CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 87 (bijlage) Toelichting.pdf

Raadsvergadering 2 november 2021, gemeente BrunssumBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Oostflank; Gemeenteblad 2021/8724.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Deze zorgplicht houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. In dit geval is sprake van een bestaand bedrijventerrein. De verwachtingswaarden ten aanzien van beschermde soorten zijn op een bedrijventerrein in beginsel laag, wat overigens niet wil zeggen dat er geen beschermende soorten binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Bij een voortzetting van het huidige grondgebruik worden echter geen verstoringen van beschermde soorten verwacht. Hoewel bij de vaststelling van het bestemmingsplan wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming, is dit geen exclusief peilmoment. De Wet natuurbescherming en de daarin opgenomen zorgplicht en verboden werken rechtstreeks. Dus ook bij de reguliere bedrijfsactiviteiten dienen deze regels ter bescherming van eventuele beschermde soorten in acht te worden genomen. 4.7.3 Gebiedsbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen.

Deze liggen allemaal binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming (net als de regels voor soortenbescherming) vertaald in de Wet natuurbescherming. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. De provincies werken vervolgens in beheerplannen uit welke maatregelen worden getroffen om de door de minister opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.

bestemmingsplan Oostflank

51

De meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden zijn de "Brunssummerheide" ten zuiden van het plangebied en de "Tevenerheide" ten oosten van het plangebied, welke gebieden allebei vrijwel direct grenzen aan onderhavig plangebied. Ten zuidwesten van het plangebied ligt op een afstand van circa 6 kilometer nog het "Geleenbeekdal". Tot slot ligt ten zuidoosten van het plangebied, op een afstand van circa 6 kilometer nog het gebied "Wumtal nördlich Herzogenrath". Gezien het overwegend beheersmatig karakter van onderhavig bestemmingsplan, waarbij voorts door het toepassen van milieuzonering de milieubelasting wordt beperkt ten opzichte van de huidige (planologische) situatie kan in beginsel redelijkerwijs worden aangenomen dat een voortzetting van het huidige grondgebruik geen (significant) negatieve effecten zullen ontstaan voor dit gebied of enig ander Natura 2000-gebied. Een bijzonder punt van aandacht is echter de stikstofdepositie op deze gebieden. Er is namelijk sprake van een significante toename van de stikstofdepositie wanneer die depositie met meer dan 0,00 mol/hectare/jaar toeneemt ten opzichte van het feitelijk bestaande en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van een bestemmingsplan.

Aangezien er binnen het plangebied nog sprake is van onbenutte planologische ruimte, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat als gevolg van het benutten daarvan de stikstofdepositie voornoemde drempel van 0,00 mol/hectare/jaar overschrijdt. Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan op dat punt toch te kunnen aantonen c.q. borgen is voorzien in planregels die nieuwe activiteiten die die drempel overschrijden niet mogelijk maken, maar waarbij verleende vergunningen wel worden gerespecteerd. Binnen het plangebied is namelijk sprake van één vergunning (Kranenpool 4) die met onderhavig bestemmingsplan één op één wordt ingepast door expliciet te verwijzen naar de verleende vergunning en in het kader waarvan er geen nieuwe gegevens of inzichten zijn die aanleiding geven af te zien van deze inpassing.

Ten aanzien van de uitbreiding van de groeve 'Swelsen' als bedoeld in paragraaf 3.2 geldt dat in het kader van

52

bestemmingsplan Oostflank

dit bestemmingsplan (ruimtelijke onderbouwing + bijbehorende documenten) is aangetoond dat in de nieuwe situatie geen toename is van stikstofemissie ten opzichte van het feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan. De ontwikkeling is daarom niet vergunninplichting in het kader van de Wet natuurbescherming en de ontwikkeling conflicteert niet met artikel 4.4.1 van de regels van dit plan.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

4.8.1 Archeologische waarden Op 16 januari 1992 is te Valletta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed tot stand gekomen (Verdrag van Malta). Op nationaal niveau is dit verdrag vervolgens vertaald, met name door de Monumentenwet 1988 te herzien. De wijzigingswet die daarin heeft voorzien, de zogenaamde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), is op 1 september 2007 in werking getreden. De Wamz is gestoeld op dezelfde uitgangspunten als het Verdrag van Malta (primair een behoud van archeologische resten in de bodem (in situ), vroegtijdig rekening houden met het aspect archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en het principe de ‘verstoorder betaalt’). Als gevolg van de herziene Monumentenwet 1988 hebben gemeenten een kerntaak bij de uitvoering van de archeologische monumentenzorg. Archeologie is een verplicht onderdeel geworden van ieder bestemmingsplan, anno 2021 op basis van de Erfgoedwet. Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie.

