CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 25 (bijlage) WBO Entree Dorpstraat_vastgesteld_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 12 juni 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Entree Dorpstraat; Gemeenteblad 2023/2527.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De transformatieopgave die per gemeente tweejaarlijks wordt vastgesteld, is een koersbepalende opgave voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en is beleidsneutraal. Het betreft daarmee geen afdwingbare bouw- of sloopopgave. Aan de structuurvisie liggen drie onderzoeken ten grondslag. Het betreft de onderzoeken 'Woonmilieus in Zuid-Limburg' (Companen), 'Woonmilieu Zuid-Limburg fase 2' (Atrivé) en het 'Regionaal afwegingskader wonen Maastricht-Heuvelland' (Stec-groep). De onderzoeken hebben geleid tot de volgende algemene inzichten: Woonmilieus: Er zijn drie milieus in deze woonregio: stedelijk, suburbaan en landelijk: stedelijk milieu: meer vraag dan aanbod, opletten voor gevolgen rest van de gemeente/regio; suburbaan milieu: meer aanbod dan vraag, sterk verdunnen (met name in de particuliere voorraad), inzetten op kwaliteit en transformatie; landelijk milieu: in evenwicht, maar leegstand op de loer, inzetten op verbetering/vernieuwing. Kansen:

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

33

Kansen liggen in goedkope huur (onder liberalisatiegrens) en middeldure huur (€ 700 - € 900); kansen in extramuralisering/wonen met zorg (met name bestaand vastgoed interessant); kansen voor bijzondere exclusieve woonvormen, zoals wonen op het water, collectief particulier opdrachtgeverschap en wonen in een kerk of kasteel. Het risico op ontwrichting van de reguliere woningmarkt is hier relatief klein); kansen in studentenhuisvesting. Afspraken: In de regio zijn de volgende afspraken gemaakt: Schrappen van programma dat geen toegevoegde waarde meer heeft; transformatieopgave tweejaarlijks vaststellen per gemeente; herinvulling waardevol bestaand vastgoed (zoals monumenten) heeft prioriteit; compensatie verplicht bij nieuwe initiatieven (in deze volgorde): 1. slopen; 2. financiële compensatieregeling; 3. gemeente neemt sloopverplichting over en voert deze uit binnen de raadstermijn; 4. schrappen bestaande plancapaciteit: 1 nieuwe woning tegen 4 bestaande woningen (bij monumenten 1 op 1). Met het planvoornemen worden maximaal 39 woningen in de vorm van een appartementencomplex gerealiseerd in het bestaand bebouwd gebied in een stedelijk milieu. Deze woningen worden in opdracht van Wonen Limburg gebouwd en vervolgens verhuurd. Het betreffen huurwoningen in het segment 'sociale huur' (huurprijs rond de hoge aftoppingsgrens).

Zoals uit de onderbouwing als opgenomen in paragraaf 3.2.3 blijkt, wordt met het planvoornemen zowel kwalitatief en kwantitatief voorzien in de behoefte en heeft de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering van Parkstad Limburg (subregio als bedoeld in de SVREZL) ook ingestemd met de aanpassing van de woningaantallen die voor dit plan zijn opgenomen in de (sub)regionale woningmarktprogrammering van 32 naar 39. Daarmee wordt voldaan aan de beleidsafspraken die zijn gemaakt de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De toename van woningen dient echter ingevolge de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in beginsel te worden gecompenseerd conform de daarin beschreven compensatiesystematiek. Op dit punt is echter van belang dat op 19 januari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is vastgesteld door de gemeenteraad van Brunssum, net als door de gemeenteraden van de overige Zuid-Limburgse gemeenten. Zoals echter in navolgende paragraaf 3.4.3 wordt toegelicht, wordt voldaan aan deze beleidsregel, waardoor geen compensatie aan de orde is voor dit plan. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, door te voorzien in kwalitatief hoogwaardige en betaalbare sociale huurwoningen binnen het stedelijk milieu. Hiermee wordt voorzien in de juiste woningen op de juiste plek.

Wel dient in verband met de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in beginsel compensatie van het aantal toe te voegen woningen plaats te vinden. Zoals echter hierna uit paragraaf 3.4.3 volgt, wordt voldaan aan de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021', waardoor compensatie voor dit plan niet aan de orde is. 3.4.3 Beleidsregel ruim baan voor goede woningbouwplannen2021 De nieuwe beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is voor de gemeente Brunssum op 19 januari 2021 vastgesteld. Op grond van deze nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden

34

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

gecompenseerd (door middel van sloop of een financiële bijdrage). Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde; Het plan is planologisch aanvaardbaar; Het plan is (sub)regionaal afgestemd. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Voor dit criterium geldt als ruimtelijk uitgangspunt dat een inbreiding boven een uitbreiding gaat. Daarnaast beschikt een plan over een maatschappelijke meerwaarde, als het plan bijvoorbeeld aantoonbaar bijdraagt aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, wanneer sprake is van herstructurering of vervangingsbouw, of als bestaand waardevol vastgoed wordt hergebruikt middels passende woningbouw. Verder is het van belang dat een plan voorziet in de lokale woonbehoefte. Met onderhavig planvoornemen worden maximaal 39 woningen gerealiseerd op een inbreidingslocatie binnen het bestaand bebouwd gebied. Deze woningen dienen ter invulling van een braakliggend terrein, waar voorheen bebouwing aanwezig was ten behoeve van een garagebedrijf en (bedrijfs)woning. Middels herstructurering wordt ter plaatse opnieuw invulling gegeven aan een loze ruimte, hetgeen een positieve bijdrage oplevert voor de leefbaarheid in de kern Brunssum.

