CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 7 (bijlage) Beleidsnota Archeologie Brunssum, erfgoed is identiteit.pdf

Raadsvergadering 31 mei 2022, gemeente BrunssumBij agendapunt: Beleidsnota archeologie; Gemeenteblad 2022/727.077 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

werkorganisatie waarin de regionale partijen die betrokken zijn bij het mijnverleden, verenigd zijn). | Schacht Nulland behoorde tot de voormalige Domaniale mijn in Kerkrade. Deze was in

productie van 1815 tot 1969. De mijn beschikte over zes schachten waarvan de 349 meter diepe ventilatieschacht Nulland er één was. De schacht werd in 1907 aangelegd door de toenmalige exploitant van de Domaniale Mijn, de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. In eerste instantie deed schacht Nulland alleen dienst als intrekkende luchtschacht. In 1919 besloot de Domaniale Mijn de schacht te gaan gebruiken voor het vervoer van materialen en personeel. In 1921 werd de schacht verbouwd naar ontwerp van technische directeur Wilhelm Husmann en kreeg het zijn karakteristieke uiterlijk. De schacht staat in de volksmond ten onrechte bekend als de “Malakovschacht”: een verwijzing naar de torens van het bastion Malakov nabij de vestingstad Sebastopol. Uiteindelijk is in Kerkrade de herinnering aan de mijnbouw door de operatie van Zwart naar Groen zo goed als uitgewist in het landschap. Slechts één mijnschacht, schacht Nulland, herinnert nog aan de oudste mijn van Nederland. | De wijk de Hopel (grenzend aan Eygelshoven, gemeente Kerkrade) werd in opdracht van

de mijn Laura en Vereeniging tussen 1901 en 1910 aangelegd, om een deel van haar werknemers te huisvesten. De karakteristieke huizen zijn ontworpen door architect A. Reichpietsch en zijn allemaal rijkmonumenten. De witte eengezinswoningen vormden een contrast met het zwart van de mijn. | Het grootste aaneengesloten stads- en dorpsgezicht van Nederland ligt in Brunssum. Het

gezicht omvat vijf mijnwerkerskoloniën plus enkele losse woninggroepen voor mijnper-

38

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

soneel en drie parken. Eén ligt rond een voormalige bruinkoolgroeve en één rond een dijklichaam van een oude mijnspoorweg. Het beschermd gebied is grotendeels tot stand gekomen in de jaren 1910 – 1930. De koloniën waren bedoeld voor personeel van de Staatsmijnen Hendrik en Emma. De huizen zijn gebouwd in opdracht van de Staatsmijnen en de woningbouwverenigingen Ons Limburg en Thuis Best en zijn opgezet volgens de tuindorp-filosofie.

Schachtgebouw van de voormalige Oranje Nassau I mijn in Heerlen (bron: Rijksmonumenten.nl).

39

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Impressie van kolonie Treebeek (https://nl.pinterest.com/dalmvisie/limburg-vroeger-en-nu).

2.2.6 Schuilkelder uit Wereldoorlog II in Oude Egge Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontsnapte ook Brunssum niet aan de bombardementen door de Duitsers. Om zich te beschermen tegen de verwoestende bommen, verscholen de inwoners zich in ondergrondse schuilkelders. Zo ook ten huize Hendriks in de wijk de Oude Egge. Bij de sloop van de woning in het kader van de wijkvernieuwing, werd in april 2020 de oude schuilkelder herontdekt. De ondergrondse schuilplek bestond uit een ingegraven grote rioolbuis die via een gemetseld voorportaal met een houten trap bereikbaar was. Op maaiveld niveau was het geheel afgesloten met een deur. In de schuilkelder was plaats voor 6 - 8 volwassenen (www.wellernet.nl). Het doel is om de schuilkelder voor de toekomst te bewaren en op termijn toegankelijk te maken voor het brede publiek.

40

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

De opgraving van de schuilkelder uit WOII uit Oude Egge (© BAAC met Military Legacy): inzet impressie van de ingang (© Bert van Ogtrop).

41

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

2.3

Archeologie: een bron met een potentieel

hoge economische waarde Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed wordt gezien als een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit (R. van Loon, pp.63-73. In: Dommelen, 2013). Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed. Dit erfgoedkapitaal mag gezien worden als een bron met een potentieel hoge economische waarde (Dommelen, 2013). Naast de toeristische impuls voor de economie kan door een gedegen beleid ook direct een kostenbesparing gerealiseerd worden. Hiervoor wordt er vanaf de eerste fase van planvorming getracht de ruimtelijke invulling zoveel mogelijk af te stemmen op (mogelijke) aanwezige archeologische waarden. Door archeologische resten in de bodem te behouden, kunnen hoge opgravingskosten vermeden worden. Indien toch gekozen wordt om archeologische vindplaatsen op te graven, kunnen binnen het (interne / externe) project tijdig budgetten voor verder onderzoek worden vrijgemaakt.

42

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

43

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Waardecategorie

Verwachting/waarde

Ondergrens diepte

1

Rijksmonumenten; terreinen van zeer hoge waarde; wettelijk beschermd

vergunningaanvraag bij Rijk (RCE) conform monumentenwet

2

Terreinen van zeer hoge waarde

40 cm –Mv

100 m²

3

Gebieden met een hoge verwachtingswaarde

40 cm –Mv

250 m²

4

Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde

40 cm –Mv

2500 m²

5

Gebieden met een lage verwachtingswaarde

40 cm –Mv

10000 m²

6

Geen verwachtingswaarde

Geen onderzoeksplicht

Archeologische beleidskaart gemeente Brunssum met waardecategorieën

44

Ondergrens omvang

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

3

Archeologiebeleid gemeente Brunssum De archeologische wetgeving in Nederland biedt de gemeente ruimte om een eigen beleid te ontwikkelen. De gemeente Brunssum ziet dit als kans en streeft naar een gedegen, proactief en geïntegreerd gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente heeft de ambitie om te komen tot maatwerk, kwaliteit, beleefbaarheid, kostenbesparing, vermeerdering van kennis en een betere kennisoverdracht. In dit hoofdstuk wordt vermeld hoe we onze eigen regierol invullen en daarmee de voordelen zoveel mogelijk proberen te benutten. Voor het opstellen van het archeologiebeleid is samengewerkt met de Parkstadgemeentes waarbij de gemeentelijke ambities zijn uitgewerkt.

3.1 Onderdelen archeologiebeleid gemeente Brunssum Het archeologiebeleid van de gemeente Brunssum bestaat uit de volgende onderdelen: • Doelstelling en uitgangspunten archeologisch beleid (par. 3.2) • Archeologische kaarten: een onmisbaar instrument (par. 3.3) • Verankering van de archeologie in de ruimtelijke ordening (par. 3.4) • Regie van het archeologisch onderzoek (par. 3.5) • Maatschappelijke waarde: archeologie in de openbare ruimte (par. 3.6) • Erfgoed is van ons allen: communicatie en publieksbereik (par. 3.7) • Privécollecties (par. 3.8) • Organisatie en financiën (hoofdstuk 4)

3.2 Doelstelling en uitgangspunten Doelstelling Het archeologisch erfgoed betreft overblijfselen uit ons verleden. Het vertelt ons hoe vroegere generaties leefden en hoe onze samenleving er toentertijd uitzag. Het vertelt ons iets over ons­z elf, onze cultuur en onze identiteit. Het is dan ook vooral van belang voor het grote publiek, met name de bewoners. Ook het bodemarchief in de gemeente Brunssum staat regelmatig onder druk. Gelet op het belang dat het erfgoed heeft voor bewoners, alsook voor de wetenschap, dient die aantasting te worden beperkt. Dat kan worden bewerkstelligd door het zo goed mogelijk te beschermen. Als basis voor het gemeentelijke beleid geldt de volgende doelstelling:

45

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Het archeologisch beleid van de gemeente Brunssum heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het ‘gemeenschappelijke geheugen’ en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk.

Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Brunssum ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken.

Uitgangspunten Voor het gemeentelijk archeologiebeleid gelden de volgende uitgangspunten: • Archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. Dit zogenaamde ‘verstoorder-betaalt-principe’ is geen gemeentelijke beleidskeuze maar volgt direct uit de wetgeving; • De huidige relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening bebouden, zodat behoud, beheer en ontwikkeling van het bodemarchief onderdeel blijft van het planologische besluitvormingsproces; • Verbetering informatievoorziening over het archeologisch erfgoed om het draagvlak voor archeologie te vergroten. • Toerisme/economie: Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed wordt gezien als een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Het ‘verstoorder-betaalt-principe’ maakt bescherming van het archeologisch erfgoed (financieel) uitvoerbaar. Dit financiële aspect vormt mede de stimulans om het behoud en beheer met betrekking tot archeologie tijdens het planologische besluitvormingsproces serieus te nemen.

Het uitgangspunt: ‘behoud in situ tenzij ‘, realiseert een optimale bescherming van het archeologisch erfgoed, maar maakt ontwikkelingen even goed mogelijk. Versterking van de relatie tussen ruimtelijke ordening en archeologie, waardoor in de ruimtelijke ordening vroegtijdig rekening kan worden gehouden met archeologie, maakt behoud in situ mogelijk, is kostenreducerend voor initiatiefnemers van projecten en kan dan zelfs als inspiratiebron dienen voor planvorming. De verbetering van de informatievoorziening vergroot het draagvlak voor archeologie en is in het belang van zowel burger als initiatiefnemers van projecten. Bovendien vergroot dit de kenbaarheid van de beperkingen van archeologie. Dit laatste is ook van belang gelet op de ‘Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen onroerende zaken’ (Wkpb).

46

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

3.3 Archeologische kaarten: een onmisbaar instrument In 2007 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op verzoek van alle Parkstadgemeenten, een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente Brunssum (Vanneste & Verhoeven, 2013, deel III). De archeologische verwachtingskaart geeft inzicht in de aanwezigheid èn de verwachte aanwezigheid van archeologische resten. De kaart is geënt op de lokale omstandigheden ter plaatse en bovendien komen ook de lage en natte gebieden goed aan bod. Om de verwachtingskaart ook toepasbaar te maken op beleidsmatig niveau is deze vervolgens vertaald naar een beleidskaart (laatste actualisatie: 2013). Op de archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 6 archeologische waardecategorieën ontstaan (zie tabel 1). De geactualiseerde beleidskaart is door de raad vastgesteld (d.d 01 oktober 2013). Bovendien heeft de raad per waarde-categorie bepaald of archeologisch onderzoek nodig is en wanneer vrijstelling van onderzoek kan worden verleend (zogenaamde ondergrenzen). Niet altijd en overal is archeologisch onderzoek namelijk noodzakelijk. Het doel van een gedegen archeologiebeleid is juist om het nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek te kunnen bepalen.

In tabel 3 staan de ondergrenzen vermeld die in de gemeente Brunssum worden gehanteerd. Waardecategorie

Verwachting/waarde

Ondergrens diepte

Ondergrens omvang

1

Rijksmonumenten; terreinen van zeer hoge waarde; wettelijk beschermd

vergunningaanvraag bij Rijk (RCE) conform monumentenwet

2

Terreinen van zeer hoge waarde

40 cm –Mv

100 m²

3

Gebieden met een hoge verwachtingswaarde

40 cm –Mv

250 m²

4

Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde

40 cm –Mv

2500 m²

5

Gebieden met een lage verwachtingswaarde

40 cm –Mv

10000 m²

6

Geen verwachtingswaarde

Geen onderzoeksplicht

Tabel 3. Archeologische waarde-categorieën gemeente Brunssum met bijbehorende ondergrenzen

Toelichting ondergrenzen Bij de ondergrenzen geldt als algemene richtlijn: hoe hoger de archeologische waarde of verwachting van een gebied, hoe kleiner de ondergrens. In gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting bevinden zich namelijk naar verwachting meer vindplaatsen dan in gebieden met een middelhoge en een lage archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt dan ook dat bij relatief kleine ingrepen vindplaatsen kunnen worden verstoord. Of vindplaatsen daadwerkelijk worden verstoord wordt sterk bepaald door de aard, omvang en diepteligging van de geplande bodemingrepen. Naast archeologisch relevant, dienen de ondergrenzen ook maatschappelijk haal-

47

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

baar en praktisch uitvoerbaar te zijn. Geprobeerd is om de zogenaamde planologische ‘kruimelgevallen’ zoveel mogelijk vrij te stellen van archeologisch onderzoek. Daarnaast is het van belang om toevalsvondsten zoveel mogelijk uit te sluiten, aangezien het (financieel) risico hiervan vaak bij de gemeente ligt. Diepte van de ingreep Alle bodemingrepen die niet dieper reiken dan 40 cm -Mv zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Deze ondergrens van 40 cm is gebaseerd op de gemiddelde diepte van de verstoorde bovengrond (veelal de bouwvoor). Hoewel in de verstoorde bovengrond archeologische resten kunnen voorkomen, bevinden deze zich niet meer in hun oorspronkelijke context. De waarde van deze resten is daardoor relatief gering. Oppervlakte bodemingreep Categorie 1. De wettelijk beschermde archeologische monumenten. Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwetgeving vereist (aanvraag via gemeente; beoordeling door Rijk). Voor de andere hieronder beschreven categorieën worden in de voorschriften bij het bestemmingsplan richtlijnen vastgelegd waaraan bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning, projectafwijkingsbesluit of ontheffing getoetst wordt of er wel of geen onderzoeksplicht bestaat. Categorie 2. De terreinen van zeer hoge waarde. Bij ingrepen op deze terreinen geldt de 100 m² die de wet voorschrijft als ondergrens.

Alleen bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden het maaiveld en met een verstoringsoppervlak groter dan 100m 2 zijn onderzoeksplichtig. Categorie 3 en 4. Dit zijn de gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde. Voor deze gebieden zijn de grenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m² en 2500 m²). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Voor de archeologie geldt de afweging dat in deze categorieën alleen grotere onderzoeken tot meerwaarde leiden. “Postzegelonderzoekjes” vormen een te grote belasting voor alle betrokkenen en hebben buiten de gebieden met een zeer hoge waarde weinig informatierendement. Categorie 5. In gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m²) een onderzoeksplicht. Categorie 6. Gebieden zonder verwachtingswaarde (verstoorde of reeds onderzochte terreinen). Alle bodemingrepen zijn vrijgesteld van onderzoeksplicht.

