CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 31 (bijlage) Lindehof_vastgesteld_Toelichting__202399687__

Raadsvergadering 4 juni 2024, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststelling van het bestemmingsplan 'Lindehof', gemeentebladnummer 2024/3122.355 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plan is (sub)regionaal afgestemd Tenslotte geldt als derde criterium dat een (sub)regionale afstemming dient plaats te vinden waarmee het plan aan de Regionale Woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Ook daaraan wordt voldaan nu de ontwikkeling reeds is opgenomen in de Woningmarktprogrammering.

Conclusie Gezien het voorgaan voldoet onderhavig planvoornemen aan de voornoemde drie criteria: maatschappelijke meerwaarde, planologisch aanvaardbaar en (sub)regionale afstemming. Daarmee valt onderhavig planvoornemen nog steeds aan te merken als een 'goed woningbouwplan'.

30

bestemmingsplan Lindehof

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Brunssum In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen, wijkvoorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden. In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is. De Structuurvisie is voorts opgebouwd uit de 5 thema's: Wonen, Werken, Voorzieningen, Recreatie/natuur/milieu en Verkeer. Hiervan zijn de thema's 'Wonen' en Voorzieningen het meest van belang voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Voorzieningen De hoofdbeleidskeuzes ten aanzien van het voorzieningenniveau zijn het bieden van een bereikbaar en compleet pakket aan voorzieningen, het creëren van een gunstige omgeving voor voorzieningen en het bieden van ontwikkelruimte voor commerciële voorzieningen. Om daaraan invulling te geven wordt gestuurd op concentratie van voorzieningen op wijkniveau en het versterken van de centrumvoorzieningen. Dit geldt zowel voor commerciële als maatschappelijke voorzieningen. Het Lindeplein wordt in de structuurvisie aangeduid als een te optimaliseren voorzieningencluster, waarbij de nadruk ligt op maatschappelijke c.q. culturele voorzieningen en horeca. Het Lindeplein heeft als gevolg van de herinrichting en de oplevering van de nieuwe Brikke Oave een transformatie ondergaan en voorziet in een cluster van zowel commerciële en culturele c.q. maatschappelijke voorzieningen, met een goed vestigingsklimaat. De Westwand van het Lindeplein heeft in het geldende bestemmingsplan ook al een ruimte bestemming met een diversiteit aan gebruiksmogelijkheden. Met voorliggend plan blijven die mogelijkheden in principe behouden, maar worden ze verder beperkt tot de begane grond en een brutovloeroppervlakte van circa 320 m2 , gelet op de invulling van de rest van de locatie met woningen.

Wonen De beleidsambities zijn met name gericht op het behouden en versterken van de gemeente als onderscheidende, kwalitatief goede woonplek. Brunssum moet ook in 2025, mede in het licht van de veranderende demografische omstandigheden, niet alleen een aantrekkende woongemeente zijn, maar ook een gemeente waar goed geleefd kan worden. Ontwikkelingen binnen de woningvoorraad, de werkgelegenheid, de voorzieningen, de sociaal-maatschappelijke structuur, de ruimtelijke structuur, de recreatie en het verkeer dienen met elkaar bij te dragen aan het bereiken van het noodzakelijke en toekomstbestendige woon- en leefklimaat. Het Lindeplein is expliciet genoemd als woningbouwlocatie. Het planvoornemen draagt bij aan de leefbaarheid binnen de gemeente Brunssum en voorziet in de gewenste woningbouw. Door nu opnieuw invulling te geven aan een nog braakliggend terrein wordt een positieve bijdrage geleverd aan de ruimtelijke structuur ter plaatse.

