu geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling is de toetsing aan de ladder voor duuzame verstedelijking niet vereist. Desondanks is de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid beschouwd. In onderhavig geval is sprake van een ontwikkeling die (nog steeds) voorziet in een actuele regionale behoefte en die bijdraagt aan een optimale benutting van de beschikbare ruimte in het bestaand stedelijk gebied.
2.3
Provinciaal beleid
De Provincie heeft een belangrijke rol als regisseur op de woningmarkt. Gelet op de problematiek op de huidige woningmarkt en de invloed van de demografische transitie op de markt, verlangen gemeenten van de Provincie dat zij die rol als regisseur oppakt. 2.3.1 ProvinciaalOmgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. Verder staat in het POL kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. In het POL wordt gestreefd naar een schone, betaalbare en leveringszekere energievoorziening die gepaard gaat met regionale economische ontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid en de aanpak van het klimaatprobleem. Hierbij wordt aangesloten bij de nationale doelstellingen die verwoord zijn in het Nationaal Energieakkoord voor Duurzame groei 2013, zijnde 20% emissiereductie CO2-equivalenten, een energiebesparing van 1,5% per jaar en 14% hernieuwbare energie in 2020.
Visie Zuid-Limburg De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000 mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren. Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal
bestemmingsplan Oostflank
21
sturing.
Gebiedstypen De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied grotendeels is aangemerkt als 'Bedrijventerrein'. De groeve Hendrik / Mourik en directe omgeving is deels aangemerkt als 'Buitengebied' en deels als 'Bronsgroene landschapszone'. Een perceel in het noordwestelijk deel van het plangebied is aangemerkt als 'Goudgroene natuurzone'.
Bedrijventerrein Volgens de definitie van het POL is een bedrijventerrein een specifiek ingericht gebied voor grotere bedrijvigheid. Daarbij worden de accenten gelegd op ruimte voor bedrijvigheid, optimale bereikbaarheid en duurzame inrichting en gebruik. De ambitie van de provincie ten aanzien van bedrijventerreinen is de zorg voor voldoende ruimte om de dynamiek van het gevestigde bedrijfsleven te faciliteren en om de komst van nieuwe bedrijven naar Limburg mogelijk te maken. Aangezien Limburg over voldoende bedrijventerreinen beschikt is de centrale opgave een groei in kwaliteit zonder dat de kwantiteit toeneemt. In het POL worden vier basisprincipes voor inrichting en beheer van bedrijventerreinen genoemd: de ruimte op bedrijventerreinen dient zorgvuldig en duurzaam te worden gebruikt; functiemenging op bedrijventerreinen kan bijdragen aan de kwaliteit van die terreinen en aan een optimaal ruimtegebruik;
22
bestemmingsplan Oostflank
voor vestiging van zelfstandige kantoren en detailhandel is op bedrijventerreinen geen plaats; de milieugebruiksruimte (geluidzones, risicocontouren, geurcirkels) van bedrijven en bedrijfsterreinen wordt beheerd met het oog op een duurzame inpassing van bedrijven in hun omgeving. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een bestaand bedrijventerrein, waarvoor een actueel beheersmatig bestemmingsplan wordt opgesteld, waarbij geen uitbreiding plaatsvindt en waarop nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
Bronsgroene landschapszone/ Goudgroene natuurzone / Buitengebied Deze gebieden Bronsgroene landschapszone en Goudgroene natuurzone maken onderdeel uit van het te realiseren en vervolgens in stand te houden robuust natuurnetwerk, als uitwerking van het Natuurnetwerk Nederland. Daarbij worden drie verschillende gebieden onderscheiden. In de Goudgroene natuurzone staat beschermen en versterken van de natuur centraal, met bijzondere aandacht voor de Natura2000 gebieden en de natuurbeken. Ook de hydrologisch gevoelige natuurgebieden (waaronder de natte parels) vragen om aandacht. De Zilvergroene natuurzone omvat landbouwgebieden met grote kansen voor natuurontwikkeling en natuurbeheertaken, die we vooral met middelen uit de regio moeten benutten. De Bronsgroene landschapszone, veelal geconcentreerd in en rond beekdalen en langs steilere hellingen in Zuid-Limburg, bestaat uit landschappelijk aantrekkelijke gebieden met een veelheid aan functies. Het buitengebied betreft het resterende deel van het landelijk gebied, met vaak een agrarisch karakter. Voor de groeve en omliggende gronden die zijn aangemerkt als 'Bronsgroene natuurzone' of 'Buitengebied' geldt dat het huidige gebruik wordt vastgelegd. Dit sluit - voor zover voor die gronden een beheersverordening of bestemmingsplan geldt - aan bij de huidige planologische mogelijkheden.