Update van de archeologische kaart De archeologische verwachtingskaart en de archeologische beleidskaart betreffen momentopnamen. Het is de weergave van de stand van zaken, zoals die op het moment van de vervaardiging van de kaarten voorhanden was. Daarmee is de kaart op het moment van uitgave feitelijk al verouderd. Meerdere malen per jaar worden er in de gemeente nieuwe archeologische vond-

48

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

sten gedaan. Ook worden er regelmatig archeologische onderzoeken uitgevoerd die meer inzicht bieden in de wijze waarop het gebied door de mens is gebruikt. Op basis van nieuwe onderzoeksresultaten moeten de heersende wetenschappelijke theorieën soms worden bijgesteld. Om hierop te kunnen anticiperen wordt zo snel mogelijk na de implementatie van de Omgevingswet een evaluatie gemaakt van de archeologische kaart. Indien nodig zal de beleidskaart herzien worden.

In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de werking van de gemeentelijke beleidskaart archeologie worden geëvalueerd en zal worden bezien of actualisering van beleid en/of beleidskaart aan de orde is.

3.4 Verankering van de archeologie in de Ruimtelijke Ordening De archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente Brunssum is een onmisbaar instrument dat een zorgvuldige en verantwoorde omgang met het archeologisch erfgoed mogelijk maakt. Om archeologische belangen mee te wegen, dienen zij echter wel structureel en formeel onderdeel te zijn van het planologische besluitvormingsproces. Op structuurvisie-niveau in de rol van mede-ordenend principe, op bestemmingsniveau als mede- afwegingskader, op vergunningsniveau als toetsingskader. Hoe concreter het plan, hoe gedetailleerder de kennis over het archeologische bodemarchief moet zijn. In de volgende paragrafen wordt aangegeven welke werkwijze de gemeente Brunssum hanteert in de verschillende fasen van planvorming.

Structuurvisie-niveau Wanneer de gemeente haar toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen gaat vastleggen, houdt zij daarbij rekening met het archeologische erfgoed. Het archeologisch erfgoed dient daarbij in eerste instantie als inspiratiebron. De archeologische resten op een plek hebben namelijk een zeer lokaal verhaal te vertellen, wat onderdeel is van onze lokale identiteit. Voor velen wordt de kwaliteit van de leefomgeving deels bepaald door de herkenbaarheid van deze lokale identiteit. Archeologie wordt door de gemeente als ruimtelijke basiskwaliteit gezien en is daarmee mede-ordenend bij de inrichting. Behoud van archeologische resten is daarbij het uitgangspunt. Daarnaast is het van belang om in dit stadium van planvorming inzicht te hebben in de financiële consequenties van bepaalde ontwikkelingen. Indien bij de ontwikkeling archeologische resten worden bedreigd, is inzicht in de kosten en de tijdsduur van archeologisch onderzoek cruciaal. De archeologische verwachtings- en beleidskaart (meest recente versie) zal dienst doen als basisdocument in deze fase van planvorming. Fysiek archeologisch onderzoek is in deze fase nog niet noodzakelijk en wenselijk.

49

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

De structuurvisie wordt voorgelegd aan de regio-archeoloog die vervolgens controleert of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn. In het kader van de Omgevingswet zal de huidige structuurvisie in nauw overleg met de regio-archeoloog omgezet worden naar een omgevingsvisie.

Bestemmingsniveau

2

Het centrale juridische instrument in het archeologiebestel is (in ieder geval tot de inwerktreding van de Omgevingswet) het bestemmingsplan of de beheersverordening (Monumentenwet artikel 38a; zie kader en bijlage 2). In de praktijk betekent dit het volgende: • Alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen binnen een gemeente moeten ‘archeoproof’ zijn; • Bij het opnieuw bestemmen van gronden dient het archeologisch aspect meegewogen te

Monumentenwet 1988; artikel 38a De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: waarden).

worden. Bestemmingsplannen en beheersverordeningen ‘archeo-proof’ De wet 3 biedt de mogelijkheid om in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan en voorbereidingsbesluit een beschermingsregime ten aanzien van aanwezige en te verwachte archeologische resten op te nemen (zogenaamd ‘archeo-proof’ maken). De gemeente kan vervolgens in het kader van concrete projecten – waarbij een omgevingsvergunning voor een aanleg- of bouwactiviteit wordt aangevraagd – verder inzoomen op deze eventuele aanwezige resten (zie vergunningsniveau). Concreet gebeurt dit ‘archeo-proof’ maken van een (bestemmings)plan door middel van het toekennen van een dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ op de verbeelding. Dit houdt in dat de

2

De nieuwe Omgevingswet wordt nog uitgewerkt en treedt naar verwachting in 2022 in werking. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving zal ook in deze wet opgaan (verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen, onthef-fingen, bescherming stads- en dorpsgezichten). Omdat de exacte uitwerking hiervan nog niet duidelijk is en tot die tijd de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, wordt hier van de huidige situatie uitgegaan (medio 2021).

3

In de toekomst waarschijnlijk de Omgevingswet

50

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

gebieden waar archeologische resten voorkomen of worden verwacht een plek krijgen op de verbeelding (dubbelbestemming). Aan deze dubbelbestemming worden vervolgens regels gekoppeld waarin de voorwaarden voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zijn uitgewerkt. In de toelichting dient deze dubbelbestemming goed te worden gemotiveerd. N.B. Voor een omgevingsvergunning, waarbij het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan of een sloopactiviteit in een beschermd stads- en dorpsgezicht zijn bepalingen ten aanzien van een onderzoeksverplichting al rechtstreeks in de wetgeving opgenomen (Monumentenwet 1988, artikel 41; bijlage 2). Het is dan ook niet nodig om deze in het bestemmingsplan op te nemen. Middels het bestemmingsplan kunnen sloopactiviteiten (ook buiten beschermde stads- en dorpsgezichten) eventueel ook onderzoeksplichtig worden gemaakt. Het ondergronds verwijderen van fundamenten, muurwerken, en dergelijke, moet in dat geval als aanlegactiviteit worden aangemerkt. Inmiddels is al een groot deel van de bestemmingsplannen in de gemeente Brunssum ‘archeoproof’. Ook bij toekomstige bestemmingsplannen zal het aspect archeologie volwaardig worden meegenomen. Als input voor toekomstige bestemmingsplannen wordt de (meest actuele) archeologische beleidskaart gebruikt.

Opnieuw bestemmen van gronden Soms zijn in een gebied ontwikkelingen gepland die niet voldoen aan het huidige bestemmingsplan. In dat geval wordt er een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan opgesteld of er wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij de uitgebreide procedure wordt gevolgd. Dit houdt in dat er een ruimtelijke onderbouwing aan de aanvraag wordt toegevoegd. Archeologie is een facet dat mede afgewogen moet worden in de besluitvorming omtrent de nieuwe bestemming. In deze fase van planvorming dienen we dan ook te beschikken over meer gedetailleerde archeologische informatie. Om een goede, integrale afweging te kunnen maken, is het van belang om te weten of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn, waar deze zich bevinden en of ze behoudenswaardig zijn. Dit dient vastgesteld te worden door archeologisch onderzoek (liefst t/m waarderende fase). N.B. Archeologisch onderzoek dient enkel te gebeuren in gebieden waar archeologische resten reeds zijn vastgesteld of verwacht worden. Bovendien heeft de gemeente Brunssum bepaald dat onderzoek alleen hoeft te worden uitgevoerd bij ingrepen met een bepaalde omvang en diepte (toetsingsinstrument: archeologische beleidskaart).

