Raadsvoorstel 68 (bijlage) Toelichting bestemmingsplan 'Vervangende nieuwbouw Europalaan te Brunssum'
Tekst van het document
Deze soorten zijn makkelijk in staat om elders broedplekken te vinden, maar zijn ok gewend aan de aanwezigheid van mensen en hun activiteiten, Op korte termijn treden er geen effecten op aan de verblijfplaatsen van de aangetroffen soorten, aangezien deze pas in 2026 verstoord/vernietigd worden. Op de langere termijn zullen de effecten optreden ten aanzien van het ongeschikt raken van de huidige verblijfplaatsen en nestlocaties. Echter voorafgaande aan deze periode zijn reeds enkele woonblokken opgeleverd zodat deze beschikbaar zijn voor herkolonisatie. Op de nog langere termijn zijn ook de nieuwe woonblokken op de huidige locatie afgerond en beschikbaar zodat de soorten ook deze nieuwe plekken weer kunnen gaan bewonen.
Hoofdstuk 4
47
Tot slot worden een 12-tal bomen gekapt. Hiervoor wordt separaat aan onderhavige omgevingsvergunning een kapvergunning aangevraagd. In het plangebied worden ter compensatie en conform een door bevoegd gezag nader te bepalen herplantingsplicht nieuwe bomen terug geplant. 4.8.3 Conclusie Voor wat betreft de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen. Voor wat betreft de soortenbescherming dient een ontheffing Wet natuurbescherming te worden verkregen. De voorbereidingen voor de aanvraag van de ontheffing zijn reeds in gang gezet. De verwachting is dat, na de uitwerking van compenserende maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van voorzieningen in en aan de gebouwen die nieuwe verblijfsplaatsen voor aanwezige soorten mogelijk maken, deze ontheffing zal worden verleend.
4.9 Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de eventuele gevolgen voor de verkeersstructuur als voor het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 4.9.1 Verkeer Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal 158 wooneenheden waarvan 134 appartementen en 24 appartementen met woon-zorg functie (waarvan 1 voor een zorgverlener). Dit is de vervangende nieuwbouw van 194 appartementen in de vorm van portieketageflats. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”. Hierbij is uitgegaan van 22 appartementen in de vorm van ‘koop, appartement, goedkoop’, 112 appartementen in de vorm van ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’ en 24 appartementen met woon-zorg functie in de vorm van ‘huur, huis, sociale huur’ in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Brunssum (matig stedelijke gemeente). In totaal genereert onderhavig planvoornemen een verkeersgeneratie van maximaal 729 (22 x 5,3 + 136 x 4,5 = 728,6) verkeersbewegingen. Oorspronkelijk was op deze locatie sprake van 194 appartementen. Met onderhavig planvoornemen is sprake van vervangende nieuwbouw. Voor de verkeersaantrekkende werking op basis van de oude situatie is eveneens gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”.
Hierbij is uitgegaan van 194 appartementen in de vorm van ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’ in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Brunssum (matig stedelijke gemeente). In totaal was in de oude situatie sprake van een verkeersgeneratie van maximaal 873 (194 x 4,5 = 873) verkeersbewegingen. Ten aanzien van onderhavig planvoornemen is dus sprake van een afname van de verkeersaantrekkende werking van 144,4 (873 – 728,6 = 144,4) mvt/etmaal. Wat betreft profiel en capaciteit, waren de omliggende wegen berekend op een verkeersintensiteit van 873. In de toekomstige situatie zijn dit er aanzienlijk minder. Derhalve wordt aangenomen dat de bestaande wegen voldoende in staat zijn de toekomstige verkeersintensiteit op te vangen.
