CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 25 (bijlage) WBO Entree Dorpstraat_vastgesteld_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 12 juni 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Entree Dorpstraat; Gemeenteblad 2023/2527.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uitsnede Signaleringskaart EV met aanduiding locatie in blauw

Het plangebied is in de figuur blauw omcirkeld. In onderstaande paragrafen worden de risicobronnen nader toegelicht. Inrichtingen Op een afstand van circa 440 meter van het plangebied is de inrichting 'Van de Moortele' gelegen. De inrichting beschikt over een ammoniaktank met een capaciteit van 2.500 kilogram. Het plaatsgebonden risico en groepsrisico is niet relevant te noemen. Ook ligt het plangebied ruim buiten het invloedsgebied. Daarom is

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

55

de inrichting 'Van de Moortele' niet relevant voor onderhavig planvoornemen. Afgezien van de inrichting 'Van de Moortele' betreffen de meest nabij gelegen inrichtingen een tankstation met lpg aan de Echterbaan te Schinveld en de 'Limburgse Urethaan Chemie' aan de Boschstraat, die op een afstand van circa 1,3 kilometer respectievelijk circa 1,6 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Gezien voorgaande uitsnede van de signaleringskaart EV reiken ook de invloedsgebieden van die inrichtingen niet tot aan het plangebied. Derhalve zijn deze inrichtingen niet relevant voor onderhavig planvoornemen. Transport De N274 richting Koningsbosch, gelegen op circa 550 meter van het plangebied, is op de Signaleringskaart EV aangeduid als transportroute voor gevaarlijke stoffen, maar enkel in categorie LF1. Het invloedsgebied bedraagt slechts 45 meter, zodat wordt geconcludeerd dat de N274 niet relevant is voor het plangebied. De Buitenring Parkstad (N300) is op geruime afstand (0,8 kilometer) van het plangebied gelegen. Voor wat betreft de Buitenring gaat het voornamelijk om bevoorrading van tankstations en transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. De bijbehorende invloedsgebieden bedragen 45 meter voor LF1 en LF2 en 355 meter voor GF3. Daarom is de N300 ook niet relevant voor het plangebied. Ook de N276 is ook aangemerkt als transportroute, echter zonder opgave van intensiteiten.

Ook uit de meest recente lijst met telgegevens (versie juni 2018) zijn geen telgegevens te herleiden. Voor zover er nog transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over deze weg sinds de aanleg van de Buitenring, zal dit gaan over dezelfde stofcategorieën als voor de Buitenring (LF1, LF2 en GF3). Het grootste invloedsgebied is 355 meter (GF3) terwijl de afstanden tussen het plangebied en de betreffende weg meer dan 1,8 kilometer bedraagt. Deze weg is daarmee niet van invloed op het plangebied. Buisleidingen De meest nabijgelegen buisleiding waarop het besluit externe veiligheid buisleidignen van toepassing is, bevindt zich op circa 1,3 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het betreft een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie (kenmerk: Z-503-05). Het plangebied is ruim buiten het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen (zie uitsnede Signaleringskaart EV). Derhalve is de buisleiding niet relevant voor onderhavig planvoornemen. 4.6.3 Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer¹. a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken².

¹ = ‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). ² = Onder zgn. ‘leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en

56

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

propyleen. Hoewel binnen het plangebied in het bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' de dubbelbestemming 'Leiding Gas' met de daarbij behorende 'hartlijn leiding - gas' is ingetekend, is deze (gas)leiding niet aangegeven op de Signaleringskaart EV. Zekerheidshalve is in dit verband navraag gedaan bij de Gasunie en is bevestigd dat binnen dan wel nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen voor het transport van aardgas onder hoge druk. De betreffende leiding is in beheer bij Enexis en daarvoor geldt een veiligheidsafstand van 2 meter aan weerszijden van de leiding. De afstand wordt ook gerespecteerd bij de situering van het bouwplan. Verder liggen in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor het project betekenen. In het straatprofiel van de omliggende wegen (Dorpstraat, Prins Hendriklaan en Grachtstraat) zijn wel de reguliere leidingen voor gas, water, elektra en telefonie/internet gelegen. Ook liggen op enkele meters afstand van het bouwplan een tweetal stamriolen, waarvan één onder de Dorpstraat en één op enkele meters ten oosten van het bouwplan. Het bouwplan is echter niet (negatief) van invloed op deze leidingen. 4.6.4 Conclusie Het plangebied is op geruime afstand van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen gelegen.

