Raadsvoorstel 68 (bijlage) Toelichting bestemmingsplan 'Vervangende nieuwbouw Europalaan te Brunssum'
Tekst van het document
Het streven van Brunssum is om ook jongeren voor de gemeente te behouden en aan te trekken. De met de regiodeal toegenomen bouwambitie van 7.500 wordt door Brunssum bij voorkeur ingevuld met woningen die oudere huishoudens verleidt hun – voor jongeren aantrekkelijke – eengezinswoning te verlaten. Daarmee wordt door de doorstroming te stimuleren de ‘ontgroening’ van Brunssum indirect tegengegaan. Tevens overweegt Brunssum na te gaan welke toevoegingen aan de woningvoorraad direct bijdragen. Welke woningen verleiden jongeren (zoals jongere gezinnen) te behouden of aan te trekken? Om de doelstellingen uit de woonvisie te behalen wordt ingezet op: · Herstructurering en transformatie in Brunssum; · Het aanbieden van passende woningen, ook voor bijzondere doelgroepen en wonen met zorg; · Het realiseren van betaalbare woningen; · Variatie en balans in het woningaanbod. Afweging De Regionale Woonvisie Parkstad Limburg is gezamenlijk gemaakt met de andere gemeenten in de regio Parkstad Limburg, te weten Beekdalen, Heerlen, Landgraaf, Kerkrade, Simpelveld en Voerendaal. Het onderdeel van de woonvisie voor de gemeente Brunssum beschrijft de lokale uitwerking. Om wonen en leven in Brunssum goed te houden en te blijven verbeteren, stelt de gemeente iedere vijf jaar een woonvisie op.
In de woonvisie wordt beschreven wat de gemeente voor ogen heeft op het gebied van wonen en hoe ze daar samen met bewoners en andere partners aan wil gaan werken. De woonvisie is opgesteld gezamenlijk met de andere Parkstadgemeenten en per gemeente lokaal uitgewerkt. Hiermee wordt aangesloten bij de beleving van de bewoners en van de andere belanghebbenden, dat deze gemeenten sterk met elkaar verbonden zijn. Daarmee wordt tevens geborgd, dat de beleidskeuzes op elkaar zijn afgestemd. Deze Woonvisie komt in de plaats van de Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017–2021 onderdeel Brunssum en heeft de status van ‘Volkshuisvestingsprogramma’ volgens het Wetsvoorstel Regie
Hoofdstuk 3
27
op de Volkshuisvesting. De Woonvisie vormt onder meer de basis voor prestatieafspraken met woningcorporaties en huurdersorganisaties. De Woonvisie is onderdeel van het vigerend volkshuisvestelijk beleid, waar bijvoorbeeld ook de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen’ onderdeel van zijn. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het provinciaal woonbeleid, dat anno 2022 vertaald is in de Limburgse Agenda Wonen 2020 – 2023 en de Omgevingsverordening Limburg. De zeven Parkstadgemeenten kiezen in deze woonvisie voor ‘kansrijk wonen voor iedereen, nu en in de toekomst’. Dit oogmerk geeft richting aan alles wat de gemeenten op het gebied van wonen de komende jaren gaan stimuleren en verbieden, gaan doen en laten, gaan betogen en uitwerken. Dit oogmerk geeft richting, maar laat ook ruimte. De ambitie ‘een woning voor iedereen’ gaat over de beschikbaarheid, de geschiktheid, de kwaliteit en de betaalbaarheid van woningen. Hierbij worden 3 hoofdlijnen onderscheiden: · Nieuwbouw; · Herstructurering en transformatie; · Huisvesting van bijzondere doelgroepen en wonen met zorg. Onderdeel Brunssum Het onderhavige plan heeft betrekking op het slopen van verouderde portieketageflats en vervolgens vervangende nieuwbouw.
In de Woonvisie is voor Brunssum opgenomen dat de lopende transformatie van niet levensloopbestendige portieketageflats naar meer hedendaagse woonvormen de komende jaren wordt voortgezet. Uit de visie volgt verder dat voor wat betreft nieuwbouw het basisbouwprogramma van Brunssum is gebaseerd op het woningbehoefteonderzoek uit 2021 (STEC). Hieruit volgt dat het aantal huishoudens in de gemeente Brunssum de komende tien jaar naar verwachting afneemt met 300 (basisscenario) tot 160 (migratiescenario). Beide hangen samen met de verwachte vergrijzing in de gemeente. De verwachte toename zit de komende jaren met name in de groep 65-plushuishoudens met een laag inkomen. De behoefte in Brunssum is dan ook als volgt: · In Brunssum is voornamelijk behoefte aan levensloopgeschikte appartementen en nultredenwoningen. Deze behoefte bestaat over het algemeen uit sociale huur en middeldure huur. · Er is een relatief kleine behoefte aan grondgebonden midden- en sociale huurwoningen (vanaf 80 m²). · Er is in Brunssum behoefte aan levensloopgeschikte huurappartementen en - nultredenwoningen tot €1.000 en koopappartementen en -nultredenwoningen tussen € 150.000 en € 250.000. De gemeente Brunssum volgt met haar woningbouwprogramma op hoofdlijnen de woningbehoefteonderzoeken, maar wil in de extra woningbouwproductie ook tegendruk gaan geven aan de (dubbele) vergrijzing.