Indien uit het archeologisch onderzoek blijkt, dat de resten behoudenswaardig zijn en bedreigd worden door de geplande ontwikkeling, worden ze meegewogen in de besluitvorming rondom de bestemmingswijziging. Uitkomst daarvan zal zijn behoud van de archeologische resten op de locatie (planaanpassing) of behoud van de resten ex situ (archeologische opgraving). Zolang er waardevolle archeologisch resten in het gebied aanwezig zijn en deze niet (volledig) zijn opgegraven, dient in het bestemmingsplan een beschermingsregime te worden opgenomen (dubbelbestemming archeologie met bijbehorende regels en toelichting; zie vorige paragraaf).

51

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

In de gemeentelijke praktijk is reeds geregeld dat nieuwe bestemmingsplannen worden voorgelegd aan de regio-archeoloog. De regio-archeoloog adviseert vervolgens of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn.

In de gemeentelijke procedures wordt opgenomen dat nieuwe bestemmingsplannen (zowel ontwikkelingsgerichte als conserverende) worden voorgelegd aan de regio-archeoloog. De regio-archeoloog adviseert vervolgens of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn.

Vergunningsniveau Indien een omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit wordt aangevraagd binnen een gebied met de dubbelbestemming ‘waarde archeologie‘, dan dient de vergunningverlener aan de hand van de planregels na te gaan of archeologisch onderzoek gewenst is. Sommige ‘verstoringen‘ worden getolereerd, maar bij grote verstoringen zal archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn (zie tabel 3). Dit onderzoek moet uitwijzen of archeologische resten in het gebied aanwezig zijn, waar deze zich bevinden en of ze behoudenswaardig zijn. Indien hiertoe aanleiding is, kan vervolgens aan de vergunning één van de volgende voorschriften worden verbonden: • de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem (in situ) kunnen worden behouden; • de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ); • de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties..

Monumentenwet 1988; artikel 39, lid 2 en artikel 40, lid 1 Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit [….] of een bouwactiviteit […] een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

Vergunningverleners dienen bij een vergunningaanvraag dus de afweging te maken of archeologisch onderzoek noodzakelijk is (ingreep wordt getoetst aan het bestemmingsplan). Het ontbreekt vergunningverleners echter soms aan inhoudelijke kennis. Vandaar dat ondersteuning van deze

52

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

afdeling in sommige (lastige) gevallen noodzakelijk is. In bijlage 4 is een stappenplan opgenomen, dat duidelijk maakt wie waar verantwoordelijk voor is.

Om de achtergrondkennis van de vergunningverleners te vergroten, zal regelmatig een kennisbijeenkomst worden georganiseerd met de regio-archeoloog, waarin het archeologisch proces (en het stappenplan) wordt toegelicht. Tevens komen bij deze bijeenkomst de knelpunten uit de dagelijkse praktijk aan bod.

3.5 Regie van het archeologisch onderzoek Regelmatig zal het nodig zijn dat in het kader van ruimtelijke plannen archeologisch onderzoek moet worden verricht. Deze onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door gecertificeerde bureaus. De gemeente is bevoegd gezag en ziet toe op de kwaliteit van het onderzoek. Dit betekent dat de gemeente bepaalt in welke gevallen onderzoek nodig is, zelf een beslissing neemt over de resultaten van de onderzoeken ([selectie]besluit) en aanvullende eisen kan stellen aan de uit te voeren onderzoeken.

3.5.1 Begeleiden van het archeologisch onderzoekstraject Het archeologisch onderzoekstraject: de AMZ-fasering Het proces van archeologisch onderzoek is opgebouwd uit verschillende stappen en wordt aangeduid als de fasering van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ-fasering; bijlage 5). De verschillende onderzoeksmodules die hierin onderscheiden worden, verlopen qua zwaarte van onderzoek van licht naar zwaar. Deze opzet is gekozen om na het uitvoeren van elke onderzoeksmodule te kunnen beslissen of aanvullend onderzoek noodzakelijk is of dat er genoeg gegevens zijn verzameld om tot een goed onderbouwde beslissing te komen. Vaststellen wanneer er voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden, is afhankelijk van de aard en omvang van de geplande ingrepen en de aard van de aanwezige waarden. Soms kan een globale indruk van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden al voldoende zijn. In andere gevallen echter zal wel heel nauwkeurig de aard, omvang, datering en diepteligging van archeologische waarden moeten worden vastgesteld. Bij een keuze tussen deze twee uitersten spelen ook tijd en geld een belangrijke rol.

De AMZ-fasering als ambtelijk besluitvormingstraject De AMZ-fasering is behalve een archeologisch onderzoekstraject, ook een ambtelijk besluit­ vormingstraject. Het is de taak van de gemeente om dit traject op te starten, te bewaken en op consequente wijze in te passen in de projecten die in de gemeente plaatsvinden. Voor de gemeente zijn de volgende 3 beslisstappen te onderscheiden: • Stap 1: afweging archeologisch onderzoek noodzakelijk of niet? • Stap 2: beslissing over vervolgonderzoek na iedere fase van onderzoek • Stap 3: het selectiebesluit

53

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

1. Afweging archeologisch onderzoek noodzakelijk of niet? Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de bodem wordt geroerd, komt ook het aspect archeologie om de hoek kijken. De gemeente bekijkt in dat geval - aan de hand van de archeologische verwachtings-e en beleidskaart en/of bestemmingsplankaart - of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht. Zo ja, dan wordt vervolgens bekeken of de plannen eventueel kunnen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Wanneer de ontwikkelingen de ondergrenzen niet overschrijden (zie § 3.3), is er vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar om de vergunning te verlenen of de bestemming van de gronden te wijzigen. Er hoeft derhalve geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Wanneer de ondergrenzen wel worden overschreden, dienen de plannen te worden aangepast of zal de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek moeten laten uitvoeren. Dit laatste betekent dat de AMZ-fasering wordt opgestart. De coördinatie van het AMZ-proces binnen de gemeente Brunssum is bij een ambtenaar neergelegd, die archeologie in zijn portefeuille heeft. Dit hoeft geen archeoloog te zijn. Hij/zij kan de beoordeling van de onderzoeksverplichting met behulp van tabel 3 zelfstandig uitvoeren. Bij twijfelgevallen en voor volgende processtappen is advies van de regioarcheoloog nodig. 2.