Hoofdstuk 4
48
4.9.2 Parkeren De parkeerbehoefte van de toekomstige situatie is onderstaand berekend. Voor de kerngetallen is uitgegaan van een ligging in ‘rest bebouwde kom’ in een ‘matig stedelijk’ gebied zoals beschreven in de Parkeernota Brunssum 2022. De gemeentelijke parkeernorm gaat uit van een parkeernorm van 1,4 parkeerplaats per appartement voor gebieden buiten het centrum, in de categorie huur appartementen midden/goedkoop inclusief sociale huur. Voor wat betreft de zorgwoningen van Holikiday wordt aangesloten bij de gemeentelijke parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per verpleeg- en verzorgingstehuis. De totale parkeerbehoefte komt daarmee uit op (134 appartementen x 1,4) + (24 zorgwoningen x 0,6) = 202 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie wordt voorzien in 202 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden naar ratio ontwikkeld per fase. In de eerste fase worden 88 parkeerplaatsen gerealiseerd om een groot deel van de parkeerbehoefte die dan ontstaat op te kunnen vangen. In de tweede fase zullen de dan benodigde en resterende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, 114 stuks. In totaal worden verspreid over de twee fases dus 202 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee kan de parkeerbehoefte worden opgevangen. In navolgende tabel is de realisatie van de parkeerplaatsen uiteengezet.
Leenheerstraat – fase 1 Type parkeerplaats Langsparkeren Leenheerstraat Pocket hoek Leenheerstraat / Landheerstraat Pockets in plangebied Langsparkeren Schepenstraat Totaal Parkeernorm fase 1 Regentessestraat – fase 2 Type parkeerplaats Dwarsparkeren Regentessestraat Langsparkeren Regentessestraat Pockets plangebied grijs Langsparkeren Schepenstraat Totaal Parkeernorm fase 2 Totaal beoogd fase 1 + 2 Totaal benodigd conform norm fase 1 + 2
Aantal 48 10 24 6 88 93,8 Aantal 60 8 40 6 114 107,6 202 202 (201,4)
4.9.3 Conclusie Het plan voorziet in 202 parkeerplaatsen, daar waar er conform de gemeentelijke parkeernorm 202 parkeerplaatsen benodigd zijn. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Het aspect ’Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig projectvoornemen.
Hoofdstuk 4
49
4.10 Water 4.10.1 Algemeen De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid Waterschap Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Gemeentelijk rioleringsplan Roermond, Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het voormalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: · vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); · voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Beleid gemeente Brunssum Het Watertakenplan Brunssum 2020-2024 geeft de invulling van de gemeentelijke watertaken weer. In het beleidsplan staat vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rol van de inwoners en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel- en grondwater. Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en particuliere terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de perceeleigenaar. Dit betekent dat de eigenaar van een perceel zelf het hemelwater dat op het perceel valt binnen de perceelsgrenzen moet verwerken. Als van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden vereist dat het afvloeiend hemelwater op eigen perceel wordt verwerkt, zorgt de gemeente voor een geschikte voorziening voor de afvoer van het hemelwater. Deze primaire verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar geldt vooral in nieuwe situaties. Bij (ver)nieuwbouw is de initiatiefnemer gebonden aan het volgen van de Watertoets. Bij nieuwbouw dient de particulier het overtollig hemelwater altijd gescheiden van het afvalwater aan te bieden. Inbreidings- en herstructureringsprojecten worden behandeld zoals een nieuwbouwlocatie.
De gemeente Brunssum hanteert voor het bepalen van de inhoud van bergingen voor nieuwe ontwikkelingen een bui van 50 mm per aangesloten verhard oppervlak. In bijgevoegde rapportage inzake de watertoets wordt tevens nogmaals en uitgebreider ingegaan op waterrelevant beleid van onder andere het Rijk, het Waterschap Limburg en de gemeente Brunssum.
Hoofdstuk 4
50
4.10.2 Toetsing Door Econsultancy is een watertoets10 uitgevoerd voor het beoogde planvoornemen. Hieronder is beschreven op welke wijze bij de voorliggende ontwikkeling rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Limburg en gemeente Brunssum). Voor de volledige onderbouwing van het wateraspect wordt verwezen naar de bijlagen van onderhavige toelichting. Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. · Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). · Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). · Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. · De wateropgave baseren op het daadwerkelijk toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 10.135 m2. · Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 50 mm gerekend over het aantal m2. · Wateropgave 507 m3. · De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur. · Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). · Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG. · GHG ingeschat op 81,0 m +NAP (> 5,0 m -mv). · Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). · Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.