Het streven van Brunssum is om ook jongeren voor de gemeente te behouden en aan te trekken. De met de regiodeal toegenomen bouwambitie van 7.500 wordt door Brunssum bij voorkeur ingevuld met woningen die oudere huishoudens verleidt hun – voor jongeren aantrekkelijke – eengezinswoning te verlaten. Daarmee wordt door de doorstroming te stimuleren de ‘ontgroening’ van Brunssum indirect tegengegaan.
Hoofdstuk 3
28
Daarnaast werkt de gemeente Brunssum bij nieuwbouw en herstructurering klimaatbestendig. Naast verduurzamingsmaatregelen van de woningen is er voldoende aandacht voor het tegengaan van hittestress, maar ook voor slimmere waterkringlopen in de woning en het regenwater. Het bouwen en verbouwen gebeurt natuurinclusief, waarbij wordt toegewerkt naar 100% circulair in 2050. Verder hebben de verschillende regio’s in Limburg, de Provincie Limburg en het Rijk samen in maart 2023 de Woondeal Limburg3 gesloten. In deze woondeal zijn de regionale ambities beschreven om het woningtekort aan te pakken. Verder geldt vanuit de Woondeal de opgave om twee derde van de woningbouwopgave te realiseren in het betaalbare segment, waarvan 30% sociale huur. Gemeente die een woningvoorraad hebben met minder dan 30% sociale huur, dienen zich in te spannen om tot een woningvoorraad te komen met 30% sociale huur door extra sociale huurwoningen te realiseren. Tot slot zijn voor de regio zuid Limburg de woningambities per subregio beschreven. Voor de gemeente Brunssum geldt dat de gemeente een woningopgave heeft van 900 woningen. Doorwerking plangebied De woningen die in onderhavig initiatief worden voorzien zijn eengezinswoningen en levensloopbestendige woningen in de sociale huursector.
Daarmee sluit dit initiatief aan op de Woondeal Limburg, de lokale behoefte van woningbouwplannen en het vergroten van het aanbod sociale huurwoningen. Het initiatief sluit aan bij de gestelde ambities in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 2016 en is opgenomen in de planvoorraadlijst. De visie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. Afweging De ontwikkeling voorziet in het realiseren van in totaal 158 woningen ter vervanging van 194 verouderde portietetageflats. Twee woongebouwen met in totaal 44 woningen zijn beoogd voor betaalbare levensloopgeschikte koopappartementen of huurappartementen in het segment midden / goedkoop. Zes woongebouwen met in totaal 90 levensloopgeschikte woningen en 23 appartementen met woonzorg functie zijn beoogd voor sociale huur. Onderhavig planvoornemen voldoet aan de kaders die zijn gesteld in Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2023-2028, onderdeel gemeente Brunssum’ aangezien het planvoornemen voorziet in het realiseren van goedkope en voornamelijk levensloopbestendige woningen in de kern Brunssum. Het aanvullende aanbod van appartementen waar zelfstandig wonen met zorgfaciliteiten wordt gecombineerd, versterkt het aanbod van passende woningen met zorg. Bovendien wordt voorzien in vervangende nieuwbouw van reeds verouderde portiekflats.
Het planvoornemen voorziet dan ook in ruimtelijk-stedenbouwkundig en kwalitatief wenselijke bebouwing. De beoogde ontwikkeling voldoet hiermee aan de behoefte.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Brunssum 2025 In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen,
3
Woondeal Limburg: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/03/09/partijen-tekenen-woondeal-limburg-voor-de-bouw-van-26.550woningen
Hoofdstuk 3
29
wijkvoorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden. In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is. De Structuurvisie is voorts opgebouwd uit de 5 thema's: Wonen, Werken, Voorzieningen, Recreatie/natuur/milieu en Verkeer. Hiervan is het thema 'Wonen' van belang voor de ontwikkelingen in het plangebied. De beleidsambities zijn met name gericht op het behouden en versterken van de gemeente als onderscheidende, kwalitatief goede woonplek. Brunssum moet ook in 2025, mede in het licht van de veranderende demografische omstandigheden, niet alleen een aantrekkende woongemeente zijn, maar ook een gemeente waar goed geleefd kan worden.
Ontwikkelingen binnen de woningvoorraad, de werkgelegenheid, de voorzieningen, de sociaal-maatschappelijke structuur, de ruimtelijke structuur, de recreatie en het verkeer dienen met elkaar bij te dragen aan het bereiken van het noodzakelijke en toekomstbestendige woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen in Brunssum-Noord en is in de Structuurvisie Brunssum 2025 aangewezen als locatie voor de ontwikkeling van woningbouw. Voor de wijk Brunssum-Noord zijn een aantal beleidsrichtingen waaraan gedacht wordt als volgt: · Bestaande hoogbouwflats deels transformeren naar lagere gestapelde bouw of naar grondgebonden woningen dan wel door interne verbouwing omvormen naar duurdere (levensloopbestendige) woningen, ter bevordering van een evenwichtige mix in de wijk; · Kleine woningen in mijnwijk (Heufke, Rozengaard,) geschikt maken/behouden voor starters (goedkope huur / koopwoningen) en een deel vergroten voor gezinnen (gemiddelde koopwoningen) door samenvoegen. · Door samenvoeging van woningen in mijnwijken wordt een mix in prijsklassen bereikt; · Beperkt toevoegen van duurdere koopwoningen aan de rand in groene omgeving, waardoor doorstroming op gang komt; · t.a.v. de bestaande portieketagewoningen bestaan twee opties; 1. Grotendeels slopen en eventueel vervangen door grondgebonden (koop)woningen teneinde gezinnen met kinderen aan te trekken; 2.
