CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 41 (bijlage 1) Brunssum Transitievisie warmte visie definitief

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststelling Transitievisie Warmte; Gemeenteblad 2023/4127.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

RVO. (2021). Standaard en streefwaarden voor woningisolatie

RVO. (2023). Wetten en regels gebouwen.

WoonWijzerWinkel Limburg. WoonWijzerWinkel

WKO (2023) Bodemenergietool

VNG. (2023). Datavoorzieining Wijkpaspoort Warmtetransitie

VNG. (2023). Datavoorziening Energietransitie Gebouwde Omgeving

Bijlage 1

28

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Bijlage 1

1. Verdieping isoleren en warmtealternatieven Deze bijlage licht de standaard- en streefwaarden bij het isoleren van woningen toe. Vervolgens worden de verschillende warmtetechnieken verder toegelicht. De meeste alternatieven voor aardgas gebruiken elektriciteit om de installatie draaiende te houden. Daarnaast maken deze ook gebruik van een bron. Dit kunnen natuurlijke bronnen zijn maar ook restwarmte of duurzaam gas. Aan het einde van deze bijlage wordt de status van duurzaam gas en waterstof toegelicht.

1.1.

Standaard- en streefwaarden woningisolatie

De landelijke Standaard voor woningisolatie legt vast tot welk niveau de gehele woning minimaal geïsoleerd moet worden om over te kunnen stappen naar een aardgasvrij alternatief. Deze isolatienorm is gekoppeld aan de hoeveelheid warmte/m² die een woning nodig heeft. Daarnaast houdt de standaard rekening met het soort ventilatiesysteem en de mate van kier- en naaddichting. Er wordt geen rekening gehouden met mogelijke oververhitting en de behoefte aan koeling als gevolg in de zomer. Isoleren conform de standaard betekent niet direct dat de woning voldoende geïsoleerd is voor het kansrijke warmtealternatief. Onderstaande afbeelding geeft aan wanneer de standaard geschikt is per technische oplossing en bijbehorende temperatuur.

Tabel 1: Alternatieven voor aardgas Alternatief voor aardgas Ander ‘gas’ (1)

Hybride WP/CV

HT

MT

Nu (LT)

Toekomst

HT

MT

LT

(Z)LT

>75°C (90°C)

55-75°C

30-55°C

55-75°C

> 75°C (90°C)

55-75°C

30-55°C

<30°C

Onder de Standaard

V

X

X

X

V

X

X

X

Vooroorlogse Standaard

V

V

X

V

V

V

X

X

Naoorlogse Standaard

V

V

V

V

V

V

V

X

Voorbij de Standaard

V

V

V

V

V

V

V

V

Temperatuur

Warmtepomp

(1) Niet op korte termijn beschikbaar

29

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Warmtenet

Bron: Nieman: Webinar: Voorbij de Standaard

Uitleg standaard Deze standaard houdt rekening met vooroorlogse woningen (bouwjaar tot en met 1945) en naoorlogse woningen (bouwjaar na 1945). Voor woningen gebouwd tot en met 1945 geldt een andere standaard dan voor woningen die zijn gebouwd na 1945. De standaard voor vooroorlogse woningen gaat uit van minder isolatie waardoor de woning nog niet geschikt is voor lagetemperatuurverwarming (LT). De standaard is hierbij vergelijkbaar met energielabel D. Dit heeft, ondanks dat er voldaan wordt aan de standaard voor isoleren, de consequentie dat de woning niet of in mindere mate geschikt is voor sommige alternatieve warmtetechnieken. De standaard voor woningen na 1945, komt ongeveer overeen met energielabel A of B. De standaard is daarmee het isolatieniveau waarbij de woning in principe voldoende geïsoleerd is om de woning met een lage temperatuur te verwarmen. Op alle nieuwe energielabels – vanaf 1 augustus 2021 – staat vermeld of de isolatie van de woning voldoet aan de ‘Standaard voor isolatie’. Meer informatie over de isolatiewaarde van de verschillende bouwdelen zijn beschikbaar via het Rijk en aanvullende informatie over de standaard bij het Expertise Centrum Warmte.

Streefwaarden Naast een standaard voor de gehele woning bestaan er ook streefwaarden voor afzonderlijke bouwdelen van woningen. Deze zijn bedoeld voor eigenaren die een of enkele delen van de woning verduurzamen. Deze isolatienormen geven aan wanneer een enkel bouwdeel (zoals dak, vloer of ramen) zeker ‘toekomstbestendig’ is. Het isoleren van een bouwdeel naar deze streefwaarde zorgt ervoor dat dit bouwdeel goed genoeg is geïsoleerd. Bij aansluiting op een alternatieve warmtebron wordt dit gedeelte niet meer aangepakt. Het doel is wel dat de woning voldoet aan de standaard. Het is daarom niet nodig alle streefwaarden te realiseren.1

Figuur 1: Schematische weergave van de relatie tussen de Standaard en Streefwaarden

1

30

Bron: RVO standaard en streefwaarden woningisolatie

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Bewoners kunnen bij het maken van isolatiekeuzes rekening houden met onderstaande consequenties.

Figuur 2: Consequenties isoleren

Bron: Nieman

31

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

1.2. Warmte­alternatieven

Figuur 3: Factoren warmtealternatieven

Er zijn vier verschillende warmte­ alternatieven die een rol spelen in deze TVW. Deze worden verdeeld in twee soorten: • •

Individueel alternatief per woning Collectief alternatief in de buurt, wijk, binnen de gemeente of zelfs op regionale schaal.

Deze afbeelding geeft de verschillende factoren bij het bepalen van het beste warmtealternatief weer.

1.2.1. Individuele warmtetechnieken Voor een groot deel van de woningen en andere gebouwen zijn geen collectieve oplossingen beschikbaar. Daarnaast zijn er bewoners die het liefst vandaag al een keuze maken om hun aardgasverbruik te verminderen. Deze kunnen het beste overstappen op een individuele warmtetechniek. Dit betekent dat elke woning een eigen warmtevoorziening krijgt. Voor deze bewoners zijn individuele technieken een oplossing om in de warmtebehoefte te voorzien. Meestal werken deze op elektriciteit, bijvoorbeeld warmtepompen, infraroodpanelen, zonneboilers of een combinatie van technieken. Bij gestapelde bouw wordt de warmtevoorziening vaak centraal geregeld. Het is dan ook goed om te kijken naar een eigen oplossing voor het hele complex. Hybride warmtepompen (aardgas besparend) kunnen, zeker als eerste stap naar volledig aardgasvrij, een rol spelen. Dit zijn warmtepompen gecombineerd met een CV-ketel op aardgas. De ketel springt dan alleen op de koudste dagen bij om het huis warm te krijgen en maakt nog warm tapwater. Bij elke warmteoplossing is het van belang om ervoor te zorgen dat: • de woning voldoende is geïsoleerd; • een verwarmingssysteem zoals radiatoren of vloerwarming aanwezig is; • en dat dit systeem past bij het gekozen alternatief.

Ter illustratie Is een woning slecht geïsoleerd en is er geen vloerverwarming aanwezig? Dan is het niet verstandig om al volledig naar aardgasvrij te gaan. In die situatie kan er beter gekozen worden voor een hybride warmtepomp. Daarna kunnen er nog aanvullende isolatiemaatregelen genomen worden zodat in de toekomst de woning wel energiezuinig en aardgasvrij kan worden.

32

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Beschikbare individuele warmtetechnieken zijn: • S1: elektrische warmtepomp • Variant S1a (B+): elektrische luchtwarmtepomp In deze variant gebruikt de elektrische warmtepomp de buitenlucht als belangrijkste energiebron. De buitenunit onttrekt warmte aan de buitenlucht en is bevestigd aan het gebouw of staat nabij het gebouw. • Variant S1b (B+): elektrische bodemwarmtepomp Deze variant gebruikt een elektrische warmtepomp met de bodem als de belangrijkste warmte­ bron. Een gebouw heeft in het algemeen buitenruimte nodig voor het plaatsen van de bodem­ warmtewisselaar. • S4 (B+ of D+): Hybride warmtepomp met groen gas • Een hybride warmtepomp kan ook gebruik maken van aardgas. In de toekomst zal het gebruik van aardgas stoppen. Groen gas is daarvoor het aangewezen alternatief op dit moment. De betaalbaarheid en beschikbaarheid van groen gas op de lange termijn is onzeker. Meer informatie over groen gas in bijlage 1.3.2. Onderstaande kaart laat de verschillende type gebouwen zien. Dit laat zien dat de meeste gebouwen (groen) waarschijnlijk naar een eigen oplossing over stappen, maar bewoners mogen ook op een collectieve oplossing in de buurt aansluiten. Voor de geel en blauw gemarkeerde gebouwen is het interessant om na te gaan of een klein collectief kansrijk is.