Ook liggen in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen die een belemmering voor het planvoornemen opleveren. Het omgevingsaspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

57

Richtafstanden per bedrijfscategorie

Werking handreiking op hoofdlijnen In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Samengevat dient men als volgt te werk te gaan: 1. 2. 3. 4.

bedrijf(sactiviteit) indelen in een SBI-code; de hoogste bij de SBI-code behorende richtafstand is bepalend; bepalen van welke omgevingstype er sprake is; de richtafstand met 1 stap verlagen indien sprake is van type 'gemengd gebied'.

Gemotiveerd toepassen Soms is niet geheel duidelijk in welke categorie een bepaalde situatie valt. Ook kan een feitelijke situatie significant verschillen als gevolg van specifieke bedrijfsprocessen, hinderbeperkende maatregelen, de concrete inrichting van het bedrijf en/of de geldende milieuvergunning. De daadwerkelijke milieubelasting kan in dat geval aanzienlijk afwijken van de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het bepalen van de standaard richtafstanden. Dit is de reden dat de Afdeling heeft bepaald dat de richtafstanden niet zondermeer overgenomen mogen worden: er dient te worden gemotiveerd waarom welke afstanden gelden (ofwel waarom een situatie in een bepaalde categorie valt) en waarom hier (eventueel) van kan worden afgeweken. Voor een onderzoek naar de milieuzonering kan daarom concreet en gedetailleerd onderzoek naar de feitelijke milieubelasting zinvol of noodzakelijk zijn. De handreiking bevat hiervoor een aantal stappenplannen.

'Rustige woonwijk/rustig buitengebied' of 'gemengd gebied' In een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes: 1.

58

'rustige woonwijk en rustig buitengebied';

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

2.

'gemengd gebied'.

Bij het bepalen van het van toepassing zijnde omgevingstype moet niet gekeken worden naar de locatie zelf maar naar het (soort) gebied waarin de locatie ligt. Het plangebied ligt in het noordelijke gedeelte van het centrumgebied van de kern Brunssum. Het plangebied is voornamelijk ingeklemd door woningbouw. Aan de noordelijke zijde van het plangebied, op een afstand van circa 80 meter, zijn een tweetal horecagelegenheden gevestigd en aan de zuidelijke zijde van het plangebied is aangrenzend een garagebedrijf gevestigd. Verder kenmerkt de omgeving zich voornamelijk door woonfuncties. Gelet hierop is dus sprake van een 'rustige woonwijk'. Wijze van meten van de richtafstanden De richtafstand geldt in eerste instantie vanaf de grens van het perceel waarop een milieubelastende bestemming c.q. functie rust tot de grens van het perceel waarop een woning (milieugevoelige bestemming) volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Wanneer deze afstand niet toereikend is, wordt gekeken naar de maximale bouwmogelijkheden. 4.7.2 Toetsing Bij het toevoegen van een milieugevoelige functie, in dit geval 39 woningen, moet gekeken worden naar de invloed van en invloed op omliggende functies. Dit gebeurt op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Hieruit blijkt dat bij woningen geen sprake is van een milieuzone ten opzichte van anderen.

De woningen zelf kunnen echter wel beïnvloed worden door milieuhinder van omliggende functies. De nabije omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woonfuncties. Echter grenst ook direct aan het plangebied een garagebedrijf (Prins Hendriklaan 32-34).

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

59

Uitsnede verbeelding onderhavig bestemmingsplan met daarop ook aangegeven het garagebedrijf (in paars)

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' is binnen deze bedrijfsbestemming slechts een garagebedrijf toegestaan. Hiervoor geldt ingevolge de VNG-publicatie een maximale richtafstand van 30 meter (milieucategorie 2). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet slechts in (gestapelde) woningen binnen de enkelbestemming 'Wonen' en het daarbinnen gelegen bouwvlak, hetgeen op een afstand van circa 35 meter van de bedrijfsbestemming is gelegen en op een afstand van circa 62 meter van de daadwerkelijke bedrijfsbebouwing. De milieugevoelige functie, in dit geval de 39 woningen, waarin onderhavig planvoornemen voorziet, valt derhalve buiten de van toepassing zijnde richtafstand. Verder liggen in de nabije omgeving van het plangebied geen noemenswaardige (milieubelastende) bedrijven c.q. functies die, mede gelet op hun aard en de afstand tot het plangebied, een belemmering vormen om voor de 39 woningen een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. 4.7.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de te realiseren woningen geen belemmerende werking hebben op de nabijgelegen bedrijven en de bedrijven geen belemmering vormen voor het waarborgen van een goed woonen leefklimaat.

