Raadsvoorstel 7 (bijlage) Beleidsnota Archeologie Brunssum, erfgoed is identiteit.pdf
Tekst van het document
Een openluchtvindplaats uit het Midden-Paleolithicum in het tracé van de Buitenring Parkstad Limburg. Proefsleuvenonderzoek en opgraving, ADC-Rapport 4482, Amersfoort. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2001-2012. Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS). Ontleend aan http://archis2. archis.nl. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2009. Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) versie 2.1. Ontleend aan http://www.archis.nl. Rogge, M. & K. Sas, 2006. Quo vadis? Het wegennet van de Romeinen, een verenigd Europa. Publicaties van het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke. Buitengewone reeks nr. 4. Zottegem. Roymans, J.A.M. , 2008. Schinveldse Es, gemeente Onderbanken: een waardering van veronderstelde cultuurhistorische relicten binnen het herverkavelingsgebied Schinveldse Es. RAAPrapport 1756. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Schrijnemakers, M.J.H.A., 2004. De Landgraaf in de Brunsummer- en de Heerlerheide: mid-deleeuwse landweer. Archeologie in Limburg 96: 2-23. Smeets, J., 2015. Het Clemensdomein. De geschiedenis van de oude parochiekerk en directe omgeving in Onderste Merkelbeek, Merkelbeek. Sprengers, N.H. & J.A. Roymans, 2013. Corio Glana: herinrichting van de Geleenbeek, gemeenten Heerlen, Voerendaal, Nuth, Schinnen, Beek en Sittard-Geleen; archeologisch vooronderzoek: een cultuurhistorisch bureauonderzoek. RAAP-rapport 2777.
RAAP Archeologisch adviesbureau, Weesp.
68
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Stoepker, H., 2011a. Waarom er geen B in Brunssum zit. Het begin van de aardewerkproductie in Brunssum en Schinveld in het licht van de regionale nederzettingsgeschiedenis. ArcheoCoach Studies 4. ArcheoCoach, Wijlre. Stoepker, H., 2011b. Het begin van de aardewerkproductie in Brunssum en Schinveld in het licht van de regionale nederzettingsgeschiedenis. Archeocoach Studies 4. ArcheoCoach, Wijlre. Tichelman, G. & M. Janssens, 2012. Wonen langs de Romeinse weg in Coriovallum, Valkenburgerweg 25A, gemeente Heerlen: een opgraving in de vicus van Heerlen. RAAP-rapport 2210. Weesp. Tichelman, G., 2014. Een non-villa nederzetting uit de Romeinse tijd op het lössplateau bij Heerlen, gemeente Heerlen; archeologisch onderzoek: opgravingen op bedrijventerrein Trilandis RAAP-rapport 2732. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Tichelman, 2015. RAAP-Evaluatie- en selectierapport. Opgraving vindplaats 6, Buitenring Parkstad Limburg. Gemeente Landgraaf. Een opgraving aan de Hopelerweg. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp Vanneste, H. & M. Verhoeven, 2013. Geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart gemeente Brunssum. I. Archeologische verwachtings- en beleidskaart, vastgesteld 1-10-2013; II. Beslistabel archeologische onderzoeksplicht, vastgesteld 1-10-2013; III. Verhoeven M., 2007.
Hoog, Middelhoog en Laag; een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart voor Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth, RAAP-rapport 1483, Weesp. z.a., 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1.
Internet | www.wetten.overheid.nl
| www.iba-parkstad.nl
| www.viabelgicadigitalis.nl
| www.demijnstreek.net
| www.viabelgica.nl
| https://commons.wikimedia.org
| www.landgraaf.nl
| www.clemensdomein.nl
| www.beekdaelen.nl
| www.villarustica.nl
| www.simpelveld.nl
| www.wellernet.nl
| www.heerlen.nl | www.kerkrade.nl | www.voerendaal.nl | www.brunssum.nl | www.thermenmuseum.nl | www.rijckheyt.nl | www.rijksoverheid.nl | www.cultureelerfgoed.nl | www.schattenvanheerlen.nl
69
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen Tabel 1. Schematische weergave van archeologische en geologische perioden. Tabel 2. Reacties respondenten in een onderzoek naar het merk ‘Zuid-Limburg’(Sobczak, 2015). Tabel 3. Archeologische waarde-categorieën gemeente Brunssum met bijbehorende ondergrenzen Tabel 4: Verdeling kosten regioarcheoloog Bijlage 1. Het archeologisch karakter van Parkstad Bijlage 2. Wettelijk kader Bijlage 3. Beleidskader Bijlage 4. Stappenplan bij vergunningaanvraag Bijlage 5. AMZ-fasering
70
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
71
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
185
200
190
195
200
legenda
legenda
fysische geografie
fysische geografie
plateau
plateau
kaap
kaap
heuvel
heuvel
terras
330
terras
helling
330
330
helling
droogdal
droogdal
beekdal
beekdal
water
water
niet gekarteerd
niet gekarteerd
overig
overig
gemeentegrens
gemeentegrens
grens onderzoeks
315
315
315
320
320
320
325
325
325
grens onderzoeksgebied
0
1
3
2 km
200
rafheuvelcultuur) en IJzertijd.
185
4
5
1:100.000 190
195
200
Figuur 30. Verspreiding van vindplaatsen uit de Bronstijd, Late Bronstijd/Vroege IJzertijd (Nederrijnse Grafheuvelcultuur) en IJzertijd.
Fysische Geografie regio Parkstad (bron: Verhoeven, 2007)
72
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Bijlage 1. Het archeologisch karakter van Parkstad Inleiding In de laatste 10.000 jaar (het Holoceen) is onder invloed van een belangrijke temperatuurs tijging de natuurlijke vegetatie aan een voortdurende verandering onderhevig geweest. Deze vegetatieontwikkeling is dermate kenmerkend voor het Holoceen, dat de onderverdeling ervan in perioden hierop gebaseerd is (biostratigrafische indeling). In de laatste 5000 jaar heeft de mens in toenemende mate invloed gehad op veranderingen in de vegetatie (Berendsen, 1998). Voor een goed begrip van het landschap en de gebruiksm ogelijkheden ervan voor de mens door de tijd heen wordt aan de hand van de vegetatieontwikkeling een korte beschrijving gegeven van de landschappelijke context en bewoningsgeschiedenis. Achtereenvolgens worden vanaf het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd de belangrijkste karakteristieken van de vegetatie per geologische en archeologische periode beschreven. Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. In de Steentijd (Paleolithicum t/m Neolithicum) leefde de mens voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten.
