CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 68 (bijlage) Toelichting bestemmingsplan 'Vervangende nieuwbouw Europalaan te Brunssum'

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Europalaan; gemeentebladnummer 2024/6824.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Vervangende nieuwbouw Europalaan te Brunssum Gemeente Brunssum

Bestemmingsplan Vervangende nieuwbouw Europalaan te Brunssum Gemeente Brunssum

Rapportnummer:

P04886

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0899.BPVVNWBEUROPALAAN-Vs01

Datum:

14 augustus 2024

Opdrachtgever:

Stichting Weller

Projectteam BRO:

YvPi, RVe

Concept:

juni 2022

Voorontwerp:

-

Ontwerp:

12 december 2023

Vaststelling:

17 september 2024

Bron foto kaft:

BRO, abstract

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van vervangende nieuwbouw en de realisatie van 158 woningen (134 appartementen, 23 appartementen met woon-zorg functie en 1 appartement voor de zorgverlener) ter plaatse van de Europalaan te Brunssum.

BRO Hoofdvestiging Willemsplein 2 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T +31 (0)73 208 91 55 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave 1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 5 5 8

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten 2.4 Duurzaamheid

9 9 10 12 12

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

14 14

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.4 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid

14 15 16 17 18

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie van 16 december 2022) 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Regionaal beleid

18 19 22 24

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 24 3.3.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad ‘Ruimte voor park en stad’ 25 3.3.3 Ontwikkelagenda Parkstad Limburg 26 3.3.4 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2023-2028, onderdeel gemeente Brunssum27 3.4 Gemeentelijk beleid 29 3.4.1 Structuurvisie Brunssum 2025 3.4.2 Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021

29 31

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem

32 32

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek

32 32

Inhoudsopgave

1

4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid

34 34

4.2.1 Algemeen 4.2.2 Onderzoek wegverkeer 4.2.4 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

34 34 35 35

4.3.1 Algemeen 4.3.2 Toetsing 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

35 36 37 37

4.4.1 Algemeen 4.4.2 Toetsing 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur agrarisch

37 38 38 38

4.5.1 Algemeen 4.5.2 Toetsing en conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

38 39 39 39

4.7.1 Algemeen 4.7.2 Toetsing 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie

39 40 41 41

4.8.1 Algemeen 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Verkeer en parkeren

41 43 48 48

4.9.1 Verkeer 4.9.2 Parkeren 4.9.3 Conclusie 4.10 Water

48 49 49 50

4.10.1 Algemeen 4.10.2 Toetsing 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie en cultuurhistorie

50 51 52 52

4.11.1 Archeologie 4.11.2 Cultuurhistorie 4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

52 56 56

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

Inhoudsopgave

58 58 58 58

2

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

59 59 60 61

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding 6.2 Economische uitvoerbaarheid 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

62 62 62 63

7. PROCEDURE 7.1 De te volgen procedure 7.2 Terinzagelegging ontwerp 7.3 Vaststelling

66 66 66 66

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Indicatief bodemonderzoek Bijlage 2: Milieuhygiënische verklaring bodemonderzoeken Bijlage 3: Vooronderzoek bodem Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek warmtepompen Bijlage 6: AERIUS-berekening Bijlage 7: Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Bijlage 8: Watertoets Bijlage 9: Archeologisch onderzoek Bijlage 10: Geologisch-hydrogeologisch onderzoek

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Onderhavig planvoornemen bestaat uit vervangende nieuwbouw aan weerszijden van de Europalaan te Brunssum (gemeente Brunssum). Aan de oostelijke zijde hebben in het verleden portieketageflats gelegen die inmiddels al enkele jaren geleden zijn gesloopt. Aan de westzijde van de Europalaan liggen thans nog 5 portieketageflats die binnen afzienbare termijn worden gesloopt. Het Bexhoes, eveneens een portieketageflat, is reeds gesloopt. Aan beide zijden is nieuwbouw voorzien in de vorm van 2 wooncomplexen met elk 22 appartementen, 6 wooncomplexen met elk 15 appartementen en 24 zelfstandig gestapelde woningen, waarvan 23 met een woon-zorg functie. De 24e woning in dit bouwblok is bedoeld voor de zorgverlener. In totaal worden 158 woningen gerealiseerd.

Globale ligging plangebied bij rode pijl

Op basis van de vigerende beheersverordening ‘Woongebied 2e herziening’ is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk. De woningbouw kan mogelijk worden gemaakt door middel van de vaststelling van een nieuw bestemmingplan. In het voorliggende bestemmingsplan worden de nieuwe bestemmingen voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

Hoofdstuk 1

4

1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan de Europalaan, Leenheerstraat en Regentessestraat te Brunssum. Aan de oostelijke zijde van de Europalaan (aan de Leenheerstraat) betreft het de percelen kadastraal bekend als Brunssum, sectie D, nummers 3958 en 4314 en aan de westelijke zijde (Regentessestraat) de percelen kadastraal bekend als Brunssum, sectie D, nummers 4541, 4542 en 4203.