De gemeente Brunssum beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en beleidskaart, waarop de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen zijn aangegeven. Deze kaart en de uit het daaraan verbonden beleidskaders zijn vertaald in dit bestemming door het opnemen van dubbelbestemmingen variërend van Waarde - Archeologie laag tot Waarde - Archeologie zeer hoog. De daaraan verbonden regels borgen dat bij toekomstige bodemingrepen die de uit het beleid voortvloeidende drempels voor wat betreft diepte beneden maaiveld en voor wat betreft oppervlakte overschrijden, archeologisch onderzoek plaatsvindt.

bestemmingsplan Oostflank

53

4.8.2 Cultuurhistorische waarden Binnen het plangebied zijn geen in cultuurhistorisch opzicht waardevolle gebouwen en gebieden aanwezig. Er zijn geen Rijksmonumenten aanwezig en het beschermd dorpsgezicht van Brunssum is niet gelegen binnen het plangebied. Ook zijn er geen beeldbepalende panden aanwezig binnen het plangebied. De binnen het plangebied gelegen Boschweg en de Heringsboschweg zijn ontstaan in de periode 1810-1955. De Hoogenboschweg en de Bouwbergstraat zijn beide wegen die zijn ontstaan voor of gelijktijdig met de middeleeuwse verkaveling. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn verder geen relevante cultuurhistorische waarden aanwijsbaar, althans geen waarden waarop dit bestemmingsplan van invloed kan zijn. Aangezien dit bestemmingsplan overwegend beheersmatig van aard is en bijvoorbeeld geen aanpassing van de ligging van voornoemde wegen is voorzien c.q. mogelijk wordt gemaakt, worden als gevolg van dit plan geen (negatieve) gevolgen voor cultuurhistorische waarden verwacht.

4.9

Waterparagraaf

4.9.1 Inleiding In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat. 4.9.2 Beleid ten aanzien van waterhuishouding Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede

54

bestemmingsplan Oostflank

toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Brunssum in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 27 november 2009 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2015. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.

Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.

Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf wordt aangegeven welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant.

Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.

Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.

bestemmingsplan Oostflank

55

Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. 4.9.3 Regionaalen gemeentelijk waterbeleid ProvinciaalWaterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebied benadering middels een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.

Waterbeheersplan Waterschap Limburg 2016-2021 Het Waterbeheersplan 2016-2021 is het centrale beleids- en uitvoeringsplan van het waterschap. In dit document wordt de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg uitgezet. Het waterschap beschrijft hierin: hoe ze het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen; voor welke thema's ze aan de lat staat en de strategie die ze daarbij kiest; welke maatregelen ze gaat nemen, wie daarbij uitvoeringspartners zijn, hoe de uitvoering wordt gemoniteerd en hoe zo nodig wordt bijgestuurd. De uitgangspunten die daarbij door het waterschap worden gehanteerd luiden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 80 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Beheer en onderhoud regelen. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.

Gemeentelijk waterbeleid Brunssum Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. De gemeente Brunssum hanteert bij ruimtelijke ontwikkelingen de volgende uitgangspunten. Hemelwater

56

bestemmingsplan Oostflank

Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: 1. 2. 3. 4. 5.

hergebruiken; bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratie-voorziening; lozen naar oppervlaktewater; geknepen lozen op de riolering.

Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden. Eisen: Bij de berekening van de benodigde voorzieningen - als geborgd in artikel 20.5 van de regels - dient gerekend te worden met de navolgende eisen: Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging / infiltratie eis T=25 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 50 mm in 2 uur. Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen.

Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. Vrijkomend vuilwater (wc's, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente. Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of –onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater

bestemmingsplan Oostflank

57

aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwater-kwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. 4.9.4 Toepassing Waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied is maar beperkt oppervlaktewater aanwezig. Binnen het plangebied ligt één primaire watergang: het "Ruischerbeekje". Deze watergang is in onderhavig bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Water', waarbij tevens is voorzien van een beschermingszone conform het profiel van de vrije ruimte (Waterstaat - Beschermingszone primair water).

Binnen het plangebied is geen sprake van waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden. Voor wat betreft de riolering geldt dat binnen het plangebied van oudsher een gemengd rioolstelsel is gelegen dat is aangesloten is op het verzamelriool van het Waterschapsbedrijf Limburg. Waterinlaat- of riooloverstortpunten zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan is - in ieder geval voor wat betreft de voor water relevante aspecten overwegend beheersmatig van aard. Bij eventuele toekomstige nieuwbouw of herstructurering zullen de beleidsuitgangspunten volgens het principe van hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer worden gevolgd, welke ook zijn geborgd in artikel 20.5 van de regels. Afkoppeling van schoonwatersystemen en berging (en waar mogelijk infiltratie) zal binnen het plangebied de afvoer van schoon water naar de rioolwaterzuivering en de snelheid van waterafvoer via het oppervlaktewater beperken.

58

bestemmingsplan Oostflank

4.9.5 Wateradvies Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het waterschap heeft geadviseerd de toetspunten die het waterschap hanteert expliciet te benomen in de toelichting, hetgeen ook is geschiedt in paragraaf 4.9.3 van deze toelichting. Daarnaast constateert het waterschap dat er binnen het plangebied genoeg ruimte is om bij toekomstige ontwikkelingen ook bestaand oppervlak af te koppelen en naar een klimaatrobuust/adaptief en zelfs klimaatneutrale inrichting van de bestemming te komen. Ten aanzien daarvan kan worden opgemerkt dat in ieder geval bij nieuwe ontwikkelingen toepassing van artikel 20.5 van deze regels daarin voorziet. Ook voor overige ontwikkelingen geldt dat klimaatrobuust/adaptief ontwikkelen waar mogelijk als ontwerpprincipe wordt gehanteerd.

4.10

Milieueffectrapportage

Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. De toets of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: kenmerken van het project; omvang van het project; cumulatie met andere projecten; gebruik van natuurlijke grondstoffen; productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën; plaats van het project: 1. bestaand grondgebruik; 2. relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; 3.

het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; kenmerken van het potentiële effect: 1. bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); 2. grensoverschrijdend karakter van het effect; 3. waarschijnlijkheid van het effect; 4. duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. Het wijzigen of uitbreiden van een industrieterrein is opgenomen in Lijst D (D 11.3), met een (indicatieve) drempelwaarde van 75 hectare. Onderhavig bestemmingsplan betreft in hoofdzaak een beheersmatig bestemmingsplan, in beginsel zonder nieuwe ontwikkelingen. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op de mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen reeds bieden. Nagenoeg alle gronden in het gebied zijn reeds uitgegeven en bedrijfsmatig in gebruik. Bovendien worden ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen de toegelaten milieucategorieën teruggebracht, waardoor

bestemmingsplan Oostflank

59

milieuhinder verder wordt beperkt. Aangezien strikt genomen sprake is van de wijziging van een industrieterrein, is volledigheidshalve een aanmeldnotitie opgesteld, op basis waarvan burgemeester en wethouders hebben besloten geen milieueffectrapport op te stellen. NB voor de ontwikkelingen binnen de groeve Swelsen aan de Waubacherweg zijn in het kader van de ontgrondingsvergunning c.q. de benodigde omgevingsvergunning reeds getoetst aan het Besluit m.e.r. Het resultaat daarvan is verwerkt in Bijlage 1 van deze toelichting. Daaruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet zijn te verwachten en dat geen aanleiding is om een formeel milieueffectrapport op te stellen.