bestemmingsplan Lindehof

31

Conclusie De Structuurvisie Brunssum 2025 levert geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen, integendeel zelfs, het planvoornemen draagt op een positieve wijze bij aan de uitgangspunten en beleidsambities zoals genoemd in de Structuurvisie Brunssum 2025. 3.5.2 Masterplan Brunssum Centrum De gemeente Brunssum heeft in 2008 het Masterplan Brunssum Centrum vastgesteld. Hierin is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie neergelegd voor het centrum van Brunssum. Het doel van het masterplan 'Bruisend Brunssum' is om door middel van herstructurering en herontwikkeling tot een opwaardering van het centrum te komen. Het Lindeplein wordt in het Masterplan gepositioneerd als “De Woonkamer”, dat een podium van belevenis, vermaak, dromen en ontmoetingen moet zijn, met ruimte voor culturele voorzieningen, avondhoreca en verenigingsleven. De grootste potentie van het Lindeplein is de locatie en het zicht op de vijver en het park. Ten tijde van het vaststellen van het Masterplan was dat zicht er niet, maar inmiddels heeft een herinrichting van het plein plaatsgevonden, waardoor dat zicht wel is gerealiseerd, net als een verbinding tussen park en plein. Functioneel zijn de volgende uitgangspunten opgenomen voor het Lindeplein: versterking van de cultuur- en horecafuncties en daaraan gelieerde activiteiten. Handhaven Brikke Oave als cultureel trekpleister en het stimuleren van horeca.

Woonfuncties handhaven. Profiel bewoners “stedelijk”, mensen die het aantrekkelijk vinden om dicht op het hart van het culturele leven van Brunssum te wonen. Zicht op de tuin betekent geen stilstaande auto’s op het plein en een aantrekkelijke verbinding tussen plein en tuin. De compensatie voor verlies aan parkeercapaciteit zou gevonden kunnen worden in een ondergrondse voorziening. De versterking van de cultuur- en horecafuncties heeft al plaatsgevonden door de realisatie van de nieuwe Brikke Oave en de in datzelfde gebouw opgenomen horecafuncties. Ook het plein is opnieuw ingericht, waarbij geen parkeren centraal op het plein meer plaatsvindt, maar parkeren alleen nog mogelijk is bij het gemeentehuis en aan de zijde van de Vijverlaan. Door te voorzien in woningbouw wordt met dit planvoornemen invulling gegeven aan het handhaven van de woonfunctie voor mensen die het aantrekkelijk vinden om in het stedelijk centrum te wonen, dicht bij het culturele leven van en andere voorzieningen in Brunssum.

Conclusie Onderhavig planvoornemen past binnen het Masterplan Brunssum Centrum, daar de planlocatie expliciet in het masterplan is aangewezen als deelgebied waar de beoogde ontwikkelingen zijn voorzien. Bovendien sluit het planvoornemen goed aan op de uitgangspunten van het masterplan. 3.5.3 Regionale en lokale Woonvisie 2023 - 2028, gemeente Brunssum Op 11 juli 2023 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie vastgesteld. Net als de vorige woonvisie betreft het een visie die een regionaal deel bevat (niveau Parkstad Limburg), maar ook voorziet in een lokale invulling op gemeentelijk niveau. De Woonvisie heeft als oogmerk (motto): “Kansrijk wonen voor iedereen, nu en in de toekomst”. Dit is verwerkt in 3 strategieën, die ieder zijn uitgewerkt op regionaal en lokaal niveau. Kwaliteit en vernieuwing staan daarbij centraal en er is - meer dan voorheen - de samenhang met andere beleidsvelden zoals leefbaarheid, zorg en duurzaamheid belicht. De Woonvisie gaat uit van 3 strategieën, die zijn uitgewerkt in een regionale visie en de lokale uitwerking:

32

bestemmingsplan Lindehof

1. 2. 3.

Kansrijk wonen Kansrijke woonomgeving Nu en in de toekomst

Anders dan voorheen gaat de behoefte aan herstructurering niet meer uit van een de krimpgedachte, maar van de behoefte aan vernieuwing en kwaliteit. Daarbij is het vertrekpunt dat iedereen die in Parkstad c.q. Brunssum wil wonen een passende woning moet kunnen vinden. Dat vraagt om een woningmarkt die evenwicht biedt tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. Zoals uit eerdere paragrafen blijkt is er naar de meest recente inzichten voor Brunssum behoefte aan levensloopgeschikte appartementen die kwalitatief aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van woningzoekenden, zoals gemotiveerd aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Onderhavig planvoornemen past daarmee goed binnen de actuele regionale en gemeentelijke woonvisie.

bestemmingsplan Lindehof

33

34

bestemmingsplan Lindehof

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In een bestemmingsplan dient aandacht te worden besteed aan eventuele omgevingsaspecten die een rol kunnen spelen. Milieu-aspecten zoals bodem- en grondwaterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidshinder, geurhinder, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid dienen te worden besproken, maar ook wateraspecten, archeologie en cultuurhistorie en flora en fauna. In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten en het milieubeleid kort behandeld in relatie tot het planvoornemen die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor deze ontwikkeling, van belang zijn.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof betreffende de toepassing van drempelwaarden (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08) en de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 is een nieuw Besluit milieueffectrapportage in werking getreden op 1 april 2011. Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D).