Ligging plangebied (indicatie) op luchtfoto (in het rode kader)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de beheersverordening ‘Woongebied 2e herziening’, vastgesteld op 11 december 2018 door de gemeenteraad van de gemeente Brunssum. Zowel de nog bestaande als reeds gesloopte portieketageflats zijn allen bestemd als ‘Wonen - 1’ met een bouwvlak waarop gestapeld wonen tot 4 of 5 bouwlagen is toegestaan. Rondom de bebouwing is de bestemming ‘Groen’ van toepassing. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’, ‘Leiding – Gas’ en is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – straalpad’ van toepassing. Bestemming ‘Wonen – 1’ De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn, voor zover relevant, bestemd voor: het bestaande aantal woningen, waarbij de volgende bebouwingskarakteristiek moet worden aangehouden: ter plaatse van het besluitsubvlak; 1. 'gestapeld': gestapelde woningen;

Hoofdstuk 1

5

met daaraan ondergeschikt: a. aan huis gebonden beroepen met inachtneming van het bepaalde in artikel 18.4.1 van de vigerende beheersverordening; b. parkeervoorzieningen ten dienste van deze bestemming; c. doeleinden van openbaar nut; d. groenvoorzieningen; e. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; f. ontsluitingswegen en verhardingen. Het te ontwikkelen bouwplan voegt per saldo geen woningen toe maar past niet binnen de geldende bouwvlakken en woonbestemming. In artikel 1.20 onder a van de beheersverordening is bepaald dat onder ‘bestaand’ het volgende wordt verstaan: bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van de verordening legaal bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald. Het initiatief is hiermee in strijd met de regels in de vigerende beheersverordening. Bestemming ‘Groen’ Rondom de bestaande bouwvlakken is de bestemming ‘Groen’ van toepassing. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, zoals bermen en beplanting, parken en plantsoenen, waterpartijen speelvoorzieningen, en trapvelden; met daaraan ondergeschikt: b. de bijbehorende voet- en fietspaden (waaronder de bestaande individuele perceelsontsluitingen); c.

water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling. Bebouwing met de functie wonen is niet toegestaan ter plaatse van de bestemming ‘Groen’, en is derhalve in strijd met de vigerende beheersverordening. Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ Het zuidelijke gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5 (zeer lage waarde)’. De voor 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende besluit(sub)vlakken, tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Dit besluitvlak is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende besluitsubvlakken. Op de voor 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd. Dit bouwverbod is niet van toepassing indien: a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m 2 beslaat; d.

de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m 2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

Hoofdstuk 1

6

Voor het overige heeft het noordelijke gedeelte van het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2 (zeer hoge waarde)’. De voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende besluit(sub)vlakken, tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Dit besluitvlak is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende besluit(sub)vlakken. Op de voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd. Dit bouwverbod is niet van toepassing indien: a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m 2 beslaat; d. de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m 2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

Voor beide archeologische waarden geldt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor afwijking van het bouwverbod, mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: · er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; · schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; · nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. Omdat de bodemingreep meer betreft dan de gestelde ondergrenzen dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met een belemmeringenstrook van 4 m ter weerszijden van het besluitsubvlak 'hartlijn leiding - gas'. Ter plaatse mag geen bebouwing worden opgericht en geldt een omgevingsvergunningstelsel voor diverse grondwerkzaamheden. De beoogde bebouwing wordt niet opgericht binnen de betreffende leidingstrook.

Hoofdstuk 1

7

Gebiedsaanduiding Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied op basis van de vigerende beheersverordening de aanduiding ‘vrijwaringszone – straalpad’: a. De gronden ter plaatse van het besluitsubvlak 'vrijwaringszone - straalpad' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een straalverbinding; b. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet hoger worden gebouwd dan 20 meter ten opzichte van NAP; c. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde in het tweede lid voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits advies is verkregen van de beheerder van de straalverbinding. Onderhavig planvoornemen voorziet in maximaal 4 bouwlagen met een hoogte van circa 3 meter per bouwlaag. Derhalve wordt niet hoger gebouwd dan 20 meter ten opzichte van NAP. Bovenstaande aanduiding vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In hoofdstuk 6 komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. In het laatste hoofdstuk wordt de procedure toegelicht.

Hoofdstuk 1

8

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie De projectlocatie is gelegen in het noordelijke deel van de gemeente Brunssum.