Omdat alle gewenste voedingsbronnen niet op één plaats aanwezig waren en om de natuurlijke omgeving niet uit te putten, trokken ze van de ene kampplaats naar de andere. Uit diverse ruimtelijke analyses van bekende kampementen blijkt dat deze vaak op de overgang van droog (hoog) naar nat (laag) liggen: de zogenaamde gradiëntzones. Hier was op relatief korte afstand een grote verscheidenheid aan voedsel- en grondstofbronnen voorhanden en was drinkwater beschikbaar. Vuursteenvindplaatsen kenmerken zich voornamelijk door een (oppervlakkige) spreiding van vuurstenen artefacten (verplaatsbaar object dat door de mens is vervaardigd, bewerkt en/of gebruikt) en ondiep ingegraven grondsporen (o.a. haardkuilen). Met de introductie van de landbouw (vanaf het Neolithicum) bleven de mensen steeds meer op een vaste plek. De mate waarin gronden geschikt waren om te akkeren werd een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens. De eerste akkergronden werden op de van nature vruchtbaarste gronden aangelegd. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Aangenomen wordt dat de vruchtbare lössbodems zeer aantrekkelijk waren voor (prehistorische) landbouwactiviteiten. Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat vlakke gebieden, nabij markante reliëfverschillen (met name de randen in het landschap) in veel gevallen ook bij landbouwers in trek waren als vestigingsplaatsen.
De vindplaatsen kenmerken zich onder andere door een spreiding van vondstmateriaal (veelal aardewerk) en het voorkomen van dieper ingegraven grondsporen en/ of funderingsresten.
73
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
In deze bijlage worden de verschillende relevante archeologische perioden en hun landschappelijke context globaal en kort geschetst. In paragraaf 2.2 is een aantal belangrijke vindplaatsen in de regio Parkstad beschreven (zogenaamde archeologische parels van de regio). Voor meer uitgebreide informatie en algemene overzichten over de Steentijd, metaaltijden, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd in Zuid-Limburg wordt verwezen naar respectievelijk: Deeben e.a., 2005; Goossens, 1981; Van Hoof, 2000; Mares & Van Agt, 1962; Renes, 1988; Sprokholt, 1992; Ubachs, 2000; Venner, 2001.
Midden Paleolithicum (300.000-33.000 voor Chr.) De midden-paleolithische bewoning van Zuid-Nederland vond plaats in het tweede deel van het Midden Pleistoceen en het eerste deel van het Laat Pleistoceen. Dit is een periode waarin ijstijden (glacialen: Saalien en Weichselien) en tussen-ijstijden (interglacialen: Eemien) elkaar afwisselden. Deze periode van meer dan een kwart miljoen jaar kenmerkt zich door grote veranderingen in klimaat, landschap, flora en fauna. De menselijke bewoning volgt in zekere zin het ritme van de glacialen en interglacialen. Van minstens even grote betekenis is de afwisseling van stadialen en interstadialen in het Saalien en Weichselien. Het Midden Paleolithicum is een bijzondere periode omdat het gaat om de nalatenschap van Neanderthalers (Homo neanderthalensis), die vanaf circa 500.000 jaar geleden in Noordwest-Europa leefden. De anatomisch moderne mens (Homo sapiens sapiens) verscheen omstreeks 40.000 jaar geleden in Europa: in het Midden Pleniglaciaal van het Weichselien (glaciaal: ijstijd). Deze overgang van menstype gaat in grote lijnen gepaard met het gebruik van nieuwe bewerkingstechnieken van stenen werktuigen en markeert de overgang van het Midden naar het Laat Paleolithicum (Rensink, 2005).
In het Zuid-Limburgse heuvelland zijn de plaatselijk metersdikke lösspakketten uit het Saalien en Weichselien van belang voor de conservering van bewoningssporen van Neanderthalers en hun voorlopers. Midden-paleolithische artefacten kunnen er tot verscheidene meters beneden maaiveld voorkomen. De ontdekking ervan is per definitie het resultaat van diepe ingravingen, zoals groeves, bouwputten, etc.
Laat Paleolithicum (33.000-8800 voor Chr.) Het Laat Paleolithicum betreft het laatste deel van de ijstijd (Weichselien). In eerste instantie overheersten nog koude omstandigheden; kenmerkend voor deze periode was een toendralandschap bestaand uit een zeer open vegetatie met veel kruiden (Janssen, 1974). Uit deze vroege periode van het Laat Paleolithicum zijn uit (Zuid-)Nederland weinig archeologische gegevens bekend. Aangenomen wordt dat de mens in deze fase in warmere en beschutte oorden vertoefde ten zuiden van Nederland (zoals in grotten in België). In een latere fase zijn relatief snelle opeenvolgingen van koude en warme perioden kenmerkend voor de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen. De koudere perioden (Oude en Jonge Dryas-stadialen) worden gekenmerkt door een boomloze en open toendravegetatie met kruiden en dwergstruiken. In warmere perioden (Bølling/Allerød-interstadiaal: rond 13.000-12.000 en 11.800-10.000 jaar geleden) was sprake van een taiga-achtige vegetatie, waarbij een groot oppervlak bestond uit gemengd dennen-berkenbos. Het
74
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
bomenbestand (vooral berk en den) nam toe in deze fase, waardoor de (typische) taigabewoners zoals rendieren langzamerhand verdwenen. Hun plaats werd ingenomen door bosdieren als eland, edelhert, wild zwijn en oerrund. Vanaf circa 13.000 jaar geleden zijn er tenminste 3 culturele tradities te onderscheiden in ZuidNederland: het Magdalénien, de Federmesser-traditie (vroeger ook wel Tjongercultuur genoemd) en de Ahrensburg-cultuur (Deeben & Arts, 2005; Deeben & Rensink, 2005). Op de lössgronden in het zuiden van Limburg zijn resten uit deze periode uiterst zeldzaam.
Mesolithicum (8800-5300 voor Chr.) De aanvang van het Mesolithicum in het Preboreaal (10.000-9000 jaar geleden) werd gekenmerkt door de overgang van het toendralandschap naar een gesloten berkenbos onder invloed van een relatief snelle opwarming, gevolgd door een gesloten dennenbos (taiga). Vanaf het Boreaal (90008000 jaar geleden) arriveerden de eerste warmteminnende planten zoals hazelaar en eik in rivierdalen, waarbij het aandeel den en berk snel werd teruggedrongen. Halverwege het Mesolithicum, bij aanvang van het Atlanticum (8000-5000 jaar geleden), was het klimaat reeds dermate verbeterd dat de vegetatie voornamelijk bestond uit warmteminnende soorten. De dichtheid en de soortenrijkdom van de begroeiing in het Maasgebied en de rivierdalen is door de tijd heen groter geweest dan bijvoorbeeld op de hogere (soms drogere) gedeelten. Toch ontwikkelde zich op de hogere gronden een eiken-berkenbos, terwijl in de beekdalen en andere lagere delen de vegetatie werd gedomineerd door vochtige elzenbossen. De den was toen vrijwel verdwenen. Gedurende het Atlanticum veranderde er vervolgens relatief weinig in deze vegetatieopbouw. Met name door de vrij snelle overgang van naaldbos met een relatief hoge verdamping naar loofbos met een relatief lage verdamping, trad in het Atlanticum een sterke grondwaterspiegelstijging op (Berendsen, 1998).