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D:

Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht. Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije

bestemmingsplan Lindehof

35

m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r.

is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of wel m.e.r. aanmeldingsnotitie gebruikt. Uit de toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(beoordelings)plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de ((vormvrije)-m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

36

bestemmingsplan Lindehof

4.2.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Echter bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Onderhavig planvoornemen blijft ruim beneden de drempelwaarden, waardoor een informele m.e.r.-beoordeling nodig is. Voor het beoogde planvoornemen is daarom een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. 4.2.3 Conclusie Uit de beschrijving van de verwachte milieueffecten die op basis van deze toelichting is opgenomen in notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat de realisatie van het planvoornemen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde realisatie van maximaal 43 nieuwe woningen met circa 320 m2 aan commerciële ruimte gezien de kenmerken, plaats en potentiële effecten géén belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige project m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom op basis een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie Bijlage 1) besloten dat ten behoeve van deze ontwikkeling geen verdere m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader bodemkwaliteit Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. 4.3.2 Toetsing bodemkwaliteit In het verleden zijn binnen het plangebied diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. maar die zijn innmiddels meerdere jaren oud. Om die reden is door Aelmans ECO een nieuw verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd dat als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 16 juni 2023, kenmerk E230091.005/SBI). Daaruit blijkt dat er weliswaar lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, maar dat die geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Uit het analytisch onderzoek blijkt ook dat geen van de onderzochte concentraties aan asbest de detectiegrens overschrijden. Ook voor PFAS geldt dat geen van de onderzochte concentraties de detectiegrenzen overschrijden.

bestemmingsplan Lindehof

37

4.3.3 Conclusie bodemkwaliteit Gelet op het voorgaande vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.3.4 Voormalige steenkolenmijnbouw en geologische breuk Feldbiss Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). In de eerste twee zones is bij ontwikkelingen een nader onderzoek naar de geotechnische situatie noodzakelijk. Indien dat uit het betreffende onderzoek blijkt, dan zijn technische, stabiliserende maatregelen nodig bij een ontwikkeling. Voor de zone EK3 gelden in principe geen verplichtingen of belemmeringen, maar wordt een nader onderzoek of het inwinnen van advies van een deskundige omtrent de beoogde constructie van bebouwing wel geadviseerd. Onderhavig plangebied is gelegen nabij de concessiegrens tussen de mijnen Emma en Hendrik. Uit de rapportage Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d.

31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH volgt dat binnen het plangebied geen voormalige schachten zijn gelegen en dat er ook geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3). Ook laat het kaartmateriaal bij de rapportage geen opwaartse of neerwaartse boringen zien.

Kaart risicogebieden EK1-EK2-EK3, ligging plangebied met groene cirkel aangegeven

Wel zijn rond het plangebied enkele zogenoemde 'drempels' ingetekend. Dit zijn ongelijkmatige zettingen die zich tijdens het ontginnen van de steenkool aan het oppervlak hebben afgetekend. Een drempel kan een

38

bestemmingsplan Lindehof

indicatie geven van de mogelijke (in)stabiliteit in de ondergrond. Er wordt momenteel nog nader onderzoek gedaan naar de relatie tussen (hernieuwde) schadegevallen en de aanwezigheid van deze drempels. Vooralsnog geeft dit echter geen aanleiding af te zien van onderhavig planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Drempels in paars, ligging plangebied met een groene cirkel aangegeven