4.11

Overige zones

4.11.1 Inleiding Binnen het plangebied komen een aantal zones voor die om planologische verankering vragen. Deze zones houden deels verband met de ligging nabij de Vliegbasis Geilenkirchen en het nabij gelegen Allied Joint Force Command (JFC) van de NAVO, maar ook met een hoogspanningsverbinding die het plangebied doorkruist. In navolgende paragrafen worden deze zones toegelicht en wordt aangegeven hoe daar in dit bestemmingsplan invulling aan wordt gegeven. 4.11.2 Vliegbasis Geilenkirchen Een klein deel van het plangebied is gelegen binnen de geluidzone (Ke) van de vliegbasis. een groter deel van het plangebied is gelegen binnen het zogenoemde obstakelbeheergebied dat wordt gevormd door onder meer de invliegfunnel van de vliegbasis. In paragraaf 2.2.2 van deze toelichting is dat nader toegelicht. De vertaling van de geluidzone in dit bestemmingsplan heeft plaatsgevonden door het opnemen van een aanduiding 'geluidzone - vliegverkeer' op de verbeelding, met daaraan gekoppeld planregels die nieuwe geluidgevoelige objecten binnen die zone uitsluiten (zie artikel 22.1). Het obstakelbeheersgebied c.q. de invliegfunnel is ingetekend op de verbeelding door het gebruik van de aanduidingen 'luchtvaartverkeerzone - 110 m' tot en met 'luchtvaartverkeerzone - 220 m'. Daaraan gekoppeld zijn planregels die de hoogte van bouwwerken binnen die zone beperken (zie artikel 22.2).

4.11.3 Straalpad Op het (buiten het plangebied gelegen) terrein van de Allied Joint Force Command Headquarters van de NAVO staat een communicatietoren. Vanuit deze toren lopen straalpaden naar buiten toe. Ter plaatse van de straalpaden gelden beperkingen ten aanzien van de bouwhoogte van gebouwen. Deze mogen aldaar maximaal 20 meter boven N.A.P. worden gebouwd. Dit geborgd door het opnemen van de aanduiding 'vrijwaringszone straalpad' op de verbeelding en de daaraan verbonden planregels (zie artikel 22.4). 4.11.4 Hoogspanningsverbinding Langs grens, parallel aan de Waubacherweg in deelgebied 2 en door deelgebied 4 (Ora et Labora) loopt een bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding Haambroek - Beersdal van TenneT. Deze hoogspanningsverbinding kent een belemmeringenzone van 20 meter aan weerszijden van de hartlijn van de verbinding. Een veilig en doelmatig gebruik van deze verbinding is in het plan geborgd door het opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' en de daaraan verbonden planregels (zie artikel 13). Daarnaast is van belang dat in 2005 door het Rijk een beleidsadvies is uitgegeven over de beoordeling van de risico’s van hoogspanningsverbindingen in het ruimtelijk spoor (Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, MinVROM, 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118) dat nadien in 2008 is

60

bestemmingsplan Oostflank

verduidelijkt. (Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen, MinVROM, 4 november 2008, kenmerk DGM\2008105664). Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen effecten op de korte termijn en op de lange termijn. Voor het eerste aspect (de korte termijn) geldt het referentieniveau van 100 microtesla, voor het tweede aspect (de lange termijn) 0,4 microtesla. Het beleidsadvies van VROM houdt in dat bij ruimtelijke plannen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is, dan wel in de toekomst hoger kan worden dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). In de brief wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de zogenoemde specifieke (magneetveld)zone. Volgens de brief is de reden hiervan dat mogelijk een ‘statistisch significante associatie’ aanwezig is tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Zowel de Gezondheidsraad als het RIVM hebben voorafgaand aan het formuleren van het beleidsadvies geadviseerd over de beschikbare onderzoeken.

Er is geen onomstotelijk bewijs, maar desondanks is voldoende aanleiding gezien uit voorzorg het voornoemde beleidsadvies te formuleren, welk advies is onderschreven door eerder genoemde instanties, waaronder de Gezondheidsraad en het RIVM. De hoogspanningsverbinding Haambroek - Beersdal kent (binnen het plangebied) een indicatieve zone van 60 meter aan weerszijden van het hart van deze leiding. Aangezien het bestemmingsplan binnen die zone geen (nieuwe) gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt als hiervoor bedoeld, bestaat geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de specifieke magneetzone van deze leiding of extra gebruiksbeperkingen op te nemen in dit bestemmingsplan binnen de betreffende zone.

bestemmingsplan Oostflank

61

62

bestemmingsplan Oostflank

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2

Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.2.2

Planonderdelen

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerende aangrenzende bestemmingsplan. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Oostflank

63

5.3

Toelichting op de planregels

5.3.1 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken. 5.3.2 Regels De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel.

Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels.

Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk ‘Afwijken van de bouwregels’ en ‘Afwijken van de gebruiksregels’. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een

64

bestemmingsplan Oostflank

bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje ‘Wijzigingsbevoegdheid’. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.

5.4

Artikelsgewijze toelichting

Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen (dubbel)bestemmingen afzonderlijk opgenomen. Daarbij wordt ingegaan op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de desbetreffende bestemming.

5.5

Bedrijf - Gasontvangstation

Deze bestemming is toegekend aan een gasontvangstation aan de Kranenpool, nabij de steenfabriek in deelgebied 3. Toegestaan zijn een gasontvangstation en de bijbehorende voorzieningen. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak, welk bouwvlak is afgestemd op de bestaande situatie. Verder mogen andere bouwwerken worden gebouwd van een beperkte hoogte.

5.6

Bedrijventerrein

Type bedrijven Een groot deel van het plangebied is conform het huidige gebruik bestemd als bedrijventerrein. Binnen die bestemming zijn bedrijven van milieucategorie 2 tot en met 3.2 toegestaan, als vermeld in een limitatieve Staat van Bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen Bijlage 1 bij de regels. Door te werken met een afbakening van de toegelaten milieucategorieën en een limitatieve lijst kan grip worden gehouden op het type bedrijvigheid dat zich binnen het plangebied kan vestigen en daarmee (voorzienbare) overlast zoveel mogelijk worden voorkomen. Zowel voor geluidoverlast, risico's en geur is dat nogmaals geconcretiseerd door geluidzoneringsplichtige bedrijven (zogenoemde grote lawaaimakers), nieuwe risicovolle bedrijven en bedrijven waarvoor een richtafstand voor geur van 100 meter of meer geldt, uit te sluiten (geuroverlastveroorzakende inrichtingen). Voor bedrijven van een afwijkende categorie die legaal aanwezig zijn binnen het plangebied is maatwerk getroffen, door in aanvulling op het voorgaande ook de bestaande activiteiten toe te staan. Waar aan de orde is dit op de verbeelding en in de bestemmingsomschrijving aangegeven, door het gebruik van een specifieke functieaanduiding (specifieke vorm van bedrijventerrein). Voor meer informatie over de aanleiding voor deze regeling zie paragraaf 3.6 van deze toelichting.

Ook voor een aantal andere locaties is maatwerk getroffen, gekoppeld aan een functieaanduiding. Het is een en ander is een uitwerking van de uitgangspunten voor het plan als beschreven in Hoofdstuk 3 van deze toelichting. Overigens kan het voorkomen dat zich een bedrijf wil vestigen dat op het terrein goed inpasbaar is, maar dat specifieke bedrijf niet is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Door middel van een omgevingsvergunning kan de vestiging van zo'n bedrijf dan alsnog worden toegestaan, indien wordt aangetoond dat het betreffende bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de bedrijven die ingevolge dit plan wel op het betreffende perceel zijn toegestaan. (zie artikel 4.5.1). Behalve bedrijven zijn ook de daarbij behorende voorzieningen toegestaan, waaronder ook expliciet worden begrepen voorzieningen ten behoeve van duurzame energieopwekking en een (collectief) gebruik daarvan. Wonen Wonen is alleen toegestaan waar dat als legale functie bestaand is. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in bedrijfswoningen en reguliere woningen. Nieuwe woningen en nieuwe bedrijfswoningen worden niet toegestaan.