60

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

4.8

Water

In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat. 4.8.1 Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Brunssum in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas (2016-2021) is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Daarnaast is het ontwerp-stroomgebiedenbeheersplan Rijn, Maas, Schelde en Eems (2022-2027) vastgesteld. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv.

Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

61

vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. 4.8.2 Regionaalen gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water.

Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebied benadering middels een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Limburgs water in een veranderend klimaat' Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld. Het betreft het centrale beleidsen uitvoeringsplan van het waterschap. In dit document wordt de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg uitgezet. Het waterschap beschrijft hierin hoe: inwoners worden beschermd tegen overstromingen vanuit de Maas; de juiste balans kan ontstaan tussen water afvoeren en water vasthouden; het water schoon wordt (gehouden) en wateren natuurlijk worden ingericht; rioolwater wordt gezuiverd en daarbij grondstoffen worden teruggewonnen en gebruikt. Gemeentelijke uitgangspunten omgang hemelwater Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden.

Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. Daarbij hanteren we onderstaande voorkeursvolgorde: hergebruiken; bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratie-voorziening; lozen naar oppervlaktewater;

62

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden.

Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging / infiltratie eis T=25 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 50 mm in 2 uur. Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. Vrijkomend vuilwater (wc's, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente. 4.8.3 Waterparagraaf Gebiedsomschrijving Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en grotendeels onverhard. Een gedeelte van het plangebied (noordelijke gedeelte) is voorzien van klinkerverharding, Het hemelwater kan hierdoor over het algemeen gemakkelijk rechtstreeks in de bodem infiltreren.

De omgeving van het plangebied betreft bestaand bebouwd gebied. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook zijn er in de nabije omgeving geen greppels en wadi's gelegen. Binnen het plangebied is geen sprake van een beschermingszone ten behoeve van water(gangen). Bodemopbouw Op de planlocatie is in 2015 een actualiserend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, kenmerk: MA150165.R01, d.d. 10 september 2015) en is vervolgens in 2016 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, kenmerk: MC150165.R01, d.d. 22 februari 2016). Beide bodemonderzoeken zijn opgenomen als Bijlage 2 en Bijlage 3. Uit deze onderzoeken blijkt dat de onverharde toplaag is opgebouwd uit sterk zandig leem danwel zwak siltig zand en bevat plaatselijk sporen (<1%) of zwakke (1-5%) bijmengingen met baksteen, beton en keramiek. De ondergrond is afwisselend opgebouwd uit sterk zandig leem danwel zwak siltig zand. Plaatselijk is sprake van een halfverharding bestaande uit menggranulaat (korrelmix). De maaiveldhoogte op de onderzoekslocatie bedraagt gemiddeld circa 71 meter +NAP. Grondwater Uit de bodemonderzoeken (zie Bijlage 2 en Bijlage 3) komt naar voren dat het grondwater binnen het plangebied zich gemiddeld op circa 6,0 m-mv bevindt. Echter is ook een lokale grondwaterstand tussen de 2,5

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

63

en 4,0 m-mv aangetroffen. De grondwaterstromingsrichting is globaal noordelijk gericht. Mogelijkheden infiltratie bodem In aanvulling op de resultaten van het bodemonderzoek is door Aelmans de waterdoorlatendheid van de ondergrond binnen het plangebied onderzocht (d.d. 18 februari 2022, kenmerk E221558.005/RKR). Dit onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Daaruit blijkt kortgezegd dat infiltratie van hemelwater binnen het plangebied niet zondermeer tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is ter hoogte van twee van de drie testen onvoldoende. Ter hoogte van de derde test was de doorlatendheid wel voldoende, maar daar bleek de grondwaterstand te hoog (binnen 0,25 meter beneden maaiveld). Naderhand zijn voor de verdere civieltechnische uitwerking van de openbare ruimte en de daarin voorziene wadi's nog infiltratieputten gegraven op de locaties van de voorziene wadi's (D en E), om zo de inzijgsnelheid te meten. De resultaten daarvan zijn door Kragten verwoord in de als Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen notitie (d.d. 13 april 2022, kenmerk BRU000-0076).

Aanduiding globale ligging wadi's

Uit de rapportage blijkt dat de inzijgsnelheid ter plaatse van de beoogde wadi's zeer laag is. De indicatieve

64

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

ledigingsduur die daaruit voortvloeit is eigenlijk te laag, maar kan worden verkort tot een acceptabele duur door de beide wadi's te verbinden door een greppel en door te voorzien in compartimentering. Zo ontstaat een groter oppervlak voor infiltratie.