Verder is van belang dat ten noorden van het plangebied de zogenoemde Feldbissbreuk loopt, een geologische breuk. Momenteel is meetbaar dat de bodem ten zuiden van de breuk een opwaartse beweging maakt als gevolg van stijgend mijnwater. Ten noorden van de breuk is de bodembeweging nagenoeg nihil. Indien de differentiële zettingen zich op een relatief korte afstand kunnen manifesteren zou er schade aan bebouwing kunnen optreden. Daarom is er een potentieel invloedsgebied rondom de Feldbissbreuk aangewezen waar deze ontoelaatbare zettingsverschillen kunnen optreden. Het plangebied is echter niet gelegen binnen binnen het potentiële invloedsgebied.

bestemmingsplan Lindehof

39

potentieel invloedsgebied Feldbissbreuk in blauw met ligging plangebied in groen

Conclusie Gelet op het voorgaande leidt de voormalige steenkolenwinning en de ligging van het plangebied binnen het potentiële invloedsgebied langs de Feldbissbreuk niet tot belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4

Geluid

4.4.1 Wegverkeerslawaai - wettelijk kader De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen) binnen de onderzoekszone van de Ing. Op den Kampstraat, Kruisbergstraat, Lindeplein (deel 50km/uur), Lindestraat, Raadhuisstraat, Rumpenerstraat en Vijverlaan. Daarnaast zijn ook Lindeplein (deel 30 km/uur) en Mozartstraat relevant. Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.

40

bestemmingsplan Lindehof

4.4.2 Wegverkeerslawaai - toetsing Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door Aelmans ROM (d.d. 7 december 2023, kenmerk M222458.001.002.R1/JME). Het onderzoek is bij deze toelichting opgenomen als Bijlage 3. Voor de wegen Ing. Op den Kampstraat, Kruisbergstraat, Raadhuisstraat, Rumpenerstraat en Vijverlaan geldt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Voor het Lindeplein (gedeelte 50 km/uur) en Lindestraat geldt dat de voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden op enkele toetspunten. Voor Lindeplein bedraagt de overschrijding maximaal 11 dB (59 dB), voor de Lindestraat 2 dB (50 dB). De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Door Aelmans is ook bezien of maatregelen aan de bron (stiller wegdek) of in de overdracht (geluidscherm) mogelijk zijn. Deze maatregelen stuiten echter op bezwaren van financiële aard. Het treffen van overdrachtsmaatregelen zoals het realiseren van een geluidscherm of geluidswal is op deze plek overigens ook stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Gezien het voorgaande kan medewerking worden verleend aan het planvoornemen indien zogenoemde hogere grenswaarden voor wegverkeerslawaai worden vastgesteld, waarin wordt voorzien parallel aan de procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

Tot slot is door Aelmans ook de gecumuleerde geluidbelasting van de wegen samen in beeld gebracht. Die resultaten laten zien dat de gecumuleerde belasting ten hoogste 66 dB bedraagt, waarbij die waarde voornamelijk wordt bepaald door het Lindeplein. Uitgaande van de zogenoemde methode Miedema hoort bij voornoemde gevelbelasting een kwalificatie slecht. Maatregelen aan de bron (stiller wedek) of in de overdracht (scherm) stuiten echter op overwegende bezwaren van financiële aard, als eerder aangegeven. Bij voldoende gevelwering blijft een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Overigens geldt de beoordeling 'slecht' alleen voor de oostgevel (voorgevel) van het planonderdeel aan het Lindeplein. De belasting op de overige gevels plan het plandeel aan het Lindeplein en voor de overige planonderdelen is aanzienlijk lager en te kwalificeren als 'goed'. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.3 Goede ruimtelijke ordening - cumulatie wegverkeer, warmtepompen en evenementen Warmtepompen Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator.

De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zullen afnemen. Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Bij appartementen geldt die norm ter plaatse van te openen ramen en deuren. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels.

Evenementen Op het Lindeplein mogen 5 evenementen met een luidruchtig karakter worden georganiseerd, aangevuld met 1x per vier jaar de Parade. Gedurende die evenementen mag - gelet op het toetsingskader dat onderdeel Evenementenbeleid gemeente Brunssum 2018 - 2021 - de geluidsbelasting op de gevels van omliggende

bestemmingsplan Lindehof

41

woningen maximaal 75 dB(A) en 90 db(C) bedragen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom ook rekening te worden gehouden met de gevolgen van die evenementen voor het woon- en leefklimaat in de nieuw voorziene woningen.