Hemelwater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Om een functionerend systeem te ontwikkelen dient voor elk deelgebied voldoende compensatie gerealiseerd te worden. Compensatie Om de toename in het verhard oppervlak te compenseren is het voornemen om op meerdere locaties wadi’s aan te leggen. Dergelijke voorzieningen zijn controleerbaar en beheersbaar en kunnen tevens een zuiverende werking hebben. In totaal zou in de afzonderlijke voorzieningen samen ca. 575 m3 geborgen kunnen worden. De beschikbare bergingscapaciteit is berekend met behulp van de formule van de afgeknotte piramide en is uitgegaan van een waterdiepte van 0,8 m -mv en een talud van 1 op 3. Hemelwater wordt, indien mogelijk, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd richting de wadi. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. De wadi’s zullen worden voorzien van infiltratiepalen die het hemelwater in de diepere ondergrond zullen infiltreren. Daarnaast zullen enkele grindkoffers rondom de appartementencomplexen worden aangelegd.
10
Econsultancy, Rapportage Watertoets Europalaan te Brunssum, rapportnummer 17395.003, d.d. 24 juli 2024
Hoofdstuk 4
51
Lediging De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is. Vooralsnog is er geen infiltratie gerekend voor bodem en talud van de wadi. De wadi’s zullen worden voorzien van infiltratiepalen die het hemelwater in de diepere ondergrond zullen infiltreren. De waterdoorlatendheid van de diepere ondergrond is in-situ (nog) niet onderzocht. Calamiteit Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij 50 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water overstorten op de gemeentelijke riolering. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood).
De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Waterschapsverordening Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Riolering Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. 4.10.3 Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op
Hoofdstuk 4
52
het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Op basis van de vigerende beheersverordening geldt voor het zuidelijke gedeelte van het plangebied een ‘Waarde – Archeologie 5 (zeer lage waarde)’. De voor 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende besluit(sub)vlakken, tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Dit besluitvlak is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende besluitsubvlakken. Op de voor 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
Het bepaalde in artikel 25.2.1 vigerende beheersverordening is niet van toepassing indien: · het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; · het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; · de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m 2 beslaat; · de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m 2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Voor het overige heeft het noordelijke gedeelte van het projectgebied een waarde archeologie 2 (zeer hoge waarde). De voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende besluit(sub)vlakken , tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende besluit(sub)vlakken. Op de voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 22.2.1 vigerende beheersverordening, mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: · er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; · schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; · nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. Onderzoek In 2022 heeft de gemeente Brunssum de “beleidsnota Archeologie gemeente Brunssum” vastgesteld.11 Onderdeel van deze beleidsnota is een archeologische beleidskaart, die gebaseerd is op een
11
Gemeente Brunssum. 2022. Erfgoed is identiteit. Beleidsnota archeologie.
Hoofdstuk 4
53
aantal archeologische verwachtingskaarten. 12 De archeologische verwachtingskaarten geven inzicht in de (verwachte) aanwezigheid van archeologische resten. De verwachtingskaarten zijn vervolgens omgezet naar één beleidskaart. Op de archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 6 archeologische waardecategorieën ontstaan (zie onderstaande tabel).
Uit de archeologische kaarten blijkt dat het plangebied in een archeologisch interessant gebied ligt. In het plangebied zelf zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. In de directe omgeving van het plangebied wel, namelijk binnen een straal van 500 m. Het betreft resten uit het laat paleolithicum tot en met de nieuwe tijd, waaronder nederzettingsresten uit de ijzertijd en enkele Romeinse graven. Uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat het plangebied en zijn directe omgeving reeds sinds lange tijd in gebruik is.
12
Vanneste, H. & M. Verhoeven, 2013. Geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart gemeente Brunssum. I. Archeologische verwachtings- en beleidskaart, vastgesteld 1-10-2013; II. Beslistabel archeologische onderzoeksplicht, vastgesteld 1-10-2013; III. Verhoeven M., 2007. Hoog, Middelhoog en Laag; een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart voor Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth, RAAP-rapport 1483, Weesp.