Het perceel in het noordwestelijk deel van het plangebied dat is aangeduid als 'Goudgroene natuurzone' behoud conform de geldende beheersverordening de bestemming Bos, hetgeen aansluit bij de status van Goudgroene natuur, als onderdeel van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). In navolgende paragraaf 2.3.3 wordt nader ingegaan op de gebieden Goudgroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone aan de hand van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Daaruit volgt gezegd dat onderhavig bestemmingsplan niet in strijd is met de regels die op basis van die verordening voor de betreffende gebieden gelden.
Windenergie In het POL zijn ook voorkeursgebieden en uitsluitingsgebieden aangewezen in het kader van windenergie. De Oostflank is daarbij aangewezen als voorkeursgebied. Nog afgezien van eventuele beperkingen die voor de realisatie van windturbines in dit gebied gelden vanwege de ligging binnen het obstakelbeheersgebied van Vliegbasis Geilenkirchen, bestaat op dit moment geen zodanig concreet initiatief daartoe dat de uitvoerbaarheid daarvan in dit plan kan worden onderbouwd en kan worden geborgd.
Conclusie Gezien het voorgaande is onderhavig bestemmingsplan niet in strijd met het geldende Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014
bestemmingsplan Oostflank
23
2.3.2 Nieuwe omgevingsvisie Naar verwachting treedt op 1 januari 2022 de Omgevingswet in werking. De Provincie Limburg moet dan beschikken over een Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie Limburg richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook het aspect gezondheid en een gezonde leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie meegenomen. De provincie onderscheidt in haar nieuwe omgevingsvisie drie hoofdopgaven: Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als in landelijk gebied Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie) Klimaatadaptatie en energietransitie Het beleid voor zogenoemde werklocaties, waaronder begrepen bedrijventerreinen kan - op basis van het ontwerp van de omgevingsvisie d.d. augustus 2020 - als volgt kort worden samengevat. Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet hij niet aan de eisen van de gebruikers.
Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. De provincie kiest voor compacte werklocaties om het gebruik van de ruimte en de landschappelijke inpassing te optimaliseren. Bij nieuwe initiatieven wordt een voorkeursvolgorde gehanteerd. Eerst dient te worden bezien of het opknappen of herontwikkelen van verouderde werklocaties mogelijk is, pas daarna wordt gelegenheid geboden om nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen.Dit gebeurt dan bij voorkeur via uitbreiding van bestaande terreinen. Het ontwikkelen van nieuwe locaties is de laatste optie. Nog steeds geldt dat op bedrijventerreinen geen plaats voor de vestiging van zelfstandige kantoren en detailhandel. Kantoorruimte en showrooms als onderdeel van productiebedrijven is wel mogelijk. Ook is er ruimte voor de vestiging van detailhandel in volumineuze en brand- en explosiegevaarlijke goederen. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op een bestaand bedrijventerrein. Er wordt geen uitbreiding daarvan mogelijk gemaakt en er wordt ook geen ruimte geboden voor de vestiging van nieuwe zelfstandige kantoren of detailhandel. Door de aanleg van de Buitenring zijn juist kansen ontstaan het terrein op te knappen en te herontwikkelen.
Onderhavig planvoornemen sluit daarmee aan bij het beleid zoals dat is beschreven in het ontwerp van de omgevingsvisie. 2.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. Voor dit bestemmingsplan en het plangebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft zijn de navolgende bepalingen uit de verordening (in beginsel) van belang.
24
bestemmingsplan Oostflank
Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf2.2) De provincie heeft in haar verordening (nogmaals) geborgd dat ruimtelijke plannen voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking als opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Daar is aan toegevoegd dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. ook dient te worden onderzocht in hoeverre het herbenutten van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen mogelijk is. Het resultaat daarvan dient te worden beschreven in de toelichting op het betreffende ruimtelijk plan. Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals reeds is beschreven in paragraaf 2.2.3 van deze toelichting. Het bestemmingsplan voorziet in een actueel planologisch kader voor een bestaand bedrijventerrein. Binnen het plangebied is geen sprake van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen die bijzondere aandacht behouden in dit plan.
Reserveringszones langs spoorwegen en provinciale wegen (paragraaf2.3) In bestemmingsplannen dient met het oog op een eventuele toekomstige verbreding van provinciale wegen of een verdubbeling van een spoorweg te worden voorzien in een reserveringzone van 15 meter langs provinciale wegen en spoorwegen als aangeduid op de bij de verordening behorende kaarten. Dat is ook het geval voor de Buitenring, maar aangezien de betreffende 15 meter-zone binnen de grenzen van de PIP's en daarmee buiten onderhavig plangebied blijven, is het opnemen van een dergelijke reserveringzone in dit bestemmingsplan niet aan de orde. Op dit punt voldoet het bestemmingsplan daarom aan de verordening.
Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 (paragraaf2.4) Bij het opstellen van het het POL2014 hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Daarbij gaat het om de thema's wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Voor onderhavig plan is kortgezegd van belang dat: a.
b.
c.
geen nieuwe woningen mogelijk mogen worden gemaakt die (per saldo) voorzien in een toevoeging van woningen aan de bestaande (plan)voorraad, anders dan in overeenstemming met de Strucuurvisie Wonen Zuid-Limburg; geen toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel of kantoren aan de bestaande (plan)voorraad mag plaatsvinden, anders dan in overeenstemming met het POL en de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg. geen toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande (plan)voorraad mag plaatsvinden, anders dan in overeenstemming met het POL, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg.
Ad a) Wonen Hoewel binnen het plangebied enkele woningen en bedrijfswoningen zijn gelegen, wordt geen ruimte geboden voor de realisatie van nieuwe woningen of bedrijfswoningen, waarmee op dit punt wordt voldaan aan de verordening.
Ad b) Detailhandel en kantoren Het bestemmingsplan voorziet ook niet in nieuwe vestigingsmogelijkheden voor detailhandel of kantoren.
bestemmingsplan Oostflank
25
Binnen het plangebied is één locatie aanwezig waar tot voor kort detailhandel plaatsvond in de vorm van een vrije markt. Aangezien de activiteiten pas relatief recent zijn beëindigd en daarmee nog niet kan worden gesteld dat deze activiteiten duurzaam zijn beëindigd, is het nog niet gewenst die mogelijkheden te schrappen. De in dit plan opgenomen bestemming voor die vrije markt is afgebakend conform de mogelijkheden die de vooralsnog geldende beheersverordening 'Bedrijventerreinen' biedt. De beperkingen zien op een afbakening van het gebied waarbinnen deze activiteiten mogen plaatsvinden (aanduiding 'detailhandel') en een beperking van de dagen waarop en de vorm waarin detailhandel mag plaatsvinden. Gezien het actueel provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en de coherente wijze waarop dat beleid wordt uitgevoerd, is het niet wenselijk de detailhandelsmogelijkheden ten opzichte van de mogelijkheden die de geldende beheersverordening biedt te verruimen of te veralgemeniseren. Zelfstandige kantoren zijn op basis van de vooralsnog geldende besheersverordening niet toegestaan en dat blijft zo in dit bestemmingsplan, waardoor ook ten aanzien van detailhandel en kantoren wordt voldaan aan de instructieregels in de verordening.
Ad c Bedrijventerreinen De afbeelding die is opgenomen in paragraaf 2.3.1 van deze toelichting (inzake POL2014) laat zien dat het bestaande bedrijventerrein Bouwberg (deelgebied 1), de kavels rond de Buitenring (deelgebied 3), het bedrijventerrein Ora et Labora (deelgebied 4), de bedrijven aan de Rimburgerweg (deelgebied 5) en de min of meer solitair gelegen bedrijfskavels aan de Kranenpool, gelegen tussen de groeve Mourik en de percelen van JFC / USAG (deelgebied 2) zijn aangeduid als bedrijventerrein. Deze begrenzing komt overeen met de afbakening van de bedrijventerreinen in de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg. Voor deze gebieden geldt dat geen sprake is van een toevoeging van areaal bedrijventerrein aan de (plan)voorraad. De groeve Mourik / Hendrik is niet aangeduid als bedrijventerrein. Voor die gronden wordt daarom ook niet voorzien in een 'brede' bestemming bedrijventerrein, maar een bestemming die is afgestemd op het huidig gebruik. Dat komt - voor zover daarvoor op dit moment een bestemmingsplan of beheersverordening geldt overeen met de huidige planologische mogelijkheden. Gezien het voorgaande voldoet het bestemmingsplan op dit punt aan de instructieregels in de verordening.
Goudgroene natuurzone (paragraaf2.6) Uit de verordening volgt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk mag maken die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Zoals reeds is beschreven in paragraaf 2.3.1 is binnen onderhavig plangebied is één perceel gelegen dat als Goudgroene natuurzone is aangeduid. Dit perceel is in de huidige beheersverordening bestemd als Bos en die bestemming is in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. Dit bestemmingsplan staat geen nieuwe activiteiten of een wijziging van bestaande activiteiten toe die leiden tot een wezenlijke aantasting van kenmerken en waarden van het gebied. Op dit punt voldoet het bestemmingsplan daarom aan de verordening.