Deze vernatting had tot gevolg dat in de laaggelegen (natte) zones op grote schaal veenvorming kon optreden. Depressies en laagten (zoals beekdalen) verveenden, hetgeen weer een verdere vernatting en veenvorming in het omliggende gebied met zich meebracht. In het onderzoeksgebied (parkstadregio) trad slechts op beperkte schaal vernatting op en slechts op enkele laaggelegen locaties veenvorming. Door de meer gesloten vegetatie en de kleinere fauna ontwikkelde de mens wel geleidelijk andere voedselpatronen. Het verzamelen van planten en vruchten, visvangst en jacht bleven belangrijk. Binnen de jacht verschoof het accent echter naar klein standwild, dat de grote kudden rondtrekkende dieren van het taigalandschap definitief vervangen had (zie o.a. Arts, 1988; Vermeersch & Van Peer, 1990; Verhart, 2000).
Neolithicum (5300-2000 voor Chr.) Bepalend voor de vegetatieontwikkeling vanaf het Neolithicum was de introductie van landbouw, ook wel aangeduid met de term ‘neolithisering’. Door het kappen van het gemengd eikenbos, waarvoor van vuursteen geslepen bijlen werden gebruikt, ontstonden open terreinen met grassen en kruidachtigen. In het Neolithicum vond geleidelijk een belangrijke verschuiving plaats in de houding van de mens ten aanzien van de natuur. Beduidend meer dan voorheen bracht de mens aan-
75
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
passingen aan in zijn leefomgeving. Het proces van ‘neolithisering’ was lang en complex, waarbij met name in het begin sprake was van het naast elkaar bestaan van gemeenschappen van jagerverzamelaars en landbouwers. Ook vond het proces niet overal tegelijkertijd plaats. In het Maasdal vond deze overgang relatief snel plaats, maar voor de zandgronden in Zuid-Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw pas in het Laat Neolithicum echt op gang kwam (Louwe Kooijmans, 1993; Verhart, 2000). Van het Vroeg en Midden Neolithicum in Limburg is het beeld van de Lineair-bandkeramische cultuur (LBK) het meest compleet. Het betreft de allereerste boeren in Nederland. De Limburgse LBK is de noordwestelijke uitloper van een groot complex dat het oudste Neolithicum in de gematigde zones van Europa omvat.
Bronstijd (2000-800 voor Chr.) Terwijl in grote delen van het dekzandgebied het gesloten eiken-berkenbos nog domineerde, ontstonden in gebieden met (relatief) intensieve landbouw mogelijk al in de Bronstijd de eerste heidevelden. Deze ontstonden als gevolg van beweiding van gekapte bosgronden, waardoor jonge zaailingen zich niet konden ontwikkelen. Gedurende de Bronstijd vingen de eerste structurele landbouwactiviteiten aan en nam het areaal landbouwgrond geleidelijk toe. Wat betreft archeologische kennis is de Bronstijd (2000-800 voor Chr.) in (Zuid-)Limburg ondervertegenwoordigd. Het feit dat er tot op heden weinig materiaal uit de Bronstijd is aangetroffen wil niet zeggen dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk worden de vindplaatsen niet herkend of zijn ze niet meer herkenbaar. Met name het aardewerk uit de Bronstijd is erg bros en verweert snel als het aan het oppervlak ligt. Vuurstenen artefacten uit de Bronstijd zijn nog vrij onbekend. Grafheuvels uit deze periode zijn alleen bewaard gebleven op plaatsen waar ze niet zijn geëgaliseerd door bijvoorbeeld landbouwwerkzaamheden (Van der Graaf, 1989). Slechts incidenteel wordt een bronzen bijl aangetroffen.
Late Bronstijd-Vroege IJzertijd: Nederrijnse Grafheuvelcultuur (1100-600 voor Chr.) De Nederrijnse Grafheuvelcultuur of Niederrheinische Grabhügelkultur maakt deel uit van de zogenaamde urnenveldentijd uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd. Zoals de naam duidelijk aangeeft, wordt de urnenveldtijd gekenmerkt door een begrafenisritueel waarbij crematies worden bijgezet in urnen. De urnen gaan vaak samen met een uitgebreide serie grafgiften. Kenmerkend voor de graven is de gegroepeerde aanleg die resulteerde in de zogenaamde urnenvelden. De eerder nog gebruikelijke grafheuvel ontbreekt of er wordt nog slechts een laag heuveltje opgeworpen. De cultuur strekt zich uit over Oost- en Zuid-Nederland alsmede over aangrenzende delen van Duitsland en België (Van den Broeke, 2005).
76
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Urn van een graf uit de Vroege IJzertijd, afkomstig van de opgraving in Arensgenhout (Hensen, 2010).
IJzertijd (800-12 voor Chr.) Gedurende de IJzertijd nam de uitbreiding van het areaal landbouwgrond en heidevelden verder toe ten koste van het areaal eikenberkenbos. In de lager gelegen oude Maasgeulen en beekdalen bleven de elzenbroekbossen intact. De veengroei in de lage delen van het landschap bereikte vermoedelijk in de IJzertijd zijn maximale omvang; door de ontbossingen trad vanaf die periode een versnelde afvoer op van het oppervlaktewater. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de bewoning op de zandgronden zich in de IJzertijd kenmerkte door verspreid in het landschap liggende boerderijen. Rond deze boerderijen bevond zich dan het akkerareaal. De boerderijen werden waarschijnlijk niet gelijktijdig gebruikt en met een zekere regelmaat verplaatst. De geregelde verplaatsing hing samen met de eenvoudige wijze van beakkering die zorgde voor een snelle uitputting van de bodem. Hierdoor moesten geregeld nieuwe akkerarealen ontgonnen worden. De akkers werden vooral aangelegd op de relatief hooggelegen gebiedsdelen die tevens een natuurlijke vruchtbaarheid hadden. Een nieuwe boerderij werd gebouwd in de buurt van de akkers die op dat moment in gebruik waren.
Dit patroon van ‘zwervende erven’ resulteerde na verloop van tijd in een landschappelijke eenheid met een grote dichtheid en verscheidenheid aan archeologische resten: boerderijen, grafvelden en sporen van akkerarealen (Fokkens & Roymans, 1991; Gerritsen, 2004; Schinkel, 1994). In het lössgebied is uit de IJzertijd weinig bekend en is sprake van een onduidelijk bewoningspatroon. Behalve een enkele huisplattegrond zijn nauwelijks tot geen nederzettingsgegevens beschikbaar. Op basis van de beperkte hoeveelheid archeologische informatie over de IJzertijd in het lössgebied kunnen dan ook geen bewoningspatronen worden verondersteld zoals voor de zandgronden.
