CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 31 (bijlage) Lindehof_vastgesteld_Toelichting__202399687__

Raadsvergadering 4 juni 2024, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststelling van het bestemmingsplan 'Lindehof', gemeentebladnummer 2024/3122.355 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan - Toelichting -

Lindehof Gemeente Brunssum

BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -

Lindehof Gemeente Brunssum

IDN-nummer:

NL.IMRO.0899.BPLINDEHOF-VA01

Status:

vastgesteld

Datum:

4 juni 2024

Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl

Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

5 5 7 8

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

9

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Bestaande situatie Programma Duurzaamheid

9 9 11 15

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

17

3.1 3.2 3.3

Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid

17 17 23

3.4 3.5

Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

26 31

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

35

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

35 35 37 40 42 44 46 49 52 56 56 57 59

Inleiding Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Water Ecologie Archeologie Cultuurhistorie Verkeersaspecten Overige aspecten

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

61

5.1 5.2 5.3 5.4

61 61 62 63

Inleiding Uitgangspunten Toelichting op de planregels Artikelsgewijze toelichting

bestemmingsplan Lindehof

3

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

65

6.1 6.2 6.3

65 65 65

Inleiding Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Procedure

67

7.1 7.2 7.3

67 67 67

De te volgen procedure Vooroverleg Ontwerp en vaststelling

Toelichting

4

bestemmingsplan Lindehof

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op 11 november 2008 is door de gemeenteraad het Masterplan Brunssum Centrum vastgesteld. Dit masterplan verwoordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie voor het centrum van Brunssum voor de middellange tot lange termijn. Een van de deelgebieden die in het plan zijn benoemd is de herinrichting c.q. herontwikkeling van het Lindeplein. De algemene doelstelling hiervoor is het creëren van een “woonkamer” voor Brunssum. Aan de oorspronkelijk gewenste herontwikkeling van dit deelgebied is planologisch invulling gegeven in het bestemmingsplan “Centrum”, maar een aanbesteding voor de realisatie van het plan is tussentijds beëindigd. Vervolgens is op basis van een projectplan en ruimtelijke Programma van Eisen een nieuw bestemmingsplan "Lindeplein e.o." opgesteld, op basis waarvan de herinrichting van het Lindeplein en de verbinding tussen dat plein en het Vijverpark een nieuwe invulling en inmiddels ook uitvoering heeft gekregen. Ook is voorzien in de sloop van de oude Brikke Oave en de bouw van een nieuwe Brikke Oave. Wat nog geen invulling heeft gekregen is de locatie van de oude Brikke Oave. Er zijn de afgelopen jaren wel plannen ontwikkeld om die locatie opnieuw in te vullen met een commerciële ruimte op de begane grond en woningen op de verdiepingen, maar die plannen hebben op enig moment geen verdere invulling c.q. uitvoering meer gekregen.

Daarom is in 2022 een nieuw Programma van Eisen opgesteld voor invulling van de locatie, op basis waarvan de locatie opnieuw te koop is aangeboden. Vervolgens is een ontwikkelaar geselecteerd op basis van het voorgestelde bouwplan. Dat bouwplan, dat in Hoofdstuk 2 verder wordt toegelicht, bestaat kortgezegd uit woningbouw aan Lindeplein, Lindestraat en Mozartstraat en een tweetal commerciële ruimtes op de begane grond aan het Lindeplein. Dit bestemmingsplan biedt voor dat plan de planologische basis.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in het centrum van Brunssum, tussen het Lindeplein, Mozartstraat en Lindestraat en bestaat uit een gedeelte waar ontwikkeling wordt voorzien en een gedeelte waar dat niet het geval is, maar waarvoor een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig is. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 1.3.

bestemmingsplan Lindehof

5

Ligging plangebied in de kern Brunssum (rode aanduiding)

Het ontwikkelingsgerichte deel van het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen gemeente Brunssum, sectie C nummers 6709 en 6708, die samen circa 2.160 m2 groot zijn en die samen rood zijn omlijnd in navolgende afbeelding. Dat deel van het plangebied waarvoor geen nieuwe ontwikkelingen worden voorzien en waarvoor alleen een partiële herziening van de regels nodig is, ligt ten zuiden van voornoemde percelen en is in groen aangeduid in navolgende afbeelding. Dit deel omvat de percelen gemeente Brunssum, sectie C, nummers 6019 en 6666 t/m 6675, samen 1.865 m2 groot.

6

bestemmingsplan Lindehof

Begrenzing plangebied, met in rood aangeduid dat deel waarop de ontwikkeling is voorzien

1.3

Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied is het bestemmingsplan "Lindeplein e.o." van kracht, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Brunssum op 21 januari 2014. Op het gehele plangebied ligt de enkelbestemming 'Gemengd'. Daarnaast is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad'. Op basis van het geldende bestemmingsplan is op de begane grond een diversiteit aan functie toegestaan (o.a. horeca, horecagerelateerde dienstverlening en detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en consument verzorgende ambachtelijke activiteiten). Op de verdiepingen zijn in totaal maximaal 43 woningen toegestaan, maar ook logies in de vorm van een hotel behoort tot de mogelijkheden. Voor de locatie van de huidige, nieuwe Brikke Oave is voorzien in een aanduiding 'cultuur en ontspanning'. Voor de bouwvlakken aan de Mozartstraat geldt dat alleen woningen zijn toegestaan, vanwege de opgenomen functieaanduiding 'wonen' en de daaraan gekoppelde planregels. De opgenomen bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. Aan de zijde van het Lindeplein mag in vier bouwlagen worden gebouwd, met dien verstande dat voor de Brikke Oave een maximum bouwhoogte van 15 meter is opgenomen.