Luchtfoto met globale aanduiding plangebied (geel omlijnd)

Meer specifiek ligt de projectlocatie aan de Europalaan, Leenheerstraat en Regentessestraat te Brunssum. Aan de oostelijke zijde van de Europalaan (aan de Leenheerstraat) betreft het de percelen kadastraal bekend als Brunssum, sectie D, nummers 3958 & 4314 en aan de westelijke zijde (Regentessestraat) betreft het de percelen kadastraal bekend als Brunssum, sectie D, nummers 4541, 4542 en 4203. In de oorspronkelijke situatie is er in het plangebied sprake van een reeks naast elkaar en sprongsgewijs gesitueerde verouderde portiekflats met in totaal 194 appartementen. Een gedeelte van deze portiekflats is reeds in een eerder stadium gesloopt (het gedeelte aan de Leenheerstraat en het ‘Bexhoes’ aan de Regentessestraat). De omgeving van de Europalaan kent rondom het plangebied een diverse woonbebouwing van twee-onder-een-kap, rijwoningen en gestapelde woningen. De Europalaan is een centrale en lange verkeersader door de kern Brunssum. In zuidoostelijke richting sluit de Europalaan aan op de Dorpstraat die ten noorden van het centrum van Brunssum is gelegen. In noordelijke richting sluit de Europalaan aan op de Kennedylaan. Via de Kennedylaan vindt aansluiting plaats op de N300 (Buitenring Parkstad Limburg) en de N276.

In noordoostelijke richting gaat de Europalaan aan de andere zijde van de Buitenring over in de Loogstraat en Raadhuisstraat en vormt deze verkeersader de verbinding met de naburige kern Merkelbeek.

Hoofdstuk 2

9

Opmerkelijk gegeven is het verschil in NAP hoogtes tussen de Europalaan en de Dorpsstraat binnen relatief korte afstand. Zo is de Europalaan gelegen op circa 91 meter NAP en op een afstand van ongeveer 200 meter ligt de Dorpsstraat op circa 78 meter NAP.

2.2 Toekomstige ontwikkeling Het onderhavige planvoornemen omvat de herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) van een woonlocatie aan de Europalaan in Brunssum. In totaal gaat het om de ontwikkeling van 158 woningen, waarvan 134 appartementen, 23 appartementen met woon-zorg functie en 1 appartement voor de zorgverlener. Verder wordt binnen de ontwikkeling van de woon-zorg functie ook voorzien in ruimte voor aan de zorg ondersteunende functies als kantoor, gezamenlijke ruimte, vergader- en opslagruimte. Doel van de ontwikkeling van de woon-zorgfunctie is het bieden van woonruimte met 24/7 zorgverlening, zodat mensen met een zorgindicatie op een prettige, betaalbare manier langer zelfstandig kunnen wonen. De doelgroep bij deze woningen zijn mensen waarbij in ieder geval één van de bewoners door fysieke beperking door ziekte, aandoening of leeftijd niet zonder ondersteuning zelfstandig kunnen wonen. Een inrichtingsvoorstel van het totale planvoornemen is weergegeven op de navolgende afbeelding.

Inrichtingsvoorstel (Ducot, 1 juli 2024)

Bij de rotonde op de Kennedylaan worden aan weerszijden van de Europalaan 2 woongebouwen met lift gerealiseerd met elk 22 appartementen verdeeld over 4 bouwlagen. Zuidelijker zijn aan weerszijden van de Europalaan in totaal 6 woongebouwen voorzien met lift en elk 15 appartementen verdeeld

Hoofdstuk 2

10

over 4 bouwlagen. In het zuidelijke deel van de Regentesselaan worden 23 appartementen met woonzorg functie gerealiseerd in maximaal 3 bouwlagen. In het gebouw voor de woon-zorgfunctie is een 24e appartement aanwezig, de woonruimte voor de zorgaanbieder waardoor 24/7 in zorgvragen kan worden voorzien. Op de navolgende pagina zijn referentiebeelden opgenomen (Wauben Architecten, d.d. 22 oktober 2022). Het definitieve bouwplan moet nog worden uitgewerkt, maar er zal aansluiting worden gezocht bij het navolgende referentiekader.

Referentiebeelden: Twee appartementencomplexen aan de Kennedylaan met in totaal 44 appartementen

Referentiebeelden: Zes appartementencomplexen aan weerzijden Europalaan met in totaal 90 appartementen

Hoofdstuk 2

11

Rondom de woongebouwen is sprake van een groenvoorziening met wandelpaden en bij elk appartementencomplex is een waterbuffer voorzien voor de opvang van het hemelwater. De ontsluiting van de woongebouwen is voorzien aan respectievelijk de Leenheerstraat en de Regentessestraat. De 2 woongebouwen met in totaal 44 woningen zijn beoogd voor betaalbare koopappartementen of huurappartementen in het segment midden / goedkoop. De overige 6 woongebouwen en de 23 appartementen met woon-zorg functie zijn beoogd voor sociale huur. Verder is het uitgangspunt om de nodige parkeerplaatsen te concentreren aan de buitenzijde van het plangebied (waar voorheen ook het parkeren was gesitueerd), te weten aan de Regentessestraat en de Leenheerstraat. Hierdoor blijft het groengebied gevrijwaard van autoverkeer. Voor mindervaliden worden een paar parkeerplaatsen nabij de entrees van de appartementen gerealiseerd.