77
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Romeinse tijd (12 voor-450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigde de Prehistorie en begint de periode waaruit naast archeologische bronnen ook geschreven bronnen voorhanden zijn. In de Romeinse tijd ging de bewoning zich concentreren in kleine gehuchten die vaak aan de rand van de uitgestrekte akkerarealen lagen. Ook kwam het landschap nog meer ten dienste van de mens te staan, hetgeen leidde tot een sterke afname van het bosbestand (Tack e.a., 1993). In de 1e eeuw na Chr. kwam in Noordwest-Europa een opvallend en in Zuid-Limburg zeer veel voorkomend Romeins nederzettingstype op: de villa’s. Een villa kan worden omschreven als een agrarisch bedrijf, geïntegreerd in de sociale en economische organisatie van de Romeinse wereld (zie bijv. Slofstra, 1983) dat over het algemeen bestond uit een hoofdgebouw met eventuele bijgebouwen en een stuk grond (ager) voor de verbouwing van gewassen. De Nederlandse villa’s zijn eenvormig en in het algemeen relatief eenvoudig (Van der Graaf, 1989). In de ligging van de villa’s zijn 2 patronen zichtbaar. Enerzijds liggen ze op de plateaus of op flauwe hellingen, anderzijds kunnen ze ook aan de hellingvoet voorkomen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen het echte villa-landschap van Zuid-Limburg en het gebied ten noorden daarvan waar inheemse huistypen bleven domineren (Roymans, 1996).
Twee Romeinse wegen kruisen elkaar in het hart van Parkstad. De Via Belgica is een grote weg die Boulogne-sur-Mer met Keulen verbindt. De Via Traiana verbindt Aken met Trier. De aanwezigheid van deze wegen in Parkstad en het unieke villalandschap, zorgt ervoor dat deze regio zich op het vlak van Romeinse erfgoed onderscheidt van de rest van Nederland. Parkstad maakt deel uit van het Zuid-Limburgse villa-landschap in het meest geromaniseerde deel van Nederland. Dit komt tot uiting in het feit dat de meeste vindplaatsen in het gebied (32,3%) dateren uit de Romeinse tijd. Deze bijzondere karakteristiek vormt een aanknopingspunt voor archeologische beleidsontwikkeling in relatie tot educatieve en cultuurhistorische projecten.
Vroege en Volle Middeleeuwen (circa 450-1300 na Chr.) De val van het Romeinse Rijk en de komst van de Germanen markeert het begin van de Vroege Middeleeuwen (450-1050 na Chr.). In Zuid-Limburg was er een continue ontwikkeling vanaf de Romeinse tijd of eerder. Hierop wijzen bijvoorbeeld de plaatsnamen Heerlen en Maastricht, die uit de Romeinse tijd stammen. Beeknamen als Itter, Jeker en Worm zijn waarschijnlijk zelfs nog ouder. Enkele Romeinse wegen bleven functioneren. Met hun grindverharding waren ze zelfs lange tijd de enige verharde wegen en kregen ze namen als Steenstraat of Steenweg. Aanwijzingen voor bewoningscontinuïteit in de overgangsperiode van de Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen staan tegenover een sterke bevolkingsafname die tegelijkertijd plaatsvond. De grootschalige landbouw moest plaatsmaken voor een kleinschalige, op zelfvoorziening gerichte economie, waardoor een licht herstel optrad van het bosareaal. Dit herstel was echter van korte duur. Vanaf de Karolingische tijd werd onder invloed van een sterke bevolkingsgroei het landbouwareaal voortdurend uitgebreid, waarbij tevens het areaal heidevelden sterk toenam.
78
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
In de Volle Middeleeuwen is een groot aantal kastelen gebouwd. Hooggelegen kastelen wijzen op hoge ouderdom. Latere kastelen lagen in lage en natte gebieden, waarin een waterhoudende gracht kon worden aangelegd (Renes, 1988). Bij de meeste grotere middeleeuwse heerlijkheden hoorde een kasteel. Naast woonplaats van de heer vormde dit het bestuurlijk centrum van de heerlijkheid en een strategisch bolwerk ter verdediging van het gebied.
Late Middeleeuwen (circa 1300-1500 na Chr.) Uit de opdeling van de Frankische koningsgoederen uit de Vroege Middeleeuwen ontwikkelde zich het feodale stelsel met zijn standenmaatschappij. Bij de kleine landadel ontstond in de 11e en 12e eeuw de behoefte om verdedigingswerken aan te leggen, met name in het zeer feodale Limburg. Zo werden mottes en donjons gebouwd en werden grenzen tussen gebieden soms gemarkeerd door een wal: een ‘landweer’ of ‘landgraaf (motte: kunstmatig aangelegde heuvel, waarop veelal een verdedigingswerk was aangebracht; donjon: verdedigbare woontoren). Stenen gebouwen gingen een steeds prominentere plaats innemen in het landschap, onder andere boerderijen, kerken en kastelen. Veel kastelen en versterkte plaatsen werden verwoest tijdens de Limburgse Successie-oorlog van 1238 tot 1288. Na de 14e eeuw raakten kastelen echter in onbruik vanwege de onverdedigbaarheid tegen kanonnen. Vanwege verwoesting of verbouwing gaan slechts weinig gebouwen - uitgezonderd heiligdommen - terug tot de Middeleeuwen (Brounen, 1989: 38). Vanaf de Late Middeleeuwen werden ook de lagere delen van het landschap ingrijpend door de mens beïnvloed. Omstreeks 1300 waren nog slechts weinig onontgonnen gebieden over. De laatste bossen kwamen steeds meer onder druk te staan door de behoeften van een groeiende bevolking.
Het grootste deel ervan degenereerde tot ‘heide’: struikgewas en open landschap. De nederzettingen die aan heide hun naam te danken hebben, behoren tot de weinige die na 1300 zijn gesticht. De goede gronden waren over het algemeen al ontgonnen. Ook de onontgonnen gronden in de natte broekgebieden of op steile hellingen waren niet langer veilig. In deze gebieden was aanvankelijk een bosbegroeiing aanwezig die in de loop van de tijd degenereerde tot ‘heide’. De elzenbossen in de beekdalen en andere laaggelegen gebieden werden ontgonnen ten behoeve van de vergroting van het areaal weidegrond.