Beslissing over vervolgonderzoek na iedere fase in de AMZ-fasering Het archeologisch onderzoek dient vervolgens te worden uitgevoerd door een deskundig onderzoeksbureau. De gemeente dient na iedere fase in de AMZ-fasering een beslissing over het vervolgtraject te nemen. Is vervolgonderzoek al dan niet noodzakelijk? De rapportages worden inhoudelijk door de regio-archeoloog beoordeeld. Op grond van diens advies kan de gemeente een gemotiveerde beslissing nemen. 3. Het selectiebesluit Het uiteindelijke doel van het archeologisch onderzoek is vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van archeologische resten in het gebied en zo ja, wat de waarde hiervan is. Op basis van de waar­ dering door de onderzoekers wordt een selectieadvies uitgebracht: beschermen, opgraven, vrijgeven of een archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Hierbij streeft de gemeente Brunssum altijd zoveel mogelijk naar behoud van archeologische waarden in situ. Een uiteindelijke beslissing over de omgang met een vindplaats is een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid (B&W). Het betreft het zogenaamde selectiebesluit. Na het doorlopen van het boven beschreven proces zijn er in principe 4 opties: 1. de werkzaamheden kunnen zonder voorwaarden plaatsvinden; 2.

de werkzaamheden kunnen plaatsvinden, met inachtneming van de voorwaarden voor aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld aanpassing van de plannen); 3. de werkzaamheden kunnen plaatsvinden onder de voorwaarde dat archeologisch vervolgonderzoek (archeologische opgraving of archeologische begeleiding) plaatsvindt; 4. de werkzaamheden worden niet geaccepteerd, hetgeen meestal tot bescherming leidt.

54

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

3.5.2 Aanvullende onderzoekseisen De gemeente Brunssum hecht veel waarde aan de kwaliteit van archeologische onderzoeken die op haar grondgebied worden uitgevoerd. Ten aanzien van archeologische onderzoeken stelt zij daarom een aantal aanvullende eisen. 1. Ieder onderzoek moet voldoen aan de op dat moment geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 2. Om er zeker van te zijn dat er bij onderzoek geen belangrijke archeologische feiten worden gemist, is een lijst opgesteld van uitgaven die verplicht geraadpleegd moeten worden. Dit zijn: | Verhoeven, M.P.F., 2007. Hoog, middelhoog en laag; een archeologische verwach-

tings- en cultuurhistorische advieskaart voor de Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth. Deelrapport I: de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart en Deelrapport II: Catalogus van archeologische vindplaatsen en bouwhistorische elementen RAAP-rapport 1483. Weesp. | Archeologische verwachtings- en beleidskaart Brunssum, vaststellingsdatum 1

oktober 2013. En bij gravend onderzoek tevens: | De Grooth, M., 2007, De Vroege Prehistorie. Deeben, J., H. Peeters, D. Raemae-

kers, E. Rensink & L. Verhart, 2006. De vroege prehistorie. NOaA hoofdstuk 11 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl. | Enckevort, H. van, T. de Groot, H. Hiddink & W. Vos, 2006. De Romeinse tijd in het

Midden-Nederlandse rivierengebied en het Zuid-Nederlands dekzand- en lössgebied. NOaA hoofdstuk 18 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl. | Gerritsen, F., P. Jongste & L. Theunissen, 2006. De Late Prehistorie in Noord-,

Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied. NOaA hoofdstuk 17 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl. | Hoevenberg, J., 2007, De Romeinse tijd. | Hoof, L. van, 2007. Late Prehistorie. | Stoepker, H., 2007, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd | Stoepker, H., E. Rensink & E. Drenth, 2002. Behoud en onderzoek van archeologi-

sche waarden in het Maasdal in het kader van de Maaswerken en de Via Limburg: wetenschappelijk beleidsplan 2002. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. | Verhart, L. De vroege Prehistorie in Limburg; een actuele kennisstand van de

vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013. | Meurkens, L. en A. Tol. De late Prehistorie in Limburg; een actuele kennisstand

van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013. | Tichelman, G. Romeinse tijd in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege

prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

55

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

3. De gemeente vindt het belangrijk dat bij archeologisch onderzoek lokale kennis zoveel mogelijk wordt benut. De gemeente is zich ervan bewust dat er lokaal veel kennis over het verleden aanwezig is en dat het een gemiste kans is om deze niet te benutten. Actieve participatie van de bevolking levert niet alleen inhoudelijk betere plannen op; de plannen kunnen ook rekenen op een groter maatschappelijk draagvlak. De gemeente adviseert de uitvoerende bureaus om bij interessant archeologisch onderzoek (met name gravend onderzoek) de lokale heemkundeverenigingen en amateur archeologen te benaderen om te bekijken of zij iets kunnen en willen betekenen. Het betreft vrijwilligerswerk, dat in de praktijk niet mag leiden tot vertraging. 4. De gemeente vindt het belangrijk dat de resultaten van archeologische onderzoeken niet verscholen blijven voor de burgers. Onderzoeksbureaus zijn daarom verplicht om een samenvatting (met conclusies) in de rapportage op te nemen. Bij ieder interessant groter onderzoek is, naast een gewone samenvatting, tevens een publiekssamenvatting - liefst voorzien van een foto of kaart - vereist. Interessant onderzoek betreft veelal gravend onderzoek (proefsleuvenonderzoek, opgraving of archeologische begeleiding) waarbij interessante vondsten of resultaten zijn gedaan. 5.

Om de gegevens vervolgens gemakkelijk toegankelijk te maken, dient ieder onderzoeksrapport ook digitaal (pdf-formaat) te worden aangeleverd. 6. Verder stelt de gemeente dat het bij opgravingen van enige omvang of bij bijzondere vondsten gewenst is dat een open dag wordt georganiseerd. De coördinatie hiervan gebeurt door regioarcheoloog, in samenwerking met betreffende uitvoerende instantie en opdrachtgever.

3.5.3 Omgang met toevalsvondsten Toevalsvondsten betreffen archeologische resten die ontdekt worden tijdens niet archeologische graafwerkzaamheden. Door de keuzes die de gemeente in onderhavige beleidsnota maakt, probeert de gemeente echter de kans op het aantreffen van toevalsvondsten zoveel mogelijk te beperken. Toch is het niet ondenkbaar dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden ontdekt. Welke werkwijze dient er dan gevolgd te worden? Voor toevalsvondsten bestaat een meldingsplicht (Erfgoedwet, art. 5.10): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister.” Het doel van de meldingsplicht is onder andere om de informatie over het bodemarchief in het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) up-to-date te houden. Daarvoor dient de toevalsvondst aangemeld te worden bij de regioarcheoloog Parkstad. Als de toevalsvondst behoudenswaardig wordt geacht, kan de bouw worden stilgelegd. In de praktijk legt de minister alleen de bouw stil bij toevals­v ondsten van nationaal belang. Indien de toevalsvondst niet van nationaal belang is, kan de gemeente actie ondernemen.

Zij zal bepalen of de vondst wel van regionaal of provinciaal belang is en in overleg met de initiatiefnemer bepalen hoe verder te handelen. Men kan ook (gemotiveerd) besluiten om de toevalsvondst verloren te laten gaan.

56

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Indien de verstoorder aan al zijn wettelijke verplichtingen ten aanzien van archeologisch onderzoek heeft voldaan, kunnen de kosten die gemoeid zijn met het verder onderzoeken van een toevalsvondst niet verhaald worden op de initiatiefnemer. De gemeente is in dit geval een tegemoetkomende rol toebedeeld en zal de kosten voor haar rekening nemen (eventueel samen met Rijk, Provincie). Met andere woorden: als de verstoorder geen onderzoeksplicht heeft omdat de bodemingreep binnen de ondergrenzen valt, maar er tijdens de graafwerkzaamheden wel archeologische resten worden ontdekt, ligt het risico bij de gemeente en niet bij de verstoorder. Een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen (artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek). De vondst hoeft dan ook niet aangeleverd te worden bij het provinciaal depot.