Hoofdstuk 4
54
Uitsnede beleidskaart gemeente Brunssum 2013
De bekende archeologische vindplaatsen kennen een grote mate van bescherming en zijn volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente ingedeeld in waardecategorie 2. Concreet betekent dit dat voor deze gebieden een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 40 cm -Mv én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Het grootste deel van het bestemmingsplangebied valt binnen waardecategorie 2. Het meest zuidelijke deel valt binnen waardecategorie 5 en heeft een lage archeologische verwachting. Voor dit gebied geldt een archeologische onderzoeksplicht indien de bodemingrepen dieper reiken dan 40 cm – Mv en groter zijn dan 10.000 m2. In het kader van de planvorming is in het plangebied reeds een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd.13 Uit het betreffende onderzoeksrapport (bijlage 9) blijkt dat dit gebied nog niet volledig kan worden vrijgegeven. Sommige zones zijn zodanig verstoord dat er geen archeologische resten meer worden verwacht, maar in overige zones dient de oorspronkelijke waardecategorie gehandhaafd te blijven. Het gaat dan respectievelijk om een zone van circa 9.000 m2 in het noorden en van circa 11.000 m2 centraal. Op basis van dit vooronderzoek is door de gemeente een selectiebesluit genomen.
Bij toekomstige graafwerkzaamheden dient in de zones met een hoge verwachting een archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden door middel van proefsleuven, tenzij door nader onderzoek en actuele inzichten de grond archeologisch kan worden vrijgegeven. Conclusie Tenzij door nader onderzoek en actuele inzichten de grond archeologisch kan worden vrijgegeven, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden in de vorm van proefsleuven onderzoek. Over de exacte vorm en moment van uitvoering is initiatiefnemer nog in overleg met de gemeente. De bouwwerkzaamheden zullen derhalve niet eerder plaatsvinden voor dat hier duidelijkheid over is. 13
Stiekema, M., 2022. Een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, Europalaan te Brunssum. Econsultancy Rapport 17395.002, versie 2.1, Swalmen.
Hoofdstuk 4
55
4.11.2 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van provinciale kaarten is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied is ingevolge de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ aangemerkt als een ‘Gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’.
Het onderhavige bouwvoornemen voorziet in de vervanging van portieketageflats en (zorg)woningen aan de Europalaan te Brunssum. De nieuwbouw voorziet in appartementen en woningen met woon-zorg functie die op een vergelijkbare manier op het plangebied zullen worden gesitueerd als in de oude situatie. De voorgevels van de woningen met woon-zorg functie zullen (net als in de oude situatie) nagenoeg evenwijdig aan de Regentesstraat worden geprojecteerd. Het verkavelingspatroon zal als gevolg van onderhavig planvoornemen dan ook niet wijzigen door de beoogde nieuwbouw. Conclusie Door de realisatie van de wooneenheden zal de huidige bebouwing worden gesloopt en op vergelijkbare wijze (wooncomplexen in het groen) worden teruggebouwd. De cultuurhistorie wordt hiermee niet aangetast en dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde bebouwing.
4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 134 appartementen en 23 appartementen met woonzorg functie toegestaan. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2)
Hoofdstuk 4
56
van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. In het voorliggende geval is sprake van een netto afname van 47 wooneenheden binnen een bestaande dorpskern. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie paragraaf 4.8). Conclusie De ontwikkeling heeft een relatief beperkte omvang en wordt mogelijk gemaakt binnen de kern in een overwegend woongebied. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving.
Gezien de aard, omvang, milieugevolgen (paragraaf 4.1 tot en met 4.11), ligging en gelet op bestaande jurisprudentie (paragraaf 3.1.3) kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘nieuw stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
Hoofdstuk 4
57
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Algemeen Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.
5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 5
58
5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden 5.3.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): · bestemmingsomschrijving; · bouwregels; · nadere eisen; · afwijken van de bouwregels; · specifieke gebruiksregels; · afwijken van de gebruiksregels; · omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; · omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; · wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan.