Figuur 4: Type gebouwen Brunssum

Bron: potentiestudie Brunssum, bijlage 4.1

33

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

1.2.2. Collectieve warmtetechnieken Bij collectieve technieken wordt een hele wijk, buurt of meerdere woningen aangesloten op hetzelfde warmtesysteem. Dit is een collectief warmtenet. Dit is een grootschalig warmtenet dat vaak meerdere wijken of zelfs gemeenten voorziet van warmte. Woningen worden verwarmd via een netwerk van leidingen onder de grond waar warm water doorheen stroomt. Voorwaarde voor het ontwikkelen van een warmtenet is wel dat er voldoende warmtebronnen beschikbaar zijn. Ook is het belangrijk dat deze bronnen en het warmtenet betrouwbaar, duurzaam en betaalbaar zijn. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen grootschalige warmtenetten (vooral stadsverwarming) en kleinschalige warmtenetten (zoals blokverwarming). Beschikbare warmte technieken • S 2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron •

•

•

S3: Warmtenet met lagetemperatuurbron •

•

•

•

•

34

S2a en S2d: MT-Restwarmte Dit zijn varianten met een middentemperatuurnet met een aflevertemperatuur van 70 °C. Een restwarmtebron voedt het warmtenet met warmte met een temperatuur van meer dan 70 °C. S2b, S2c, S2e en S2f: MT-geothermie Bij deze varianten wordt een middentemperatuurnet gevoed vanuit een geothermiebron.

Variant S3a (B+) – Warmtenet met lagetemperatuurbron – aflevering op 30 °C De warmte wordt bij woningen en gebouwen afgeleverd op ongeveer 30 °C. Vervolgens wordt de warmte binnen de woningen en gebouwen met een individuele combiwarmtepomp opgewaardeerd naar bruikbare temperatuurniveaus voor ruimteverwarming en warm tapwater. Variant S3b en f (B+ en D+) – Warmtenet met lagetemperatuurbron – aflevering op 70 °C De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70 °C en is daarmee binnen woningen en gebouwen direct geschikt voor gebruik voor ruimteverwarming en warm tapwater. Variant S3c en g (B+ en D+) – Warmtenet met warmte-koudeopslag (WKO) met aflevering op 70 °C hele buurt In deze variant wordt warmte-koudeopslag toegepast. In de zomer wordt er warmte opgeslagen in zogeheten ondergrondse warmte-koudeaquifers, diepere watervoerende lagen, zodat je die warmte in de winter kunt gebruiken om gebouwen te verwarmen. Om de warmte op 70 °C te krijgen is er opwaardering met een collectieve warmtepomp nodig. Variant S3d en h (B+ en D+) – Warmtenet met warmte-koudeopslag (WKO) met aflevering op 50 °C In deze variant wordt warmte-koudeopslag (open bodemenergiesysteem) toegepast, waarbij warmte en koude van gebouwen zelf worden opgeslagen in ondergrondse warmte-koudeaquifers. Met dit systeem wordt er in de zomer warmte opgeslagen in de ondergrond.

In de winter wordt die warmte gebruikt om de gebouwen te verwarmen. Om de warmte op een voldoende hoge temperatuur te brengen (50 °C) is opwaardering met een collectieve warmtepomp nodig. Variant S3e en h (B+ en D+) – Omgevingswarmte uit oppervlaktewater +WKO, levering op 70 °C Dit is een variant voor het gebruik van omgevingswarmte uit oppervlaktewater (TEO) van zeer lage temperatuur (circa 15 °C). Dit is een vorm van aquathermie. De combinatie met warmtekoudeopslag maakt het mogelijk om warmte in de zomer ondergronds op te slaan en in de winter te benutten voor ruimteverwarming. De warmte wordt op een temperatuur van 70 °C bij het gebouw afgeleverd na opwaardering met een collectieve elektrische warmtepomp. Bij deze variant gelden dezelfde beperkingen voor inzet van WKO als bij variant S3D. Daarnaast is ook vereist dat er geschikt oppervlaktewater in de buurt is.

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Grootschalige warmtenetten De ontwikkeling van grootschalige warmtenetten is een langdurig proces. In de praktijk begint de aanleg vanaf de bron en wordt dit net stap voor stap verder uitgewerkt. De omvang is vaak groter dan de buurt en kan zelfs in meerdere gemeenten worden aangelegd. Dit maakt dat de ontwikkeling en aanleg van een grootschalig warmtenet lang duurt. Liggen in een buurt kansen om in de toekomst aan te sluiten op een grootschalig warmtenet? Dan kan dit ook klein beginnen met een collectief per buurt. Er moet dan wel een centrale bron aanwezig zijn. Afhankelijk van de huidige en verwachte temperatuur in de toekomst wordt de isolatieopgave bepaald en uitgewerkt. De benodigde aanpassingen in een woning hangen af van de temperatuur van het warmtenet. Bij lage temperatuur (LT) is een lage temperatuur afgiftesysteem (zoals vloerverwarming of LT-radiatoren) in combinatie met een passend isolatieniveau nodig, om woningen comfortabel warm te krijgen én houden in de wintermaanden. Bij een warmtenet met een hoge temperatuur (vanaf 70 ºC) kunnen vaak de bestaande radiatoren in gebruik blijven en is vergaande isolatie minder noodzakelijk. Een groot collectief kan, in tegenstelling tot een kleine variant, niet worden ontwikkeld door eigenaren of de energiecoöperatie. Dit heeft enerzijds te maken met wet- en regelgeving maar ook met praktische zaken.

Zo kan een grootschalig collectief voor meerdere gemeenten worden aangelegd en is de locatie en grootte van de bron bepalend voor de uitrol en de fases waarin dit kan plaatsvinden.

Kleine collectieven Voor gebieden met relatief veel gebouwen (gestapeld en/of grondgebonden) kan een klein collectief financieel interessant zijn. Dit leidt in deze situatie tot lagere maatschappelijke kosten. Een klein collectief wordt in een buurt of een gedeelte daarvan gerealiseerd. Dit kan met een (hybride) warmtepomp of met een lokale bron zoals bodemwarmte/restwarmte van een bedrijf in de directe omgeving. Draagvlak, kosten, fysieke inpassing en de aanwezigheid van een geschikte warmtebron zijn doorslaggevend voor een klein collectief. Het grootste verschil tussen een klein of groot collectief is de schaal waarop het wordt aangelegd. Daarin zit ook de complexiteit. Hoe groter het collectief, hoe meer gebouwen aangesloten moeten worden met oog voor de betaalbaarheid voor gebruikers en de maatschappelijke kosten voor de energievoorziening. De analyse in Brunssum (bijlage 4.3) laat zien dat er potentie is voor kleine collectieven. In sommige buurten lijken meer bewoners hiervoor open te staan dan in andere buurten. Om dit alternatief verder te verkennen is altijd aanvullend onderzoek nodig. Hoe dat wordt gedaan en op basis van welke uitgangpunten een keuze wordt gemaakt, wordt vastgesteld in het projectplan dat samen met bewoners wordt opgesteld.

Vanuit het projectplan wordt onderzoek georganiseerd, de resultaten verzameld en een objectieve afweging gemaakt op basis van de uitgangspunten in het projectplan. Deze optie kan in het uitwerken van het uitvoeringsplan worden vergeleken met een individuele oplossing per woning, appartementencomplex en andere functies. Voor de optie van een buurtwarmtepomp is dit schematisch op hoofdlijnen weergegeven in de afbeelding op de volgende pagina. De keuzehulp op de volgende pagina wordt gebruikt voor het bepalen van alternatieve warmteoplossingen in het projectplan.