Nieuwe tijd (1500-heden) Met name vanaf de Late Middeleeuwen werd het landschap steeds meer en bovendien in steeds sterkere mate beïnvloed door de mens (Renes, 1988 & 2000). Dit heeft verstrekkende gevolgen gehad voor het landschap en de vegetatie. Uiteindelijk hebben deze ontwikkelingen geresulteerd in het tegenwoordig zichtbare landschap. Uit de periode na de Middeleeuwen zijn alleen ontginningen van enige omvang bekend op de Heerlerheide en in het Ravensbos (17e eeuw) en op de Graetheide (18e-20e eeuw). De bevolkingsgroei werd vooral opgevangen door uitbreiding van bestaande nederzettingen en door productieverhoging van de landbouwgronden (Bieleman, 1992). De bevolkingsgroei leidde tot de splitsing van boerderijen alsmede tot de vorming van een klasse van ‘keuters’ en landlozen. Zij
79
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
vormden het merendeel van de bewoners van de jonge heidegehuchten en veroorzaakten een sterke verdichting van de bebouwing in de oudere dorpen. De grotere boerderijen groeiden vanaf de 16e eeuw uit tot de bekende gesloten hoeven. In delen van Zuid-Limburg leverde de mijnbouw enige aanvullende werkgelegenheid. In de 14e eeuw begon bij Kerkrade de ondergrondse winning van steenkool, iets later ook die van kalksteen. Vanaf circa 1900 intensiveerde de steenkoolwinning zeer sterk en ontstond de Mijnstreek rondom Heerlen. Vanwege de bevolkingsgroei in dit gebied was er een groeiende vraag naar fruit en zuivel. Daarom werden rondom de boerderijen steeds meer fruitbomen in boomgaarden aangeplant. Na de Tweede Wereldoorlog intensiveerde zowel de verstedelijking, met name in Heerlen en omgeving, als de landbouw. Vooral in het noordelijke deel van het lössgebied veranderde het landschap op veel plaatsen ingrijpend vanwege grote ruilverkavelingen.
80
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Literatuur bijlage 1 Arts, N., 1988. Mesolithische jagers, vissers en voedselverzamelaars in noordoost België en zuidoost Nederland. De prehistorische mens in Limburg. Archeologisch Congres 27-28 september 1986. Berendsen, H.J.A., 1998. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bieleman, J., 1992. Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950. Boom, Meppel/ Amsterdam. Broeke, P. van den, 2005. Late bronstijd en ijzertijd: inleiding. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.); Nederland in de Prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam: 1477-489. Brounen, F., 1989. Mergelland-Oost: Een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Deeben, J. & N. Arts, 2005. Van jagen op de toendra naar jagen in het bos; Laat-paleolithicum en vroeg-mesolithicum. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.); Nederland in de Prehistorie: 139-156. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Deeben, J. & E. Rensink, 2005. Het Laat-Paleolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 171-199. Deeben, J., E. Drenth, M.F. van Oorsouw & L. Verhart (red.), 2005. De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12. Fokkens, H. & N.
Roymans, 1991. Een overzicht van veertig jaar nederzettingsonderzoek in de Lage Landen. In: H. Fokkens & N. Roymans (red.); Nederzettingen uit de bronstijd en de vroege ijzertijd in de Lage Landen. Nederlandse Archeologische Rapporten 13. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Gerritsen, F., 2004. Leven temidden van het verleden; veranderende ruimtelijke ordeningen in het prehistorische landschap. In: R.M. van Heeringen, E.H.P. Cordfunke, M. Ilsink & H. Sarfatij (red.); Geordend landschap; 3000 jaar ruimtelijke ordening in Nederland. Verloren, Hilversum. Goossens, H.M.H., 1981. Ubach over Worms; van Overworms kwartier tot gemeente Landgraaf. Groenevelt, Ubach over Worms. Graaf, K. van der, 1989. Centraal Plateau & Beek; een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. RAAP-rapport 19. Stichting RAAP, Amsterdam. Hoof, L.G.L. van, 2000. Filling black holes: Leven, sterven en deponeren in de metaaltijden van Zuid-Limburg. Afstudeerscriptie. Faculteit der Archeologie, Leiden. Janssen, C.R., 1974. Verkenningen in de Palynologie. Oosthoek, Scheltema & Holkema, Utrecht. Landesvermessungsamt Nordrhein-Westfalen, 1970. Kartenaufnahme der Rheinlande durch Tranchot und Von Müffling 1803-1820, schaal 1:25.000; Kaartbladen 73 Rekem en 74 West Valkenburg. Landesvermessungsamt Nordrhein-Westfalen, Bonn. Louwe Kooijmans, L.P., 1993.
The Mesolithic/Neolithic Transformation in the Lower Rhine Basin. In: P. Bogucki (red.); Case Studies in European Prehistory. Boca Raton (VS). Mares W. & J.J.F.W. van Agt, 1962. De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V: de Provincie Limburg. Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, Den Haag.
81
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Renes, J., 1988. De geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap. Van Gorcum, Assen/ Maastricht. Renes, J., 2000. Krijt/lösslandschap. In: Barends, S. e.a. (red.); Het Nederlandse landschap; een historisch-geografische benadering: 129-141. Stichting Matrijs, Utrecht. Rensink, E., 2005. Het midden-paleolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 119-141. Roymans, N., 1996. The Sword or the Plow, Regional dynamics in the romanisation of Belgic Gaul and the Rhineland area. In: N. Roymans (ed.); From the Sword to the Plough. Amsterdam University Press, Amsterdam. Schinkel, K., 1994. Zwervende erven; bewoningssporen in Oss-Ussen uit bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd: opgravingen 1976-1986. Proefschrift, Universiteit Leiden, Leiden. Slofstra. J., 1983. An Anthropological Approach to the Study of Romanization Processes. In: R.W. Brandt & J. Slofstra (eds.); Roman and Native in the Low Countries. British Archaeological Report (BAR), International Series 184. Sluys van der, J., 1998. De naam van Schinveld is in klei geschreven: Limburgse landschappen 3. De Natuurgids 1998(7 - Heerlen): 206-208. Sprokholt, H.J., 1992. Romeinse bewoning in en om het Maasdal; Catalogus van villaterreinen in Limburg en delen van Noord-Brabant en Gelderland.
Gecorrigeerde versie van de doctoraalscriptie “Romeinse villae in het Maasdal en overig Nederlands Limburg”. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Tack, G., P. van den Brempt & M. Hermy, 1993. Bossen in Vlaanderen. Een Historische ecologie. Kredietbank en Stichting Leefmilieu, Leuven. Ubachs, P.J.H., 2000. Handboek voor de geschiedenis van Limburg. Maaslandse Monografieën 63. Maastricht. Venner, J., red., 2001. Geschiedenis van Limburg. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, Maastricht (2 delen). Verhart, L., 2000. Times fade away: the neolithization of the southern Netherlands in an anthropological and geographical perspective. Proefschrift Universiteit van Leiden, Leiden. Verhart, L. & Arts, N., 2005. Het Mesolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 235-260. Vermeersch, P.M. & P. van Peer, red., 1990. Contributions to the mesolithic in Europe; papers presented at the fourth international symposium ‘The Mesolithic in Europe’. Studia praehistorica Belgica 5. Leuven. Zimmermann, A., J. Meurers-Balke & A.J. Kalis, 2006. Das Neolithikum. In: J. Kunow & H.H. Wegner (red.); Urgeschichte im Rheinland: Jahrbuch 2005 des Rheinischen Vereins für Denkmalpflege und Landschaftsschutz: 159-210.