De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Hoofdstuk 5
59
‘Groen’ De gronden rondom de wooncomplexen zijn bestemd als ‘Groen’ en meer specifiek voor: a. groenvoorzieningen, zoals bermen en beplanting, parken en plantsoenen, waterpartijen speelvoorzieningen, en trapvelden;
b. c. d. e. f.
met daaraan ondergeschikt: de bijbehorende voet- en fietspaden (waaronder perceelsontsluitingen); parkeervoorzieningen water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling.
met andere bouwwerken geen gebouwen zijnde en wegen en verhardingen. ‘Wonen’ De acht wooncomplexen en dertien woningen zijn bestemd als ‘Wonen’ en meer specifiek voor: a. wonen; met daaraan ondergeschikt: b. aan huis verbonden beroepen; c. parkeervoorzieningen ten dienste van deze bestemming; d. doeleinden van openbaar nut; e. groenvoorzieningen; f. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; g. paden en verhardingen; Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen ten behoeve van de acht appartementencomplexen. Ten behoeve van de woningen is een gevellijn opgenomen. Er geldt een maximaal aantal woningen per bouwvlak of achter de gevellijn. Daarnaast is op de verbeelding aangegeven of het gestapelde of aaneengebouwde woningen betreft. In de regels is een separate bouwregeling opgenomen voor de appartementen en voor de woningen. Ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ zijn ‘aan huis verbonden beroepen’ rechtstreeks toegestaan. Een ‘aan huis verbonden bedrijf’ of ‘consumentverzorgend ambachtelijk bedrijf’ zijn alleen toegestaan middels een afwijkingsbevoegdheid. 5.3.3 Algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben.
Deze bestaan uit de volgende onderdelen: · anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. · algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van aangrenzende terreinen, overschrijding bouwgrenzen, toegelaten bouwwerken met afwijkende maten, parkeren en berging en infiltratie van hemelwater.
Hoofdstuk 5
60
· · · ·
algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Algemene aanduidingsregels: hierin is een regeling opgenomen voor een straalpad. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. overige regels: hierin is een voorrangsregeling opgenomen voor dubbelbestemmingen.
5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
Hoofdstuk 5
61
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In het kader van de goede ruimtelijke ordening en gezien het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient in een bestemmingsplantoelichting de uitvoerbaarheid van het betreffende planvoornemen te worden verantwoord, zowel in financieel-economisch opzicht als in maatschappelijk opzicht. In navolgende paragrafen wordt op deze uitvoerbaarheidsaspecten ingegaan.
6.2 Economische uitvoerbaarheid Bij de onderbouwing van de financieel-economische uitvoerbaarheid zijn twee aspecten van belang. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of en zo ja, welke kosten aan het planvoornemen zijn verbonden voor de gemeente en tevens dient te worden aangetoond dat het planvoornemen zodanig realistisch is dat het daadwerkelijk kan worden gerealiseerd binnen de planperiode van het bestemmingsplan. De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; 2. het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is, en 3. het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is. Het planvoornemen is aan te merken als een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, waardoor kostenverhaal aan de orde is.
In verband hiermee heeft de gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro gesloten met de initiatiefnemer. In deze overeenkomst zijn afspraken opgenomen over het verhaal van kosten, een tijdvak voor de realisering van het plan en eisen aan de aanpassingen aan de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van locatie-eisen aan de inrichting van de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen middels een exploitatieplan niet nodig. Daarnaast bevat deze overeenkomsten afspraken in verband met het risico op planschade. Hiermee wordt geregeld dat eventueel te vergoeden planschade op de initiatiefnemer kan worden verhaald. Gelet op het vorenstaande kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid van het plan is gegarandeerd.
Hoofdstuk 6
62
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het planvoornemen voorziet in vervangende nieuwbouw, waarbij 194 appartementen worden vervangen door 134 gestapelde woningen en 24 appartementen met woon-zorg functie. Met het plan wordt zowel kwantitatief als kwalitatief voorzien in de huidige woningbehoefte. Het plan wordt gerealiseerd in een gebied met overwegend een woonfunctie en uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat het plan ter plaatse goed inpasbaar is. Daarnaast kan het draagvlak voor het nieuwe bestemmingsplan worden vergroot door de verschillende belanghebbende actoren tijdig bij de planvorming te betrekken en met hen te (blijven) communiceren. Over het onderhavige bestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1 Bro overleg gevoerd met de besturen van waterschap Limburg en de dienst van provincie die betrokken is bij de zorg voor de ruimtelijke ordening en belast is met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Waterschap Limburg heeft met betrekking tot infiltratie van water geadviseerd over de aan te houden normering: dit advies is overgenomen (80mm). Vanwege de aantallen gevoelige verblijfplaatsen binnen het plangebied geeft de provincie aan dat een strategisch plan van aanpak nodig is om de uitvoerbaarheid van het plan in voldoende mate te kunnen aantonen.