35

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Figuur 5: Kansen voor een buurtwarmtepomp

36

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

Afhankelijk van de vraag (MT/LT warmte) en de beschikbare bronnen zijn de volgende technische oplossingen mogelijk:

Figuur 6: Technische oplossingen

Bron: Programma Aardgasvrije Wijken

37

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

In Brunssum zijn er mogelijkheden voor bodemwarmte. Bodemwarmte kan worden ingezet bij een individuele warmteoplossing maar dat is technisch niet eenvoudig. Bij nieuwbouw is de toepassing van bodemwarmte eenvoudiger te realiseren. Ook liggen er kansen om bodemwarmte toe te passen in kleine collectieve oplossingen. De onderstaande kaart laat zien dat er een aantal gebieden in Brunsum zijn waar bodemwarmte beperkingen heeft. Ook zijn de aanwezige bodem warmtesystemen weergegeven op de kaart. Via de WKO Tool kan de mogelijkheid voor bodemwarmte op specifieke locaties verder worden verkend.

Figuur 7: Potentie bodemwarmte

Bron: WKO tool

38

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

1.3. Warmtebronnen en duurzaam gas In paragraaf 3.3 worden de energiedragers kort aangestipt. Momenteel is aardgas de grootste bron voor onze warmtevoorziening. Dit gaat veranderen. De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving betekent dat een veelheid aan bronnen wordt ingezet om alle gebouwen te kunnen verwarmen. De meeste alternatieven voor aardgas gebruiken elektriciteit om de installatie draaiende te houden. Daarnaast maken deze ook gebruik van een bron. Dit kunnen natuurlijke bronnen zijn maar ook restwarmte of duurzaam gas. Welke bronnen bij welk alternatief mogelijk zijn, zijn in paragraaf 1.2.1 en 1.2.2 van bijlage 1 al globaal beschreven. Meer hierover is in de factsheets per strategie uitgewerkt door het Expertise Centrum Warmte. In deze paragraaf worden verschillende mogelijke warmtebronnen en de ontwikkeling van duurzaam gas kort toegelicht. Het Expertise Centrum Warmte heeft specifieke en uitgebreide informatie beschikbaar over mogelijke energiebronnen en -dragers. De potentiestudie in bijlage 4.1 geeft meer informatie over de toepassing van verschillende bronnen en bijbehorende strategieën voor Brunssum.

1.3.1. Warmtebronnen per strategie In de warmtetransitie kan gebruik gemaakt worden van natuurlijke bronnen of restwarmte: afhankelijk van de beschikbaarheid en de meest kansrijke techniek in de buurt. Dit is een overzicht van de mogelijke warmtebronnen als alternatief voor aardgas: Tabel 2: Warmtebronnen per strategie

Temperatuur verwarming systeem

Energiebron voor warmte

S1: Individuele warmtepomp

S2: Warmtenet MT- HT

S3: Warmtenet LT

S4: Hybride warmtepomp

Circa 50 °C

Circa 70 °C

Circa 50 °C of 70 °C

Circa 70 °C

Buitenlucht of bodem

Restwarmte industrie, datacentra, of geothermie

Lagetemperatuurbron uit restwarmte, WKO, oppervlaktewater (aquathermie) Deze bron wordt individueel per woning of collectief opgewaardeerd in temperatuur

Duurzaam gas

1.3.2 Duurzaam gas De minst ingrijpende oplossing voor bewoners is om groen gas of waterstof te gebruiken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het bestaande gasnetwerk. Net als bij aardgas zorgt een cv-ketel dan voor verwarming en warm water. Het bestaande aardgasnet kan zonder aanpassingen worden gebruikt voor de invoeding van groen gas omdat dit vergelijkbare kwaliteiten heeft met aardgas. Ook voor waterstof is de verwachting dat het aardgasnet

39

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

geschikt gemaakt kan worden. Hierbij zijn dan wel (beperkte) aanpassingen of een (deels) separaat net voor nodig. Het is namelijk niet mogelijk om zowel groen gas en waterstof op hetzelfde leidingnet in te voeden. Doordat er geen grote aanpassingen aan gebouwen en/of verwarmingsinstallaties nodig zijn, kan deze strategie geleidelijk worden ingevoerd. Door de beperkte beschikbaarheid van zowel groen gas als waterstof is de verwachting dat dit tot 2030 dan ook geen grote rol speelt in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Gelet op deze beperkte beschikbaarheid, is het streven om deze technieken in te zetten op plekken waar de andere strategieën veel duurder of technisch niet haalbaar zijn. Denk hierbij aan buitengebieden, historische stadscentra en monumentale panden. De RES-regio Zuid-Limburg doet onderzoek naar de potentie van groen gas.

Groen gas Groen gras is een energiedrager en ontstaat uit de opwaardering van biogas. Biogas wordt gewonnen bij de verwerking van afval- en reststromen uit onder meer de landbouw, de voedingsindustrie en waterzuivering. Dit gebeurt nu voornamelijk door het gebruik van vergistingsinstallaties. In de toekomst is het ook mogelijk dat thermische vergassing en superkritische vergassing op grote schaal worden gebruikt voor de productie van biogas. Door een speciaal proces wordt biogas opgewaardeerd zodat het dezelfde kwaliteiten als aardgas krijgt en daarmee leverbaar is aan het openbare gasnetwerk. Zonder opwaardering kan biogas ook direct gebruikt worden om warmte en elektriciteit (bio-WKK) op te wekken of een lokaal biogasnetwerk op te zetten met geschikte apparatuur. Groen gas is een mogelijke bron voor een cv-ketel voor ruimteverwarming en het maken van warm tapwater. Idealiter in combinatie met een hybride warmtepomp. Dit maakt het mogelijk om woningen van het aardgas te halen die niet in één keer verduurzamen of waarvoor nu nog geen betaalbare oplossingen zijn. Daarnaast zorgt het gebruik van groen gas gedurende de koude wintermaanden ervoor dat het elektriciteitsnet minder wordt belast. Het gebruik van groengas kan ook zonder de inzet van een hybride warmtepomp. Dan kunnen met dezelfde hoeveelheid gas alleen minder gebouwen worden verwarmd.

Groen gas is momenteel beperkt beschikbaar en de verwachting is dat er nu, en in de toekomst, niet genoeg groen gas beschikbaar is om alle buurten in Nederland te verwarmen. Daarnaast kunnen restproducten ook op andere manieren worden ingezet en/of nemen de afvalstromen af door de transitie in het landelijk gebied. Na 2030 wordt een groeiende vraag naar groen gas en waterstof verwacht vanuit de industrie en mobiliteit, gelet op de beperkte duurzame alternatieven in deze sectoren. Daarnaast kan groen gas in de toekomst ook ingezet worden als brandstof voor elektriciteitscentrales.

Waterstof Waterstof is geen energiebron maar een energiedrager en wordt opgewerkt middels een proces genaamd elektrolyse. Op dit moment wordt waterstof voornamelijk geproduceerd met fossiele brandstoffen zoals aardgas. Om waterstof als hernieuwbaar gas te kunnen bestempelen moet duurzaam opgewekte elektriciteit worden gebruikt voor de productie ervan uit water (elektrolyse). Op de website van Milieu Centraal staat meer informatie over waterstof en wat de voor- en nadelen hiervan zijn. Grootschalige, duurzame productie van waterstof staat nog in de kinderschoenen. Daarnaast bevindt waterstof als energiedrager zich voor de gebouwde omgeving nog in de demonstratiefase.

40

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1

zal voornamelijk landelijk geregeld worden in overleg met ketenpartners.

aanbod van waterstof in uw RES-regio. De markt voor waterstof is nog in ontwikkeling, het is daarom niet verwonderlijk dat er nog onzekerheden en onduidelijkheden zijn.