Wateropgave Binnen het plangebied met een totale oppervlakte van circa 6.500 m2 wordt circa 630 m2 bebouwd en circa 1.030 m2 verhard ten behoeve van parkeren. Daarmee resteert circa 4.840 m2 voor groen, inclusief waterhuishoudkundige voorzieningen. De waterhuishoudkundige voorzieningen dienen voor wat betreft dimensionering conform het gemeentelijk beleid te worden afgestemd op een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:25 (T=25), gemiddeld klimaatscenario 2050, wat wil zeggen 50 mm, bij een buiduur van twee uur. Dat komt neer op 5 m3 per 100 m2. Uitgaande van de eerder genoemde bebouwde en verharde oppervlakte komt dat neer op 1.660 m2 / 100 * 5 = 83 m3. Gelet op de voor water gereserveerde oppervlakte kan daarin binnen het plangebied worden voorzien. Dat deze voorzieningen ook worden gerealiseerd is geborgd in de planregels (artikel 6.6). De aanleg van deze waterhuishoudkundige voorzieningen, en daarmee de opvang en infiltratie van het hemelwater, is voldoende in de planregels geborgd, waarbij de dimensionering moet worden afgestemd op een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:25 (T=25), gemiddeld klimaatscenario 2050, wat wil zeggen 50 mm, bij een buiduur van twee uur. Advies waterschap vooroverleg Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Op dat advies wordt nader ingegaan in paragraaf 7.2.

Kortgezegd volgt daaruit dat het Waterschap positief tegenover het plan staat, maar dat wel wordt geadviseerd de waterhuishoudkundige voorzieningen te dimensioneren op 80 mm (beleid waterschap) en niet op 50mm (gemeentelijk beleid). Er wordt echter vastgehouden aan het gemeentelijk beleid. Daarmee wordt - gelet op de te treffen voorzieningen onevenredige wateroverlast voorkomen. Conclusie Gezien het voorgaande is water als ontwerpprincipe meegenomen in de planvorming. De ondergrond is niet ongeschikt voor infiltratie van hemelwater, ook al zijn de gemeten inzijgsnelheden niet goed. Er is echter voldoende ruimte gereserveerd voor de daarvoor benodigde infiltratievoorzieningen, waardoor toch een acceptabele ledigingsduur kan worden bereikt. De exacte uitvoering van de voorzieningen wordt nog uitwerkt, maar in de planregels is geborgd dat de dimensies voldoen aan de nagestreefde normering (T=25, 50mm).

4.9

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming 2017 die op 1 januari 2017 in werking is getreden.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

65

4.9.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

Aanduiding ligging Natura 2000-gebieden en aanduiding ligging plangebied in rood

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Brunssummerheide en de Tevenerheide. De meest nabij gelegen gronden die onderdeel uitmaken van het NNN liggen ten oosten van de planlocatie, direct ten oosten van het voormalige ziekenhuis. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit daarom een extern effect. Externe effecten door licht, trilling en geluid als gevolg van het planvoornemen zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden Brunssummerheide (> 2 km) en Teverener Heide (> 2,8 km) en het NNN (> 500m), redelijkerwijs niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voor stikfstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Gezien het voorgaande is door middel van een berekening met de AERIUS-calculator inzichtelijk gemaakt of het plan bijdraagt in een toename van stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de

66

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

berekening volgt, dat de voorgenomen ontwikkeling in de zogenoemde gebruiksfase (na ingebruikname woningen), maar ook in de realsiatiefase (bouw- en woonrijp maken, bouw woningen) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. De Notitie beoordeling stikstof (maart 2023, kenmerk J210863) is bijgevoegd als Bijlage 10. Daaruit volgt gezien het voorgaande - dat er op dit punt geen belemmeringen zijn voor de planontwikkeling. 4.9.2 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk.

Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Binnen het plangebied zijn verschillende bomen en bossages aanwezig. Het overige gedeelte van het terrein is na de sloop van de bebouwing ten behoeve van het garagebedrijf en de (bedrijfs)woning verruigd en wordt niet intensief onderhouden. Er kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten dat zich beschermde flora en fauna binnen het plangebied bevinden. Daarom is door NIPA een quickscan flora en fauna uitgevoerd (d.d. 24 februari 2022, kenmerk N210502-2) die als Bijlage 11 bij deze toelichting is gevoegd. 4.9.3 Toetsing De onderzoekslocatie is momenteel een braak liggend terrein met een bosschage en een dik struweel. Vooral het struweel biedt mogelijke verblijfplaatsen voor de hazelworm en kleine marterachtigen en een mogelijk foerageergebied voor deze soorten en de egel en eekhoorn. Daarbij wordt de onderzoekslocatie gebruikt door konijnen en algemene vogelsoorten die hier mogelijk ook een verblijfplaats hebben. De beoogde werkzaamheden limiteren zich voornamelijk tot de grasvelden, waarbij het bestaande groen zoveel mogelijk blijft gehandhaafd en er bij het bestaande struweel wordt uitgebreid. Hierdoor worden de potentiële verblijfplaatsen voor de hazelworm, kleine marterachtigen, egel en eekhoorn niet aangetast.