Bronsgroene landschapszone(paragraaf2.7) Op grond van artikel 2.7.2 dient de toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe eventuele negatieve effecten zijn gecompenseerd. Blijkens de bijlage die bij dit artikel hoort, zijn die kernkwaliteiten beschreven inde uitgave "Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg". Daaruit kan worden opgemaakt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het deelgebied "Dal van de Roode
26
bestemmingsplan Oostflank
Beek". Het dal van de Roode Beek is een licht glooiend gebied dat gevormd is door een beek afkomstig vanaf de hooggelegen, zandige, Brunssummerheide, met kenmerkend roodgekleurd ijzerrijk water. Na Schinveld stroomt de grensbeek in een brede en platte dalbodem via een omweg door Duitsland naar de uitmonding in de Geleenbeek. De bovenloop van de Roode Beek loopt door sterk bebost en droog gebied waar de waterloop in een venig, moerassig en ecologisch waardevol brongebied ligt. De lager gelegen vennen, voorbij het ontkluiste gedeelte in Schinveld, zijn recent weer aanzienlijk vernat door de aanleg van poelen en de hermeandering van de waterloop. Bijzonder in dit gebied zijn de vele kwelgebieden waar, door de druk van de hoger gelegen plateau’s, het grondwater omhoogkomt. Cultuurhistorisch gezien is de invloed van het grensgebied groot. Zo boden schansbergen in het verleden een veilige schuilplaats in het moeras tegen plunderende vijandige troepen. Restanten van deze schansen zijn nog altijd te herkennen in het huidige landschap. Door het grote bosareaal en stedelijk oppervlak kent de bovenloop een besloten karakter terwijl richting de Duitse grens het zicht aanzienlijk breder wordt, al dan niet begrenst door lijnvormige beplanting.
Onderhavig bestemmingsplan is een beheersmatig bestemmingsplan dat voorziet in een actualisatie van de planologische kaders voor het gebied. Daarbij worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van invloed zijn op de kernkwaliteiten van het deelgebied Dal van de Roode Beek. Die delen van het plangebied die zijn aangeduid als Bronsgroene landschapszone zijn nu hoofdzakelijk in gebruik als groeve, welke activiteiten reeds zijn toegelaten en ook nog enkele jaren zullen worden voortgezet. Conform het eindplan dat onderdeel is van de verleende ontgrondingsvergunning(en), wordt langs de perceelsgrens met het USAG-terrein voorzien in een landschappelijke c.q. natuurzone, wat de aanduiding als Bronsgroene landschapszone verklaart.
bestemmingsplan Oostflank
27
Conclusie Gezien het voorgaande is onderhavig bestemmingsplan niet in strijd met de provinciale verordening en wordt in onderhavig plan invulling gegeven aan de instructieregels die daarin zijn opgenomen.
2.4
Regionaal beleid
2.4.1 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg De Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL) is een gezamenlijke ruimtelijk-economische visie en gezamenlijk handelingskader voor de winkel-, kantoren en bedrijventerreinenmarkt in Zuid-Limburg in de drie subregio’s Maastricht-Heuvelland, Westelijke Mijnstreek en Parkstad Limburg. De visie is opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten, waaronder Brunssum. De SVREZL is door alle 18 Zuid-Limburgse gemeenteraden vastgesteld en is daarmee zelfbindend voor die gemeenten. Gemeenten spreken elkaar aan op uitvoering en naleving van de SVREZL. De werking van de structuurvisie wordt geborgd in de provinciale verordening. De provincie zal op basis van die verordening optreden tegen gemeenten die zich niet aan de beleidsafspraken uit de SVREZL houden.
Gezamenlijke opgave als Zuid-Limburg Zuid-Limburg heeft - ten tijde van het opstellen en vaststellen van deze structuurvisie - te maken met het feit dat er een kwantitatief overschot aan winkels, kantoren en bedrijventerreinen is of dreigt. Daarnaast zijn er in alle segmenten kwalitatieve uitdagingen in het versterken van de ruimtelijke deelmarkten en het vernieuwen van de markt voor winkels, kantoren en bedrijventerreinen. Dit hangt deels samen met demografie, maar meer nog met bijvoorbeeld veranderende wensen en eisen in hoe we willen werken en winkelen. De structuurvisie biedt ook handvatten voor de situatie dat het ruimtelijk belangrijk is een economisch initiatief te faciliteren, ondanks dat er overall te veel meters zijn. Belangrijk is dat telkens op het relevante (lokale, subregionale, regionale) schaalniveau een goede en transparante afweging gemaakt kan worden langs de kernprincipes van de structuurvisie en het bijbehorende proces. Het doel is ruimte creëren voor nieuwe initiatieven die echt iets toevoegen. Dit geldt voor winkels, kantoren en bedrijventerreinen. Voor de gebieden Chemelot, Nedcar-VDL en Maastricht Aachen Airport zijn zelfstandige gebiedsvisies in ontwikkeling. Het zijn zelfstandig te ontwikkelen gebiedsvisies die als doel hebben een kwalitatieve structuurversterking te realiseren en die niet mogen leiden tot verstoringen van de hoofdstructuur.