3 Welke toepassingen zijn er voor waterstof?

• De schattingen die uit dit stappenplan komen kunnen gebruikt worden om de invulformulieren Waterstof moet niet grootschalig ingezet worden voor toepasWaterstof is niet geschikt voor elke soort toepassing. van de RES in te vullen en waterstof in de RES op • Het is goed mogelijk dat vraag en aanbod van watersingen waar al goede duurzame alternatieven voor bestaan Sommige sectoren kunnen zonder groene waterstof niet nemen wanneer uit de waterstofladder blijkt dat stof in uw RES-regio niet matchen. Dat is een accepzoals voor warmte in de gebouwde omgeving (verwarmen, verduurzamen terwijl voor andere sectoren al CO2-vrije er wenselijke waterstoftoepassingen in de REStabele uitkomst. Mocht er op het gebied van groene en koken), in vervoer zoals treinen, bussen beschikbaar zijn. Net technieken zoals bij biogas is de beschikbaarheid van waterstofdouchen voor de gebouwde omgeving nogregionale erg onzeker. regio bestaan. waterstof nog een opgave liggen, dan is het belang-

en personenvervoer. Voorvoor deze toepassingen bestaan al goede Voor de meeste woningen zijn er geschikte alternatieven en is de prioriteit waterstof als alternatief duurzame alternatieven die efficiënter zijn dat waterstof. Kijkende naar de beschikbaarheid van duurzame gering. De inzet van waterstof zal daarom op de lange termijn aansluiten op de waterstofladder, zie figuur 8. alternatieven, energetische efficiëntie en schaarste van groene waterstof kan waterstof het beste worden ingezet als grondstof en brandstof in de industrie om een balansfunctie te vervullen in onze energie-infrastructuur.

waterstofladder

Ter illustratie: Gasunie gaat er vanuit dat slechts 10.000 tot 15.000 van de 8 miljoen woningen in 2030 op waterstof zullen worden aangesloten.

Figuur 8: De Waterstofladder

4 Wanneer is waterstof beschikbaar? Zeer wenselijk

wenselijk

beperkt

tijdelijk bepert

NIET wenselijk

van waterstof, waar op termijn geen duurzame alternatieven voor zijn.

zijn in de meeste gevallen niet beter dan waterstof.

in gevallen beter zijn dan waterstof, in andere gevallen zal waterstof de meest geschikte toepassing zijn.

de meeste gevallen meer geschikt dan waterstof.

alternatieven.

Het duurt nog zeker tot 2030 voordat duurzame waterstof Waterstof gaat een rol spelen in de energietransitie, maar wenselijk WENSELIJK grootschalig gemaakt en gebruikt kan worden. We moeten is niet de oplossing voor het uitfaseren van alle fossiele energiebronnen. We hebben een mix aan alternatieven nodig nu al maatregelen nemen om van fossiele brandstoffen af te Dit zijn de meest De alternatieven, De alternatieven die De alternatieven die Voor deze toepasgaan en onze energievoorziening te verduurzamen. om onze energievoorziening te termijn verduurzamen. Waterstof is prioritaire die op op termijn beschikop termijn beschiksingen bestaan al moeten niet wachten op waterstof. één van die alternatieven. toepassingen beschikbaar komen, baar komen,We kunnen baar komen, zijn in geschikte duurzame

5 Welke rol speelt waterstof bij congestie?

Toepassing Toepassing Toepassing Congestie kan worden Toepassing Toepassing voorkomen door middel van netuitbreiWanneer het elektriciteitsaanbod in een regio groter is ding en congestiemanagement. Ook kan gedacht worden aan dan de capaciteit van het elektriciteitsnet is er sprake 1 Grondstof in 1 Balansfunctie 1 Hoge 1 Lage temperatuur Grondstof het opslaan van energie in batterijen of waterstof. In gebieden van congestie. In verschillende regio’s ontstaat door het productie plastic- en energietemperatuur industriële waar congestie zalindustriële optreden kan dus een additionele wateraansluiten van zonne- en windparken congestie. kunstmest staalindustrie ter Waterstof infrastructuur proceswarmte stofproductie ontstaan wanneer een overschot aan stroom kan een systeemfunctie vervullen in het balanceren van ons vervanging van (bufferfunctie) proceswarmte 2 Zeer hoge 2 Verwarmen, uit wind op zon2wordt opgeslagen in waterstof. elektriciteitsnet. fossiele grondstof 2 1

temperatuur industriële proceswarmte

Mogelijke Mogelijke referentielijst alternatieven alternatieven

Niches gebouwde omgeving

3

Continentaal vliegen

Mogelijke alternatieven

Intercontinentaal vliegen en varen

3

Internationaal wegvervoer

4

Binnenvaart

Mogelijke alternatieven

douchen, koken

3

Regionaal en nationaal wegvervoer

4

Treinen, regionale bussen, personenvervoer

Mogelijke alternatieven

1 Geen alternatief 1 Recycling 1 Batterijopslag; 1 Hoge 1 Elektrisch • C Huidig waterstofaanbod: TKI Gas, Topsector Energie, • A Huidige waterstofvraag in kaart brengen: Topsector Netverzwaringen; temperatuur verwarmen 2 Geen reële Energie, Waterstof: kansen voor de Nederlandse industrie, Overzicht vanwarmtepompen Nederlandse waterstofinitiatieven, Afschakelen 2 Elektrisch grootschalige juli 2019, link: www.topsectorenergie.nl/sites/default/ -plannen en link: hernieuwbare 2 –toepassingen, alternatieven verwarmen Synthetische oktober 2017, productie www.topsectorenergie.nl/sites/default/files/ files/uploads/14945.pdf kerosine 3 Elektrisch Elektrisch uploads/TKI%20Gas/publicaties/Overzicht%20 • B Vraagontwikkeling waterstof: Gasunie, Waterstof:2vraag 3 Elektrisch vervoer verwarmen,waterstofinitiatieven%20TKI%20Gas%20dec%202017.pdf en aanbod nu-2030, november 2019, link: www.gasunie. vervoer 4 Elektrisch nl/expertise/waterstof/scenarios-voor-vraag-en- warmtenetten 4 Elektrische vervoer 3 Elektrisch vliegen scheepvaart aanbod-waterstof/$4229/$4230

Bron: Natuur & Milieu (natuurenmilieu.nl) Natuur & Milieu zet zich in voor een duurzame en gezonde wereld. Samen met u maken wij het verschil. www.natuurenmilieu.nl

veelgestelde vragen 1 wat is waterstof? 41

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1 Waterstof is een energiedrager. Het moet gemaakt worden, het is geen natuurlijke energiebron zoals de zon of de wind. Voor de productie van waterstof wordt gas (voor niet-duur-

van de energie verloren. In totaal loopt zo het energieverlies op tot meer dan 50%. Door dit energieverlies is waterstof voor veel toepassingen niet de slimste oplossing.

Bijlage 2

42

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

Bijlage 2

Het uitvoeringsplan Het stappenplan opstellen uitvoeringsplan bestaat uit vier fases. Verder worden de uitgangspunten voor het stappenplan gehanteerd zoals ook uitgebreid omschreven op de website van het programma aardgasvrije wijken.

Naast de stappen zijn er ook een aantal inhoudelijke aspecten die van belang zijn. Deze bijlage beschrijft het belang van de samenwerking met de buurt en gaat in op de kwaliteit van het uitvoeringsplan. Daarnaast zijn er een aantal inhoudelijke kenmerken waaraan het uitvoeringsplan moet voldoen. Om de kosten voor de aanpassingen van het elektriciteitsnet zo veel mogelijk te beperken, zijn er een aantal uitgangspunten van de netbeheerder toegevoegd in deze bijlage.

2.1. Stappenplan opstellen uitvoeringsplan op hoofdlijnen Onderstaande afbeelding laat het stappenplan om tot een uitvoeringsplan te komen zien. Het stappenplan kwam tot stand in samenspraak met meerdere gemeenten in Nederland. Het doorlopen van dezelfde stappen in Brunssum en buurgemeenten schept duidelijkheid over het proces voor alle betrokken partijen. Het stappenplan is geen blauwdruk. Omdat alle woningen, buurten en bewoners van elkaar verschillen wordt waar nodig maatwerk toegepast. Meer inhoudelijke informatie over het stappenplan is beschikbaar via het Programma Aardgasvrije Wijken. In de buurtgerichte aanpak is dit proces in twee stukken te verdelen. Het opstellen van het uitvoeringsplan duurt ongeveer twee jaar. Daarna start de uitvoering, dit duurt in totaal maximaal acht jaar. Dit heeft te maken met de juridische verankering van de transitievisie en het uitvoeringsplan, zie bijlage 2.5. Om de overlast in de buurt te beperken is het altijd goed om deze uitvoeringsperiode zo slim mogelijk te organiseren.