Onderzoek Door Aelmans is daarom een aanvullend onderzoek uitgevoerd (d.d. 7 december 2023, kenmerk M222458.001.006.R1/JME) dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. Daaruit blijkt kortgezegd dat de cumulatieve belasting van de warmtepompen samen op zowel de nieuwe als omliggende bestaande woningen ten hoogste 33 dB bedraagt, waarmee wordt voldaan aan de maximaal 40 dB voor een enkele pomp op grond van het Bouwbesluit 2012, maar op basis waarvan ook kan worden gesteld dat wordt voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek wegverkeerslawaai (zie paragraaf 4.4.2) volgt dat de cumulatieve belasting van alle gemodelleerde wegen op de nieuwe woningen ten hoogste 66 dB bedraagt. Door Aelmans is vervolgens de cumulatieve belasting van wegverkeerslawaai en de warmtepompen samen berekend, wat dan nog steeds ten hoogste 66 dB bedraagt. Die cumulatieve belasting wordt dus volledig bepaald door wegverkeerslawaai, hetgeen ook voor de bestaande woningen geldt. Vervolgens is ook de cumulatieve belasting van wegverkeerslawaai, warmtepompen en evenementen in beeld gebracht. In deze situatie - die zich maximaal 5x per jaar en één per vier jaar tijden de Parade voordoet bedraagt de cumulatieve belasting 76 dB.

Beoordeling en gevelwering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat wordt voorzien in een karakteristieke gevelwering die het verschil bedraagt tussen de cumulatieve gevelbelasting van de gemodelleerde wegen à 66 dB en een binnenniveau van 33 dB. In dit geval dus 66 - 33 = 33 dB. Gedurende evenementen is een binnenniveau van maximaal 50 dB toelaatbaar, zo volgt uit jurisprudentie. Wanneer wordt voorzien in voornoemde karakteristieke gevelwering van 33 dB, bedraagt het binnenniveau gedurende evenementen 76 33 = 43 dB, waarmee ook op dat punt wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. 4.4.4 Conclusie Gezien het voorgaan is het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

42

bestemmingsplan Lindehof

Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. 4.5.2 Toetsing Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg zal een plan mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving. Met het het bestemmingsplan worden maximaal 43 woningen mogelijk gemaakt en is daardoor als NIBM aan te merken.

Daarnaast geldt voor het planvoornemen dat de luchtverontreiniging ten gevolge van het plan wordt veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied vanwege de voorziene commerciële ruimtes. Zoals volgt uit paragraaf 4.12.1 gaat het om circa 97 verkeersbewegingen per etmaal (werkdaggemiddeld) en één vrachtauto per dag (2 motorvoertuigbewegingen). In totaal gaat het dan - samen met de verkeersgeneratie van de woningen om 309 tot 343 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal en 2 motorvoertuigbewegingen van een vrachtauto, of te wel maximaal 343 bewegingen met een aandeel vrachtverkeer van minder dan 1%).

NIBM-tool

Uit de ingevulde NIBM tool blijkt dat het planvoornemen aan te merken is als NIBM, uitgaande van de maximale toegestane 43 woningen in combinatie met circa 320 m2 aan commerciële ruimte als nieuwe situatie. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

bestemmingsplan Lindehof

43

Uitgaande van kaartmateriaal van het RIVM over 2020 (jaargemiddelde) als beschikbaar via de Atlas Leefomgeving ten tijde van het opstellen van deze toelichting zijn de volgende cijfers beschikbaar over de luchtkwaliteit binnen het plangebied: fijnstof (PM2,5) : circa 8,9 µg/m3 (norm is 25, WHO-advieswaarde 2021 is 5); fijnstof (PM1 0) : circa 15,1 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 15); stikstofdioxide (NO2 ) : circa 11,5 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 10). Gezien voorgaande cijfers voldoet de kwaliteit aan de norm (EU-grenswaarde), maar niet aan de door de World Health Organisation (WHO) geadviseerde norm. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de advieswaardes door de WHO eind 2021 zijn aangescherpt (PM2,5 was 10 µg/m3 , PM1 0 was 20 µg/m3 en NO2 was 40 µg/m3 ). Aan de tot voor kort geadviseerde waarden wordt dus wel voldaan. Hoewel 2020 in verband met Corona een bijzonder jaar was, waarbij de concentraties van de genoemde stoffen 10 tot 20% lager lagen, was in de jaren daarvoor ook al een daling van die concentraties te zien (bron: Atlas Leefomgeving). Daarnaast wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord in Nederland gewerkt aan de ambitie om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Daarbij wordt een gezondheidswinst van 50% in 2030 nagestreefd, ten opzichte van de situatie in 2016.