Het faseren van de sloop alsmede behoud van groen in het plangebied wordt hierbij van zeer groot belang geacht. Naar aanleiding daarvan is uitgebreid onderzoek gedaan en vervolgens een actieplan opgesteld om de aanwezige flora en fauna te beschermen. Voor de uitvoering van de werkzaamheden en het behoud van geschikte plaatsen voor (winter-)verblijf en kraamplaatsen wordt een aanpak in fasering en uitvoering van de werkzaamheden uitgewerkt, dat geborgd wordt in de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming. Om aantasting van geschikte locaties voor de vleermuis te voorkomen, is een vergunningplicht voor sloopwerkzaamheden opgenomen, waarbij vanuit ecologisch belang voorwaarden zijn gesteld. Ten behoeve van de ontheffing is een activiteitenplan opgesteld voor de omgevingsvergunning. De ontheffingsaanvraag heeft betrekking op het verstoren en vernietigen van de aangetroffen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger en het verstoren en vernietigen van zeker 33 nestlocaties van de gierzwaluw. Het activiteitenplan is opgesteld ten behoeve van de ontheffingsaanvraag conform de Wet natuurbescherming, aangezien het plan valt onder de oude natuurwetgeving en daarmee niet beoordeeld hoeft te worden in het kader van de Omgevinsgwet. Hiermee wordt dit belang geborgd en beschermd.
Op 12 december 2023 is een informatieavond georganiseerd voor omwonenden en andere belangstellenden. Tijdens deze avond zijn de plannen gepresenteerd en zijn aanwezigen in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en opmerkingen te maken. Tijdens de inloopavond is geconstateerd dat er veel zorgen waren over de nieuwe parkeersituatie. Omwonende vreesde voor een tekort aan parkeerplaatsen. In verband met deze zorgen heeft initiatiefnemer samen met de gemeente overleg gevoerd over een geschikte oplossing. Uiteindelijk heeft initiatiefnemer het plan dusdanig gewijzigd waardoor voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden conform het gemeentelijk beleid. Hiermee voldoet het plan aan de gestelde normen waardoor dit geen belemmering meer vormt. Ter toelichting van de aangepaste parkeeroplossing heeft er op 22 april 2024 nog een informatieavond plaatsgevonden. Tijdens deze avond zijn de aanwezige geïnformeerd over het nieuwe plan om het parkeren op te lossen. Tijdens deze avond is kenbaar gemaakt dat in overleg met de gemeente
Hoofdstuk 6
63
wordt aangesloten bij de gemeentelijke parkeernormen. Hiermee worden aantoonbaar voldoende parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. De aanleg van deze parkeerplaatsen zal gefaseerd plaatsvinden. Tot slot wordt het bestemmingsplan conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen. Naar aanleiding van alle ingekomen zienswijzen zijn onderstaande zaken gewijzigd in de plantoelichting, bestemmingsplanregels of verbeelding: Regels · Er zijn een aantal begrippen toegevoegd: kamerbewoning (1.47), kamerverhuur (1.48), kantoor (1.49), woningsplitsing (1.79) en wonen met zorgfaciliteiten (1.77). Deze begrippen zijn toegevoegd vanwege het feit dat binnen het initiatief van ‘Holikiday’ tevens is voorzien in een kantoor/ruimte ten behoeve van administratieve werkzaamheden, de inwerkingtreding van de beheersverordening ‘Kamerverhuur, woningsplitsing en parkeren’ alsmede ten gevolge van een van de ingediende zienswijzen, waaruit de noodzaak c.q.