Figuur 1: Stappenplan opstellen uitvoeringsplan

Bron: Programma aardgasvrije wijken

43

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

2.1.1. Stap 1: Verkenning In deze fase vormt de gemeente een eerste beeld van de buurt: Wat zijn de fysieke en sociale kenmerken van de buurt? Wie zijn de bewoners, hoe kijken ze aan tegen de transitie naar een energiezuinige en aardgasvrije buurt? Wat zijn hun zorgen, vragen en behoeften? Wat speelt er in de buurt waar de gemeente aan de slag gaat, nu en in de toekomst? Welke andere partijen of initiatieven zijn er? Het doel van deze stap is om te komen tot een eerste beeld van de opgave in de buurt en de beoogde aanpak. Op basis hiervan kan de gemeente de regierol gaan organiseren. Er moet namelijk ook voldoende capaciteit zijn om het proces met bewoners te organiseren. De uitgewerkte analyse wordt bestuurlijk vastgesteld waarmee ook de randvoorwaarden voor de volgende stap worden gewaarborgd. Dit is gericht op voldoende inzet van capaciteit en middelen om de vervolgstappen zorgvuldig te kunnen doorlopen met de buurt.

Communicatie en participatie In deze fase worden bewoners actief bevraagd. Ze krijgen de gelegenheid om aan te geven hoe zij de buurt ervaren, wat er leeft en waar behoefte aan is. Dit door het organiseren van bijeenkomsten maar ook het actief benaderen van bepaalde inwonersgroepen. In deze eerste stap gaat het vooral om contacten leggen in de buurt en de verbinding maken met andere partijen die actief zijn in de buurt.

Resultaat van deze fase Na het doorlopen van deze fase is er op basis van een verdiepende analyse van de data (bewoners, woningen, omgeving) in combinatie met de bijeenkomsten in de buurt een goed beeld ontstaan op basis waarvan de uitgangspunten voor de volgende stap kunnen worden vastgesteld. Dit is onder andere de regierol van de gemeente, voldoende bemensing, het budget om de vervolgstappen te kunnen uitvoeren en soms ook afspraken met de partijen in de buurt zoals de woningcorporatie.

2.1.2. Stap 2: Opstellen projectplan Op basis van de uitkomsten van de verkenningsfase wordt er samen met de bewoners en andere relevante partijen in de buurt een projectplan opgesteld. Het projectplan legt het proces om tot een uitvoeringsplan te komen vast en beschrijft de ambities, rollen van alle betrokken partijen en randvoorwaarden. Denk hierbij aan de afbakening van het projectgebied, welke mogelijke warmteoplossingen verder onderzocht worden, waarom bepaalde warmteoplossingen niet worden meegenomen en de verbinding met overige opgave in de buurt. De rol van de bewoners en hoe zij meedoen in dit project wordt ook helder vastgelegd. Zo is er wellicht een groep bewoners die actief wil meewerken en een groep die vooral geïnformeerd wil worden. Het projectplan is vervolgens dan ook de basis om de vervolgstappen samen uit te voeren.

44

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

Om de voortgang en kosten te bewaken, zijn er een aantal uitgangspunten die ook in het projectplan worden vastgelegd. •

•

Ten aanzien van de isolatieopgave wordt het isoleren volgens de standaard vergeleken met het isoleren voorbij de standaard en hoe dat gevolgen heeft voor de investering, de woonlasten over een periode van 30 jaar en wat dat praktisch betekent voor de aanpassing van de gebouwen. Voor het warmtealternatief wordt gekeken naar maximaal drie oplossingen per type gebouw. Zo blijft het mogelijk om voor bijvoorbeeld woningen, appartementencomplexen of andere functies meerdere opties met elkaar te vergelijken. Het gaat hierbij om aardgasvrije oplossingen en eventueel één tussenoplossing (bijv. hybride).

Naast de verdieping op de isolatie- en warmtetechnieken zijn er ook andere aspecten die de buurt belangrijk kan vinden. Ook de uitgangspunten voor kwaliteit worden vastgelegd in het projectplan. In bijlage 2.2 een opsomming van deze mogelijke uitgangspunten. Het projectplan legt vooraf vast op basis van welke criteria de alternatieven worden getoetst, maar ook op basis waarvan een keuze wordt gemaakt.

Communicatie en participatie Bewoners en andere partijen in de buurt leggen een aantal uitgangspunten met elkaar vast. Naast de inhoudelijke zaken, gaat deze ook over de communicatie en participatie binnen de buurt. Door het organiseren van een aantal momenten wordt in overleg met de buurt bepaald hoe zij betrokken willen worden in die vervolgfase. In deze fase wordt duidelijk of er een klankbordgroep of themagroep wordt ingesteld om daarmee taken en rollen te verdelen. Ook wordt in deze fase aandacht besteed aan kennis en informatie over het energiezuinig en aardgasvrij maken, op basis van de behoefte die de buurt heeft.

Resultaat van deze fase De gemeente stelt met de bewoners en andere partijen een projectplan op met daarin alle belangrijke punten om het uitvoeringsplan op te stellen. Dit projectplan wordt bestuurlijk vastgesteld. Na deze bestuurlijke vaststelling, wordt de volgende stap genomen.

2.1.3. Stap 3: Opstellen uitvoeringsplan Op basis van de kaders uit het projectplan en de afspraken die zijn gemaakt met de belanghebbenden gaat de gemeente in de buurt aan de slag met het verder concretiseren van het uitvoeringsplan en wordt er toegewerkt naar een definitief technisch ontwerp. Het opstellen van een uitvoeringsplan vraagt om keuzes langs verschillende sporen: bestuurlijk, juridisch, ruimtelijk, participatie en communicatie, technisch en financieel. In de uitwerking wordt duidelijk welke stappen gebouweigenaren moeten zetten naar aardgasvrij. Dit kan gaan om isolatie, ventilatie en het alternatief voor aardgas. Naast het vastleggen van de technische aanpassingen aan de gebouwen en eventueel de infrastructuur, wordt ook in beeld gebracht wat dit financieel betekent. Door het uitwerken van het projectplan wordt ook de haalbaarheid en betaalbaarheid van de mogelijkheden duidelijk. Er wordt vervolgens in het uitvoeringsplan vastgelegd en gezamenlijk afgesproken welke stappen er wanneer worden genomen en wat de rol daarin is van alle partijen. Dit is van

45

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

belang om voortgang te houden op energiebesparing en in de toename van het gebruik van duurzame energie. Uiteindelijk is er dan ook vastgelegd hoe en wanneer het aardgas kan worden uitgefaseerd in de buurt. Dit om de maatschappelijke kosten van de infrastructuur te beperken en betaalbaar te houden. Op basis van de uitkomsten en de afwegingen op de verschillende onderdelen wordt het uitvoeringsplan voor de buurt definitief opgesteld. Het uitvoeringsplan heeft naast de inhoudelijke kenmerken ook een aantal juridische en procedurele kenmerken die van belang zijn in het kader van de omgevingswet. Indien uit deze fase blijkt dat er een groot deel van de gebouwen nu nog niet naar aardgasvrij kan, moet er wel aandacht zijn voor wat er in de buurt aanvullend nodig is om op termijn aardgasvrij te worden. Deze aspecten worden dan ook vastgelegd.

Communicatie en participatie Gedurende dit proces werkten bewoners, partijen en de gemeente samen. Bewoners zijn betrokken en geïnformeerd zoals eerder afgesproken in het projectplan. Op basis van de uitgangspunten die zijn vastgelegd wordt duidelijk op welke manier de buurt het beste energiezuinig en aardgasvrij wordt.

Resultaat van deze fase Op basis van de eerder vastgestelde uitgangspunten in het projectplan, is er een uitvoeringsplan opgesteld. Dit uitvoeringsplan voldoet ook aan de inhoudelijke vereisten om daarmee de juridisch verankering en de uitvoering te kunnen regelen.

2.1.4. Stap 4: Vaststellen uitvoeringsplan De laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan als programma onder de Omgevingswet door het college van Burgemeester en Wethouders. Nadat deze is vastgesteld start de uitvoeringsfase worden opgestart. Stap 4 is dan ook vrij kort maar wel van belang om de uitvoering van het uitvoeringsplan te waarborgen.

Communicatie en participatie Zodra het gezamenlijk opgestelde uitvoeringsplan is vastgesteld, worden bewoners hierover geïnformeerd. Hierna wordt de uitvoeringsfase met de buurt opgestart.