Aan de zijde van de Mozartstraat en de Lindestraat mag in drie bouwlagen worden gebouwd, waarbij geldt dat aan de Lindestraat een onderdoorgang vrijgehouden moet worden op eventuele parkeervoorzieningen te kunnen bereiken. Voor wat betreft het functioneel programma voldoet het planvoornemen grotendeels aan het geldende bestemmingsplan, maar voor wat betreft het beoogde bouwvolume (met name hoogtes/bouwlagen) voldoet het plan niet. Daarom wordt met voorliggend bestemmingsplan voorzien in een nieuw planologisch kader voor het plangebied. Voor wat betreft het aantal te realiseren nieuwe woningen gaat dit plan - net als het vooralsnog geldende plan - uit van 43 woningen. Echter, het geldende bestemmingsplan gaat nog uit van nieuwbouw op het perceel Mozartstraat 1. Die woning blijft echter gehandhaafd. Hoewel er het totale bestemmingsplan daarom betrekking heeft op maximaal 44 woningen, heeft het nieuwe planvoornemen slechts betrekking op maximaal 43 woningen. Daarom wordt in deze toelichting verder uitgaan van deze nieuwe toevoeging van maximaal 43 woningen. Gelet op de systematiek die is gehanteerd in het geldende bestemmingsplan, door onder andere het aantal

bestemmingsplan Lindehof

7

toegelaten woningen te koppelen aan een bestemmingsvlak dat ook de locatie van de huidige, nieuwe Brikke Oave en de woning Mozartstraat 1 omvat, is het noodzakelijk het plangebied van voorliggend bestemmingsplan groter te maken dan alleen het gebied waarop het planvoornemen betrekking heeft (rood omlijnd in navolgende afbeelding) en het plangebied te verruimen met die gronden die in het geldende bestemmingsplan binnen hetzelfde bestemmingsvlak 'Gemengd' vallen. Dat betreft de in navolgende afbeelding groen omlijnde gronden.

Uitsnede geldend bestemmingsplan

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst een beschrijving gegeven van de omgeving van het plangebied en het plangebied zelf en wordt het planvoornemen beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 kort ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente met daarin ook een verantwoording aan de hand van de ladder van duurzame verstedelijking opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten. Hoofdstuk 5 bestaat uit een juridische beschrijving van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 de procedure beschreven, die onderhavig bestemmingsplan doorloopt.

8

bestemmingsplan Lindehof

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Inleiding

Het planvoornemen heeft betrekking op de invulling van de vooralsnog braakliggende locatie van de voormalige Brikke Oave, direct naast de in 2015 gerealiseerde nieuwe Brikke Oave, aan het enkele jaren geleden geheel opnieuw ingerichte Lindeplein. Ook een vooralsnog niet ingevuld 'gat' in de straatwand aan de Lindestraat krijgt met het planvoornemen invulling. Met het planvoornemen wordt voorzien in de realisatie van maximaal 43 woningen en 320 m2 aan commerciële ruimte en bijbehorende voorzieningen, zoals in dit hoofdstuk verder zal worden toegelicht. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de beoogde nieuwe ontwikkeling. Zoals reeds is aangegeven in paragraaf 1.3 heeft dit bestemmingsplan ook betrekking op een partiële herziening van de regels voor een aantal percelen ten zuiden van dat deel van het plangebied waarop voornoemde nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. Daar wordt in dit hoofdstuk verder niet op ingegaan, behoudens de beschrijving van de bestaande situatie in navolgende paragraaf 2.2.

2.2

Bestaande situatie

In de huidige situatie is dat deel waarop de beoogde nieuwe ontwikkeling is voorzien onbebouwd en ingericht als tijdelijke openbare ruimte, bestaande uit openbaar groen en enkele zitgelegenheden. Tot 2011 lag op deze plek, tussen Lindeplein en de Mozartstraat, de voormalige Brikke Oave, die is gesloopt na oplevering van de nieuwe Brikke Oave op het aangrenzende perceel. Aan de zijde van de Mozartstraat staat nog een relatief kleine nutsvoorziening van Enexis.

Situatie plangebied 2011, vóór herinrichting plein en realisatie nieuwe Brikke Oave (Bron: Slagboom en Peeters)

bestemmingsplan Lindehof

9

Situatie plangebied 2022, na herinrichting plein en realisatie nieuwe Brikke Oave (Bron: Slagboom en Peeters)

Zicht op deel plangebied gelegen aan de Lindestraat (Bron: Slagboom en Peeters)

10

bestemmingsplan Lindehof

2.3

Programma

Het planvoornemen bestaat kort samengevat uit het realiseren van maximaal 43 woningen en circa 320 m2 aan commerciële ruimtes op de begane grond aan de zijde van het Lindeplein. Ook zal worden voorzien in een ondergrondse stallingsgarage ten behoeve van de te realiseren woningen en in een gezamenlijke binnentuin voor de gebruikers van de woningen. Een deel van het programma is voorzien aan het Lindeplein, een deel aan de Mozartstraat en een deel aan de Lindestraat. Deze drie 'plandelen' worden hierna kort afzonderlijk toegelicht. Daarbij is van belang dat sprake is van niveauverschillen voor wat betreft maaiveld. Zo wordt de stallingsgarage bezien vanaf de Mozartstraat beneden maaiveld gerealiseerd, maar is dat niveau (nagenoeg) gelijk aan het maaiveldniveau c.q. het peil aan de zijde van het Lindeplein.