3.6 Maatschappelijke waarde: archeologie in de openbare ruimte De gemeente wil het archeologisch erfgoed zo dicht mogelijk bij de mensen brengen. Dit kan onder andere bereikt worden door duidelijke verwijzingen naar de lokale archeologische waarden in de openbare ruimte. Zo kan er bijvoorbeeld middels borden en foto’s verteld worden wat er zich op een bepaalde plek onder de grond bevind, maar is het ook mogelijk om bepaalde resten in openbare ruimte zichtbaar te maken (bijv. in de bestrating). Het is daarom van belang dat gezocht wordt naar mogelijkheden om aangetroffen archeologische resten te verbeelden of te ontsluiten. De laatste jaren wordt bij een groeiend aantal inrichtingsplannen aandacht geschonken aan de inpassing en visualisatie van archeologische vindplaatsen en objecten. Een plan kan vaak nog relatief eenvoudig worden aangepast zonder dat dit al te veel financiële consequenties heeft. Voor het plan zelf betekent het bovendien vaak een meerwaarde, doordat het een eigen gezicht en uitstraling krijgt. De gemeente zal hierin een faciliterende rol spelen.

Parkstad en IBA IBA zoekt naar innovatieve, toekomstgerichte projecten die duurzaam van betekenis zijn voor de ontwikkeling van een stad of gebied. IBA bouwt zelf niet, maar regelt processen. Het legt de basis voor een nieuwe oriëntatie op de toekomst waarin maatschappelijke veranderingen worden aangejaagd. Simpel gesteld, IBA draagt bij aan de verbetering van een stad of regio. IBA geeft een Aufschwung. In 2020 eindigt de IBA-periode met een tentoonstelling van de gerealiseerde projecten. IBA staat voor Internationale Bau Ausstellung. Het fenomeen IBA is in Duitsland ontstaan en uitgegroeid tot een creatieve aanpak met een bewezen economische impuls voor betreffende gebieden. Met als tastbaar resultaat een fysieke verandering in het gebied. Maar minstens zo belangrijk: een cultuuromslag in denken en werken en in waardering voor het gebied. Een hernieuwde trots, die uitnodigt om te investeren. Succesvolle buitenlandse IBA’s zoals IBA Emscherpark, IBA Sachsen-Anhalt, IBA Hamburg en de IBA’s in Berlijn bewijzen dat een IBA gebieden daadwerkelijk op de kaart kan zetten. IBA Parkstad is de eerste niet-Duitse IBA.

57

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

De Parkstadgemeenten (Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Voerendaal, Simpelveld, Nuth en Onderbanken) en de Provincie Limburg hebben in oktober 2013 besloten een IBA van start te laten gaan. Sinds juli 2014 is de organisatie en uitvoering daarvan in handen van de IBA Parkstad B.V.(bron: http://www.iba-parkstad.nl). Enkele archeologie-gerelateerde IBA-projecten binnen de gemeente Parkstad zijn: • Kasteel Schaesberg: SlotLab • Romeins Kwartier Heerlen • Gebiedsontwikkeling Jabeek: Het Verwoeste Kasteel Etzenrade • Lauradorp • Clemensdomein Brunssum • Herinrichting Treebeekplein • Versterken Centrum Vijverpark

3.7 Erfgoed is van ons allen: communicatie en publieksbereik Naast directe beleefbaarheid van de archeologie in de openbare ruimte, willen we het publiek actief in aanraking laten komen met - en betrekken bij - de archeologie. Door het publiek op diverse manieren in aanraking te laten komen met de gemeentelijke archeologie, zal de kennis en herkenbaarheid worden vergroot. Hierdoor zal het draagvlak voor het archeologisch erfgoed toenemen. Vooralsnog heeft de gemeente de ambitie om dit op de volgende wijzen bereiken: | Open dagen: de gemeente stelt het verplicht dat bij grotere opgravingen minstens 1 open

dag wordt georganiseerd. | Aanhaken bij activiteiten rondom een archeologisch thema (Romeins Zuid

Limburg,Middeleeuwse pottenbakkersindustrie, Middeleeuwse kastelen, Mijnverleden). Voorbeelden zijn de Romeinse week, het Romeinse festival Sempervivetum (Bocholtz), het “Spectaculum Romanum” (Landgraaf, Rimburg) en het Romeins festival in Heerlen. | Archeologie in de pers: de gemeente neemt een actieve houding aan bij het verspreiden

van persberichten, die archeologie aan de orde stellen. | Publicaties cultuurhistorie, en archeologie in het bijzonder: De gemeente stelt verplicht dat

door de uitvoerende bureaus bij een interessant archeologisch onderzoek (veelal gravend onderzoek) een publiekssamenvatting wordt aangeleverd. | Archeologische en cultuurhistorische routes om het verleden uit te dragen (zoals de Via

Belgica en de Kastelenroute Parkstad Limburg, uitgegeven door de VVV en de Archeoroute Limburg): De gemeente zal faciliteren bij het uitzetten van archeologische en cultuurhistorische routes in de gemeente (bijvoorbeeld in de vorm van het bekende ‘ommetje’). In het buitengebied is ook de combinatie met natuur en landschap interessant. De gemeente zoekt daarbij samenwerking met heemkundeverenigingen, beheerders van natuurterreinen en de VVV. | Educatieprogramma voor scholen: beter dan een stapel boeken of foto’s kan een wande-

ling door een oud cultuurlandschap, waarin nog archeologische resten verborgen zijn,

58

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

inzicht geven hoe mensen in het verleden en heden de ruimte hebben benut en hebben vormgegeven. Dit biedt mogelijkheden voor het sterk opkomende ‘omgevingsonderwijs’ waarin ‘regionale beeldvorming’ en ‘eigen regio’ onderwerpen zijn. De gemeente zal grensoverschrijdend bekijken of en op welke manier zij dit uit kan werken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Onderwijskist voor scholen”. De regio-archeoloog zal hierin een coördinerende rol hebben. | Kennisontsluiting: Voor de bewoners en bezoekers van de gemeente die dieper in de mate-

rie willen duiken, wil de gemeente de mogelijkheid bieden om dit te doen. Daarom wordt samenwerking gezocht met het archief Rijckheyt om archeologische onderzoeksrapporten ook te gaan ontsluiten. De regio-archeoloog zal hierin vanuit de gemeenten een coördinerende rol hebben. | Participatie door vrijwilligers bij veldwerk.

3.8 Privécollecties Een aantal burgers is in het bezit van grote privécollecties archeologisch materiaal. De gemeente is zich ervan bewust dat hier met zorg mee moet worden omgegaan. Ook deze collecties behoren immers tot het erfgoed van de gemeente en zijn daarmee onderdeel van het verhaal. De gemeente heeft de ambitie om deze privécollecties op korte termijn te gaan inventariseren. Daarnaast zullen met de eigenaren officiële afspraken worden gemaakt hoe hier in de toekomst mee om zal worden gegaan (afspraken omtrent conservering en restauratie, beheer, nalatenschap e.d.). Het voornaamste doel is dat op termijn zoveel mogelijk vondsten aan het Provinciaal depot voor bodemvondsten worden overgedragen. De gemeente zal stimuleren dat deze privécollecties tentoongesteld kunnen worden in overleg met de Heemkundeverenigingen en de plaatselijke amateurarcheologen. Hierbij wordt de regioarcheoloog betrokken en kan de gemeente gebruik maken van haar recht om archeologische vondsten te lenen bij het Provinciaal depot. Een mooi voorbeeld van deze ambitie vormt de privécollectie Adriaens, die recent door de familie aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten geschonken is. Deze collectie bevat vondsten en opgravingsdocumentatie van Cluttenleen en van andere vindplaatsen uit de gemeente Brunssum. Momenteel wordt de collectie door de depotbeheerder geïnventariseerd.