Voor de reguliere woningen, die zijn voorzien van de aanduiding 'wonen', geldt dat een combinatie van bedrijvigheid en wonen niet is toegestaan, behoudens aan huis verbonden activiteiten zoals die ook binnen reguliere woningen elders binnen de gemeente worden toegestaan. Net als op basis van de

bestemmingsplan Oostflank

65

vooralsnog geldende beheersverordening Bedrijventerreinen het geval is, mogen de percelen ook voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt nadat de woonfunctie is beëindigd. Indien dat eenmaal het geval is, mag de woonfunctie niet meer worden hervat. Bouwen Gebouwen mogen alleen worden gebouwd binnen het bouwvlak, met inachtname van de regels ten aanzien van het maximum bebouwingspercentage, afstanden tot de perceelsgrens en bouwhoogte e.d. als uitgewerkt in artikel 4.2. Voor die percelen die deels binnen onderhavig plangebied liggen en deels binnen het eveneens in procedure zijnde aangrenzende provinciaal inpassingsplan Veegplan Buitenring Parkstad Limburg 2021 zijn gelegen, is maatwerk getroffen om ondanks het feit dat er twee planologische regimes van toepassing zijn, toch een goede kavelindeling te kunnen bereiken (zie artikel 4.2.3). Gezien het bepaalde in paragraaf 3.3 van deze toelichting geldt voor een aantal percelen aan de Ganzepool ten westen van de Buitenring dat enkel mag worden gebouwd indien wordt voorzien in een goede ruimtelijke c.q. landschappelijke inpassing (zie artikel 4.2.4). Daarnaast zijn passende bouwregels opgenomen voor de bestaande bedrijfswoningen en bestaande reguliere woningen. Zie daarvoor artikel 4.2.5, 4.2.6 en 4.2.7.

Tot slot zijn andere bouwwerken toegestaan, waarbij voor wat betreft toegelaten maximum bouwhoogte een gedifferentieerde regeling is opgenomen. Voor een aantal aspecten geldt dat het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken van de bouwregels en bijvoorbeeld een hoger bebouwingspercentage of een grotere bouwhoogte kan toestaan. Specifieke gebruiksregels In aanvulling op hetgeen in de bestemmingsomschrijving als is opgenomen heeft voor bepaalde activiteiten een concretisering van de gebruiksmogelijkheden plaatsgevonden in de specifieke gebruiksregels. Het betreft in de eerde plaats buitenopslag. Gezien de nagestreefde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit is dat in beginsel niet gewenst op die delen van een perceel die grenzen aan het openbaar gebied. Dit kan met een omgevingsvergunning alsnog worden toegestaan, mits wordt voorzien in een goede ruimtelijke c.q. landschappelijke inrichting. Bestaande legale buitenopslag die hiermee in strijd is mag worden voorgezet, mits de afwijking van dit plan naar aard en omvang niet wordt vergroot. Verder is voorzien in een zogenoemde uitsterfconstructie die bepaalt dat wanneer de buitenopslag gedurende een periode van minimaal één jaar wordt onderbroken, dat gebruik niet meer mag worden hervat (zie artikel 4.4.2 en 4.5.2).

Verder betreft het detailhandel en de bijbehorende ondergeschikte horeca ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' (zie artikel 4.4.4). Deze mogelijkheden zijn afgestemd op de mogelijkheden die de vooralsnog geldende beheersverordening voor deze locatie geldt. Stikstof Tot slot is van belang dat geen toename van de stikstofemissie mag plaatsvinden ten opzichte van de feitelijk aanwezige en planologisch toegelaten situatie ten tijde van de vaststelling van dit plan, tenzij daarvoor een vergunning is verkregen op grond van de Wet natuurbescherming dan wel een eerder wettelijk kader, mits in dat kader ook een passende beoordeling heeft plaatsgevonden. Dit is geborgd is een specifieke gebruiksregel.

5.7

Bos

Deze bestemming is conform het huidige gebruik toegekend aan een perceel aan de Hoogenbosch en een perceel aan Heringsbosch / Neutrale Straat. Gezien de aard van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Bestaand grondgebonden agrarisch grondgebruik mag worden voorgezet, maar daarvoor geldt wel dat geen toename van de stikstofemissie mag plaatsvinden ten opzichte van de feitelijk aanwezige en planologisch toegelaten situatie ten tijde van de vaststelling van dit plan. Voor bepaalde werken, geen bouwwerk zijde c.q. werkzaamheden is een omgevingvergunning nodig. (zie

66

bestemmingsplan Oostflank

artikel 5.5)

5.8

Groen

Deze bestemming is toegekend aan gronden die als zodanig in gebruik c.q. ingericht zijn. Maatwerk is geboden voor een mountainbikepark dat is gelegen in deelgebied 3, nabij de steenfabriek. Gezien de aard van de bestemming zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden beperkt.