Plattegronden eerste drie bouwlagen tbv duiding maaiveldverschillen

Plandeel Lindeplein Aan de zijde van het Lindeplein zal worden voorzien in het weer 'sluiten' van de straatwand, door de locatie van de voormalige Brikke Oave opnieuw invulling te geven. De voorgevel zal daarbij aansluiten op de voorgevelrooilijn die wordt gevormd door de situering van de voorgevels van de overige panden aan het Lindeplein. De eerste vier bouwlagen zullen over de volledige breedte van het perceel worden gebouwd. Daarmee sluit dit deel van de bouwmassa aan op de aan weerszijden aangrenzende bebouwing. De aanvullend te realiseren 4 lagen vormen een smallere 'top' op dit gebouw. Het gebouw wordt niet voorzien van schuine daken, alle afdekkingen zijn plat uitgevoerd. De volgende stedenbouwkundige overwegingen hebben een rol gespeeld bij de planontwikkeling: de representatieve ligging aan een open pleinruimte en naast de nieuwe Brikke Oave maakt dat stedenbouwkundig een afwijkende bouwvorm hier op zijn plaats is. Door een hoogwaardige architectuur krijgt de pleinruimte nog meer beeldkwaliteit; variatie in gevelbeeld en in bouwhoogte is passend op deze plek. Met name afstemming op de bouwhoogte van het gemeentelijk bestuurscentrum geeft een stedenbouwkundige variatie in straat- en pleingevelbeelden die op deze locatie goed tot hun recht komen.

Ook de ligging aan het Vijverpark speelt hierbij een belangrijke rol; de Brikke Oave dient door zijn karakteristieke bouwmassa in architectuur en functie een bijzondere

bestemmingsplan Lindehof

11

positionering in beeldkwaliteit te blijven houden. Een hogere bouwmassa direct tegen dit gebouw aan is stedenbouwkundig niet op zijn plaats, vandaar dat gekozen is voor een smallere top voor 50% van de gevelbreedte tot maximaal 8 bouwlagen; aansluitend aan de gevel van de Brikke Oave en aan de bestaande bouwmassa's aan de andere zijde is daarom een bouwhoogte van maximaal 4 bouwlagen vastgelegd en centraal in het nieuwe gevelbeeld een maximale bouwhoogte oplopend naar 8 bouwlagen; vergroening in het gevelbeeld is van belang met het oog op een duurzame woonomgeving en de gewenste aantrekkelijke beeldkwaliteit.

Impressie plandeel Lindeplein

Op de begane grond wordt voorzien in een tweetal commerciële ruimtes met een gezamenlijke oppervlakte van circa 320 m2 , die zullen worden verkocht voor een functie die past binnen de op basis van het geldende bestemmingsplan reeds toegelaten functies. Daarboven worden drie lagen van ieder maximaal vier woningen voorzien, in de vier lagen daarboven zijn dat er steeds (maximaal) twee per bouwlaag. Daarmee komt het totale aantal woningen op maximaal 20. De toegang tot de woningen (galerijen/trappenhuis, liftkoker) is voorzien aan de achterzijde van de woningen. De balkons / buitenruimtes zijn voorzien aan de zijde van het Lindeplein of aan de zijde van de zijgevel. Alle bewoners kunnen gebruik maken van een gemeenschappelijke binnentuin.

12

bestemmingsplan Lindehof

Impressie dwarsdoorsnede met links het plandeel aan de Mozartstraat en rechts het plandeel aan het Lindeplein

Plandeel Mozartstraat Aan de zijde van de Mozartstraat zal worden voorzien in één bouwmassa, bestaande uit maximaal vier bouwlagen boven maaiveld en een stallingsgarage beneden maaiveld. De hoofdentree is gesitueerd in het linkerdeel van de voorgevel, waarbij het niveauverschil vanwege de van zuid naar noord aflopende Mozartstraat wordt opgevangen door een trappartij en hellingbaan. De voorgevel - die nabij de hoeken over de breedte van één woning iets terug ligt - sluit aan op het verlengde van de (voor)gevelrooilijnen van de aangrenzende bebouwing. Per bouwlaag worden maximaal vijf woningen gerealiseerd, waarmee in dit deel het aantal woningen op maximaal 20 uitkomt. De toegang tot de woningen (galerijen/trappenhuis, liftkoker) is voorzien aan de achterzijde van de woningen. De balkons / buitenruimtes zijn voorzien aan de zijde van de Mozartstraat. Alle bewoners kunnen gebruik maken van een gemeenschappelijke binnentuin. De stallingsgarage die onder dit gebouw wordt voorzien zal ruimte bieden voor maximaal 40 parkeerplaatsen, die bereikbaar zijn via de Lindestraat. De volgende stedenbouwkundige overwegingen hebben een rol gespeeld bij de planontwikkeling: het nieuwe appartementencomplex sluit aan bij de bouwvorm van het naastgelegen wooncomplex. De bouwhoogte is bepaald op maximaal 4 bouwlagen.

Om een gevarieerd gevelbeeld te bereiken is de 4e bouwlaag teruggelegen ten opzichte van de voorgevelrooilijn; door de situering van de balkons aan de Mozartstraat wordt dit gevarieerde gevelbeeld versterkt.

bestemmingsplan Lindehof

13

Impressie plandeel Mozartstraat

Plandeel Lindestraat Aan de Lindestraat wordt een relatief beperkte bouwmassa gerealiseerd tussen de aan weerszijden bestaande complexen. Op de begane grond zal worden voorzien in een gezamenlijke entree ten behoeve van de woningen op de verdiepingen. In totaal worden hier drie woningen (studio's) mogelijk gemaakt, één per bouwlaag. Hier is ook de toegang tot de stallingsgarage voorzien (onderdoorgang). Om geluidweerkaatsing te voorkomen en om een aantrekkelijke uitstraling te bereiken van deze "open" toegang naar de parkeerkelder (tussen 2 bestaande wooncomplexen) is het van belang dat hier een pergolaconstructie wordt aangebracht met groenblijvende klimbeplanting.