Beperkt behouden/opknappen voor starters / jongeren, afhankelijk van ligging. · Klingbemden en de Kling behouden voor gezinnen en hogere inkomensgroepen Afweging Onderhavig planvoornemen is in lijn met de in de Structuurvisie Brunssum 2025 opgestelde beleidsuitgangspunten. Het planvoornemen voorziet in het transformeren van verouderde portiekflats middels het realiseren van kwalitatief en kwantitatief wenselijke bebouwing in de vorm van lagere gestapelde bouw en ten minste 23 appartementen met woon-zorg functie. Het planvoornemen voorziet in grotendeels levensloopbestendige woningen in het goedkope en beperkt middeldure segment. Daarmee is het planvoornemen in overeenstemming met de beleidsrichtingen voor de wijk Brunssum-Noord en is
Hoofdstuk 3
30
het planvoornemen een onderdeel van het totale pakket om een kwalitatief en kwantitatief goed aanbod te krijgen. Derhalve sluit het plan aan bij de doelstelling uit de Structuurvisie Brunssum 2025. 3.4.2 Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021 De gemeenteraad van Brunssum heeft op 19 januari 2021 de Beleidsregel “Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021” vastgesteld, onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregel “Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg”. Met deze beleidsregel kunnen goede woningmarktplannen zonder compensatie worden gerealiseerd. Door het loslaten van de compensatieverplichting voor goede plannen kan de initiatiefnemer de plannen realiseren zonder de verplichting dat er minimaal eenzelfde aantal woningen gesloopt wordt als dat gebouwd wordt, dan wel dat er een financiële compensatiebijdrage moet worden gestort in het (regionale) sloopfonds. Door het schrappen van deze compensatieplicht wordt nadrukkelijk invulling gegeven aan de wens vanuit de samenleving om snel te bouwen voor met name de doelgroepen sociale- en middenhuur, alsmede voor starters. Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de veranderende behoeften bij de woningzoekenden. Om deze beleidsregel te kunnen toepassen zijn drie criteria benoemd waaraan een goed plan moet voldoen: 1.
Een woningbouwinitiatief moet maatschappelijke meerwaarde hebben; 2. Uitgangspunt hierbij is dat inbreiding voor uitbreiding gaat. Bovendien moeten de plannen bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, door middel van herstructurering en vervangingsbouw, hergebruik van winkels en ander waardevol vastgoed met passende woningbouw of wel een bijdrage leveren aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. 3. Het plan is voor de gemeente planologisch aanvaardbaar en moet op grond hiervan voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder van duurzame verstedelijking’, zoals vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor elk nieuwbouwplan geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief moet worden onderbouwd. 4. Tot slot moeten de nieuwe woningbouwinitiatieven subregionaal worden afgestemd en worden toegevoegd aan de Regionale Woningmarktprogrammering. Onderhavige ontwikkeling betreft een locatie waar verouderde bebouwing wordt vervangen door nieuwe bebouwing, waarbij de kwaliteit en het woongenot verbeterd worden. Tevens wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte, nu het gaat om betaalbare woningen en woningen met zorgfaciliteiten, die langer zelfstandige wonen mogelijk maken. Het initiatief heeft hiermee maatschappelijke meerwaarde.
De locatie was planologisch al bestemd voor woningbouw met de hierbij behorende voorzieningen. Om de kwaliteitsslag en het maatschappelijk gewenste aanbod mogelijk te maken, is een aanpassing van de planologische kaders nodig. Zoals volgt uit deze toelichting en de bjibehorende onderzoeken is de beoogde ontwikkeling planologisch aanvaardbaar. Ook binnen de subregionale behoefte aan woningen voorziet het plan in een actuele behoefte aan betaalbare woningen (zie paragraaf 3.3.4 van deze toelichting).
Hoofdstuk 3
31
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Bodem 4.1.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.1.2 Onderzoek In het kader van deze ontwikkeling en de daaraan voorafgaande sloop zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hierna samengevat. De betreffende onderzoeken zijn als bijlage 1 t/m 3 bijgevoegd.
Resultaten indicatief bodemonderzoek rondom te slopen flats Leenheerstraat 1-79 In verband met de voorgenomen sloop van bovengenoemd appartementencomplexen waarbij plaatselijk in de bodem direct rondom het gebouw zal worden gegraven, is inzicht in de kwaliteit van de bodem gegeven middels een briefrapportage (bijlage 1).4 Middels een beperkt aantal boringen en chemische analyses is een indruk verkregen van de actuele kwaliteit van de bodem ter plaatse van het onderzoeksterrein, voorafgaand aan de sloop van het complex. Uit de resultaten van onderhavig bodemonderzoek blijkt het volgende: · zowel de bovengrond (0-0,5 m-mv) als de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen; · bij eventuele graafwerkzaamheden is geen veiligheidsklasse van toepassing. De definitieve veiligheidsklasse dient door de aannemer te worden bepaald. Opgemerkt wordt dat onderhavig onderzoek niet geschikt is voor de aanvraag van een omgevingsvergunning en slechts bedoeld is om een indruk te krijgen van de kwaliteit van de bodem direct rondom de gebouwen in het kader van geplande graafwerkzaamheden. Onderhavig onderzoek is dan ook niet conform de hiervoor geldende norm (NEN 5740) uitgevoerd.