5.9

Maatschappelijk - Militaire zaken

Deze bestemming is opgenomen voor het terrein van JFC / USAG, voor zover gelegen binnen onderhavig plangebied. De gebruiksmogelijkheden zijn gericht op militaire doeleinden, de bouwmogelijkheden zijn beperkt. Ook hier geldt dat de stikstofemissie niet mag toenemen ten opzichte van de feitelijk aanwezige en planologisch toegelaten situatie ten tijde van de vaststelling van dit plan.

5.10

Natuur

De bestemming Natuur is conform het huidige gebruik toegekend aan een perceel aan de Waubacherweg. Gezien de aard van de bestemming zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden beperkt. Voor bepaalde werken, geen bouwwerk zijde c.q. werkzaamheden is een omgevingvergunning nodig. (zie artikel 8.5.

5.11

Verkeer

De binnen het plangebied aanwezige wegen zijn bestemd als Verkeer. De bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt en gericht op de voorzieningen die nodig zijn voor verkeer.

5.12

Water

Binnen het plangebied is één primaire watergang aanwezig, die is bestemd als Water. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn beperkt en gericht op het huidige gebruik c.q de functie van de watergang.

5.13

Wonen

Binnen het plangebied zijn aan de Waubacherweg enkele woningen aanwezig die zijn bestemd voor Wonen. De bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op hetgeen gebruikelijk is in en rond een woning. De aanwezige nevenactiviteiten zijn bestemd conform hetgeen daaromtrent is opgenomen in de vooralsnog geldende beheersverordening Bedrijventerreinen.

5.14

Wonen - Woonwagenstandplaats

Deze bestemming is toegekend aan de woonwagenstandplaatsen aan de EIndstraat. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op het huidige gebruik c.q. hetgeen is geregeld in de voorlasnog geldende beheersverordening Bedrijventerreinen.

5.15

Leiding - Hoogspanningsverbinding

Deze bestemming is toegekend aan de gronden die zijn gelegen binnen de zakelijk rechtstrook ten behoeve van de binnen het plangebied gelegen hoogspanningsverbinding. De bouw- en gebruiksmogelijkheden en de regels omtrent het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden zijn afgestemd op de bescherming van de betreffende verbinding en borgen dat de leidingbeheerder bij dergelijke voorgenomen activiteiten wordt gehoord.

bestemmingsplan Oostflank

67

5.16

Waarde - Archeologie

Conform de gemeentelijke beleidskaart en het bijbehorende beleid als beschreven in paragraaf 4.8.1 is voorzien in de volgende dubbelbestemmingen: Waarde - Archeologie zeer hoog Waarde - Archeologie hoog Waarde - Archeologie middelhoog Waarde - Archeologie laag De bouw- en gebruiksmogelijkheden en de regels omtrent het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden zijn afgestemd op de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden. Alvorens bodemingrepen plaatsvinden die de in de betreffende regels genoemde drempels overschrijden is eerst archeologisch onderzoek nodig.

5.17

Waterstaat - Beschermingszone primair water

Deze bestemming heeft betrekking op de gronden langs de binnen het plangebied aanwezige primaire watergang en is afgestemd op de beperkingen die de Keur van het Waterschap Limburg aan voor de betreffende gronden stelt.

68

bestemmingsplan Oostflank

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Grondexploitatie

De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. 2. 3.

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is, en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d niet noodzakelijk is.

Gezien het overwegend beheersmatig karakter van onderhavig bestemmingsplan, waarin geen nieuwe bouwplannen worden meegenomen waarvoor niet reeds een bouwtitel bestaat op basis van een vigerend bestemmingsplan of ander planologisch besluit en gezien het feit dat er geen eisen of regels noodzakelijk zijn als hiervoor beschreven onder 2 en 3, kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Voor zover door het nieuwe uniforme planologisch-juridisch kader waarin het nieuwe plan voorziet ten opzichte van het geldende plan mocht worden voorzien in mogelijkheden om een gebouw uit te breiden met ten minste 1.000 m2, waardoor in feite sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 onder c, geldt dat er geen verhaalbare kosten zijn, dan wel dat het totaal aan exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald gezien de eisen ten aanzien van toerekenbaarheid en proportionaliteit in elk geval minder bedraagt dat € 10.000,-, waardoor ingevolge artikel 6.2.1a Bro kan worden besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de raad kan besluiten om niet tot vaststelling van een exploitatieplan over te gaan bij vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.2