Impressie plandeel Lindestraat

De woningen

14

bestemmingsplan Lindehof

Binnen het plangebied worden verschillende woningtypen gerealiseerd, met een gebruiksvloeroppervlakte variërend van circa 50 tot circa 100 m2, naast enkele grotere penthouses. Het betreffen allemaal koopwoningen, hoofdzakelijk met een verkoopprijs van maximaal de NHG-grens, maar enkele woningen met een verkoopprijs boven die grens. Aan de Lindestraat betreffen het studio's, aan de Mozartstraat en aan het Lindeplein betreffen het grotere (middel)dure koopwoningen. Met uitzondering van de drie studio's aan de Lindestraat zijn de woongebouwen voorzien van een lift, dus daarmee levensloopgeschikt.

2.4

Duurzaamheid

Het veranderende klimaat zorgt er voor dat onze gebouwde omgeving hierop moet anticiperen, zo ook dit planvoornemen. In het ontwerp wordt rekening gehouden met (het voorkomen van) hittestress en het voorkomen van wateroverlast. Er wordt een groene binnentuin ontworpen, geïnspireerd op de Brunssummerheide, met de karakteristieke vegetatie, sfeer en materialisering die bijdragen om hittestress te voorkomen. Er worden schaduwachtige plekken gecreëerd die ontmoeting stimuleren. De aanwezige vegetatie zorgt bovendien voor een positieve bijdrage aan de ecologische waarde en biodiversiteit in de binnentuin, onder andere door het plaatsen van nestkasten en insectenhotels. In de gebouwen worden verschillende nestkasten voor vleermuizen geïntegreerd. Er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen in lichte kleur om bij te dragen aan het voorkomen van hittestress. Verwarming geschiedt gasloos, door middel van warmtepompen. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen voor energieopwekking. Zoals nog verder wordt uitgewerkt in paragraaf 4.8.3 wordt hemelwater binnen het plangebied geborgen en deels ook hergebruikt voor bewatering van de binnentuin. Daarmee wordt wateroverlast voorkomen, in combinatie met de aanpak van droogte.

bestemmingsplan Lindehof

15

16

bestemmingsplan Lindehof

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskaders

Inleiding

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het plangebied relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Brunssum.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 km2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI is vooralsnog vastgesteld als structuurvisie, maar heeft sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet de status omgevingsvisie. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn: de inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit; het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie; woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.

In het NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavig

bestemmingsplan Lindehof

17

planvoornemen relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen; we passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030; Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen.

Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief.

Met het planvoornemen wordt een nieuwe kwaliteitsimpuls gegeven aan dit deel van het centrum, door het invullen van het 'gat' dat is ontstaan als gevolg van de sloop van de voormalige Brikke Oave en waarmee de pleinwand weer wordt hersteld. In lijn met de eerder vastgestelde Centrumvisie 2020 - 2016, het bijbehorende uitvoeringsprogramma en de duurzaamheidsambities draagt dat bij aan een duurzaam ruimtegebruik en een woningbouwprogramma dat goed aansluit bij de actuele behoefte.

18

bestemmingsplan Lindehof

Conclusie Voorliggend plan sluit goed aan bij de uitgangspunten en keuzes die in de NOVI worden beschreven, door te voorzien in duurzaam ruimtegebruik, waarbij het nieuwe programma zorgvuldig wordt ingepast met oog voor wateropgaven, duurzaamheid, mobiliteit en leefomgevingskwaliteit. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

In totaal gaat het om dertien nationale belangen, te weten: Rijksvaarwegen; Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en het Natuurnetwerk Nederland. Uit het Barro volgen verder geen nationale belangen die een planologisch-juridische doorwerking hebben in het plangebied. Dit houdt in dat er voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit het Barro gelden.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking. Nieuwe stedelijke ontwikkeling

bestemmingsplan Lindehof

19

De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf. Voor andere ontwikkelingen geldt dat een brutovloeroppervlakte van 500 m2 als ondergrens wordt gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Het voorliggende bestemmingsplan betreft de ontwikkeling van maximaal 43 woningen, wat gelet op het voorgaande in beginsel als 'stedelijke ontwikkeling' wordt aangemerkt. De realisatie van circa 320 m2 aan commerciële ruimten is gelet op het voorgaande niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Daarmee staat echter nog niet vast dat ook aan de Ladder moet worden getoetst. Er dient ook te worden bezien in hoeverre de ontwikkeling ook kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en of sprake is van nieuw ruimtebeslag, zo blijkt uit jurisprudentie. De Afdeling hanteert bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6, tweede lid, en artikel 1.1.1, eerste lid en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening) de beoordelingslijn, dat hiervan sprake is als het bestemmingsplan of omgevingsvergunning bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en ten opzichte van het voorgaande planologische regime voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en een functiewijziging (AbRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294). Onderhavig bestemmingsplan voorziet weliswaar in een stedelijke ontwikkeling, namelijk de bouw van maximaal 43 woningen en circa 320 m2 aan commerciële ruimte, maar dat programma was grotendeels reeds mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan.

Wel neemt het aantal bouwlagen toe. Zelfs wanneer geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is het zaak de behoefte aan de ontwikkeling te onderbouwen in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, daarom wordt hierna volledigheidshalve voorzien in die onderbouwing aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Behoefte Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van maximaal 43 nieuwe woningen en circa 320 m2 aan commerciële ruimte. Het betreffen hoofdzakelijk (40 van de 43) levensloopbestendige koopwoningen. In de huidige situatie is sprake van een braakliggend terrein en daarvoor was het perceel bebouwd met de voormalige Brikke Oave, die in 2015-2016 is gesloopt na oplevering van de nieuwe Brikke Oave. Er wordt daarom voorzien in hergebruik van een braakliggend terrein binnen het bestaand stedelijk gebied (inbreiding / herstructurering). Gelet op de op 21 december 2021 vastgestelde Centrumvisie Brunssum 2020 - 2026 en het bijbehorende uitvoeringsprogramma 2020 - 2026 blijkt dat met name de leeftijdscategorie 20 - 44 jaar binnen Brunssum ondervertegenwoordigd is en dat expats zich met name buiten Brunssum vestigen. Het in die visie opgenomen woningbouwprogramma zet in op de thema's Verjonging, Internationalisering en Verduurzaming.