wenselijkheid voortvloeide het toegestane gebruik ter plaatse van de functieaanduiding ‘Wonen – Woonzorgfunctie’ nader te duiden; · Aan artikel 3.1.1, onder b is toegevoegd dat de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – parkeren’ ook ziet op de ontsluiting die leidt naar de betreffende parkeerplaatsen; · Op verzoek van Enexis is, conform de huidige beheersverordening, in het noordwestelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ opgenomen ter borging van de belangen van de netbeheerder en vanwege de ruimtelijke relevantie van de aldaar gesitueerde gasleiding. Ter plaatse van de hartlijn van deze leiding noch binnen de belemmeringenstrook is (kwetsbare) bebouwing voorzien/toegestaan; · In artikel 8.4 van het bestemmingsplan is een dynamische wijziging opgenomen ter borging van het voldoen aan de geldende parkeernorm ten tijde van de bouwactiviteiten/vergunningverlening dan wel gebruik dat niet rechtstreeks binnen het plangebied is toegestaan. Op deze manier is geborgd dat te allen tijde voldaan wordt aan de geldende parkeernormen (ook indien de gemeenteraad een nieuw kader op dat vlak vaststelt) voor bouwwerkzaamheden en/of een afwijking van het planologisch kader voor wat betreft gebruik (zonder bouwwerkzaamheden); Plantoelichting · Er heeft een actualisering plaatsgevonden van zowel het provinciale- als het woonbeleid.
Zo is de toets aan de provinciale instructieregels nader geduid en in dat kader is tevens aandacht besteed aan (de motivatie ten aanzien van) de na-ijlende effecten van de steenkolenwinning. Daarnaast zijn enkele aanpassingen verricht ten gevolge van de Omgevingswet welke net na de terinzagelegging van het ontwerp van bestemmingsplan ‘Vervangende nieuwbouw Europalaan te Brunssum’ in werking is getreden; · Naar aanleiding van meerdere zienswijzen van omwonenden zijn de aspecten verkeer en parkeren nader beschouwd. Hierbij is besloten om, in afwijking van het externe advies, toch vast te houden aan de geldende gemeentelijke parkeernorm, hetgeen resulteerde in een nieuw inrichtingsplan. Paragraaf 2.2 (toekomstige ontwikkeling) en 4.9 (verkeer en parkeren) van het voorliggende bestemmingsplan zijn dientengevolge inhoudelijk aangepast; · Daarnaast is de paragraaf betreffende de maatschappelijke uitvoerbaarheid geactualiseerd, waar nu ook het extra participatiemoment met omwonenden op 22 april 2024 vermeld wordt. Tijdens
Hoofdstuk 6
64
· ·
deze bewonersavond is het nieuwe inrichtingsvoorstel en parkeer- en verkeersafwikkeling nader toegelicht. Daarnaast is qua onderzoeken het stikstofdepositie onderzoek en de watertoets geactualiseerd; Tot slot zijn een aantal ondergeschikte tekstuele wijzigingen doorgevoerd.
Verbeelding · De verbeelding is qua omvang van het plangebied ietwat gewijzigd om de nieuwe parkeerafwikkeling -voor zover noodzakelijk- binnen het plangebied te laten landen. Tevens is ter plaatse de geprojecteerde parkeerplaatsen de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – parkeren’ opgenomen. Door niet binnen de gehele groenbestemming parkeren toe te staan wordt voorkomen dat binnen het plangebied extra parkeerplaatsen/verharding planologisch mogelijk is ten koste van groenvoorzieningen.
Hoofdstuk 6
65
7. PROCEDURE 7.1 De te volgen procedure De wettelijke procedure volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en start met het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: · Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; · Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; · Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; · Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; · Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; · Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; · Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Terinzagelegging ontwerp Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De kennisgeving dient in de Staatscourant te worden geplaatst en dient ook via elektronische weg te geschieden. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024, gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn gedurende deze termijn tien zienswijzen ingediend. In de nota van zienswijzen zijn deze beantwoord en is aangegeven of en in welke mate dit tot wijzigingen van het plan heeft geleid.
7.3 Vaststelling Het bestemmingsplan is door de raad van de gemeente Brunssum vastgesteld in de raadsvergadering van 17 september 2024.
Hoofdstuk 6
66
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Indicatief bodemonderzoek Bijlage 2: Milieuhygiënische verklaring bodemonderzoeken Bijlage 3: Vooronderzoek bodem Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek warmtepompen Bijlage 6: AERIUS-berekening Bijlage 7: Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Bijlage 8: Watertoets Bijlage 9: Archeologisch onderzoek Bijlage 10: Geologisch-hydrogeologisch onderzoek