4.5.3 Conclusie Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een

44

bestemmingsplan Lindehof

transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren.

Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). 4.6.2 Toetsing Met behulp van de informatie die beschikbaar is via de Atlas Leefomgeving kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de betreffende kaarten. De ligging van het plangebied is aangegeven met de blauwe 'prikker'.

Uitsnede Signaleringskaart EV met aanduiding locatie in blauw

bestemmingsplan Lindehof

45

Inrichtingen De meest nabij gelegen inrichtingen betreffen de inrichting 'Van de Moortele', die op een afstand van circa 1,6 kilometer van het plangebied is gelegen. Een tankstation met lpg aan de Echterbaan te Schinveld en de 'Limburgse Urethaan Chemie' aan de Boschstraat zijn op nog grotere afstand van het plangebied gelegen. Gezien voorgaande kaartuitsnede reiken de invloedsgebieden van die inrichtingen niet tot aan het plangebied. Derhalve zijn deze inrichtingen niet relevant voor onderhavig planvoornemen.

Transport De Buitenring Parkstad (N300) is op geruime afstand (1,8 kilometer) van het plangebied gelegen. Voor wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen over de Buitenring gaat het voornamelijk om bevoorrading van tankstations en transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. De bijbehorende invloedsgebieden bedragen 45 meter voor LF1 en LF2 en 355 meter voor GF3. Daarom is de N300 niet van invloed op het plangebied.

Buisleidingen De meest nabijgelegen buisleiding bevindt zich op meer dan 400 meter ten zuiden van het plangebied. Het betreft een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie (kenmerk: Z-503-05). Het plangebied is ruim buiten het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen. Derhalve is de buisleiding niet relevant voor onderhavig planvoornemen. 4.6.3 Conclusie Het omgevingsaspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen, daar het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Wettelijk kader Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking

46

bestemmingsplan Lindehof

is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.

Richtafstanden per bedrijfscategorie

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.

Werking handreiking op hoofdlijnen: functiescheiding of functiemenging? In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. Deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden ingedeeld in een milieucategorie variërend van 1 tot 6. De daarmee samenhangende milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De hiervoor beschreven methode gaat echter uit van functiescheiding. De opgenomen richtafstanden gelden tussen een gebied met milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken, anderzijds. Deze methode is echter niet geschikt voor gebied waarin deze functies samen komen, zoals het Lindeplein en directe omgeving. Voor die gebieden introduceert de handreiking een andere systematiek, uitgaande van een drietal categorieën activiteiten:

Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen (vrijstaand van); Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg.

bestemmingsplan Lindehof

47

Bij deze systematiek hoort ook een andere bedrijvenlijst dan wordt gehanteerd bij functiescheiding.