4
Geonius, Resultaten indicatief bodemonderzoek rondom te slopen flats Leenheerstraat 1-79 te Brunssum, Kenmerk: MA150070.B01, d.d. 14 april 2015
Hoofdstuk 4
32
Milieuhygiënische verklaring AP04 bodemonderzoeken ‘Op den Haan’ te Brunssum Er zijn een zestal AP04 bodemonderzoeken verricht naar de milieuhygiënische kwaliteit van een viertal ex-situ en een tweetal in-situ depots grond, gelegen ter hoogte van het project “De Haan” te Brunssum (bijlage 2).5 Aanleiding tot het bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond ten behoeve van de afvoer van de grond. Teneinde de uiteindelijke afvoerbestemming en/of hergebruikmogelijkheden te bepalen, is middels onderhavig onderzoek de milieuhygiënische kwaliteit van de grond bepaald. Uit de toetsing aan de normwaarden opgenomen in bijlage B, tabel 1 van het Regeling besluit bodemkwaliteit blijkt, dat de concentraties van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden (AW2000) niet overschrijden. Uit de analyseresultaten voor PFAS is gebleken dat bij alle depots, op depot IV na, geen toepassingsbeperkingen gelden. Voor depot IV zijn marginale overschrijdingen aangetroffen. Hetgeen betekent dat hier toepassingsbeperkingen voor gelden. Hieronder volgen de toepassingsbeperkingen voor de depots die op onderhavig plangebied van toepassing zijn. Depot III Op basis van voornoemde bevindingen kan de partij grond als zijnde achtergrondwaarden grond zonder toepassingsbeperkingen worden gekwalificeerd, hetgeen betekent dat deze grond kan worden gebruikt in elke toepassing.
Depot IV Voor depot IV zijn, anders dan bij alle andere depots, marginale overschrijdingen aangetroffen betreft PFAS. Gezien de marginale overschrijding kan de partij grond als zijnde achtergrondwaarden grond met toepassingsbeperkingen worden gekwalificeerd. Gezien de marginale overschrijding is geconcludeerd dat deze grond kan worden gebruikt in elke toepassing. Naast voornoemde conclusie met betrekking tot het generieke kader is, zoals eerder aangegeven, toetsing aan Grootschalige bodemtoepassing (GBT) mogelijk. Deze toetsing is uitgevoerd, doch niet nader omschreven in onderhavige verklaring. Uit de toetsing blijkt dat de viertal ex-situ en tweetal insitu depots voldoen aan de normstelling voor GBT. Dit betekent dat de grond kan worden toegepast in een GBT dan wel kan worden toegevoegd aan een bestaande GBT, mits wordt voldaan aan de minimale eisen. Depot IV heeft een lichte PFAS verhoging waardoor er extra beperkingen zijn. De partij grond dient bij toepassing 5 werkdagen van te voren gemeld te worden. Deze melding vindt plaats via het meldpunt bodemkwaliteit. Indien men voornemens is om onderhavige partij grond te splitsen dan wel samen te voegen met een andere partij grond dient men rekening te houden met de eisen welke zijn opgenomen in de Regeling besluit bodemkwaliteit (zie artikelnummers 4.3.1. en 4.3.2.).
5
Aelmans, Milieuhygiënische verklaring AP04 bodemonderzoeken ‘Op den Haan’ te Brunssum, rapportnummer: E199979.005/KDI, d.d. 11 november 2019
Hoofdstuk 4
33
Vooronderzoek bodem Door Econsultancy is een vooronderzoek bodem uitgevoerd.6 Hieronder worden beknopt de belangrijkste bevindingen besproken, voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage welke als bijlage is toegevoegd. Uit de terreininspectie volgt dat op de onderzoekslocatie geen mogelijke bronnen voor een gronden/of grondwaterverontreiniging zijn aangetroffen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. 4.1.3 Conclusie Uit correspondentie met de gemeente kan worden geconcludeerd dat, na beoordeling van het bodemonderzoek, voor het reeds gesloopte gedeelte aan de Europalaan (zijde van de Leenheerstraat) kan worden volstaan met het historisch bodemonderzoek in combinatie met de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart zoals opgenomen in het bodemonderzoek. Voor het nog te slopen deel aan de Europalaan, aan de zijde van de Regentessestraat, dient na de sloop een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden voor de aanvraag bouwen omgevingsvergunning. Met inachtneming van hetgeen bovenstaand beschreven vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. 4.2.2 Onderzoek wegverkeer Binnen het plangebied worden geluidgevoelige objecten (woningen) gerealiseerd. De onderhavige planlocatie is gelegen binnen de geluidzone van de N300, Europalaan, Dorpstraat en Kennedylaan. Derhalve is door Econsultancy een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai7 uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet gezoneerde wegen in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.
Het onderzoek is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting.