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten In het kader van onderhavig initiatief worden de gronden geheel herontwikkeld en getransformeerd. Aangezien er reeds woningen rondom de locatie aanwezig zijn en de locatie gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied, passen de nieuw te bouwen woningen functioneel goed in de omgeving. De huidige bebouwing beantwoorden niet meer aan de huidige woonwensen en past niet meer in het huidige straatbeeld. Deze bebouwing zal ten aanzien van het planvoornemen worden gesloopt, hetgeen reeds gebeurd is met de portieketageflats aan de oostzijde van de Europalaan (Leenheerstraat) en het Bexhoes. In plaats daarvan worden nieuwe appartementen en woningen met woon-zorg functie teruggebouwd. Vanuit stedenbouwkundig opzicht is derhalve sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Er worden compacte alzijdige bouwmassa’s (urban villa’s) in een groene parkachtige omgeving gerealiseerd; wonen in het groen. Daarnaast kent de Europalaan en de directe omgeving reeds een diverse woonbebouwing van twee-onder-een-kap, rijwoningen en gestapelde woningen. Het planvoornemen voorziet in de bouw van woningen (appartementen deels met woon-zorg functie), die een gevarieerd straatbeeld opleveren door de afwisselende bebouwingsopzet. Door de schuine ligging op de omliggende straten ontstaat een speels effect.

Door een nieuwe wandelpadenstructuur krijgt dit groengebied niet alleen een gebruiksfunctie voor de nieuwe bewoners, maar ook voor de huidige omwonenden. Kortom is er, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, geen sprake van negatieve ruimtelijke en/of stedenbouwkundige effecten op de korte als op (middel)lange termijn. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt wordt de ontwikkeling goed inpasbaar geacht.

2.4 Duurzaamheid Op het moment van schrijven zijn concrete duurzaamheidsmaatregelen nog niet bekend. Vanzelfsprekend worden de nieuwe woningen gasloos gerealiseerd en mogelijk voorzien van een warmtepomp en/of zonnepanelen. Daarnaast zal conform de waterparagraaf de nodige waterberging op eigen terrein gerealiseerd worden, rondom de appartementencomplexen. De exacte invulling van de duurzaamheidsaspecten worden bepaald bij de concretere uitwerking van de bouwplannen. Daarbij zal in

Hoofdstuk 2

12

ieder geval een inspanning worden geleverd om de woonbebouwing zo duurzaam mogelijk te realiseren. Daarbij kan onder andere gedachten worden aan onderstaande maatregelen: Materialen/circulariteit ·

Toepassen gezonde en veilige materialen waar mogelijk.

·

Toepassen cradle-to-cradle materialen of materialen met een circulaire cyclus waar mogelijk.

·

Hergebruikte materialen toepassen (bijv. in toe te passen beton) in plaats van nieuwe materialen.

·

Hoogwaardige isolatie.

·

Luchtdicht bouwen, waardoor de behaaglijkheid wordt vergoot en energieverlies en CO2 uitstoot worden beperkt.

·

Gebouw als grondstoffenbank voor de toekomst - materialenpaspoort en droge knopen waar mogelijk.

·

FSC- /PEFC hout toepassen in plaats van niet gecertificeerd hout.

·

Goede engineering, zoveel mogelijk prefab onderdelen hanteren om restmaterialen en afval tot een minimum te beperken.

Biodiversiteit en natuurinclusief ·

Klimaatadaptief door bijvoorbeeld het toepassen van groen op de daken.

·

Rijke groene inrichting in binnentuin.

·

Enkele bomen voor verkoelend effect, in de zomer blad en schaduw, in de winter lichtinval.

·

Actieve koeling en verdamping.

·

Zo min mogelijk verharding.

·

Toepassingen van neststenen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen in de te realiseren nieuwbouw.

Watercyclus ·

Waterbesparende maatregelen bij toiletten en douches.

·

Opvang hemelwater en waterberging op eigen terrein.

·

Beperken van verharding zodat hemelwater kan infiltreren op de plek waar het valt.

Voor meer en concretere maatregelen kunnen tijdens het uitwerken van de bouwplannen diverse bronnen geraadpleegd worden. Op onder andere de volgende websites zijn veel handvaten te vinden over duurzaam (ver)bouwen. ·

Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzaam-bouwen-en-verbouwen/duurzaam-bouwen

·

Urban Green-Blue grids: https://urbangreenbluegrids.com/themes/

·

Amsterdam Rainproof: https://www.rainproof.nl/wat-kan-ik-doen/gebouw

·

Bouwend Nederland: https://www.bouwendnederland.nl/actueel/nieuws/16882/handvat-duurzaammateriaalgebruik-2021-staat-online

Hoofdstuk 2

13

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: · Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; · Duurzaam economisch groeipotentieel; · Sterke en gezonde steden en regio’s; · Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;

Hoofdstuk 3

14

9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn.