Het plandeel aan het Lindeplein is gelegen in een gebied dat kan worden aangemerkt als een gebied waarin functiemenging plaatsvindt en blijkens het geldende beleid en de huidige bestemmingen ook wordt nagestreefd. Het plandeel aan de Lindestraat kan ook worden gezien als een gebied waarin functiemenging plaatsvindt. Voor de ten westen van het plangebied gelegen woningen, aan de westzijde van de Mozartstraat geldt dat ze zijn gelegen in een gebied dat is aan te merken als een rustige woonwijk. 4.7.2 Toetsing Invloed omgeving op het planvoornemen Aan het Lindeplein zijn naast woningen diverse andere functies aanwezig, zoals kantoren met een baliefunctie, een tandprotheticus, een schoonheidssalon, gemeenschapshuis de Brikke Oave en diverse horecazaken. Dit betreffen - uitgaande van de eerder kort beschreven systematiek voor functiemenging activiteiten van hoofdzakelijk categorie A, waardoor deze toelaatbaar zijn aanpandig aan woningen. De Brikke Oave is aan te merken als categorie B, waardoor woningen in beginsel alleen vrijstaand van de Brikke Oave zijn toegestaan. In onderhavig plan wordt een deel van de woningen aanpandig aan de Brikke Oave gerealiseerd. De relevante factor is geluid. Op dit aspect is ingegaan in paragraaf 4.4. Gelet op de te realiseren karakteristiek gevelwering zal toch sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Daarnaast is van belang dat het Lindeplein is aangewezen als evenementenlocatie. Er mag vijf keer per jaar een evenement plaatsvinden, aangevuld met één keer per vier jaar de Parade als extra evenement. De toegestane geluidnormen op de gevels van woningen mogen maximaal 75 dB(A) en 90 dB(C)bedragen. Ook op dit aspect is reeds ingegaan in paragraaf 4.4. Gelet op de te realiseren karakteristiek gevelwering zal toch sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De afstand tussen de commerciële ruimtes en de woningen aan de westzijde van de Mozartstraat (rustig woongebied) bedraagt circa 40 meter. Uitgaande van de systematiek van functiescheiding wordt daarmee voldaan aan de richtafstanden die behoren tot milieucategorie 1 (10m) en 2 (30 min). Gelet op de functies die worden toegestaan in de commerciële ruimtes (maximaal categorie 2) wordt daarmee voldaan aan die richtafstanden.

Invloed planvoornemen op de omgeving Voor zover in de omgeving sprake is van activiteiten van milieucategorie A als eerder benoemd, geldt dat die activiteiten niet worden beperkt door de realisatie van nieuwe woningen, omdat de woningen gelet op de gehanteerde systematiek inpasbaar mogen worden geacht en bovendien in de meeste gevallen al sprake is van de aanwezigheid van woningen op kortere afstand tot die activiteiten dan de beoogde nieuwe woningen. Daarbij is ook relevant dat op basis van het geldende bestemmingsplan al woningbouw is toegestaan binnen onderhavig plangebied. Voor wat betreft de beoogde commerciële ruimten geldt dat de daar toegelaten activiteiten zijn aan te merken als milieucategorie A, waardoor deze aanpandig aan woningen mogelijk zijn. Daarmee zijn er geen belemmeringen ten opzichte van de nieuwe dan wel de bestaande woningen. Voor de woningen aan de westzijde van de Mozartstraat (rustige woonwijk, systematiek functiescheiding) is eerder in deze paragraaf al geconstateerd dat wordt voldaan aan de relevante richtafstanden, waardoor er ook ten opzichte van die woningen geen belemmeringen zijn. Voor wat betreft de evenementenlocatie geldt dat deze niet minder geschikt wordt voor het organiseren, nu in de directe omgeving al woningen zijn gelegen die de geluidruimte beperken. Hoewel de beoogde woningen op

48

bestemmingsplan Lindehof

een kortere afstand van het terrein zullen worden gesitueerd dan de bestaande woningen (bv Lindeplein 5a), wordt die afstand niet dusdanig kleiner dat de mogelijkheden om evenementen te organiseren onevenredig worden aangetast. 4.7.3 Conclusie Gelet op de hiervoor beschreven invloed van de omgeving op het planvoornemen en de invloed van het planvoornemen op de omgeving, is de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding.

4.8

Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat. 4.8.1 Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Brunssum in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas (2016-2021) is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Daarnaast is het ontwerp-stroomgebiedenbeheersplan Rijn, Maas, Schelde en Eems (2022-2027) vastgesteld. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv.

Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt.

bestemmingsplan Lindehof

49

Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.

4.8.2 Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebied benadering middels een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Limburgs water in een veranderend klimaat' Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld. Het betreft het centrale beleidsen uitvoeringsplan van het waterschap. In dit document wordt de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg uitgezet.