Planschade

Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en dat de tegemoetkoming niet reeds voldoende anderszins mag zijn verzekerd. Eigenaren van onroerende zaken en exploitanten van bedrijven die schade lijden door planologische wijzigingen krijgen de schade slechts vergoed voor zover deze meer bedraagt dan (tenminste) 2% van de waarde van hun onroerende zaak of hun inkomen voorafgaand aan de planologische wijziging. Deze forfaitregeling geldt niet indien de planologische wijziging ziet op het eigen perceel van de benadeelde (zogenaamde ‘directe’ planschade). Gezien het overwegend beheersmatig karakter van onderhavig bestemmingsplan, waardoor gebruiks- en bouwmogelijkheden nagenoeg gelijk blijven en voor zover dat niet het geval is, die mogelijkheden met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid alsnog kunnen worden benut, wordt de kans op planschade beperkt geacht.

In elk geval kan redelijkerwijs worden gesteld dat eventuele uit te keren tegemoetkomingen in planschade niet van een dusdanige omvang zijn dat daardoor het plan financieel niet haalbaar moet worden geacht.

bestemmingsplan Oostflank

69

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan is overwegend beheersmatig van aard en beoogd onder meer een hogere ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied te bereiken en overlast van bedrijven van relatief hoge milieucategorieën verder te beperken. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan een maatschappelijke behoefte. Over de doorwerking van relevante belangen van andere overheidsinstanties zoals de provincie en het Waterschap is vooroverleg gevoerd. Een verslag daarvan is als bij deze toelichting gevoegd. Gedurende de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt eerst een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, ten aanzien waarvan een ieder een zienswijze kenbaar kan maken. Na vaststelling door de gemeenteraad kan beroep worden ingesteld, waardoor voldoende (rechts)middelen wordt geboden aan bedrijven, bewoners en andere belanghebbenden om eventuele bedenkingen ten aanzien van het plan kenbaar te maken.

70

bestemmingsplan Oostflank

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten: a. b.

c. d.

Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en de Wet ruimtelijke ordening. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad; Vaststelling: vaststelling door de Raad; 1. mogelijkheid reactieve aanwijzing; 2. publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn; Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan); Beroep: beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het kader van deze procedure kunnen gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (fase a) zienswijzen worden ingesteld. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan en kan het onherroepelijk worden.

7.2

Vooroverleg 3.1.1 Bro

Het bestemmingsplan is als voorontwerp voorgelegd aan de gemeentelijke vooroverlegpartners. Van de ingekomen reacties is een verslag gemaakt, waarin beknopt is weergegeven wat de strekking van de ingekomen reactie, welk standpunt wordt ingenomen ten aanzien van die reactie en in hoeverre de reactie tot een aanpassing van het plan heeft geleid. Het verslag is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Naderhand is ook nog een advies ontvangen van Brandweer Zuid-Limburg. Op dit advies is in deze toelichting ingegaan in paragraaf 4.5.

7.3

Inzage ontwerpbestemmingsplan en vaststelling

Met ingang van 30 juni 2021 heeft gedurende 6 weken een ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen. Van deze terinzagelegging is op 29 juni 2021 kennisgeving gedaan in het Gemeenteblad (2021/209293) en de Staatscourant (2021/34390). Gedurende die periode zijn vier zienswijzen ingediend die zijn samengevat en van commentaar zijn voorzien in een Nota van zienswijzen en ambtshlave wijzigingen, die als bijlage bij het raadsbesluit is gevoegd. De zienswijzen zijn deels gegrond en deels ongegrond. In diezelfde nota zijn ook de ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan beschreven. OP basis daarvan is het bestemmingsplan op 2 november 2021 gewijzigd vastgesteld.

bestemmingsplan Oostflank

71

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=e9b4eec3-06e8-450b-aa30-8a9608430925