6 7
Econsultancy., Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Europalaan te Brunssum, rapportnr.17395.001, d.d. 30 maart 2022. Econsultancy, Onderzoek wegverkeerslawaai Europalaan te Brunssum, rapportnummer 17395.004, d.d. 12 december 2023
Hoofdstuk 4
34
Ten gevolge van de Europalaan en Kennedylaan wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB overschreden tot ten hoogste 10 dB. Conform de Wet geluidhinder dient een maatregelenonderzoek plaats te vinden. Hierbij dienen achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen te worden overwogen. Voor de woningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Europalaan en Kennedylaan een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. Als gevolg van de Europalaan en Kennedylaan wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting overschreden ter plaatse van alle bouwvlakken, maar niet op alle zijden. De overschrijding bedraagt ten hoogste 10 dB, de maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. Het treffen van overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Europalaan en Kennedylaan dienen hogere waarden te worden aangevraagd. Voor de appartementencomplexen en de zorgeenheden dient het akoestisch klimaat in de woningen (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk, in overeenstemming met het Bouwbesluit. De milieukwaliteit conform ‘methode Miedema’ varieert tussen zeer goed en tamelijk slecht.
Aanvullend op het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is tevens akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van individuele warmtepompen. Naar aanleiding van dit onderzoek is geconcludeerd dat de geluidsbelasting als gevolg van individuele warmtepompen voldoet aan de grenswaarde uit artikel 3.9 Bouwbesluit. De gecumuleerde geluidsbelasting als gevolg van alle warmtepompen is eveneens ruimschoots lager dan 40 dB(A). Het geluid van warmtepompen heeft een verwaarloosbaar effect op de totale gecumuleerde geluidsbelasting, in dat kader is verkeerslawaai veruit maatgevend. De milieukwaliteitsmaat varieert van ‘zeer goed’ tot ‘tamelijk slecht’. 4.2.4 Conclusie Indien hogere waarden verleend kunnen worden, is de verwachting dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: · er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; · het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; · het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; · het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Hoofdstuk 4
35
Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
Woningen (maximaal)
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3000
4.3.2 Toetsing Bij voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de realisatie van 158 wooneenheden, waarmee ruim binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Bovendien is er sprake van vervangende nieuwbouw en neemt het aantal wooneenheden middels onderhavig planvoornemen af. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
729
Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m
3
1,14
PM10 in μg/m
3
0,16
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Hoofdstuk 4
36
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet Milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 μg/m³ en voor PM10 40 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse lager dan 10 μg/m³, de concentratie PM10 onder de 18 μg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20 μg/m³. 4.3.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse is ruim voldoende om te spreken van een goed woon- en leefklimaat. Het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en de eventuele verslechtering heeft niet tot gevolg dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer in het gedrang komen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen tegen het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Algemeen Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 8. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met func-
8
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
37
tiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Toetsing Het plangebied ligt ten noordoosten van het centrum. Meer noordoostelijk van het plangebied is een buurtwinkelcentrum gelegen. Het plangebied wordt aan de oost- en westzijde omgeven door woningen en is daarom aan te merken als een rustig woongebied. De centrumfuncties aan de noord- en zuidzijde van het plangebied betreffen functies t/m milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Het centrum van Brunssum is gelegen op tenminste 200 meter ten zuiden van het plangebied. De ingang van het buurtwinkelcentrum aan de noordzijde ligt op een afstand van ruim 50 meter en de bijbehorende parkeerplaats op een afstand van ca. 38 meter van de grens van het onderhavige plangebied. De woonblokken binnen het plangebied liggen zelfs op ruimere afstand van genoemde centrumvoorzieningen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 30 meter. 4.4.3 Conclusie Nu de woonblokken op ruime afstand van de centrumvoorzieningen zijn gelegen en verder omgeven worden door woningen, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er dan ook geen belemmeringen tegen het plan.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Algemeen Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
Hoofdstuk 4
38
4.5.2 Toetsing en conclusie Onderhavig bestemmingsplan maakt geen veehouderij mogelijk. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen de geurcirkel van veehouderijen. Vanuit het aspect geurhinder en veehouderijen bestaan er geen belemmeringen tegen het planvoornemen.
4.6 Kabels en leidingen Binnen (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen kabels of leidingen voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw. Wel is aan de noordoostzijde van het plangebied een ondergrondse middendruk gastransportleiding gelegen met een belemmeringenstrook van 4 meter. De bebouwing wordt gerealiseerd buiten deze leidingstrook.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: · activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; · transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; · transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Hoofdstuk 4
39
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Toetsing In de navolgende situatie is een uitsnede van de openbare risicokaart opgenomen.
Uitsnede risicokaart met plangebied in het groene kader
Risicovolle inrichtingen In een straal van 1,5 kilometer rondom het plangebied zijn een aantal risicovolle bedrijven gevestigd. Dichtstbijzijnde inrichtingen betreffen het gasverdeelstation aan de Prins Hendriklaan op circa 1,1 kilometer afstand en een inrichting die beschikt over een ammoniaktank met een capaciteit van 2.500 kilogram op 1,3 kilometer afstand. Het plaatsgebonden risico en groepsrisico reikt niet tot onderhavig plangebied. Wel moet rekening worden gehouden met het vrijkomen van toxische wolken. De gehanteerde risicoafstand van bovenstaande inrichting reikt niet tot aan het plangebied. Risicovol transport over (spoor- en water)wegen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde transportroute is de Buitenring Parkstad Limburg (N300) op een afstand van circa 350 m.