De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Tevens wordt met onderhavige ontwikkeling bijgedragen aan het nationale belang ’zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften’. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de voormalige Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (voorloper NOVI) en worden met het Barro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In totaal gaat het om veertien nationale belangen, te weten: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Ecologische hoofdstructuur; 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Hoofdstuk 3

15

In het kader van deregulering en decentralisatie is ervoor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het NNN (conform artikel 2.10.1 van het Barro). Militaire vliegbases Zoals al aangegeven in paragraaf 3.2.1 dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met militaire activiteiten. De nabij gelegen NAVO-vliegbasis Geilenkirchen in Duitsland kent een tweetal geluidzones in respectievelijk dB(A) en Kosteneenheden (Ke) en een obstakelbeheergebied, welke gebieden zijn begrensd op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het Rarro. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een van de genoemde geluidzones en/of een obstakelbeheergebied. Uit het Barro volgen verder geen nationale belangen die een planologisch-juridische doorwerking hebben in het plangebied. Dit houdt in dat er voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit het Barro gelden.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging De beoogde ontwikkeling aan de Europalaan in Brunssum voorziet in vervangende nieuwbouw waarbij het woningaantal afneemt van 194 naar 158 wooneenheden.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

16

Gelet op bestaande jurisprudentie, uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 20172, is bij het toevoegen van twaalf of meer woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Echter, conform rechtsoverweging 7.1 van dezelfde uitspraak is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien geen sprake is van een groter planologisch ruimtebeslag/functiewijziging. In dit geval worden geen woningen toegevoegd. Het aantal woningen neemt zelfs af. Dit betekent dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en het initiatief behoeft dan ook niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desalniettemin is de voorliggende ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking, aangezien sprake is van een herontwikkelingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Daarbij dient eveneens gesteld te worden dat het type woningen dat nieuw wordt gebouwd (23 appartementen met woon-zorg functie en 134 appartementen) beter past binnen de volkshuisvestelijke behoefte. De huidige portieketageflats zijn niet meer van deze tijd. Daarnaast zullen minder goed geïsoleerde woningen met een gasaansluiting wijken voor een duurzamer alternatief in de vorm van goed geïsoleerde gasloze woningen.

Het aspect volkshuisvesting komt nader aan de orde in de paragrafen 3.3 en 3.4. 3.1.4 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.

2

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017

Hoofdstuk 3

17

Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.12.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast is een nieuwe omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze omgevingsverordening wordt besproken in paragraaf 3.2.3. Hoofdopgaven In de POVI Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: · Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; · Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); · Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de POVI Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: · Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; · Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Hoofdstuk 3

18

Wonen en leefomgeving De POVI Limburg houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI Limburg is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Tot slot draagt de ontwikkeling ook bij aan de gestelde woningbouwambitie van de gemeente Brunssum zoals opgenomen in Woondeal Limburg (paragraaf 3.3.4). Afweging Het voorgenomen plan voorziet in voornamelijk levensloopbestendige wooneenheden binnen bebouwd gebied. Onderhavige woningbouwontwikkeling past binnen de toekomstige POVI Limburg. Gezien de aard en ligging van het project, zijn met deze wijziging geen provinciale belangen aan de orde. Wel kan worden gesteld dat de beoogde ruimtelijke wijziging een gewenste ruimtelijke ontwikkeling betreft, waarbij een goede leefomgevingskwaliteit wordt bewaard. Dit is in de voorliggende ruimtelijke motivering nader onderbouwd. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie van 16 december 2022)

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit het voormalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels komen te vervallen, maar de in 2014 vastgestelde omgevingsverordening blijft van kracht totdat een nieuwe omgevingsverordening op grond van de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet, en daarmee ook de inwerkingtreding van een nieuwe omgevingsverordening, zijn een tweetal wijzigingsverordeningen in procedure gebracht: 1. Wijzigingsverordening voor de onderwerpen: wonen, huisvesting internationale werknemers, naijlende effecten steenkoolwinning en zonne-energie (vastgesteld op 30 september 2022), en 2. Wijzigingsverordening voor de onderwerpen: vestigingsmogelijkheden bedrijven, kleinschalige veehouderij-initiatieven, beschermingsgebied Einstein Telescope en klimaatadaptatie (vastegsteld op 16 december 2022).