2.1.5. Uitvoeren uitvoeringsplan en nazorg Nadat het uitvoeringsplan is vastgesteld, kan de warmtetransitie van start. Wat de rol van de gemeente hierin is, is afhankelijk van wat hierover is vastgelegd in het uitvoeringsplan. Het kan zijn dat de woningcorporatie het plan zelfstandig gaat uitvoeren en dat de gemeente de andere bewoners in de buurt verder ondersteund. In deze fase is het cruciaal om goed te communiceren om in samenspraak met bewoners de uitvoering soepel te laten verlopen. Juist in deze uitvoerende fase krijgen bewoners op dagelijkse basis te maken met de warmtetransitie. De maatregelen hebben directe impact achter de voordeur van huishoudens.

46

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

Uitgangspunt is in deze fase om niet alleen te zorgen voor goede communicatie en informatie, maar het hebben van een open houding voor verhalen en ervaringen, en dat indien nodig het plan daarop wordt aangepast. Naast het begeleiden van het proces zoals afgesproken in het uitvoeringsplan, is dit ook de fase waarin de gemeente gaat monitoren op de gestelde afspraken en doelstellingen. Dit met als doel op koers te blijven voor de warmtetransitie maar ook zodat alle partijen de gemaakte afspraken uitvoeren zoals afgesproken.

Communicatie en participatie Op basis van de gemaakte afspraken worden bewoners geïnformeerd over de uitvoering van het project. Een deel van de bewoners kiest mogelijk voor het zelfstandig uitvoeren van de verduurzaming en een andere groep gaat samen aan de slag. De gemeente ondersteunt hierbij op basis van de gemaakte afspraken. In deze fase monitort de gemeente de voortgang van het uitvoeringsplan. Bewoners worden hierover geïnformeerd, zo blijft iedereen goed op de hoogte.

Resultaat van deze fase In de buurt worden stappen gezet naar energiezuinig en aardgasvrij. De gemeente begeleidt en ondersteunt dit proces waar dit gewenst en noodzakelijk is. De gemeente stuurt vanuit de regierol in deze fase ook op de gemaakte afspraken die eerder zijn vastgelegd in overleg met de buurt in het uitvoeringsplan.

2.2. Uitgangspunten communicatie en participatie opstellen en uitvoeren uitvoeringsplan Communicatie en participatie zijn randvoorwaarden voor een goede samenwerking met de belang­ hebbenden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende uitgangspunten  

Participatie-uitgangspunten  

Inwonerscommunicatie  

•

•

• • • •

De gemeente ontwerpt en organiseert de participatie samen met bewoners en andere partners; Iedereen krijgt de mogelijkheid mee te doen; Iedereen moet gehoord kunnen worden; Samen wordt aan een betrouwbare kennisbasis gebouwd; De gemeente ondersteunt bewoners om de stap naar aardgasvrij te maken.

•

•

De gemeente neemt een duidelijk standpunt in; De gemeente communiceert vanuit één kader over de overstap naar aardgasvrij en laat andere partijen hierbij aansluiten; Maak zichtbaar en laat ervaren.  

Het is van belang waar mogelijk samen op te trekken met bewoners en andere belanghebbenden wat betreft de communicatie en participatie. De samenwerking met andere belanghebbende partijen, zoals de netbeheerder en woningcorporaties is ook belangrijk. Regulier overleg met deze partijen draagt bij aan het behalen van gewenste resultaten en de doelen. Het is van belang waar mogelijk samen op te trekken wat betreft de communicatie en participatie. Conflicterende acties en berichten richting bewoners verstoren het proces.

47

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

En bovendien: gemeente en belanghebbende partijen kunnen synergie bereiken door samen op te trekken om daarmee ook koppelkansen in de buurtaanpak te verzilveren. Naast deze uitgangspunten om communicatie en participatie te organiseren, is er ook een informatievoorziening nodig om hierin voldoende invulling te kunnen geven. Denk hierbij aan bijvoorbeeld: • Een website met alle relevante informatie over het proces, de oplossingen en waar men terecht kan met vragen; • Brieven (per post of e-mail) om bewoners op de hoogte te houden; • Organiseren van informatieavonden en het faciliteren in ruimte om groepen samen te laten werken aan bepaalde onderdelen; • Inrichten van een informatiepunt in de buurt.

2.3. Kwaliteit in het uitvoeringsplan Naast de kwantitatieve opgave van isoleren en de techniek om de woning te verwarmen en warm tapwater te maken zijn er ook kwalitatieve aspecten die samen met bewoners worden vastgelegd in het projectplan. Op basis van deze kwalitatieve zaken worden de plannen uitgewerkt. Uit de wijkanalyse ontstaat een concreter beeld van de opgaven die als kwaliteit kunnen worden toegevoegd bij de aanpak van de gebouwen. Dit zijn bijvoorbeeld:

Isoleren en ventileren (bouwfysisch) Doordat de woning kierdicht gemaakt wordt en een isolerende jas aankrijgt, wordt ventileren voor een gezond binnenklimaat van groot belang. Indien hier te weinig aandacht voor is kan dit gevolgen hebben voor bijvoorbeeld vochtschade, schimmelvorming of het rotten van houten draagconstructies en de gezondheid van het binnenklimaat. Vanuit energetisch oogpunt kost het verwarmen van vochtige gebouwen ook meer energie. Afhankelijk van hoe gebouwen geventileerd worden, kan ook hiermee een besparing op het energieverbruik worden gerealiseerd.

Circulaire en gezonde materialen Bij het nadenken over materialen kan er ook nagedacht worden over de kwaliteit hiervan. Bijvoorbeeld door geen materialen te gebruiken die grondstoffen hebben op basis van de “Banned Lists of Chemicals”. Ook gaat kwaliteit over het slim gebruiken van grondstoffen. Brandveiligheid van isolerende materialen is ook een kwaliteitskader dat in de uitwerking richting geeft aan materialen en hoe die passen bij de gebouwen en de omgeving. De afweging op brandveiligheid is extra belangrijk als het gaat om gestapelde bouw en beperkt zelfredzame doelgroepen.

Elektriciteit Naast het zorgen voor duurzame warmte is het ook belang dat er voldoende duurzame elektriciteit wordt opgewekt. Nog niet alle daken zijn voorzien van zonnepanelen. Daarnaast kan een dak ook gebruikt worden voor zonneboilers of PVT-panelen als onderdeel van een duurzame warmtevoorziening.

Hittebestendig en koeling De isolatiestandaard en streefwaarden zijn puur gericht op het warmhouden van gebouwen in de winter. Doordat de gebouwen worden geïsoleerd, koelen deze minder goed af tijdens de nachten in hete zomers. In de uitwerking is het van belang om mee te nemen hoe oververhitting kan worden voorkomen door materiaalgebruik, de wijze van isoleren of het toepassen van actieve of passieve zonwering. Daarnaast kan ook worden bekeken welke mogelijkheden de warmtevoorziening biedt om indien wenselijk ook te koelen tijdens een lange warme periode.

48

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

Geluid Op basis van de RIVM monitor “Gezondheid per buurt” kan worden bepaald of het wenselijk om in de isolatieopgave rekening te houden met het reduceren van geluidsoverlast van weg- of vliegverkeer. Zo zijn zachte isolerende materialen in staat om geluid te dempen en kan triple beglazing bijdragen aan het verminderen van geluidsoverlast in een gebouw. Er dient altijd gekeken te worden naar de geluidsproductie en de mate waarin deze kan leiden tot geluidsoverlast in de omgeving. Zeker in de situatie waarbij meerdere warmtepompen en/of airco’s worden geplaatst is de kans groot dat deze gezamenlijk tot geluidsoverlast zorgen.

2.4. Het verzwaren van het elektriciteitsnet Naast de kosten voor de aanpassingen van de woningen zijn er ook kosten voor het geschikt maken van de energie-infrastructuur. Bij een warmtenet moet er een net worden aangelegd voor de warmtelevering maar moet het elektriciteitsnet evengoed gedeeltelijk aangepast worden. Door de toename van zonnepanelen wordt er steeds meer elektriciteit opgewekt in de buurt. Kabels moeten hierdoor verzwaard worden en er zijn extra trafohuisjes nodig. Of er in de wijk een collectieve of individuele oplossing komt maakt voor de belasting van het elektriciteitsnet niet uit. Als voor de warmte een individuele/collectieve oplossing is, zorgt dit in de winter voor een hogere vraag aan elektriciteit voor het verwarmen van woningen. Indien er een warmtenet wordt aangelegd zal desondanks, vanwege de toenemende teruglevering van elektriciteit op zonnige dagen, toch het elektriciteitsnet moeten worden aangepast. Bij een individuele oplossing is het belangrijk dat gebouwen minimaal geïsoleerd worden tot de standaard, ongeacht het type warmtepomp dat wordt toegepast. Er zijn namelijk warmtepompen in ontwikkeling die met een hogere temperatuur kunnen verwarmen, vergelijkbaar met de huidige cv-ketel op aardgas.