In maar ook rond het centrumgebied wordt ingezet op een groter en breder woningpalet waar voor iedereen iets aangeboden wordt. Daaronder valt bouwen voor de eerder genoemde en ondervertegenwoordigde doelgroep van 20-45 jaar, maar ook voor mensen die dicht bij de voorzieningen in het centrum willen wonen en huisvesting voor expats. Dat betekent dat er woningen gerealiseerd moeten worden die aansluiten bij wensen van die groepen. Gelet op het voorgaande moet het woningbouwprogramma meer in balans gebracht met de

20

bestemmingsplan Lindehof

ambities en uitgangspunten van de nieuwe centrumvisie in een woningbouwprogramma specifiek is gericht op het centrumgebied en dat voorziet in:

"Balans" dat

een groei van het aantal woningen in het centrum van aanvankelijk circa 170 naar nu circa 255 woningen; een verandering in het aanbod van circa 90% huurwoningen naar circa 60 % (toename koopwoningen); een verandering in het aanbod van circa 80% goedkope huur naar circa 60% goedkope huur (meer huurwoningen in het hogere segment: middenhuur). In voornoemd woningbouwprogramma is voor het plangebied voorzien in de realisatie van 25 appartementen (koop) voor deze locatie. Het nu voorliggende plan voorziet in een daarvan afwijkend programma bestaande uit maximaal 43 appartementen. Van die 43 woningen zijn er (na 'aftrek' van de alsnog te handhaven woning Mozartstraat 1) al 42 toegestaan op basis van het bestemmingsplan "Lindeplein e.o.". Ook in de Plancapaciteitsmonitor Limburg zijn de 43 nieuwe (betaalbare) koopwoningen opgenomen. Tot slot zijn ook in de regionale programmering 43 woningen opgenomen. Zoals uit navolgende onderbouwing blijkt, voorzien die woningen ook in de behoefte.

Uit de op 21 maart 2019 vastgestelde Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022, zoals die luidt na actualisatie van de plannenlijst in 2020, is af te leiden dat in Brunssum Centrum/Noord sprake is van een stabiele vraag naar dan wel een extra behoefte is aan (levensloopgeschikte) koopappartementen die in navolgende tabel zijn voorzien van respectievelijk een gele dan wel een groene kleurcode. Dit betreft kortgezegd appartementen tot 120 m2 in alle prijsklassen.

bestemmingsplan Lindehof

21

Bron: Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022

De Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022 is gebaseerd op een woningbehoefte-onderzoek uit 2018, dat weer is gebaseerd op een prognose uit 2017. Begin 2022 is een nieuw woningbehoefte-onderzoek uitgevoerd (Woonbehoefteonderzoek Parkstad Limburg 2022-2032, Stec, 28 januari 2022), waarbij rekening wordt gehouden met een tweetal scenario's, te weten (1) de Progneff 2021 prognose en (2) een migratiescenario, waarbij wordt uitgegaan van het voor de komende 10 jaar doortrekken van de actuele hogere migratie over de afgelopen 5 jaar. Daaruit blijkt dat de prognose Progneff 2021 voor wat betreft de afname van het aantal huishoudens over de periode 2022-2032 kleiner is dan werd aangenomen op basis van de prognose Progneff 2017 (voor heel Parkstad Limburg ca 3.345 ten opzichte van 3.860 tot 3.910). Kort samengevat is mede als gevolg van de verder doorzettende vergrijzing van de bevolking sprake van een toenemende behoefte aan levensloopbestendige c.q. -geschikte woningen in de vorm van huurof koopappartementen en nultredenwoningen. Voor grondgebonden koopwoningen geldt dat sprake is van een overschot. Ook constateert Stec dat sprake is van een groot en groeiend gat tussen de (betaalbare) sociale huurwoningen en de alsmaar duurdere koopwoningen, hetgeen doorstroming bemoeilijkt.

Om die doorstroom weer beter op gang te brengen is behoefte aan woningen gericht op middenhuur, maar ook aan nultredenwoningen/appartementen, koop. Zoals uit navolgende figuur uit de rapportage van Stec blijkt zit daar een duidelijke behoefte voor Brunssum.

Kwalitatieve behoefte 2022 tot 2032 op basis van Stec-doorstroommodel

In de regionale woningmarktpgrogrammering is voor onderhavige locatie reeds een aantal van 43 woningen opgenomen. Daarmee wordt kortgezegd zowel kwantitatief en kwalitatief aangesloten bij de lokale behoefte. Bestaand stedelijk gebied Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd dient uitgebreid te worden gemotiveerd waarom deze ontwikkeling niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied. Het bestaand stedelijk gebied is in het Bro gedefinieerd als 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

22

bestemmingsplan Lindehof

Het voorliggende plan is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Brunssum. Doordat met het planvoornemen opnieuw invulling wordt gegeven aan een braakliggend terrein is sprake van herstructurering. Het plan sluit dus goed aan bij de uitgangspunten van de ladder: herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied gaat vóór nieuw ruimtebeslag. Regionale afstemming Over het beoogde aantal woningen heeft in het kader van de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022 ook (sub)regionale afstemming plaatsgevonden, nu het plan in de bijbehorende lijst van plannen is opgenomen.