Verlag des Rheinischen Vereins für Denkmalpflege und Landschaftsschutz, Köln.
82
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Bijlage 2. Wettelijk kader Inleiding In deze bijlage staat het wettelijke kader op het gebied van archeologie centraal. Het archeologiebeleid dat op gemeentelijk niveau dient te worden uitgewerkt, wordt namelijk gestuurd door weten regelgeving op hoger niveau. Voor het gemeentelijk archeologiebeleid waren tot recentelijk de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) en de Monumentenwet 1988 van belang. Deze wetten regelden de zorg voor ons bodemarchief en waren een vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. Beide wetten zijn echter per 1 juli 2016 komen te vervallen. Met de komst van twee nieuwe wetten, namelijk de Erfgoedwet (per 1 juli 2016) en de toekomstige Omgevingswet (naar verwachting in 2019) wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk gemaakt. De onderdelen van de Monumentenwet 1988, die pas later overgaan naar de Omgevingswet, blijven wel van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.
Verdrag van Malta Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd (Ministerie van WVC en BZ, 1992). Het verdrag van Malta heeft als doel archeologische waarden in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed (artikel 1). Het accent ligt op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem en op het zoveel mogelijk beperk en van (de noodzaak van) archeologische opgravingen (artikel 2). Het verdrag bepaalt dat archeologische waarden voortaan expliciet bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen moeten worden meegewogen. Waar mogelijk dienen de archeologische waarden te worden ontzien (behoud in situ). Wanneer bescherming en inpassing van archeologisch waardevolle terreinen niet mogelijk blijkt, zal de historische informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek moeten worden veilig gesteld (behoud ex situ). Om deze doelstelling te bereiken, moet het archeologische belang volledig erkend worden in planologische besluitvormingsprocessen (artikel 5).
De veroorzaker van de bodemverstoring is verantwoordelijk voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek en de financiering daarvan (het ‘veroorzaker-betaalt-principe’; artikel 6). Onderzoek moet worden uitgevoerd door deskundigen en worden afgesloten met een schriftelijke wetenschappelijke verslaglegging (artikel 7). Een informatieplicht is vastgelegd in de vorm van verplichte uitwisseling van informatie en het actueel houden van een databank met archeologische gegevens (artikels 7 en 8). Het verdrag verplicht ook voorlichting aan het publiek en publiekgerichte ontsluiting van archeologische waarden om bij het publiek meer begrip te ontwikkelen voor het belang van het archeologische erfgoed (artikel 9).
83
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Wet op de Archeologische MonumentenZorg (2007) / Monumentenwet 1988 Voor het gemeentelijk archeologiebeleid was tot op heden met name de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van belang (vastgesteld in 2007). De wet sluit zoveel mogelijk aan op bestaande wet- en regelgeving en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988 (Ministerie van OCenW, 1988; Ministerie van OCenW, 2006). Doelstelling van de Wamz is archeologische resten waar nodig te beschermen, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk is. De bescherming van archeologische resten dient proportioneel te zijn. Dit geeft ruimte voor een belangenafweging. De uitgangspunten van deze monumentenwetgeving sluiten veelal aan bij het verdrag van Malta. Zo wordt veel waarde gehecht aan behoud en beheer in de bodem en verbetering van de informatievoorziening over het archeologisch erfgoed. Ook het ‘veroorzaker-betaalt-principe’ is integraal overgenomen. Meest relevant voor de gemeenten is de verankering van de archeologie in de bestemmingsplannen en het feit dat het bevoegde gezag ten aanzien van het de omgang met het bodemarchief grotendeels bij de gemeente is komen te liggen.
Erfgoedwet (2016) als onderdeel van Omgevingswet (2022) Overgangssituatie in de wetgeving: 2016 - 2022 De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de erfgoedwet (certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten). De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2022 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 20162022. Concreet betekent dit, dat onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet over gaan, van kracht blijven tot die wet in werking treedt.
Omgevingswet Veel gemeenten vinden de regels voor ruimtelijke plannen nu ingewikkeld en onduidelijk. Met de Omgevingswet wil het kabinet het omgevingsrecht makkelijker maken. Door regels te vereenvoudigen en samen te voegen is het straks gemakkelijker om bouwprojecten te starten. Het omgevingsrecht bestaat uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. En allemaal met hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De wetgeving is daardoor te ingewikkeld geworden voor de mensen die ermee werken. Daardoor duurt het bijvoorbeeld langer voordat een project kan starten. Het kabinet wil het omgevingsrecht makkelijker maken en samenvoegen in één Omgevingswet. Een aantal wetten gaat in zijn geheel op in de Omgevingswet, waaronder de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de Monumentenwet 1988 gaan alle de onderdelen over omgevingsrecht naar de Omgevingswet (bron: www. rijksoverheid.nl). Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving:
84
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
• Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten De wet gaat naar verwachting in 2022 in. De Erfgoedwet regelt dat de onderdelen van de Monumentenwet 1988, die in 2022 overgaan naar de Omgevingswet, van kracht blijven tot de Omgevingswet in werking treedt (bron: www.cultureelerfgoed.nl; zie kader volgende paragraaf).
Erfgoedwet Per 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden (bron: www.cultureelerfgoed.nl en www.rijksoverheid.nl). De wet vervangt zes bestaande wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, namelijk 1) Monumentenwet 1988 (deels), 2) Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten, 3) Wet tot behoud van cultuurbezit, 4) Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied, 5) Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 en 6) Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet komen de volgende acht zaken aan de orde: • Beheer van de rijkscollectie • Sturingsrelatie met Rijksmusea • Regels voor afstoten van objecten en collecties • Bescherming van rijksmonumenten • Regels archeologische monumentenzorg • Teruggave van cultuurgoederen • Financiën • Toezicht en handhaving
Bepalingen/ veranderingen die voor gemeenten van belang zijn: • Het college van B&W heeft adviesrecht als het gaat om het aanwijzen van beschermde rijksmonumenten (artikel 3.2). • De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen. De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. (artikel 3.16, eerste en tweede lid). • Het college van B&W houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij (artikel 3.16, derde lid).
85
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
• College van B&W moet het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend maken, de kans bieden om zienswijzen in te dienen en bij het vermoeden van landelijke betekenis een adviescommissie van onafhankelijke deskundigen inschakelen (artikel 4.17 en 4.18). • Het vergunningstelsel voor archeologische bedrijven wordt vervangen door wettelijk geregelde certificering. Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Het is verboden zonder certificaat daartoe handelingen te verrichten met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, krijgen hiermee te maken. Door het certificeringssysteem wordt de gemeentelijke opgravingsbevoegdheid landelijk geldig en is deze niet langer beperkt tot de gemeentegrenzen. Zo kunnen gemeenten eenvoudiger in regioverband opgravingen uitvoeren en kunnen zij met hun archeologische expertise effectiever buurgemeenten ondersteunen (paragraaf 5.1 en www.cultureelerfgoed.nl).