Alleen voor het konijn zal het gebied ongeschikt worden aangezien door de verharding minder voedsel beschikbaar zal zijn. Het voornemen is om alle bestaande bomen te handhaven. Deze bomen kunnen nesten bevatten. De bomen die niet gehandhaafd kunnen worden dienen derhalve buiten het broedseizoen te worden gerooid. De bomen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element. Het perceel wordt bebouwd waarvoor ook infrastructuur wordt aangelegd. Hierdoor is er een verlies aan groen. Echter zullen er extra bomen en groen nabij het huidige struweel worden aangeplant. Hierdoor ontstaan meer voedselbronnen voor algemene vogelsoorten maar ook nestmogelijkheden voor vogels, vleermuizen en andere soorten. 4.9.4 Conclusie Gezien het voorgaande zijn er daarom - gelet op de conclusies van de quickscan flora en fauna - geen negatieve gevolgen te verwachten voor beschermde soorten, hun verblijfplaatsen of hun (essentiële) foerageergebieden en zijn er om die reden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wel is het daarbij zaak bij de inrichting van het groen het aanwezige struweel niet wordt aangetast, als ook is beoogd.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

67

4.10

Archeologie

4.10.1 Wettelijk kader Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie. Om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren.

Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart

De gemeente Brunssum beschikt over een archeologische beleidskaart waarin voor het hele grondgebied de archeologische verwachtingswaarden (indicatief) in beeld zijn gebracht. Per categorie wordt een drempel gehanteerd in de vorm van een minimale diepte en oppervlakte van bodemingrepen. Onderzoek is slechts aan de orde wanneer beide drempels worden overschreden. Tenzij sprake is van een wettelijk beschermd monument (categorie 1) is slechts onderzoek nodig wanneer de diepte van de bodemingreep meer dan 40 centimeter beneden maaiveld bedraagt. Voor de oppervlakte geldt een gedifferentieerde regeling. Voor onderhavig plangebied (terrein van zeer hoge waarde) geldt een minimale oppervlakte van 100 m2 . Dat betekent dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 in beginsel archeologisch onderzoek nodig is, waarbij vooraf advies wordt ingewonnen bij de regio-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Aangezien de oppervlakte van de voor het planvoornemen benodigde bodemingrepen een grotere oppervlakte beslaan dan 100 m2 is in beginsel archeologisch onderzoek nodig. Echter, in het verleden is de bodem op

68

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

dusdanige wijze verstoord dat geen archeologische waarden (meer) zijn te verwachten of kunnen worden geschaad. In het plangebied is namelijk in het verleden al de nodige bebouwing aanwezig geweest (zie ook paragraaf 2.2). Zo heeft in het noordelijke gedeelte van het plangebied het tankstation 'Heijenrath' gestaan, waarna het tankstation ter plaatse is vervangen door een garagebedrijf met bijbehorende (bedrijfs)woning. Deze bebouwing is inmiddels ook gesloopt. De locatie van deze bebouwing valt samen met de footprint van de beoogde nieuwe bebouwing. In het zuidelijke gedeelte van het plangebied hebben woningen gestaan met bijgebouwen gestaan, welke ergens tussen 1999 en 2005 zijn gesloopt. In navolgende afbeelding is dit geïllustreerd. Gezien het voorgaande en navolgende afbeelding mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de locaties waarop bodemingrepen nodig zijn voor onderhavig planvoornemen (bouw woningen en aanleg infra) de bodem in het verleden zodanig is verstoord dat hier geen archeologische waarden meer te verwachten zijn.

Aanduiding situering voormalige en beoogde bebouwing plangebied

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

69

4.11

Cultuurhistorie

4.11.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) te worden voorzien in een beschrijving van de (eventueel) in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de wijze waarop daarmee rekening wordt gehouden in het plan. 4.11.2 Toetsing Voor onderhavig plangebied is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Limburg geraadpleegd. Op die kaart zijn ten aanzien van de historische geografie de cultuurhistorische elementen en het cultuurlandschap weergegeven. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar sprake is van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook worden er geen historische patronen of elementen verstoord door het planvoornemen. Met het planvoornemen komen derhalve geen cultuurhistorische waarden in het gedrang. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.11.3 Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het planvoornemen.