Nadien zal gekeken worden op welke manier de collectie (deels) ontsloten kan worden.

Met de regio-archeoloog zullen afspraken worden gemaakt omtrent het inventariseren en maken van (bindende) afspraken omtrent privécollecties.

59

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

3.9 Vooruitblik: nieuwe regelgeving Omgevingswet Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 juli 2022 in voege. Dat betekent voor de gemeente Brunssum, net zoals voor de andere gemeenten in Nederland, een zekere aanpassing van het archeologiebeleid. In de Omgevingswet krijgt het cultureel erfgoed voor de fysieke leefomgeving een bredere reikwijdte dan de huidige wet- en regelgeving. Het uitgangspunt voor de gemeente vormt de Omgevingsvisie waarin aandacht wordt besteed aan de kernwaarden van landschap, steden en dorpen, en de omgangsvormen met het cultureel erfgoed. De keuzes uit de omgevingsvisie worden voorts in een Omgevingsplan vertaald naar regelgeving, waardoor de bescherming van cultureel erfgoed juridisch geborgd wordt. Elke gemeente heeft straks een gemeentedekkend Omgevingsplan waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De regels worden opgesteld om de doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken of hieraan bij te dragen (van Campen, Poelstra & Schout, 2021). Voor de uitgebreidere omschrijving van de Omgevingswet en wat dit betekent voor het beleid, wordt verwezen naar bijlage 3.

60

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

61

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

62

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

4

Organisatie en financiën

In het voorgaande hoofdstuk is het inhoudelijke archeologiebeleid van de gemeente Brunssum uitgewerkt. De uitvoering van dat beleid heeft gevolgen voor de gemeentelijk organisatie, maar heeft ook financiële gevolgen. In dit hoofdstuk wordt daarom aandacht besteed aan de organi­s atorische en financiële gevolgen van de implementatie van het gekozen beleid.

4.1 Gemeentelijke organisatie Het taakveld archeologie is in Brunssum deels ondergebracht bij de afdeling Publieksdiensten-Vergunningen en deels bij de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Vastgoed en wordt in samenwerking met de regio-archeoloog, die door alle Parkstadgemeenten tezamen is aangesteld, uitgevoerd.. Het takenpakket archeologie omvat onder andere: • Zorg dragen voor de verdere uitwerking en implementatie van onderhavig beleid; • Adviseren over het archeologisch erfgoed bij plannen op abstracter (structuurvisie) niveau; • Beoordelen van nieuwe bestemmingsplannen (zowel ontwikkelingsgerichte als conserverende); zijn de archeologische belangen voldoende gewaarborgd? • Organiseren van kennisbijeenkomsten voor vergunningverleners, beleidsmedewerker, projectleiders en wethouders ter ondersteuning van hun werk; • Adviseren bij (lastige) vergunningaanvragen; • Adviseren bij gemeentelijke projecten; • Begeleiden van het archeologisch onderzoekstraject (toezicht houden op het proces en beoordelen van het resultaat); • Toetsen van Programma’s van Eisen (PvE’s); • Nemen van een selectiebesluit als bevoegd gezag; • Uitwerken van het beleid ten aanzien van communicatie en publieksbereik: | mede coördineren van open dagen bij opgravingen; | coördinatie van de publicatie van onderzoeksresultaten in het week-

blaadje / internet; |

initiatief nemen / faciliteren van de ‘populaire’ publicatie over het archeologisch erfgoed van de Parkstadgemeenten;

| initiatief nemen / faciliteren van museale presentaties; | initiatief nemen / faciliteren bij het uitzetten van archeologische routes; | coördineren van de ontsluiting van archeologische rapporten op de

gemeentelijke website.

63

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Naast de regio-archeoloog en de beleidsmedewerker monumenten en archeologie zijn ook andere afdelingen en medewerkers van de gemeente betrokken bij de uitvoering van bovengenoemde taken. Het gemeentelijk archeologiebeleid kan alleen slagen door een goede samenwerking en beleidsafstemming tussen alle betrokken afdelingen en personen. In oktober 2021 is de regioarcheoloog 10 jaar in dienst. Er wordt een evaluatie gemaakt en een projectvoorstel opgesteld hoe de functie verder zal ingevuld worden.

Munt uit Vlaanderen, 1387 afkomstig van het Clemensdomein (© BAAC).

4.2 Gemeentelijke archeologische kosten Bij de bekostiging van de uitvoering van het archeologisch beleid is het van belang onderscheid te maken tussen de algemene uitvoeringskosten (bestuurslasten) en de projectgebonden uitvoe­r ingskosten.

4.2.1 Bekostiging Regioarcheoloog Na een proefperiode van 2 jaar is de regioarcheoloog per 1 oktober 2013 in vaste dienst getreden. De kosten van de regioarcheoloog worden in rekening gebracht op basis van de verdeelsleutel naar rato van het aantal inwoners van de gemeenten in Parkstad Limburg. Uitgangspunten waren de bewonersaantallen in Parkstad Limburg per 1 januari 2013 en de kosten van € 90.000 = op jaarbasis. In onderstaande tabel is per gemeente in procenten en euro’s de bijdrage in de kosten van de regioarcheoloog weergegeven.

64

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Brunssum

Inwoneraantal

Wettelijke taken

Onderzoekskosten

Totale kosten 2021

28.282

12.468

906

13.374

Kerkrade

45.817

19.790

1.468

21.258

Landgraaf

37.579

16.232

1.204

17.436

Beekdaelen

35.743

15.439

1.145

16.584

Simpelveld

10.573

4.567

339

4.906

Voerendaal

12.439

5.373

399

5.772

Heerlen

88.832

37.506

2.764

40.270

Totaal

259.265

111.375

8.225

119.600

Tabel 4: verdeling kosten regioarcheoloog 2021

Momenteel wordt er een voorstel uitgewerkt om een nieuwe overeenkomst op te stellen waarin duidelijke afspraken gemaakt worden over de werkzaamheden van de regioarcheoloog en de daaraan gekoppelde jaarlijkse kosten, inclusief indexering, per gemeente.

4.2.2 Algemene uitvoeringskosten De algemene uitvoeringskosten van de gemeente worden voornamelijk gevormd door de hoeveelheid tijd die wordt besteed aan handhaving en uitvoering van de in dit document voorgestelde omgang met de archeologische monumentenzorg. Het takenpakket ten aanzien van archeologie neemt toe. Dit betekent dat het aantal fte dat er nu beschikbaar is, zal moeten worden uitgebreid en/of dat er intern met taken moet worden gescho­ ven. Momenteel beschikken we echter nog niet over voldoende gegevens om te bepalen in welke mate de werklast zal toenemen. Het is daarom van belang dat de komende jaren de werklast wordt gemonitord. De gemeente brengt de ambtelijke ‘handeling’ van het beoordelen van rapporten, PvE’s, etc. reeds (deels) in rekening bij de vergunningaanvrager. Hiertoe is de legesverordening aangepast (Legesverordening en Werken voor derden 2022 gemeente Brunssum).