• Een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, is eigendom van de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid. • Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in de desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin archeologische vondsten die in die gemeente zijn aangetroffen bij opgravingen kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is (artikel 5.8, tweede lid). Daarnaast geldt: • De tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten vervalt; hiervoor is een beperkte tegemoetkoming in het gemeentefonds: gemeenten ontvangen sinds 2007 circa € 0,17 per woonruimte per jaar voor excessieve opgravingskosten. Dit is een klein bedrag, maar dit bedrag zou wel gereserveerd kunnen worden tot een moment dat een opgravingssituatie zich voordoet. Overigens is de verstoorder als eerste aanspreekbaar op het betalen van de kosten. Er is geen norm voor de verdeling van de kosten tussen de verstoorder en de gemeenten.
• Er is een (tijdelijk?) landelijk fonds of subsidieregeling voor wetenschappelijk onderzoek naar (recente) uitzonderlijke archeologische vondsten in Nederland van (inter)nationaal belang (in 2016 een bedrag van € 250.000,00). Het is vooralsnog onduidelijk of en in welke mate deze subsidieregeling blijft bestaan.
86
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Erfgoedwet, Artikel 9.1. Overgangsrecht Omgevingswet 1. Tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 16 juni 2014 ingediende voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) (Kamerstukken 33 962) tot wet is verheven en in werking is getreden: a
blijven de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.
Hoofdstuk V, § 1, Monumentenwet 1988. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen [Vervallen per 01-07-2016]
Artikel 38 [Vervallen per 01-07-2016] 1. De gemeenteraad kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij verordening onder meer: a
regels vaststellen met betrekking tot de eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan onderzoek in het kader van het doen van opgravingen; of
b gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders kunnen afzien van nader archeologisch onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende verplichtingen. 2. Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gebied waarvoor een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38a is vastgesteld, blijft die verordening van kracht voor zover zij niet met dat bestemmingsplan in strijd is. 3. Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 38a [Vervallen per 01-07-2016] De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2016] 1. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht worden gesteld. 2. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.
87
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2016] 1. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid. 2. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid voorschriften kunnen worden verbonden die zijn vastgesteld krachtens artikel 2.22, derde lid, onderdeel d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2016] 1. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld. 2. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 41a [Vervallen per 01-07-2016] De artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, zijn niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.
Artikel 42 [Vervallen per 01-10-2010] Artikel 43 [Vervallen per 01-07-2016] Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid.
88
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Bijlage 3. Beleidskader Inleiding Vanuit de archeologische wetgeving hebben de diverse overheden bepaalde taken en bevoegdheden gekregen. De verantwoordelijkheden zijn vervolgens vertaald in beleid en regelgeving. Dit proces is echter nog niet afgerond. De huidige stand van zaken van dit lopende proces wordt hieronder toegelicht. Er wordt ingegaan op het rijksbeleid en het provinciaal beleid. Deze vormen het kader voor het archeologiebeleid van de gemeente.
1.1 Rijksbeleid Behalve de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het rijksarcheologiebeleid en de handhaving van de Monumentenwet, geeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) advies en ontwikkelt kennis. Samen met anderen is het verantwoordelijk voor de zorg van het Nederlandse erfgoed boven de grond, onder de grond, onder water en in musea. Ook houden ze zich bezig met erfgoed in relatie tot onze leefomgeving. De uitgangspunten van het te voeren beleid zijn o.a. verwoord in: • Nationale Omgevingsvisie (2020): In het kader van de Omgevingswet heeft het Rijk in 2020 een Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld waarin het Rijk een langetermijnvisie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Met de NOVI biedt het Rijk een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu.
In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen (www.rijksoverheid.nl en www.novistukken.nl). • Missie, visie en strategie (2020): In dit document worden de missie, visie en strategie van het rijk uiteengezet inzake monumenten, roerend erfgoed, archeologie en het landschap (www.cultureelerfgoed.nl). • Beleidsbrief Erfgoed Telt - De betekenis van erfgoed voor de samenleving (2018, www.cultureelerfgoed.nl). Het kabinet werkt hierin het erfgoedbeleid uit van 2018 tot 2021. De 3 pijlers van Erfgoed Telt zijn: | instandhouding | erfgoed in onze leefomgeving | de verbindende kracht van erfgoed.
• Evaluatie Erfgoedwet voor het onderdeel archeologie (2020-2021): De in 2016 in werking getreden Erfgoedwet omvat meer dan alleen archeologie. De wet wordt in de komende jaren geëvalueerd, maar het onderdeel archeologie is door een motie van de Tweede Kamer naar voren
89
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
gehaald. In die motie van 2 juli 2019 verzocht de Kamer de regering om de Erfgoedwet op het onderdeel archeologie samen met de archeologische sector te evalueren. Het ministerie van OCW wilt de werking van de Erfgoedwet in de praktijk inzichtelijk maken en toetsen aan de doelstellingen van het Verdrag van Valletta. De evaluatie concentreert zich rond een aantal thema’s: • Taken en rollen van overheden • Kwaliteit van archeologisch onderzoek • Marktwerking • Publieksbereik en participatie • Behoud in situ • Certificering • Arbeidsmarkt De resultaten van reeds uitgevoerde onderzoeken zijn terug te vinden op de website van de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (www.cultureelerfgoed.nl).
1.2 Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening In het kader van de Omgevingswet dient de provincie Limburg medio 2022 te beschikken over een Omgevingsvisie (POVI) en een Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarbij staan de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving centraal. Het huidige Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vormt deels het vertrekpunt voor de Omgevingsvisie. De keuzes uit de provinciale omgevingsvisie worden vervolgens in de Omgevingsverordening vertaald naar regels, zodat deze juridisch geborgd zijn. De Provincie stelt dat de verantwoordelijkheid voor een groot deel van het archeologisch erfgoed bij de gemeenten ligt. De Provincie beperkt haar betrokkenheid tot archeologische waarden die van provinciaal belang worden geacht. Daartoe is een aantal archeologische aandachtsgebieden aangewezen, representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. In de Parkstadgemeenten ligt 1 aandachtsgebied: Via Belgica (zie kader).