Hoofdstuk 4
40
Opvallend is dat de Buitenring niet op de risicokaart is aangeduid als transportroute. In het provinciaal inpassingsplan voor de Buitenring is wel aandacht besteed aan externe veiligheid. Door aanleg van de Buitenring zal het transport van gevaarlijke stoffen via 'oude' routes (zoals de N276 en N299) waar mogelijk via de N300 plaatsvinden. Het gaat dan voornamelijk om bevoorrading van tankstations en betreft transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. Het groepsrisico voor peiljaar 2025 blijkt ruim onder 0,1 x de oriëntatiewaarde te liggen. De omgeving van het plangebied is niet aangewezen als een aandachtsgebied voor het groepsrisico. Bovendien is hier langs de N300 een afschermende voorziening met in hoofdzaak een ecologische functie geplaatst. Eventuele effecten van een fakkelbrand of explosie zullen daarom kleiner zijn dan gemiddeld. De N276 is gelegen op een afstand van circa 840 m ten westen van het plangebied. Zoals vermeld gaat het hier voornamelijk om de bevoorrading van tankstations. De route is eveneens niet aangeduid als transportroute gevaarlijke stoffen. Gelet op de ruime afstand van het plangebied zijn er ten aanzien van deze weg geen belemmeringen voor onderhavig bouwvoornemen. Risicovol transport buisleiding Op circa 1,1 kilometer afstand van het plangebied is een brandstofleiding aanwezig. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour van deze buisleiding.
Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt ingevolge de vigerende beheersverordening een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met een belemmeringenstrook van 4 meter. Deze leiding is niet weergegeven op de risicokaart. De bebouwing wordt gerealiseerd buiten de belemmeringenstrook en vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Algemeen De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
41
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale omgevingsvisie en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; · soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); · soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); · andere soorten (artikel 3.10).
Hoofdstuk 4
42
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
4.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene land-schapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel betreft de goudgroene natuurzone. Deze ligt ongeveer 380 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, “Brunssumerheide”, het Duitse “Teverener Heide” en “Geleenbeekdal” bevinden zich op respectievelijk 2,2 kilometer afstand ten zuidoosten (op het dichtstbijzijnde punt), 3,6 kilometer ten oosten en 4,8 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.
Aangezien de voorgenomen ontwikkeling het realiseren van 8 appartementencomplexen met 134 wooneenheden en 23 appartementen met woon-zorg functie betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening9 voor de gebruiks- en aanlegfase uitgevoerd. In de bijlage is de AERIUSberekening met een aanvullende notitie aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting.
9
WSP, Onderzoek stikstofdepositie Europalaan Brunssum, referentie: SLM022760-NOT-001, d.d. 4 april 2023
Hoofdstuk 4
43
Stikstofdepositie De gebruiksfase van de 158 nieuwe woningen aan de Europalaan in Brunssum leiden niet tot significant negatieve effecten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Door de toekomstige gebruiksfase wordt immers géén toename van de stikstofdepositie veroorzaakt t.o.v. het huidig gebruik (108 appartementen). Voor de bouwfase is onderzocht hoeveel emissie niet leidt tot een berekende toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Afhankelijk van het type materieel dat wordt ingezet, zijn voor het bouwjaar 2025 tot 4.200 draaiuren door machines met verbrandingsmotoren op de bouwplaats toegestaan en voor het bouwjaar 2026 tot 2.800 draaiuren en kunnen minstens elk jaar 2.000 personenwagens en 1.000 vrachtwagens naar de bouwplaats komen zonder dat hierdoor een toename van de stikstofdepositie wordt veroorzaakt. Daarnaast is de inzet van elektrisch materieel ongelimiteerd toegestaan. Op basis van ervaring in soortgelijke bouwprojecten wordt geconcludeerd dat het plan technisch en economisch uitvoerbaar is binnen deze randvoorwaarden. Het is uiteindelijk aan de aannemer om het noodzakelijke bouwproces zo in te richten dat hierdoor geen significant negatieve effecten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden ontstaan als gevolg van stikstofdepositie.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt niet leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbescherming vormt vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het plan. Soortenbescherming Vanwege de beoogde plannen is er in 2020 door Ecolybrium een quickscanonderzoek uitgevoerd (d.d. 17 november 2020), waarbij is vastgesteld dat de bebouwing mogelijk dienst doet als broedplek voor gierzwaluwen en huismussen en dat er mogelijk vleermuisverblijven aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. Als gevolg van de resultaten uit de quickscan is er in 2021 onderzoek uitgevoerd om er achter te komen in hoeverre de bebouwing gebruikt wordt door deze soorten en soortgroep. Uit dit onderzoek is gebleken dat er diverse soorten gebruik maken van de planlocatie en de bebouwing. Er broeden gierzwaluwen (33 zekere nestlocaties vastgesteld in 4 van de vijf gebouwen) en in alle gebouwen is er sprake van de aanwezigheid van vleermuizen. In één gebouw (het meest noordelijke) komen twee soorten gebouwbewonende vleermuissoorten voor. Huismussen zijn niet vastgesteld binnen de onderzoekslocatie.
Uiteindelijk zijn de volgende natuurwaarden aangetroffen: · Gierzwaluw; 33, met zekerheid vastgestelde nestlocaties van, gierzwaluw · Gewone dwergvleermuis; 2 kraamkolonies gewone dwergvleermuis (20-25 dieren), 3 milde winterverblijven (5-10 dieren), 1 massawinterverblijfplaats (50-60 dieren), 7 zomerverblijfplaatsen (1 dier per verblijf) en 1 zomerverblijfplaats (4 dieren) · Laatvlieger; 1 kraamkolonie (10 dieren) Verder zijn in de omgeving nog een aantal verblijfplaatsen gevonden: 1 zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (1 dier) en twee verblijfplaatsen van de laatvlieger (2 zomerverblijfplaatsen, telkens bewoond door 1 dier).