In de Legesverordening wordt het als volgt omschreven: Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd..

65

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

4.2.3 Projectgebonden uitvoeringskosten De gemeente als ‘verstoorder’ De projectgebonden uitvoeringskosten betreffen de kosten die gemaakt worden in het kader van de archeologische monumentenzorg. Deze kosten zijn voor rekening van de ‘verstoorder’ (veroorzakerprincipe). In het geval de gemeente initiatiefnemer is (gemeentelijke projecten), komen deze dus ten koste van de gemeente. In tegenstelling tot de algemene uitvoeringskosten zijn deze direct te relateren aan individuele ontwikkelingsprojecten. De kosten kunnen dan ook binnen het budget van het desbetreffende project verrekend worden. Bij gemeentelijke ontwikkelingsprojecten, waarbij de gemeente kan worden aangemerkt als de rechtstreekse ‘verstoorder’, dienen binnen de projectbegroting dan ook standaard de benodigde middelen gereserveerd te worden voor het volgens de archeologische verwachtings- en beleidskaart (en het daaraan gekoppelde beleid) noodzakelijke archeologische onderzoek.

Gemeente als voorbereider De gemeente draagt vaak zorg voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied. Indien sprake is van het oprichten van een bouwwerk zoals opgenomen in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening moeten gemeenten op grond van de Grondexploitatiewet de door hen gemaakte kosten verhalen. Dat geschiedt door het vaststellen van een exploitatieplan waarbij aan de omgevingsvergunning een planregel wordt verbonden, dat inhoudt dat de vergunninghouder aan de gemeente een exploitatiebijdrage is verschuldigd (artikel 6.17 Wro) of middels het sluiten van een anterieure overeenkomst. Ook de kosten die de gemeente maakt in het kader van de archeologische monumentenzorg vallen hieronder en zullen derhalve via de omgevingsvergunning of bij privaatrechtelijke overeenkomst worden verhaald.

Kosten in verband met toevalsvondsten Zie hiervoor paragraaf 3.5.3.

66

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Literatuur Bonnie, R., 2008: Nieuwenhagen-Koelweg: Een Romeinse villa? In Mulders, H., 2008: Jaarboek Oudheidkundig Cultuurhistorisch Genootschap Landgraaf 2008. pp. 43-54, Landgraaf. Brounen, F., 1997. Landgraaf: een landweer uit de Middeleeuwen. In: S. van Dockum & A. Haytsma (red.); Gids archeologische monumenten in Nederland. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek/Uitgeverij Uniepers, Abcoude: 46-47. Campen, J., van, J. Poelstra & B. Schout, 2021. Cultureel erfgoed in het omgevingsplan. Kansen en aandachtspunten. Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland, Alkmaar. Demey, D., 2003. De Romeinse weg van Boulogne-sur-Mer naar Keulen, Provincie Limburg: een archeologisch onderzoek. RAAP-rapport 924. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Dommelen, S. van en C. Pen. (red.), 2013. Cultureel erfgoed op waarde geschat: Economische waardering,verevening en erfgoedbeleid. Platform31, Den Haag. Ellenkamp, G.R. , 2015. Lakprofiel van de Romeinse weg bij de Locht te Kerkrade. RAAP-adviesdocument 803. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Gaauw, P. van der, 2008. Provinciale archeologische aandachtsgebieden; Archeologisch selectiedocument. Provincie Limburg, Maastricht. Groot, T. de, 2005. Een bijzonder graf uit de Romeinse tijd in Bocholtz (gemeente Simpelveld). Overdruk uit het Jaarboek 2005 van de Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal.

Hensen, G., 2010. Plangebied Diepestraat te Arensgenhout, gemeente Nuth; IJzertijd bewoning en begraving, een Romeinse villa en een middeleeuws erf: archeologisch onderzoek: proefsleuvenonderzoek en opgraving. RAAP-rapport 2102. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Hensen, G., 2015a. Bewoning uit de Midden IJzertijd langs de Merkelbeker Beek; buitenring Parkstad Limburg, T5 vindplaats 8 De Kling, Europalaan Noord, gemeente Brunssum; archeologisch onderzoek: een opgraving. RAAP-rapport 2959. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Hensen, G., 2015b. Graven langs de Merkelbeker Beek; Buitenring Parkstad Limburg, T5 vindplaats 10 H. Dunantstraat, Europalaan Zuid, gemeente Brunssum; archeologisch onderzoek: een opgraving. RAAP-rapport 2860. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Hiddink, H.A., 2004. Een grafmonument uit de Romeinse tijd in Nieuwenhagen, gemeente Landgraaf. Zuidnederlandse archeologische rapporten (ZAR) 17, Amsterdam. Janssens, M., 2009. De Via Belgica aan de Oude Midweg te Kunrade, gemeente Voerendaal; documentatie van het profiel. RAAP-notitie 3304. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Jetten, J. & W. Oehlen, 2002. Wijnandsrade, de parel van Zuid-Limburg. Heemkundevereniging Vrienden van Wijnandsrade, Wijnandsrade. Kimenai, P., 2016. De Sint-Clemenskerk. Multidisciplinair onderzoek naar de geschiedenis van de middeleeuwse parochiekerk in Oud-Merkelbeek.

BAAC rapport A-13.0247, ’s Hertoghenbosch. Laan, E., van der, 2019. Gemeenten Beekdaelen en Brunssum Plangebied Clemensdomein te Merkelbeek, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek, BAAC rapport V-18.0401, ’s Hertoghenbosch.

67

ERFGOED IS IDENTITEIT BELEIDSNOTA ARCHEOLOGIE GEMEENTE BRUNSSUM

Luinge, R.A.C., 2009. Bouwen, ruimte en archeologie. Juridisch kader voor niet-archeologen. SIKB, Gouda. Ministerie van OCenW, 1988. Monumentenwet 1988. Ministerie van OCenW, Den Haag. Ministerie van OCenW, 2006. Wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta. Ministerie van OCenW, Den Haag. Ministerie van VROM, 2008. Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. Versie december 2008. Ministerie van VROM, Den Haag. Ministeries van WVC & BZ, 1992. Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Europese Commissie, Valletta. Den Haag. Projectgroep NOaA, 2006. Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Versie 1.0. Ontleend aan www.noaa.nl. Provincie Limburg, 2005. ‘Via Belgica. Verleden op weg naar de toekomst’. Provincie Limburg, Maastricht. Provincie Limburg, 2016. Archeologie in de etalage! Richtinggevend kader archeologie met actielijnen voor de periode 2016-2019. Provincie Limburg, Maastricht. Put, M.M.J. & M. van Dijk, 1989. 200 jaar Heerlen; van Romeinse nederzetting tot moderne stad. Stadsarchief Heerlen, Heerlen. RACM, 2009. Archeologische Monumentenkaart. RACM, Amersfoort. Raczynski-Henk, Y., R. Paulussen (ArcheoPro), B.A.T.M. Weekers-Hendrikx en R. Machiels, 2018. Wie sjoeën oos Limburg waor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=3f2c0b5b-71b0-43c1-af59-11ccb91d8379