Als er op grote schaal dergelijke warmtepompen worden toegepast, zonder dat gebouwen ook geïsoleerd worden, moet het elektriciteitsnet extra zwaar worden aangelegd. Dit zorgt voor een stijging in de maatschappelijke kosten en moet dan ook zo veel mogelijk voorkomen worden. Naast dat het netwerk geschikt gemaakt wordt voor de warmtetransitie en de opwek van elektriciteit door zonnepanelen, speelt ook de ontwikkeling van elektrisch rijden mee in de aanpassingen van het elektriciteitsnet. Deze drie ontwikkelingen tezamen moeten dan ook zo energie-efficiënt mogelijk worden ontwikkeld zodat ze de kosten van de infrastructuur zo veel mogelijk beperken. Een efficiënt energiesysteem in de buurt gaat uit van isoleren en besparen maar houdt ook rekening met de lokale opwek van elektriciteit en de aanleg van laadpalen. De ontwikkelingen rondom laadpalen zijn vooral gericht op dynamisch laden. Dynamisch laden betekent dat er wordt geladen als er elektriciteit over is. Bij een hogere vraag naar elektriciteit kan dit deels weer geleverd worden. Deze ontwikkeling draagt daarom ook bij aan een efficiënt energiesysteem in de buurt. Dit komt de betaalbaarheid van een duurzame energievoorziening ten goede. Deze energievoorziening wordt tenslotte ook door de gemeenschap betaald via de energierekening.

Bij de afwegingen rondom aardgasvrij wordt daarom niet alleen gekeken naar het individuele gebouw maar ook hoe dit de kosten voor de gemeenschap beïnvloedt. De gemeente moet daarom in het opstellen van de uitvoeringsplannen in het kader van de warmtetransitie bewaken dat gebouwen geïsoleerd worden tot minimaal ‘de standaard’ zoals omschreven in hoofdstuk 3. Zo wordt er efficiënt gebruik gemaakt van de beschikbare energie en blijft de energievoorziening betaalbaar. In het opstellen van het uitvoeringsplan komt ook dit aspect aan bod in de financiële uitwerking rondom haalbaarheid.

49

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

2.5. Juridische verankering TVW 2.0 en het uitvoeringsplan In het Klimaatakkoord is afgesproken: • In de TVW leggen gemeenten een realistisch tijdspad vast waarop wijken van het aardgas gaan; • De TVW wordt geborgd met het instrumentarium in de Omgevingswet. Doordat deze TVW 2.0 conform de vereisten van de Omgevingswet is vastgesteld, wordt het na de inwerking­ treding van de omgevingswet automatisch een omgevingsprogramma, ook wel warmteprogramma genoemd. ‘De TVW vormgeven als een zijnde een programma uit de Omgevingswet zorgt voor een goede borging van de positie van bewoners en andere belanghebbenden. Zo wordt door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding, zoals gebruikelijk is bij vergelijkbare overheidsbesluiten. De TVW krijgt op deze manier dezelfde status als een document dat op grond van de Omgevingswet is vastgesteld. En op deze basis worden vervolgens uitvoeringsplannen en uiteindelijke een omgevingsplan vastgesteld, dat vatbaar is voor beroep. Kortom hiermee wordt een stukje rechtszekerheid voor bewoners en andere belanghebbenden geregeld (Ministerie van BZK, 2021).’ ‘De Omgevingswet gaat in op 1 januari 2024. Na de inwerkingtreding, ligt de bevoegdheid voor het vaststellen van de TVW bij het college B&W.

Doordat de TVW 2.0 nog voor de inwerkingtreding Omgevingswet wordt vastgesteld, wordt deze vastgesteld door de gemeenteraad van Brunssum. Het omgevingsplan en de omgevingsvisie worden ook vastgesteld door de gemeenteraad. De TVW is een warmteprogramma. Deze krijgt een plekje in de omgevingsvisie maar wordt ook als apart warmteprogramma vastgesteld (PAW, 2021).’ Het uitvoeringsplan dat met de buurt wordt opgesteld, is een verdiepend warmteprogramma dat ook zo wordt vastgesteld. Het uitvoeringsplan is alleen bindend voor de gemeente zelf. Met dit verdiepend warmteprogramma op buurtniveau, kan de gemeente de uitvoering borgen middels regels in het omgevingsplan. De wettelijke instrumenten hiervoor zijn er nog niet. Wel zijn de instrumenten die de gemeente hiervoor krijgt bekend: •

•

Wgiw (Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) Dit wetsvoorstel biedt gemeenten de mogelijkheid om te regelen welke buurten op termijn overstappen op een duurzaam alternatief voor aardgas. Het wetsvoorstel vloeit voort uit afspraken die in het Klimaatakkoord hierover zijn gemaakt. Bgiw (Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) Dit besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om te regelen welke wijken op termijn overstappen op een duurzaam alternatief voor aardgas om zo de uitstoot van CO2 te verminderen. In het besluit zijn ook verschillende waarborgen opgenomen. Het besluit vloeit voort uit afspraken die in het Klimaatakkoord zijn gemaakt over de verduurzaming van de gebouwde omgeving.

Het omgevingsplan is daarmee het juridische sluitstuk van beleidskeuzen die in het uitvoeringsplan en daaraan voorafgaande besluiten zijn gemaakt. De regels in het omgevingsplan zijn ook bindend voor bewoners en bedrijven in de gemeente.

50

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 2

Bijlage 3

51

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 3

3. Doorkijk 2050 Onderstaand een overzicht van de totale planning voor de warmtetransitie. Zoals eerder aangegeven is deze niet in beton gegoten maar geeft deze richting op basis van de huidige inzichten.

Alternatief aardgasvrij (hybride is nu tussen­oplossing)

Buurt

Maat­schap­pelijke kosten op basis van de start­analyse ( €/ton CO2 reductie)

Verwachte warmte­behoefte start­analyse GJ / hectare

Aantal woningen

Percen­ tage koop

Percen­ tage huur

Aantal utiliteiten m² BVO

Aantal equi­ valenten

Aantal EFG labels

Veel voorkomende bouwperiode

Eigenschappen gebouwen

Voorkeur techniek aardgasvrij

Hybride­ (S4)

1ste optie

2de optie

S4

S1

S3

Min

Max

Ge­ middeld

Energie infra­ structuur aardgasvrij

Globale planning opstarten buurt­ aanpak

1

Lemmender

749

42%

58%

7.777

809

19

1965 t/m 1974

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S3f

S1a

€ 265

€ 584

€ 490

1.417

1.497

1.457

Elektriciteit

2023

2

Schutters­veld

526

72%

28%

846

533

376

voor 1945

Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 340

€ 617

€ 679

931

1.018

975

Elektriciteit

2023

3

De Eggen

778

51%

49%

9.205

901

569

voor 1945 en 1946 t/m1964

Seriematig / Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 305

€ 584

€ 602

768

852

810

Elektriciteit

2024

4

De Struiken

574

83%

17%

47.865

942

394

voor 1945 en 1946 t/m1964

Seriematig / Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 343

€ 504

€ 552

452

485

469

Elektriciteit

2024

5

Rozengaard

656

51%

49%

4.361

688

346

Gemengd

Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 316

€ 585

€ 650

867

953

910

Elektriciteit

2025

6

Treebeek-Zuid

899

57%

43%

18.327

1.134

413

voor 1945 en 1975 t/m 1991

Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 284

€ 546

€ 560

762

806

784

Elektriciteit

2025

7

Centrum

465

92%

8%

36.340

730

68

1975 t/m 1991

Individuele bouw / Seriematig

All-electric / hybride

S4

S3f

S1a

€ 298

€ 542

€ 508

1.675

1.718

1.697

Elektriciteit

2026

8

Het Heufken

398

64%

36%

1.122

406

247

voor 1945

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 319

€ 587

€ 623

1.137

1.280

1.209

Elektriciteit

2026

9

Op den Haan

362

70%

30%

3.450

389

239

1946 t/m1964

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 302

€ 588

€ 610

726

816

771

Elektriciteit

2027

10

Haansberg

418

76%

24%

5.550

461

317

voor 1945 en 1946 t/m1964

Seriematig / Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 362

€ 605

€ 673

637

707

672

Elektriciteit

2027

11

Kerkeveld

219

71%

29%

5.392

260

157

1946 t/m1964

Individuele bouw / Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 307

€ 540

€ 555

711

778

745

Elektriciteit

2028

12

Langeberg

648

99%

1%

3.232

672

582

voor 1945 en 1946 t/m1964

Seriematig / Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 352

€ 572

€ 583

769

847

808

Elektriciteit

2028

13

TreebeekNoord

678

98%

2%

10.365

756

567

1946 t/m1964

Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3a

€ 337

€ 574

€ 574

709

805

757

Elektriciteit

2029

14

Kruisberg

590

83%

17%

5.557

633

384

1946 t/m1964 en 1975 t/m 1991

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 327

€ 544

€ 574

983

866

925

Elektriciteit

2029

52

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 3

Alternatief aardgasvrij (hybride is nu tussen­oplossing)