Provinciaal aandachtsgebied: Via Belgica Het huidige Heuvelland werd in de Romeinse tijd van oost naar west doorkruist door de oorspronkelijk vooral militair belangrijke weg van Keulen via Heerlen en Maastricht (Maasbrug) naar Boulogne. Deze “Via Belgica” was een belangrijke as waarlangs zich allerlei
90
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
ontwikkelingen hebben afgespeeld. Het tracé van deze internationale route (Romeinse Rijksweg) werd in 2003 in opdracht van de Provincie Limburg nader onderzocht: 39 oude meldingen en waarnemingen werden gecontroleerd, ankerpunten vastgesteld, nieuw bureauonderzoek onder andere met behulp van de AHN, historische kaarten en luchtfoto’s en op drie locaties werd een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Van de in Limburg ca. 40 km lange weg staat inmiddels 7 km tracé vast. Vooral tussen Heerlen en Voerendaal is de weg goed in kaart gebracht. Om het provinciale belang van de weg en de naaste omgeving daarvan tot uitdrukking te brengen wordt een zone van ongeveer een kilometer ter weerszijden van de vermoedelijke route tussen Meerssen en Voerendaal als aandachtsgebied aangewezen. Het tracé was het best bekend in de vicus Coriovallum (Heerlen) en de vicus Traiectam ad Mosam (Maastricht).
Het onderzoek heeft geleid tot de volgende conclusies: • de weg lijkt niet direct gekoppeld aan één landschapstype • de weg volgt niet uitsluitend hoogten en heeft ook geen voorkeur voor lage delen • de weg volgt een relatief rechte lijn tussen Heerlen, Valkenburg en Maastricht, waarbij de wisseling tussen het volgen van die rechte lijn en het vermijden van moeilijk begaanbare delen zoals moerassige laagtes heeft geleid tot creatieve oplossingen • de weg is nauwelijks of niet bewaard als ter plaatse afdekkende sedimenten ontbreken. De conservering verschilt dus sterk. Gebrek aan onderhoud, de afdekking door colluvium en het hergebruik van grind leiden tot onzichtbaarheid van delen van de weg.indien de weg niet verdwenen is onder latere afzettingen (bijvoorbeeld colluvium) is continue gebruik mogelijk. Het middeleeuwse en postmiddeleeuwse wegstelsel overlappen echter meestal niet. Er is hooguit sprake van lokale continuïteit. • De Provincie wil, in samenwerking met de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Valkenburg a/d Geul en Voerendaal, deze route weer beleefbaar en zichtbaar maken. De ambities zijn: | Het verhaal van de Via Belgica ontwikkelen en breed uitdragen via
storytelling | Het maken van een overkoepelende huisstijl | Het ontwerpen, bouwen en beheren van een website, social media, app,
augmented reality | Het ontwikkelen van storytelling tool | Het opzetten van aansprekende arrangementen, samen met lokale onder-
nemers en gemeenten | De belangrijkste herkenningspunten, zoals de wachttorens en villa’s, nog
meer zichtbaar en toegankelijk maken | Ruimte geven om aan te haken en een eigen bijdrage te leveren aan het
verhaal van Via Belgica. • Meer informatie is te vinden op de website van de provincie www.limburg.nl en op www. viabelgica.nl
91
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
De Provincie zet zich in voor onderzoek naar en behoud van de archeologische waarden in deze aandachtsgebieden. Dit gebeurt door toe te zien dat de aandachtsgebieden geborgd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, in gemeentelijke bestemmingsplannen. Via het Platform Archeologie wordt gewerkt aan een goede inbedding op gemeentelijk niveau. Bij ontgrondingen en inpassingsplannen is de Provincie bevoegd gezag en wordt de aanpak afgestemd met de gemeente. De archeologische aandachtsgebieden en de voorschriften die daaraan verbonden zijn, zijn uitgewerkt in van der Gaauw, 2008. Ten opzichte van de archeologische aandachtsgebieden wordt de volgende beleidslijn aangehouden: • Bij onderzoek dat in het kader van bestemmingsplannen plaatsvindt, is de gemeente bevoegd gezag. De provincie ondersteunt waar nodig. De provincie heeft voor de aandachtsgebieden wetenschappelijke kaders uitgewerkt (een methodische werkwijze), die als uitgangspunt kunnen dienen bij het onderzoek. • Als een bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met archeologische waarden, kan de provincie een attentiegebied aanwijzen. Het bestemmingsplan zal dan door de gemeente moeten worden herzien. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat gemeenten, die over een archeologische beleidskaart en –kader beschikken, wel voldoende rekening zullen houden met de archeologische waarden.
De Provincie zal daarom terughoudend zijn met het aanwijzen van attentiegebieden. • Zowel voor concrete plannen als voor ruimtelijke ontwikkelingen op de langere termijn zal de provincie bevorderen dat het archeologisch onderzoek in een vroegtijdig stadium wordt opgepakt. • Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv dient in de aandachtsgebieden archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Tenzij de gemeente lagere ondergrenzen heeft vastgesteld, gelden hierbij de volgende ondergrenzen: | gebieden met een hoge verwachting: 1000 m² | gebieden met een middelhoge verwachting: 2500 m² | gebieden met een lage verwachting: 10.000 m² | vindplaats binnen 50 meter: altijd archeologisch onderzoek
• Behoudenswaardige vindplaatsen in aandachtsgebieden zijn per definitie van provinciaal belang. Het selectiebesluit zal hier dan ook in alle gevallen inhouden om de vindplaats in situ te behouden of, als dat niet mogelijk is, op te graven. • PvE’s, PvA’s en rapporten van archeologisch onderzoek in de aandachtsgebieden worden getoetst door de provincie. Buiten de aandachtsgebieden wordt het archeologisch beleid van de gemeente gevolgd.
De kracht van Archeologie 2020-2023 De provincie Limburg wil de komende jaren stappen zetten op het gebied van digitalisering, ontsluiting van het archeologisch erfgoed voor het Limburgse publiek en het stimuleren van efficiënte samenwerking en onderlinge kennisuitwisseling tussen partijen. Veel collecties liggen immers nog verstopt op zolders of in depots of men is niet op de hoogte van lopende initiatieven en projecten.
92
ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM
Samen met partners en vrijwilligers in de archeologie wordt ingezet op de instandhouding en beleving van het archeologisch erfgoed in Limburg. Met het archeologiebeleid zet de Provincie in op: • publieksbereik • publieksparticipatie • de (digitale) ontsluiting • benutting van resultaten archeologisch onderzoek Het beleidsprogramma is opgedeeld in twee actielijnen. Actielijn 1: ‘de verbindende waarde van archeologie’ richt zich op de (digitale) ontsluiting van archeologie voor een breder publiek. Enerzijds vanuit de attractiviteit ervan, anderzijds vanuit de maatschappelijke waarden zoals identiteit en cohesie. Actielijn 2: ‘de verbeterde archeologische monumentenzorg’ richt zich op de wettelijke archeologische verplichtingen in heel Limburg doelgericht en efficiënt in te vullen en de resultaten ervan zoveel mogelijk te benutten. Via een subsidieregeling ondersteunen we initiatieven die bijdragen aan de ambitie van ons beleid. Deze regeling wordt gecombineerd open gesteld met het beleidsonderdeel ‘klein erfgoed’ vanuit monumenten. Onderstaande projecten zijn door de Provincie actief ondersteund dan wel opgericht.