4.12

Windhinder

4.12.1 Theoretisch kader Het is algemeen bekend dat wind de nodige hinder kan opleveren en zelfs gevaarlijk kan zijn. Dit kan het geval zijn bij bepaalde (buiten)activiteiten zoals fietsen en wandelen, maar ook bij verblijf c.q. bewoning in hoge gebouwen. Des te meer als dergelijke gebouwen voorzien zijn van een balkon, dakterras of andere buitenruimte zonder beschutting of overkapping. Bij hoogbouw kan wind dus het verblijf in (de directe omgeving van) deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. Ten aanzien van windhinder en -gevaar voor hoogbouw kent de Nederlandse wet- en regelgeving geen concrete bepalingen. Dit betekent niet dat in een bestemmingsplan hiermee geen rekening hoeft te worden gehouden. De juridische grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder is gebaseerd op 'een goede ruimtelijke ordening' als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan het dus van belang zijn om te onderzoeken of het aspect windhinder voor de beoogde ontwikkeling geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat oplevert. Sinds 2006 bestaat de beoordelingsmethode NEN 8100, waarmee de mate van windhinder (en -gevaar) beoordeeld kan worden. Hierbij wordt gelet op de uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar.

In een tabel is daarbij voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Tevens geeft de NEN 8100 een beslismodel waarmee kan worden nagegaan of een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: Gebouw hoger dan 30 meter = windonderzoek nodig. Beschut gelegen gebouw, hoogte 15 tot 30 meter = nader te bepalen of windonderzoek nodig is.* Onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter = nader te bepalen of windonderzoek nodig is.* * Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals aanwezigheid van omliggende bebouwing, locatie van het betreffende gebouw, bouwhoogte en bouwmassa.

70

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

4.12.2 Toetsing Voorliggend planvoornemen voorziet in de realisatie van een appartementencomplex van maximaal 8 bouwlagen (en voor een gedeelte maximaal 5 bouwlagen). Ingevolge de planregels bedraagt een bouwlaag een maximale hoogte van 3,2 meter, met uitzondering van de eerste en de bovenste bouwlaag, waarvan de hoogte maximaal 3.5 meer mag bedragen. Dit betekent dat het appartementencomplex ingevolge de regels van voorliggend bestemmingsplan niet hoger dan 26,2 meter ((6 bouwlagen x 3,2 meter)+(2 bouwlagen x 3.5 meter) = 26,2 meter) mag worden gebouwd, gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld. Derhalve wordt een onderzoek naar windhinder en -gevaar op basis van de beoordelingsmethode NEN 8100 niet direct noodzakelijk geacht. Het kan echter voorkomen dat gelet op bijzondere omstandigheden toch een onderzoek naar windhinder noodzakelijk is. In onderhavig geval is het appartementencomplex omgeven door bebouwing aan de Dorpstraat, Prins Hendriklaan en Grachtstraat. De grondgebonden woningen aan de Prins Hendriklaan beschikken over 2 lagen en zijn afgedekt met een kap. De woningen aan de Dorpstraat en Grachtstraat betreffen veelal gestapelde woningen bestaande uit 2 tot 5 lagen. Er is geen sprake van grote open vlakten of juist een concentratie van hoogbouw met beperkte omringende openbare ruimte.

In onderhavig geval doen zich niet dusdanig bijzondere omstandigheden voor, waardoor een windonderzoek alsnog noodzakelijk wordt geacht. Gelet op de omliggende bestaande bebouwing en de maximale bouwhoogte van het appartementencomplex is voor wat betreft (mogelijke) windhinder dus geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.12.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat in voorliggend bestemmingsplan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende is gewaarborgd, en dat het aspect windhinder geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen.

4.13

Bezonning

4.13.1 Theoretisch kader Als we bij ruimtelijke plannen over bezonning spreken, gaat het om de vraag of sprake is van voldoende zon op de gevel van bijvoorbeeld woningen en om schaduwwerking van nieuwe bebouwing. Een gebouw c.q. bouwmassa kan schaduw veroorzaken op buitenruimtes van nabijgelegen woningen, zoals tuinen, balkons en dakterassen. Deze buitenruimtes hebben juist een goede bezonning nodig. Beperking van de nodige zonuren kan een nadelig effect hebben op het woongenot van omwonenden. Het is dus van belang dat voorkomen wordt dat de schaduw als gevolg nieuwbouw in onaanvaardbare mate toeneemt voor nabij gelegen woningen. Voor wat betreft het aspect bezonning kent de Nederlandse wet- en regelgeving echter geen concrete bepalingen, maar het is wel relevant in het kader van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten beschikken over de ruimte om eigen beleid op te stellen ten aanzien van het aspect bezonning. De gemeente Brunssum beschikt niet over dergelijk beleid, waardoor aansluiting wordt gezocht bij de TNO-norm, die een 'lichte' en een 'strenge' norm kent: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam.