Hoofdstuk 3

19

Beide wijzigingsverordeningen zijn verwerkt in de geconsolideerde versie van 16 december 2022 en maken onderdeel uit van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hierna worden de van toepassing zijnde onderwerpen uit de omgevingsverordening toegelicht en toegepast op onderhavige planontwikkeling. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Afweging De beoogde ontwikkeling aan de Europalaan in Brunssum voorziet in vervangende nieuwbouw waarbij het woningaantal afneemt van 194 naar 158 wooneenheden. Zoals vermeld in paragraaf 3.1.3. is een ladderonderbouwing niet benodigd.

Onderhavige ontwikkeling is overigens wel in lijn met de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking, aangezien sprake is van een herontwikkelingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied en de woningen passen binnen de volkshuisvestelijke behoefte en daarnaast duurzamer zijn dan de bestaande portieketageflats. Artikel 2.4.2 Bestuursafspraken wonen In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins.

De provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden. Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De gemeente Brunssum maakt onderdeel uit van de regio Zuid-Limburg en binnen deze regio is de ‘Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’ vastgesteld.

Hoofdstuk 3

20

In artikel 2.4.2 is een instructieregel opgenomen voor de nieuwe planvoorraad wonen. Hierin is het volgende opgenomen: De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring. e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Afweging Voor de onderhavige ontwikkeling is het volgende van toepassing: a. De onderhavige locatie is aangeduid als ‘Bebouwd gebied’. Uit de POVI volgt dat woningbouw in principe alleen toegestaan is binnen bebouwd gebied.

Er is sprake van herstructurering waarmee verouderde portieketageflats worden vervangen door duurzame woningen. Hiermee wordt ook voldaan aan de doelstellingen op het gebied van klimaat, energie en duurzaamheid. Er is dan ook rekening gehouden met de Limburgse principes, algemene zonering en de uitgangspunten met betrekking tot wonen en leefomgeving (zie ook paragraaf 3.2.1). b. Het betreft een vervanging van verouderde woningen. Daarnaast worden minder woningen terug gebouwd. De woningen passen binnen de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte. c. Er is overeenstemming binnen de regio omtrent de woningen. d. Het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring. e. Indien de woningen onverhoopt niet gebouwd worden binnen 5 jaar na vaststelling van dit bestemmingsplan is in de planregels de bevoegdheid opgenomen om het bestemmingsplan te wijzigen indien de onderhavige bouwtitel niet of deels niet wordt benut. Middels deze wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk de onderhavige locatie te bestemmen als groen of naar een woonbestemming zonder bouwvlak en/of de mogelijkheid woningen te realiseren. Klimaatadaptatie In artikel 2.19.1 is het volgende opgenomen: 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a.

de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming;

Hoofdstuk 3

21

c. droogte. 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Afweging De nieuwbouwwoningen zijn ter vervanging van verouderde slecht geïsoleerde en op gas aangesloten woningen. De nieuwbouwwoningen worden goed geïsoleerd en gasloos opgeleverd. Het plangebied ligt binnen de stedelijke contouren waardoor het niet significant zal bijdragen aan droogte in het gebied. Daarnaast zal het hemelwater worden geïnfiltreerd in de nieuw te realiseren wadi’s waardoor omringende woningen, en de woningen zelf, geen toename aan wateroverlast zullen ervaren. Tevens bevindt het plangebied zich niet in de nabijheid van waterwegen en is er dus geen risico op overstromingen. Beschermingsgebieden Milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied zich niet bevindt binnen een milieubeschermingsgebied. Beschermingszones natuur en landschap Het plangebied is niet gelegen in of in de directe nabijheid van een natuur of landschapszone. Het dichtstbij gelegen Natuur Netwerk Nederland (goudgroene natuurzone) ligt op een afstand van ca. 500 meter ten noordwesten van het plangebied. De onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op deze zone.

Conclusie Er zijn geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2021

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Provinciale Staten hebben op 17 december 2021 de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op het moment dat ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier onder andere om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze onderwerpen zijn overigens inmiddels ook vastgelegd in de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014 middels een tweetal in procedure gebrachte wijzigingsverordeningen.

Hoofdstuk 3

22

Afweging Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Stedelijk gebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Voor wat betreft de voor deze ontwikkeling relevante onderwerpen en beschermingsgebieden wordt verwezen naar de nadere toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 (paragraaf 3.2.2). De Omgevingsverordening Limburg 2021 beschrijft de ambitie van de provincie om negatieve effecten als gevolg van de voormalige steenkoolwinning samen met haar partners te voorkomen, en daar waar deze optreden adequaat te handelen. Om hier mede invulling aan te geven is een instructieregel opgenomen voor de gemeenten in de voormalige mijnbouwregio die bepaalt dat de motivering van een omgevingsplan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in deze gemeenten mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning. 3.2.4