Maat­schap­pelijke kosten op basis van de start­analyse ( €/ton CO2 reductie)

Verwachte warmte­behoefte start­analyse GJ / hectare

15

Hofpoel

585

64%

36%

4.715

622

122

1975 t/m 2019

Individuele bouw / Seriematig

All-electric / hybride

S4

S3f

S1a

€ 270

€ 548

€ 540

1.124

1.248

1.186

Elektriciteit

2030

16

Rumpener Beemden

600

67%

33%

27.129

809

126

1946 t/m1964

Individuele bouw / Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 321

€ 535

€ 623

918

979

949

Elektriciteit

2030

17

Op de Vaard

271

70%

30%

2.319

287

127

1946 t/m1964

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 355

€ 629

€ 624

677

758

718

Elektriciteit

2031

18

De Streek

472

64%

36%

1.297

482

191

1965 t/m 1974

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S3f

S1a

€ 329

€ 557

€ 572

1.026

1.162

1.094

Elektriciteit

2031

19

Bexdelle

180

57%

43%

1.015

188

53

1966 t/m 1991

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 311

€ 614

€ 671

436

526

481

Elektriciteit

2031

20

Oeloven

376

95%

5%

54.423

773

271

1946 t/m1974

Seriematig / historisch bouwlint

All-electric / hybride

S4

S1b

S3f

€ 228

€ 308

€ 356

924

960

942

Elektriciteit

2032

21

Achter de Put

213

100%

0%

11.282

299

98

1975 t/m 1991

Individuele bouw

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 307

€ 525

€ 517

830

928

879

Elektriciteit

2032

22

Op de Vos

655

87%

13%

5.283

694

344

1965 t/m1974

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3a

€ 308

€ 551

€ 556

706

799

753

Elektriciteit

2032

23

De Kling

323

84%

16%

2.420

342

208

1965 t/m1974

Seriematig / zelfbouw buurt

All-electric / hybride

S4

S3a

S1a

€ 257

€ 551

€ 550

613

730

672

Elektriciteit

2033

24

Klingels­berg

265

83%

17%

1.192

276

37

1975 t/m 1991

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 282

€ 623

€ 697

531

594

563

Elektriciteit

2033

25

Vondel­straat

105

99%

1%

1.594

117

78

1946 t/m1964

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 311

€ 557

€ 597

483

542

513

Elektriciteit

2033

26

Merkel­ beekerdal

45

98%

2%

399

49

37

voor 1945

0

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 322

€ 576

€ 584

45

50

48

Elektriciteit

2034

27

Kleikoelen

123

18%

82%

62

124

10

1975 t/m 1991

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 244

€ 573

€ 658

706

765

736

Elektriciteit

2034

28

Koute­nveld

214

92%

8%

5.094

252

13

1992 t/m 2005

Seriematig

All-electric

S4

S1a

S3a

€ 258

€ 419

€ 427

694

767

731

Elektriciteit

2034

29

Vijverpark

86

100%

0%

186

126

11

1946 t/m1964

Individuele bouw

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 287

€ 623

€ 736

329

379

354

Elektriciteit

2035

30

De Hemelder

510

97%

3%

15

511

10

1975 t/m 2005

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 236

€ 576

€ 687

626

686

656

Elektriciteit

2035

31

Amsten­ raderveld

196

92%

8%

804

202

7

1992 t/m 2005

Individuele bouw

All-electric

S4

S1a

x

€ 224

€ 312

-

66

66

66

Elektriciteit

2035

53

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 3

Alternatief aardgasvrij (hybride is nu tussen­oplossing)

Maat­schap­pelijke kosten op basis van de start­analyse ( €/ton CO2 reductie)

Verwachte warmte­behoefte start­analyse GJ / hectare

32

Op gen Hoes

110

100%

0%

-

110

2

1975 t/m 1991

Seriematig

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 252

€ 643

€ 774

551

594

573

Elektriciteit

2036

33

Emma

626

57%

43%

26.056

823

0

1992 t/m 2005

Nieuwbouw seriematig

All-electric

S4

S1a

S3b

€ 233

€ 400

€ 439

400

419

410

Elektriciteit

2036

34

Brunssumer Heide

4

100%

0%

22.954

181

5

1946 t/m1964

All-electric / hybride

S4

S1a

x

€ 266

€ 493

€ 1.135

39

39

39

Elektriciteit

2036

35

Buiten­gebied

84

5%

95%

3.144

108

3

1965 t/m1974

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 272

€ 570

€ 607

48

60

54

Elektriciteit

2037

36

Douvenberg

2

100%

0%

50.554

391

2

Gemengd

Seriematig / Beschermd stadsdorpsgezicht

All-electric / hybride

S4

S1a

S3d

€ 222

€ 308

€ 329

431

432

432

Elektriciteit

2037

37

Klingbemden

246

100%

0%

588

251

7

1975 t/m 1991

Seriematig / zeflbouw buurt

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 241

€ 588

€ 598

665

764

715

Elektriciteit

2037

38

Houserveld

23

100%

0%

24.803

213

2

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1a

S3a

€ 820

€ 1.078

€ 1.150

211

223

217

Elektriciteit

2038

39

Rode Beek

13

100%

0%

21.099

175

0

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 247

€ 395

€ 434

192

193

193

Elektriciteit

2038

40

De Kattekoelen

1

100%

0%

70

2

1

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1a

x

€ 373

€ 596

€ 893

4

4

4

Elektriciteit

2038

41

Hendrik en omgeving

0

53.740

414

0

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1b

S3d

€ 639

€ 825

€ 842

49

49

49

Elektriciteit

2039

42

De Heide

1

100%

0%

8.417

67

1

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1a

S3b

€ 243

€ 374

€ 381

16

16

16

Elektriciteit

2039

43

Bouwberg

54

94%

6%

71.988

606

34

voor 1945

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1b

S3d

€ 331

€ 387

€ 400

139

143

141

Elektriciteit

2039

44

Ora et Labora

1

100%

0%

4.579

37

0

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1a

S3f

€ 1.762

€ 2.141

€ 2.215

4

4

4

Elektriciteit

2039

45

Branden­berg

0

6.546

51

0

Gemengd

Bedrijventerrein

All-electric / hybride

S4

S1b

x

€ 221

€ 169

-

13

13

13

Elektriciteit

2039

Voor meer informatie over deze verschillende strategiën, zijn factsheets per strategie uitgewerkt. Deze strategieën worden ook in bijlage 1 (inclusief substrategieën) en bijlage 4 omschreven.

54

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 3

Bijlage 4.1

55

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 4

Potentieanalyse Transitievisie warmte Gemeente Brunssum

Geschreven door Stantec 14 september 2022

56

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 4

Inhoudsopgave 1 Inleiding

3

2 Pandanalyse

5

3 Bronanalyse

13

4 Van potentie naar project

23

5 Conclusie

35

Bronnen

37

Bijlagen

39

Aan de inhoud van dit document kunnen geen rechten worden ontleend. De beschikbare informatie is met de grootst mogelijke zorg samengesteld en wordt verondersteld betrouwbaar te zijn. Stantec is, evenals betrokken organisaties, niet aansprakelijk voor eventueel geleden schade door onjuistheden, onvolledigheden en eventuele gevolgen van handelen op grond van informatie uit dit rapport.

57

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 4

2

58

Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=a8d7e11a-795b-41d9-aad1-b09689f1e705