De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

71

4.13.2 Toetsing Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een appartementencomplex op een centraal gelegen locatie binnen het plangebied. Binnen de rest van het plangebied is geen noemenswaardig (hoge) bebouwing voorzien. Op basis van het planvoornemen is door de architect een bezonningsstudie uitgevoerd, waarbij voor vier data (21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december) de situatie in beeld is gebracht voor 8 verschillende tijdstippen op de dag, tussen 8:00 en 22:00 uur. Daaruit volgt dat de bebouwing ten westen van het plangebied alleen in de vroege ochtend enige tijd schaduwwerking zal ondervinden van de nieuwe bebouwing (8:00 en 10:00 uur) en bovendien ook niet het gehele jaar, omdat in de winterperiode de zon later opkomt. Voor de woningen aan de Prins Hendriklaan, ten oosten van het beoogde nieuwe woongebouw geldt dat de schaduwwerking zeer beperkt is. Enkel in de namiddag (na 16:00 uur) is sprake van enige schaduwwerking en dan nog alleen in het voorjaar (maart) en najaar (september). Niet in ze zomer en in de winter is het dan de schemer al ingevallen. Gelet op het voorgaande en de studie, die als Bijlage 12 bij deze toelichting is gevoegd, blijkt dat voor alle omliggende woningen kan voldaan aan de TNO-normen. Ook leidt het planvoornemen gezien de resultaten van de studie niet tot onacceptabele schaduwwerking.

4.13.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bezonning voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen oplevert en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

72

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2

Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.2.2

Planonderdelen

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het geldende aangrenzende bestemmingsplan. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

73

5.3

Toelichting op de planregels

5.3.1 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken. 5.3.2 Regels De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel.

Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels.

Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk ‘Afwijken van de bouwregels’ en ‘Afwijken van de gebruiksregels’. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een

74

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje ‘Wijzigingsbevoegdheid’. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.

5.4

Artikelsgewijze toelichting

Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen (dubbel)bestemmingen afzonderlijk opgenomen. Daarbij wordt ingegaan op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de desbetreffende bestemming. 5.4.1 Bestemming Groen Het overige deel van de gronden binnen het plangebied beschikt over de bestemming 'Groen'. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, beplanting en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Hiermee is juridisch-planologisch voorzien in de aanleg van water- en groenvoorzieningen. Daaraan ondergeschikt zijn de gronden ook bestemd voor nutsvoorzieningen en bluswatervoorzieningen. Ook de parkeerplaats is opgenomen binnen de bestemming Groen, gekoppeld aan een aanduiding, gelet op de beoogde groene inpassing. 5.4.2 Bestemming Wonen Op de gronden die beschikken over de bestemming 'Wonen' is het appartementencomplex voorzien. Het bestemmings- en bouwvlak sluiten aan op de beoogde woningbouw en de omringende en daartoe behorende ruimte. De planregels bevatten daarnaast voldoende stedenbouwkundige randvoorwaarden om een goede inpassing van de ontwikkeling in de omgeving te kunnen borgen. Zo is bepaald dat enkel gestapelde woningen ter plaatse zijn toegestaan. Daarnaast gelden er een aantal bouwaanduidingen, zoals een maximum toegelaten aantal wooneenheden en een maximum toegelaten aantal bouwlagen.

Het appartementencomplex dient te worden afgedekt met een plat dak. Binnen de bestemming Wonen zijn verder ook paden en verhardingen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. 5.4.3 Gebiedsaanduidingluchtvaartverkeerszone - 180/190/200/210 m Gezien de ligging van het plangebied binnen het obstakelbeheergebied van NAVO-vliegbasis 'Geilenkirchen' (zie paragraaf 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) worden regels gesteld aan de maximale hoogte van objecten binnen dit gebied.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

75

76

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Inleiding

In het kader van de goede ruimtelijke ordening en gezien het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient in een bestemmingsplantoelichting de uitvoerbaarheid van het betreffende planvoornemen te worden verantwoord, zowel in financieel-economisch opzicht als in maatschappelijk opzicht. In navolgende paragrafen wordt op deze uitvoerbaarheidsaspecten ingegaan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Bij de onderbouwing van de financieel-economische uitvoerbaarheid zijn twee aspecten van belang. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of en zo ja, welke kosten aan het planvoornemen zijn verbonden voor de gemeente en tevens dient te worden aangetoond dat het planvoornemen zodanig realistisch is dat het daadwerkelijk kan worden gerealiseerd binnen de planperiode van het bestemmingsplan. De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. 2. 3.