Conclusie Gezien het feit dat de ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief inspeelt op de actuele (regionale) behoefte en bijdraagt aan een optimale benutting van de beschikbare ruimte in het bestaand stedelijk gebied wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, ook al is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

3.3

Provinciaal beleid

De Provincie heeft een belangrijke rol als regisseur op de woningmarkt. Gelet op de problematiek op de huidige woningmarkt en de invloed van de demografische transitie op de markt, verlangen gemeenten van de Provincie dat zij die rol als regisseur oppakt. 3.3.1

Omgevingsvisie Limburg

In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg geeft de provincie haar lange termijn visie. Deze Omgevingsvisie dient als vervanging van de provinciale Omgevingsvisie POL2014. De nieuwe Omgevingsvisie Limburg heeft betrekking op het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net als waarden zoals kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders én de samenleving als geheel. De visie heeft betrekking op drie hoofdopgaven: 1. 2. 3.

een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als landelijk gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie

De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden én door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht. Concreet ten aanzien van wonen wordt een passend aanbod van woningen nagestreefd in zowel steden als dorpen. De overgangen tussen bebouwde gebieden en het landelijk gebied zijn optimaal ingericht voor stads(kringloop)landbouw, recreatie, natuur- en landschapsbeleving en klimaatadaptieve voorzieningen. Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Voor zover relevant voor onderhavig planvoornemen gaat het over:

bestemmingsplan Lindehof

23

het nastreven van een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, waarbij de inrichting en ontsluiting van gebieden uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk. Meer stad, meer land. We koesteren de variatie in gebieden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld. Zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. We zetten in op een sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In onze afwegingen betrekken we naast de impact op mens, economie en welvaart ook de impact op de omgeving en het milieu. We streven naar functiecombinaties en benutten bestaande functies optimaal. Wonen en leefomgeving Een woningaanbod en planvoorraad waarbij vraag en aanbod goed in evenwicht zijn is benoemd als provinciaal belang. Dat evenwicht is nodig op zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. Kortgezegd: voldoende (betaalbare) woningen, op het juiste moment beschikbaar, op de juiste locatie en van de juiste kwaliteit. De provincie wil het voorgaande graag samen met haar partners realiseren.

Het streven is een leefomgeving te (blijven) bieden waar mensen zich prettig voelen en waarin mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving, die past bij zowel hun mogelijkheden als hun levensfase. Daarbij gaat het niet alleen om de spreekwoordelijke stenen, maar door in samenhang naar woonopgaven te kijken, leggen we op wijk-/buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee willen we verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op een woningbouwontwikkeling op een inbreidingslocatie. Door een braakliggend terrein midden in het centrum van de kern Brunssum aan het volledig nieuw ingerichte Lindeplein te herbestemmen, wordt opnieuw invulling gegeven aan onbenutte ruimte binnen een stedelijk gebied. Hiermee wordt zorgvuldig en duurzaam omgegaan met de beschikbare ruimte binnen het grondgebied van de gemeente Brunssum. Daarmee krijgt deze zijde van het Lindeplein ook weer een kwalitatief goede pleinwand.

Daarnaast wordt met het planvoornemen tegemoetgekomen aan de lokale woningbehoefte, met voornamelijk levensloopgeschikte koopappartementen.

Conclusie Gezien het voorgaande past het planvoornemen goed binnen de uitgangspunten van de provinciale omgevingsvisie. Die visie vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan de provincie Limburg. Op de resultaten daarvan wordt ingegaan in paragraaf 7.2 van deze toelichting. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg Gelijktijdig met de vaststelling van het POL2014 is door Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld, die nadien nog enkele malen is gewijzigd. Deze verordening voorziet in de borging van provinciale belangen die voortvloeien uit het POL en in de juridische borging van de eerder met de Limburgse gemeenten gemaakte bestuursafspraken over c.q. de regionale structuurvisies voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hoewel het POL2014 als strategische visie van de provincie in aanloop naar de inwerkingtreding van de

24

bestemmingsplan Lindehof

Omgevingswet inmiddels is vervangen door de Omgevingsvisie Limburg (zie paragraaf 3.3.1 Omgevingsvisie Limburg), is de provinciale verordening ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan nog gebaseerd op het POL2014. Wel is die verordening al aangevuld met enkele nieuwe onderwerpen, waardoor de verordening beter aansluit op de actuele Omgevingsvisie, in afwachting van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de in voorbereiding daarop reeds vastgestelde nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021). De betreffende nieuwe onderwerpen hebben betrekking op huisvesting van internationale werknemers, na-ijlende gevolgen van steenkolenwinning, zonne-energie, intensieve veehouderij, het voorkomen van eventuele verstoringen binnen het zoekgebied voor de Einstein-telescoop en klimaatadaptatie. Voor dit bestemmingsplan en het plangebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft, zijn de navolgende bepalingen uit de verordening (in beginsel) van belang.

Artikel 2.4.2 Wonen In de verordening is bepaald dat uit de toelichting op een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, dat voorziet in de toevoeging van woningen, dient te blijken dat: het plan past binnen de kaders van de provincie Omgevingsvisie; de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte blijkt uit een actueel, onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; over die behoefte overeenstemming bestaat binnen de regio Zuid-Limburg; het plan is opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg; realisatie is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en, wanneer die termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer die mogelijkheden weer komen te vervallen. Uit paragraaf 3.3.1 van deze toelichting blijkt dat het planvoornemen past binnen de kaders van de provinciale Omgevingsvisie. De behoefte aan de woningen die dit plan mogelijk maakt is onderbouwd in paragraaf 3.2.3, in samenhang met de paragrafen 3.4 Regionaal beleid en 3.5 Gemeentelijk beleid. Daaruit blijkt dat de behoefte volgt uit een actueel en onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek en ook dat over die behoefte regionaal overeenstemming bestaat. De maximaal 43 woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn voorts ook opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg. Realisatie van de beoogde woningen is voorzien binnen 5 jaar.

Mochten de woningen onverhoopt niet binnen 5 jaar na vaststelling van dit plan worden gerealiseerd, dan wordt na verloop van die periode heroverwogen of de planologische mogelijkheden behouden blijven of dat ze dienen te vervallen wegens een gebrek aan behoefte.

Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is ook nogmaals geborgd dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals die is geborgd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en daarin is onderbouwd dat daaraan wordt voldaan. De extra trede die door de provincie Limburg is toegevoegd aan de Ladder betreft de afweging of het plan kan worden gerealiseerd door herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale of beeldbepalende panden aanwezig die leegstaand zijn en aan voornoemde uitgangspunten kunnen voldoen.

Artikel 2.16.1 Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Deze instructieregel vraagt gemeenten waar in het verleden steenkolenwinning heeft plaatsgevonden

bestemmingsplan Lindehof

25

(waaronder Brunssum) om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. In de toelichting op dit bestemmingplan wordt daarin voorzien in paragraaf 4.3 Bodem.

Artikel 2.18.2 Beschermingsgebied Einstein Telescope In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interfererende activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Onderhavig plangebied ligt echter buiten het aangegeven beschermingsgebied.

Artikel 2.19.1 Klimaatadaptatie Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte). Zoals blijkt uit met name paragrafen 2.4 en 4.8.3 wordt rekening gehouden met het voorkomen van wateroverlast, hittestress en en wordt geanticipeerd op droogte. Hemelwater wordt binnen het plangebied geborgen en deels hergebruikt voor bewatering van de groene binnentuin. Gelet op de ligging van het plangebied zijn risico's van overstroming niet aan de orde.

Omgevingsverordening Limburg (2021) Inmiddels is gelet op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 ook de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) in werking getreden. Die verordening bevat geen nieuwe ontwerpen die van invloed zijn op dit plan. Hoewel artikelnummers zijn gewijzigd, is de strekking van de instructieregels nog gelijk aan de hiervoor op basis van de Omgevingsverordening 2014 geschetse instructieregels.

Conclusie Onderhavig planvoornemen voldoet dus Omgevingsverordening Limburg (2021).

3.4

aan

de Omgevingsverordening Limburg 2014

en de

Regionaal beleid

3.4.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe

26

bestemmingsplan Lindehof

kansrijke doelgroepen, met voor de overige kernen een goed functionerend en aantrekkelijk woonklimaat; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een stevigere positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: 1. Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. 2. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. 3.

Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. 4. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.

Het planvoornemen heeft hoofdzakelijk betrekking op het derde thema ´Wonen´. Voor dit thema heeft sinds 2009 verdere uitwerking plaatsgevonden in regionale nota's als de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, welke nota's aan bod zullen komen in het vervolg van dit hoofdstuk. Uitwerking op gemeentelijk niveau heeft vervolgens plaatsgevonden in onder meer de Structuurvisie Brunssum, waarover meer in paragraaf 3.5 en de Regionale en lokale Woonvisie 2023 - 2028, gemeente Brunssum, waarover meer in paragraaf 3.5.3. Het planvoornemen betreft de realisatie van maximaal 43 woningen op een inbreidingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Door te kiezen voor herstructurering in plaats van uitbreiding van het stedelijk gebied past het planvoornemen goed binnen het derde thema 'Wonen'. Ook wordt tegemoetgekomen aan de lokale woningbehoefte door te voorzien in hoofdzakelijk levensloopgeschikte appartementen binnen het juiste segment. Bovendien wordt voorzien in een kwalitatief goede afronding van de enkele jaren geleden ingezette herinrichting van het Lindeplein en de nieuwe pleinwand ter hoogte van dit plein.

Conclusie Het planvoornemen sluit goed aan op de uitgangspunten uit de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg. De structuurvisie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Lindehof

27

3.4.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg In deze regionale structuurvisie, die op 11 oktober 2016 is vastgesteld door de raad van Brunssum, maken de 16 Zuid-Limburgse gemeenten onderlinge afspraken over de wijze waarop de transformatie van de woningvoorraad in Zuid-Limburg gestalte dient te krijgen. De woningmarkt in Zuid-Limburg heeft te maken met een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch: er zijn te veel woningen en tevens sluit het aanbod niet meer aan op de toekomstige vraag. Daarom worden er afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak. In de visie wordt op hoofdlijnen de gewenste kwaliteitsslag beschreven die nodig is om het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. De belangrijkste conclusies hierbij zijn, dat de grootste problemen thans optreden in het particulier bezit en dat er naar verhouding meer huurwoningen gewenst zijn. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden. Het belangrijkste uitgangspunt daarbij is evenwel dat de woningvoorraad in omvang niet meer mag groeien, dit om te voorkomen dat de leegstand toeneemt. Leegstand leidt tot verloedering en ook tot waardedaling. Dit basisprincipe leidt ertoe dat nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad zullen moeten worden gecompenseerd, hetzij met sloop, hetzij met het schrappen van harde bouwtitels, hetzij met een financiële bijdrage (waarmee sloop kan worden gefinancierd).

Voor iedere gemeente wordt daarom aan de hand van actuele demografische gegevens en leegstandscijfers een transformatieopgave afgesproken, zijnde de kwantitatieve koers die de gemeente dient te varen. Die kwantitatieve koers moet worden beschouwd als richtinggevend wat betreft het maken van beleidsmatige keuzes en niet als een harde slooptaakstelling. De transformatieopgave wordt tweejaarlijks herijkt. Gemeenten worden verplicht een woningbouwprogrammering op te stellen welke is geënt op zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgaven. In de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg staat de transformatieopgave per gemeente centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. Om de gewenste kwantitatieve omvang van de woningvoorraad te bepalen wordt de transformatieopgave per gemeente uit de Woonmonitor gebruikt als de kwantitatieve koersbepalende opgave om te komen tot een gezonde woningmarkt met voldoende marktspanning. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een gezonde frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling. De transformatieopgave die per gemeente tweejaarlijks wordt vastgesteld, is een koersbepalende opgave voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en is beleidsneutraal. Het betreft daarmee geen afdwingbare bouw- of sloopopgave. Aan de structuurvisie liggen drie onderzoeken ten grondslag.