Het waterschap beschrijft hierin hoe: inwoners worden beschermd tegen overstromingen vanuit de Maas; de juiste balans kan ontstaan tussen water afvoeren en water vasthouden; het water schoon wordt (gehouden) en wateren natuurlijk worden ingericht; rioolwater wordt gezuiverd en daarbij grondstoffen worden teruggewonnen en gebruikt. Gemeentelijke uitgangspunten omgang hemelwater Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze

50

bestemmingsplan Lindehof

verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. Daarbij hanteren we onderstaande voorkeursvolgorde: hergebruiken; bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratie-voorziening; lozen naar oppervlaktewater; geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden.

Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging / infiltratie eis T=25 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 50 mm in 2 uur. Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. Vrijkomend vuilwater (wc's, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente.

4.8.3 Waterparagraaf Gebiedsomschrijving Het plangebied is in de huidige situatie nagenoeg geheel onbebouwd en onverhard. Het hemelwater kan hierdoor (deels) rechtstreeks in de bodem infiltreren. De omgeving van het plangebied betreft bestaand, nagenoeg geheel bebouwd en verhard gebied. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, wel ligt op korte afstand van het plangebied het Vijverpark. Binnen het plangebied is geen sprake van een beschermingszone ten behoeve van water(gangen).

Doorlatendheid van de bodem Om de mogelijkheden voor infiltratie te kunnen bepalen is de doorlatendheid van de bodem onderzocht door Aelmans. De rapportage is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd (d.d.21 juni 2023, kenmerk E230091.007/RKR). Voor wat betreft het grondwater geldt dat dit binnen 3 meter beneden maaiveld niet is aangetroffen. Hoewel eigenlijk een langere meetreeks nodig is om de relevante grondwaterstanden te kunnen

bestemmingsplan Lindehof

51

bepalen en blijkens bureauonderzoek vanuit de omgeving dergelijke meetreeksen niet bekend zijn, wordt op basis van bureauonderzoek geadviseerd een grondwaterstand (GHG) aan te houden van 80m+NAP. Dat bevestigt de bevindingen van het veldonderzoek, aangezien de maaiveldhoogte binnen het plangebied circa 85m+NAP bedraagt. Infiltratie van hemelwater in de bodem behoort tot de mogelijkheden indien (1) de doorlatendheid van de bodem groter is dan 0,3m/d, (2) het grondwater zich dieper dan 0,5 à 0,7 meter beneden maaiveld bevindt en (3) het hemelwater niet verontreinigd is. Uit het onderzoek van Aelmans blijkt dat niet wordt voldaan aan de eerste voorwaarde. De doorlatendheid is bepaald op respectievelijk 0,08, 0,06 en 0,14 m/d en daarmee lager dan 0,3 m/d. De doorlatendheid komt overeen met sterk leemhoudend zand en zeer fijn zand. Aan de tweede en derde voorwaarde wordt wel voldaan. Een mogelijke optie kan volgens Aelmans wel infiltratie naar de diepere ondergrond door middel van grindpalen zijn, maar dat behoeft dan nader onderzoek.

Wateropgave Het plangebied wordt nagenoeg geheel bebouwd (bovengronds, dan wel ondergronds) en verhard (circa 2.000 m2). Rekeninghoudend met een maatgevende bui van 80mm volgt daaruit (rekeninghoudend met 90% van het dakoppervlak ivm verdamping en 80% van de verharding ivm verdamping en infiltratie via voegen etc) een bergingsopgave van circa 107 m3 . Die bergingscapaciteit wordt voorzien onder de stallingsgarage. Toevoer naar die voorziening vindt geknepen plaats, van waaruit vervolgens afvoer richting het hemelwaterriool plaatsvindt, gelet op de beperkte mogelijkheden om water te infiltreren. In aanvulling daarop wordt voorzien in circa 23 m3 capaciteit, met welk water bewatering van de binnentuin kan plaatsvinden in droge periodes.

Advies waterschap vooroverleg Het waterschap heeft geen opmerkingen op het plan, aangezien er geen directe afwenteling naar het watersysteem in beheer bij het waterschap plaatsvindt en er geen oppervlakte in beheer bij het waterschap aanwezig is binnen het plangebied.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt afdoende rekening gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

4.9

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming 2017 die op 1 januari 2017 in werking is getreden.

52

bestemmingsplan Lindehof

4.9.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=81a46e81-7a72-42d1-8932-b5577815219a