Hoofdstuk 4
44
Daarnaast zijn er andere soorten aangetroffen binnen de onderzoeksbegrenzing die het gebied gebruiken als foerageergebied. Hiervoor geldt dat er leefgebied aangetast wordt, maar dat dit geen essentieel leefgebied betreft waardoor soorten aangetast worden in de gunstige staat van instandhouding. De rapportage van dit onderzoek is onderdeel van bijlage 7 ‘Activiteitenplan aanvraag omgevingsvergunning Europalaan Brunssum’ van voorliggende rapportage. Door de sloop van alle gebouwen verliezen de aangetroffen soorten hun jaarrond beschermde broedplekken en hun beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit betekent een overtreding van de verbodsbepalingen binnen de Wet natuurbescherming, waarbinnen dit projectkader valt (aanvraag is gedaan in de tijd dat de Omgevingswet nog niet van kracht was). De te slopen gebouwen liggen in het stedelijke gebied van Brunssum, op zo’n 2.500m van de Brunssumerheide. De sloop en nieuwbouw leidt niet tot een negatief effect op kwalificerende habitats en soorten waarvoor de Brunssumerheide aangewezen is. Effecten op beschermde gebieden, en dan met name op kwalificerende habitats en soorten binnen het Natura 2000 gebied de Brunssumerheide, treden niet op, omdat de afstand tot dit gebied te groot is. Vervolgstappen, zoals het aanvragen van een vergunning of het treffen van maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Bijlage 7 van voorliggende rapportage voorziet in een activiteitenplan voor de aanvraag van een ontheffing voor de omgevingsvergunning voor het plan Europalaan te Brunssum. De ontheffingsaanvraag heeft betrekking op het verstoren en vernietigen van de aangetroffen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger en het verstoren en vernietigen van zeker 33 nestlocaties van de gierzwaluw. Het activiteitenplan is opgesteld ten behoeve van de ontheffingsaanvraag conform de Wet natuurbescherming, aangezien het plan valt onder de oude natuurwetgeving en daarmee niet beoordeeld hoeft te worden in het kader van de Omgevingswet. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies uit het activiteitenplan opgenomen. Het volledige activiteitenplan, inclusief de eerder uitgevoerde ecologische onderzoeken, zijn als bijlage 7 opgenomen van voorliggende rapportage. Natuurwaarden en te treffen maatregelen Vanwege de effecten op de vaste rust- en verblijfplaats van laatvliegers en gewone dwergvleermuizen en op de nesten van gierzwaluwen, is het noodzakelijk om de werkzaamheden zodanig uit te voeren dat er zo min mogelijk verstoring optreedt ten aanzien van de verblijfplaats en de aanwezige vleermuizen. Effecten op het aangetroffen foerageergebied van vleermuizen zijn verwaarloosbaar, omdat er in de nieuwe situatie voldoende open gebied voorhanden blijft, met name voor laatvlieger om te jagen.
Vanwege de nieuwe landschappelijke inrichting komt er uiteindelijk ook een verbetering ten opzichte van het jachtgebied van de andere soorten vleermuizen die zijn aangetroffen. Ook de nieuwe bebouwing zelf heeft een aantrekking op insecten en daarmee het voedsel van vleermuizen (gebouwen worden warm en met name muggen en andere kleine vliegende insecten soorten zullen op de warmte en op het licht afkomen, waardoor ook de aantrekking op vleermuizen geregeld is).
Hoofdstuk 4
45
Vanwege de planning van de werkzaamheden is het aanbrengen van tijdelijke kasten voor gierzwaluwen en vleermuizen overbodig, aangezien delen van de nieuwbouw reeds afgerond zijn zodat soorten deze al kunnen ontdekken. Ook met de sloop hoeven geen tijdelijke kasten geplaatst te worden, omdat het bouwproces dan al ver gevorderd is en er permanente voorzieningen in overvloed aanwezig zijn voor de aangetroffen soorten. Deze voorzieningen worden conform het kennisdocument gierzwaluw toegepast: mitigatie van 3 nieuwe nestplekken voor elk aangetroffen nest (33 gevonden, dus minimaal 99 terugbrengen in totaal verdeeld over de 9 nieuwe woonblokken). In detail zal afgestemd worden met een deskundig ecoloog waar de meest optimale inbouwplekken zijn, mede gelet op de aanwezigheid van ramen en deuren, aangezien deze dieren veel uitwerpselstrepen veroorzaken tijdens hun korte aanwezigheid in Nederland (circa 100 dagen in mei, juni en juli). Uit het onderzoek (en ook uit andere onderzoeken) is gebleken dat de plaatsing van de nesten op alle windrichtingen (m.u.v. de oostzijde) mogelijk zijn en succesvol zijn. De soort is hier aan de noord-, west- en zuidzijde aangetroffen. En zowel op de kopse kanten alsook in de lengterichtingen van de flatgebouwen. Bij de nieuwbouw dient hier dan ook rekening mee gehouden te worden.