Na-ijlende effecten steenkolenwinning Zuid-Limburg

Tot 1974 is in Limburg steenkool uit de bodem gehaald. Circa 50 jaar geleden zijn de mijnbouwactiviteiten beëindigd doordat de mijn werden afgesloten en de bovengrondse installaties werden verwijderd. In 2021 zijn de na-ijleffecten van de steenkoolwinning in kaart gebracht en zijn maatregelen benoemd om effecten, bijvoorbeeld door instabiliteit van oude mijnschachten, te voorkomen. Een van de maatregelen is dat er een actief risico-management van de na-ijl effecten wordt gevoerd, door Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). SodM heeft hierbij vastgesteld dat er in de ondergrond ter plaatse van Brunssum een geologische breuk aanwezig is, waarbij (kleine) bodembewegingen kunnen optreden. De locatie wordt gemonitord. Bij de situering van de gebouwen is rekening gehouden met de aanwezigheid van de geologische breuk. Door voldoende afstand te houden, wordt de voorgenomen ontwikkeling niet door deze breuk beïnvloedt: er is geen sprake van een verhoogd risico van bodemzakking waardoor schade aan gebouwen kan ontstaan. Bij het uitwerken van het bouwkundig ontwerp wordt hier een extra toetsing op gedaan. Indien noodzakelijk wordt de fundering van het gebouw versterkt. Op deze manier wordt effect op de gebouwen door de na-ijlende gevolgen van de steenkolenwinning voorkomen.

Tevens is door Ingenieurbüro Heitfeld – Schetelig (IHS) onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de Feldbiss breuklijn. In het onderzoek wordt ook in verschillende paragraven ingegaan op steenkoolwinning. De conclusie van het rapport stelt dat enkel voor één van de bouwblokken een risico bestaat welke wordt ondervangen middels een aanpassing in de fundering. Aangezien in het plan voldoende afstand wordt gehouden tot de geologische breuk kan worden gesteld dat er geen sprake is van een verhoogd risico van bodemzakking. Verder is de fundering van een van de bouwblokken zodanig vormgegeven dat de Feldbiss breuklijn geen belemmering meer vormt. Resumerend kan worden aangenomen dat er in voldoende mate rekening is gehouden met de aanwezigheid van verschillende geologische breuklijnen en dat dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Het onderzoek van IHS is als bijlage 10 van voorliggende rapportage toegevoegd.

Hoofdstuk 3

23

De onderhavige ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsverordening Limburg 2021. Per januari 2024 is met de komst van de Omgevingswet de Omgevingsverordening Limburg 2021 in werking getreden.

Uitsnede kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ uit de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2021

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van het suburbaan. Ten aanzien van het afstemmen van vraag en aanbod wordt geconstateerd, dat alleen voor de stedelijke woonsfeer de vraag groter is dan het aanbod.

Dit heeft echter gevolgen voor de opgave elders in de gemeente.

Hoofdstuk 3

24

Vanuit ruimtelijk oogpunt wordt aanbevolen om te kiezen voor 'gestructureerde concentratie'. Dat wil zeggen concentratie van ontwikkelingen binnen de centra en de centrumkernen. Hierdoor kan ook de voorzieningenstructuur beter in stand worden gehouden, in combinatie met een gerichte strategie om ook voorzieningen en andere ontwikkelingen te concentreren in de grote kernen. Hier hebben ook kleinere kernen zonder eigen voorzieningen baat bij, aangezien er binnen een redelijke straal ruim voldoende voorzieningen overeind kunnen blijven. Uitbreidingslocaties zijn schadelijk voor steden en dorpen om diezelfde reden. In de structuurvisie wordt geconcludeerd dat sprake is van een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot, het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. Deze drie opgaven kunnen echter niet altijd één-op-één in de tijd gelijk lopen. Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten diverse beleidsafspraken gemaakt.

De veranderende bevolkingssamenstelling en het veranderende voorzieningenlandschap leiden ertoe dat ook de Zuid-Limburgse gemeenten hun ruimtelijke ontwikkelingsstrategie gaan richten op het versterken van de bestaande stads- en dorpscentra, om zo voldoende draagkracht te organiseren en de voorzieningenstructuur in kernen te behouden. Dit betekent: geen nieuwe uitleglocaties meer, maar juist focus op herstructurering, inbreiding, herbestemming van (waardevol) leegstaand vastgoed, de invulling van rotte plekken en functiemenging. Binnen onderhavig plan is sprake van de herinvulling van een locatie waar voorheen bebouwing aanwezig was met een vervallen uitstraling. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, hetgeen aansluit op inbreiding voor nieuwe uitleglocaties. Afweging Middels onderhavige ontwikkeling wordt een gemeentelijke aandachtslocatie aangepakt. De focus ligt bovendien op het realiseren van kwalitatief goede en voornamelijk levensloopbestendige woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen wordt op basis van het bovenstaande passend geacht binnen de beleidskaders van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