Het betreft de onderzoeken 'Woonmilieus in Zuid-Limburg' (Companen), 'Woonmilieu Zuid-Limburg fase 2' (Atrivé) en het 'Regionaal afwegingskader wonen Maastricht-Heuvelland' (Stec-groep). De onderzoeken hebben geleid tot de volgende algemene inzichten:

Woonmilieus: Er zijn drie milieus in deze woonregio: stedelijk, suburbaan en landelijk: stedelijk milieu: meer vraag dan aanbod, opletten voor gevolgen rest van de gemeente/regio; suburbaan milieu: meer aanbod dan vraag, sterk verdunnen (met name in de particuliere voorraad), inzetten op kwaliteit en transformatie; landelijk milieu: in evenwicht, maar leegstand op de loer, inzetten op verbetering/vernieuwing. Kansen: Kansen liggen in goedkope huur (onder liberalisatiegrens) en middeldure huur; kansen in extramuralisering/wonen met zorg (met name bestaand vastgoed interessant); kansen voor bijzondere exclusieve woonvormen, zoals wonen op het water, collectief particulier

28

bestemmingsplan Lindehof

opdrachtgeverschap en wonen in een kerk of kasteel. Het risico op ontwrichting van de reguliere woningmarkt is hier relatief klein); kansen in studentenhuisvesting. Afspraken: In de regio zijn de volgende afspraken gemaakt: Schrappen van programma dat geen toegevoegde waarde meer heeft; transformatieopgave tweejaarlijks vaststellen per gemeente; herinvulling waardevol bestaand vastgoed (zoals monumenten) heeft prioriteit; compensatie verplicht bij nieuwe initiatieven (in deze volgorde): 1. slopen; 2. financiële compensatieregeling; 3. gemeente neemt sloopverplichting over en voert deze uit binnen de raadstermijn; 4. schrappen bestaande plancapaciteit: 1 nieuwe woning tegen 4 bestaande woningen (bij monumenten 1 op 1). Met het planvoornemen worden maximaal 43 appartementen gerealiseerd in het bestaand bebouwd gebied in een stedelijk milieu. Zoals uit de onderbouwing als opgenomen in paragraaf 3.2.3 blijkt, wordt met het planvoornemen zowel kwalitatief en kwantitatief voorzien in de behoefte en heeft ook subregionaal afstemming plaatsgevonden nu deze aantallen (nog steeds) in de regionale woningmarktprogrammering zijn opgenomen. Daarmee wordt voldaan aan de beleidsafspraken die zijn gemaakt de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

Voor nieuwe initiatieven geldt dat de toename van woningen ingevolge de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in beginsel dient te worden gecompenseerd conform de daarin beschreven compensatiesystematiek. Op dit punt is echter van belang dat de benodigde 43 woningbouwtitels reeds zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan "Lindeplein e.o." en dat bovendien op 19 januari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is vastgesteld door de gemeenteraad van Brunssum, net als door de gemeenteraden van de overige Zuid-Limburgse gemeenten. In paragraaf 3.4.3 wordt volledigheidshalve nader toegelicht dat het planvoornemen ook aan deze beleidsregel voldoet.

Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, door te voorzien in 43 woningen binnen het stedelijk milieu die zowel kwalitatief als kwantitatief voorzien in de behoefte. Er wordt voorzien in de juiste woningen op de juiste plek. Hoewel compensatie niet aan de orde is, nu de 43 woningen voor wat betreft aantal reeds als zodanig zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan, wordt in navolgende paragraaf 3.4.3 aan de hand van de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' onderbouwd dat (nog steeds) sprake is van een goede woningbouwontwikkeling. 3.4.3 Beleidsregel ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021 De nieuwe beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is door de gemeenteraad van Brunssum vastgesteld op 19 januari 2021. Op grond van deze nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd (door middel van sloop of een financiële bijdrage). Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde;

bestemmingsplan Lindehof

29

Het plan is planologisch aanvaardbaar; Het plan is (sub)regionaal afgestemd. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Voor dit criterium geldt als ruimtelijk uitgangspunt dat een inbreiding boven een uitbreiding gaat. Daarnaast beschikt een plan over een maatschappelijke meerwaarde, als het plan bijvoorbeeld aantoonbaar bijdraagt aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, wanneer sprake is van herstructurering of vervangingsbouw, of als bestaand waardevol vastgoed wordt hergebruikt middels passende woningbouw. Verder is het van belang dat een plan voorziet in de lokale woonbehoefte. De herontwikkeling van deze locatie is nog onderdeel van de eerdere herinrichting van het Lindeplein en nieuwbouw van de Brikke Oave, door het als gevolg van de sloop van de oude Brikke Oave ontstane gat in de pleinwand te herstellen met kwalitatief hoogwaardige nieuwbouw. Zoals in voorgaande paragrafen reeds is onderbouwd wordt ook voorzien in de lokale woonbehoefte. Het beoogde plan heeft daarmee een maatschappelijke meerwaarde.

Het plan is planologisch aanvaardbaar In dit verband dient het plan te voldoen aan de systematiek van de 'Ladder van duurzame verstedelijking' (zie paragraaf 3.2.3). Dit betekent dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering bevat waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Zoals reeds aangegeven in paragraaf 3.2.3 is onderhavig planvoornemen geen nieuwe 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', omdat binnen het plangebied de beoogde 43 woningen reeds zijn toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan.Toch is voorzien in een motivering aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Daaruit volgt kort gezegd dat met onderhavig planvoornemen invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte. Ook voor het overige blijkt uit voorliggende toelichting dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening en dat het plan daarmee planologisch aanvaardbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=81a46e81-7a72-42d1-8932-b5577815219a