Aangezien het kolonievogels betreft is het belangrijk dat nieuwe nesten geclusterd ingebouwd worden. Het kennisdocument gewone dwergvleermuis stelt dat er per aanwezige en te verdwijnen vaste rusten verblijfplaats 4 nieuwe voorzieningen per functie te worden herplaatst in de nieuwbouw, in de vorm van verschillende typen en maten vleermuiskasten. Echter is ook bekend dat vleermuizen in de meeste situaties grotere aaneengesloten ruimtes gebruiken op verschillende momenten van de dag en door het jaar heen. Recente onderzoeken (onder andere het laatvlieger onderzoek van Verhees, et al. 2022) laten zien dat vleermuizen inpandig tijdens de verschillende periodes van het jaar ook verhuizen. Dit heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met de temperatuurschommelingen in de gebruikte ruimtes. Logischerwijs zullen vleermuizen binnen hun verblijfplaats verplaatsen naar warmere of koelere plekken wanneer de temperatuur op hun hangplekken veranderd door omstandigheden (buitentemperatuur), zodat dieren binnen hun verblijfplaats op andere plekken gaan zitten. Het toepassen van kleinere kasten heeft dan ook feitelijk nauwelijks effectief resultaat voor de mitigatie van verblijfsfuncties. Uiteraard zijn er ook kasten die wel voor bepaalde functies werken, alleen de vraag hierbij is voor hoelang.
Er zijn voorbeelden van kasten (zoals een kraamkast in Tilburg), die na enkele jaren gebruik toch verlaten/verruild is voor een nieuwe verblijfplaats elders (waarbij ze weer “gewoon” in de spouwmuur zaten). In het nieuwbouwproject wordt getracht om de situatie van de verblijven in de huidige bebouwing zo goed als mogelijk terug te bouwen. In de huidige bebouwing zitten alle aangetroffen vleermuisverblijven in de bovenste 40-50 cm van de bebouwing. Dit betreft de ruimte boven de raamlateien die aanwezig zijn. Zeer waarschijnlijk is de ruimte onder deze lateien afgesloten met een spouwlat, waardoor uitsluitende de bovenste ruimte gebruikt wordt. Dit vermoeden bestaat omdat in de betreffende bouwperiode dergelijke constructies werden toegepast. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat alle invliegopeningen op die hoogte zijn aangetroffen. Lagere invliegopeningen zijn niet vastgesteld, vandaar het vermoeden dat de enkel bovenste delen geschikt zijn. Het betreft hier de bovenste randen
Hoofdstuk 4
46
rondom alle flatgebouwen. Dat betekent dan ook dat de vleermuizen het hele pand rond kunnen kruipen om zodoende voldoende en geschikte hangplekken (qua klimatologische omstandigheden) te vinden, in de periode dat er sprake is van klimaatverandering in de spouwmuren; door de hoeveelheid beschikbare ruimte kunnen ze zich dan ook makkelijk verplaatsen en vormen de gebouwen perfecte seizoens-, en zelfs jaarronde, verblijfplaatsen. Naast permanente maatregelen dienen er ook mitigerende maatregelen getroffen worden voorafgaande aan de sloop om te zorgen dat verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van gierzwaluw ongeschikt gemaakt worden. Dit kunnen fysieke maatregelen zijn zoals het ongeschikt maken/openbreken van delen van de constructie zodat een en ander door de wind en door kou en neerslag negatief beïnvloedt wordt, of anderzijds door de werkzaamheden uit te voeren in de periode dat soorten (zoals gierzwaluw) niet aanwezig zijn in Nederland, zodat deze niet negatief beïnvloedt worden door de werkzaamheden. Overige zaken ontheffing Europalaan Er worden in totaal 9 nieuwe woonblokken gerealiseerd, met daartussen door een landschappelijke inpassing. De bestaande vegetatie wordt daarbij zoveel als mogelijk gehandhaafd en daar waar mogelijk aangevuld met nieuwe inheemse aanplant van bomen en struiken.
De nieuwbouw kan gestart worden op de huidige graslandstroken zonder al te grote beperkingen. Wel dient er rekening gehouden te worden met het plaatsen van bouwverlichting. Verlichting mag enkel gericht te zijn op de bouwlocatie zelf (als deze ’s nachts belicht wordt i.v.m. het voorkomen van diefstal van bouwmaterialen). De bomen en struiken dienen onbelicht te blijven. De sloop werkzaamheden van de huidige flatgebouwen en daarmee de huidige verblijfplaatsen, dienen uitgevoerd te worden conform de beschreven manier. Afwijken mag enkel onder af- en toestemming met de ecoloog, eventueel aangevuld met ene advies/akkoord van Bevoegd Gezag (provincie Limburg). Materiaalopslag en het onderbrengen van zwaar materiaal mag niet te dicht op de vegetatie gedaan te worden, in verband met de aanwezigheid van andere soorten, om daarmee verstoring van bijvoorbeeld broedvogels en grondgebonden zoogdieren te minimaliseren. Het is gelet op de bouwprocedure van enkele jaren niet mogelijk om de werkzaamheden enkel uit te voeren buiten de broedperiode van vogels. Opgemerkt moet worden dat er geen andere soorten vogels aangetroffen die jaarronde nestbescherming genieten en dat er ook alleen vogels voorkomen die algemeen voorkomen in Nederland en de betreffende regio.