Bovendien wordt op basis van de Structuurvisie Brunssum 2009 (zie paragraaf 3.4.1) gesteld dat woningbouw op onderhavige locatie gewenst is, waardoor de beoogde ontwikkeling passend is binnen de beleidsrichtingen die gelden voor Brunssum. Tot slot wordt eveneens voorzien in een passende stedenbouwkundige invulling van een gebied wat in de huidige situatie gedeeltelijk braak ligt en gedeeltelijk oude portiekflats zijn gesitueerd die zullen worden gesloopt. Hiermee vormt onderhavige ontwikkeling een passende toevoeging aan de bebouwde kom van de kern Brunssum. 3.3.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad ‘Ruimte voor park en stad’ De regio Parkstad Limburg heeft een eigen gemeentelijke structuurvisie vastgesteld: ‘Ruimte voor park en stad’ (2009). Deze visie beoogt de missie van Parkstad Limburg te verwezenlijken, zijnde ‘het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit.’ De intergemeentelijke structuurvisie biedt hiervoor een inspiratiebron, maar ook een ruimtelijk planologisch kader waarbinnen ontwikkelingen plaats kunnen vinden. De doelstelling komt tot uitdrukking in twee lijnen die als rode draad door de visie lopen: de ontwikkelingslijn en de beheer- en sturingslijn.

Hoofdstuk 3

25

Beide lijnen hebben een gezamenlijk startpunt in pijlers en de daarop gebaseerde ‘Visie 2030’. Daarna splitsen deze lijnen zich in de ontwikkelingskaart en de beheer- en sturingskaart. Als belangrijkste thema’s voor de komende decennia zijn benoemd: · Ruimtelijke identiteit – regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. · Economie – meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Revitaliseren van locaties die niet aan de moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SERladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. · Wonen – meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten de huidige stedelijke contour. · Mobiliteit – meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur.

Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Voor elke plek in de regio zijn spelregels voor de verschillende thema’s beschreven. Naast de beschrijving is bij de thema’s een matrix te vinden waarin per thema de eenheden XL-L-MS worden gehanteerd. Bij XL- en L-gebieden is sprake van hoge regionale relevantie. Bij M-gebied is dit al minder en bij een S-gebied is de noodzaak om vanuit een regionaal perspectief te werken, aan te sturen minder of niet aanwezig. Afweging De onderhavige ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad geen specifieke uitgangspunten bevat voor het voorliggende bestemmingsplan. Nochthans sluit de ontwikkeling aan bij de uitgangspunten uit de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad. Onderhavig plangebied bevindt zich in het stedelijk gebied en gaat om een transformatie-/ herstructureringslocatie. 3.3.3 Ontwikkelagenda Parkstad Limburg Op 3 maart 2015 is de ‘Ontwikkelagenda Parkstad Limburg’ vastgesteld, omdat provincie, regio en gemeenten samen voor grote veranderingen staan, waaronder decentralisaties. Deze veranderingen dwingen om scherpe keuzes te maken. De ontwikkelagenda is beoogd om de focus vast te leggen. Parkstad wil daarop voorsorteren en zoekt nadrukkelijk de samenwerking in Zuid-Limburg op met de provincie, het onderwijs, bedrijfsleven en partners over de grens.

Het document wordt gezien als een goed en compact stuk dat op hoofdlijnen laat zien op welke wijze Parkstad zich onderscheidt van andere regio’s. De hoofdlijnen van de ontwikkelagenda krijgt vorm langs drie lijnen, te weten vitaal, leefbaar en sociaal Parkstad. Afweging De onderhavige ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de ‘Ontwikkelagenda Parkstad Limburg’ geen specifieke uitgangspunten bevat voor het voorliggende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

26

3.3.4 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2023-2028, onderdeel gemeente Brunssum In 2016 zijn de Parkstadgemeenten gestart met het opstellen van een nieuwe regionale Woonvisie. Elke gemeente, waaronder ook Brunssum, heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. Deze Woonvisie geeft richting aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt; het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft de Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties. Ingegeven door de herziene Woningwet. De input voor de regionale woonvisie is mede tot stand gekomen door het in 2021 uitgevoerde woningbehoefteonderzoek van STEC. Het aantal huishoudens in de gemeente Brunssum zal naar verwachting de komende tien jaar afnemen met 300 tot 160. Tegelijkertijd is in Brunssum voornamelijk een behoefte aan levensloopgeschikte appartementen en nultredenwoningen. Deze behoefte betstaat over het algemeen uit sociale huur en middeldure huur. De gemeente Brunssum volgt met haar woningbouwprogramma op hoofdlijnen de woningbehoefte onderzoeken, maar wil door een deel te nemen in de extra woningbouwproductie ook tegendruk gaan geven aan de (dubbele) vergrijzing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=9eb22340-0774-4a94-ab68-5432b9617381