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is, en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is.

Het planvoornemen is aan te merken als een bouwplan als bedoeld in 6.2.1 Bro, waardoor kostenverhaal aan de orde is. Het plangebied is in eigendom van de gemeente Brunssum. Een fasering zoals in punt 2 en de regels onder 3 worden niet noodzakelijk geacht. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd, door een anterieure overeenkomst te sluiten met Wonen Limburg en de exploitatiekosten te verdisconteren in de verkoopprijs. Gezien het voorgaande kan dus worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Algemeen Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 39 woningen. Hiermee wordt zowel kwantitatief als kwalitatief voorzien in de huidige woningbehoefte en sluit de invulling aan bij de sinds 2008 (Masterplan) hier beoogde invulling. Het plan wordt gerealiseerd in een gebied met overwegend een woonfunctie en uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat het plan ter plaatse goed inpasbaar is. Ook is van belang dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan c.q. de ruimtelijke impact daarvan afnemen. Bovendien wordt binnen het plan voorzien in een hoogwaardige groene en klimaatbestendige invulling. Daarmee wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. Door vroegtijdig het gesprek aan te gaan met de omgeving (zie hierna) en gezien de waarborgen die de wettelijk voorgeschreven procedure biedt (o.a. mogelijkheid tot het kenbaar maken van een zienswijze en het instellen van beroep) wordt ook voorzien in een zorgvuldig proces.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

77

6.3.2 Inloopbijeenkomst 28 april 2022 Op basis van de beoogde stedenbouwkundige invulling heeft op 28 april 2022 een inloopbijeenkomst georganiseerd in de Brikke Aove, waarvoor omwonenden vooraf zijn uitgenodigd. Tijdens de inloopbijeenkomst lagen lagen impressies van de stedenbouwkundige invulling ter inzage en konden vragen worden gesteld of opmerkingen kenbaar worden gemaakt. Hierna worden de voornaamste c.q. meest gehoorde vragen en opmerkingen kort samengevat en van commentaar voorzien. Geen hoogbouw Een gedurende de avond veel gemaakte opmerking is het feit dat er geen bezwaren zijn tegen een invulling van de locatie met woningbouw, maar dat men zich niet kan vinden tegen de beoogde hoogbouw van 8 bouwlagen. Regelmatig werd daarbij verwezen naar eerdere plannen onder de noemer 'Poort van Brunssum', waarin niet zou zijn voorzien in hoogbouw. Zoals echter reeds is verwoord in paragraaf 3.5.2 van deze toelichting, is al in het Masterplan uit 2008 beschreven dat hoogbouw wordt de beoogd om de splitsing tussen de Prins Hendriklaan en de Dorpstraat te accentueren en de entree van het centrum te markeren.

Ten opzichte van de verkenning die in het Masterplan is opgenomen schuift de bouwmassa iets op richting het zuiden en is het voorliggende bouwplan met 8 bouwlagen iets hoger dan de in het Masterplan benoemde circa 7 bouwlagen, maar staat daar tegenover dat voor het overige de bouwmassa fors afneemt door het vervallen van de vleugels, de stadswoningen en de overige grondgebonden woningen. Daarmee ontstaat verder ruimte voor een betere groene, klimaatbestendige openbare ruimte. Gelet op de conclusies in deze toelichting is geen aanleiding aan te nemen dat dit een onaanvaardbare (negatieve) impact heeft op de omliggende woningen. Er wordt juist voorzien in een nieuwe, kwalitatief goede invulling voor een deels in onbruik geraakt perceel, waarvoor in de huidige situatie nog ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden gelden die juist wel een (negatieve) impact kunnen hebben op de omgeving. Inkijk,schaduw en beperking lichtinval Gevreesd wordt voor inkijk in de bestaande woningen en vanuit de nieuwe woningen. Ook wordt gevreesd voor onacceptabele schaduwwerking, vermindering van de lichtinval en de daarmee samenhangende verminderde opbrengst van zonnepanelen. Mede naar aanleiding van deze opmerkingen is een bezonningsstudie uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in Bijlage 12 bij deze toelichting en die zijn beschreven in paragraaf 4.13 van deze toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=281711a7-c8ec-442f-bdbb-fae30fc227ed