Daarnaast geldt dat het appartementencomplex nabij het centrumgebied van Brunssum is gelegen, waardoor de benodigde voorzieningen dicht in de buurt zijn. Door met het planvoornemen te voorzien in (gestapelde) huurwoningen in het segment 'sociale huur' (met een huurprijs rond de hoge aftoppingsgrens) wordt tevens tegemoetgekomen aan de lokale woningbehoefte (zie in dit verband ook paragraaf 3.2.3). Het plan geeft daarmee een maatschappelijke meerwaarde. Het plan is planologisch aanvaardbaar In dit verband dient het plan te voldoen aan de systematiek van de 'Ladder van duurzame verstedelijking' (zie paragraaf 3.2.3). Dit betekent dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering bevat waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Zoals reeds aangegeven in paragraaf 3.2.4 kan onderhavig planvoornemen worden aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', omdat met dit plan het minimale aantal woningen dat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijk ontwikkeling te worden gekwalificeerd, namelijk 12 woningen, wordt overschreden.

Met de realisatie van de 39 woningen is derhalve sprake van het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Dit betekent dat moet worden voorzien in een motivering aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking, waarin is voorzien in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Daaruit volgt kort gezegd dat met onderhavig planvoornemen invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte. Ook voor het overige blijkt uit deze toelichting dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening en dat het plan daarmee planologisch aanvaardbaar is. Het plan is (sub)regionaal afgestemd Tenslotte geldt als derde criterium dat een (sub)regionale afstemming dient plaats te vinden waarmee het plan aan de Regionale Woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Ook daaraan wordt voldaan nu de Bestuurscommissie Wonen & Herstructurering heeft ingestemd met het ophogen van het aantal woningen voor dit plan in de Regionale Woningmarktprogrammering. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavig planvoornemen voldoet aan de voornoemde drie criteria: maatschappelijke meerwaarde, planologisch aanvaardbaar en (sub)regionale afstemming. Derhalve valt onderhavig planvoornemen aan te merken als een 'goed woningbouwplan', waardoor op basis van de (nieuwe) beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' geen compensatieplicht (door

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

35

middel van sloop of een financiële bijdrage) geldt. 3.4.4 Regionaalwoonbeleid In de loop der jaren heeft de regio Parkstad, waaronder dus ook de gemeente Brunssum, het nodige regionale woonbeleid vastgesteld. Zo heeft in december 2009 Parkstadbestuur de "Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad Parkstad Limburg 2008-2020" vastgesteld, die in januari 2010 door de raden van de Parkstadgemeenten is bekrachtigd. De Herstructureringsvisie geeft inzicht in de gebieden waar in Parkstad Limburg transformatie van de woningvoorraad nodig is, in het licht van de teruglopende en veranderende woningbehoefte, om te komen tot een duurzame ruimtelijke structuur. Per gemeente en voor geheel Parkstad is de transformatie-opgave geformuleerd in de vorm van een ‘envelop’. Deze enveloppen bestaan uit een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatieopgave (onttrekkingen ten gevolge van bevolkingsdaling en bouwplannen en vervangingsopgave), zodat de partners gestimuleerd worden om afwegingen te maken. Van belang is dus dat volgens de Herstructureringsvisie een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden bij het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Voor een meer actueel beeld van het bestendig regionaal woonbeleid is echter de 'Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg' vooral van belang.

Vanuit het gestelde kader in de regionale woonstrategie wordt door de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering de regionale woningmarktprogrammering vastgesteld voor een bepaalde periode. Deze programmering wordt periodiek geactualiseerd. Met deze regionale woningmarktprogrammering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwaliteit aan kwantiteit en is daarmee een belangrijk instrument voor de regiogemeenten. De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee beogen we van de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken. In de regionale woningmarktprogrammering is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe projecten. In beide gevallen geldt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve toetsing plaats heeft gevonden. De kwantitatieve toets is voor beiden gelijk, de kwalitatieve toets verschilt. De bestaande projecten zijn vanuit een markttechnisch perspectief getoetst op de locatie van het woningbouwproject en de productmarktcombinatie.

Dit heeft erin geresulteerd dat de bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën: Categorie 1: herstructureringsprojecten Categorie 2: goede projecten. Categorie 3: de juiste plek verdient de juiste woning. Categorie 4: toevoegen, maar tegelijk slopen is essentieel Categorie 5: te veel concurrentie Categorie 0: éénpitters Bij de vraag of een nieuw initiatief kan worden opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering, wordt getoetst aan de transformatieopgave voor het betreffende woongebied waarin dat plan is gelegen. Een nieuw initiatief kan worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering, indien het aantal toe te voegen woningen kleiner dan of gelijk is aan nul (bijvoorbeeld bij een herstructureringsgebied met sloop en vervangende nieuwbouw) óf indien het een project betreft in een woongebied met een verdichtingsopgave met woningen waarin de programmering nog niet voorziet. Voor onderhavig plangebied worden maximaal 39 woningen voorzien op een locatie gelegen in het bestaand

36

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

bebouwd gebied van de gemeente Brunssum. Deze locatie is vrijgekomen nadat de in het verleden aanwezige bebouwing ten behoeve van een garagebedrijf en (bedrijfs)woning is gesloopt. Momenteel ligt het terrein al enige tijd braak. Het woningbouwproject valt hiermee in categorie 1: herstructureringsprojecten. Daarnaast is voor het plangebied in de Regionale Woningmarktprogrammering de nieuwbouw van 32 woningen reeds opgenomen, waarover ook regionale afstemming heeft plaatsgevonden. Door met onderhavig planvoornemen te voorzien in de realisatie van 39 appartementen én voor verhuur aan te bieden binnen het segment 'sociale huur' (huurprijs is rond de hoge aftoppingsgrens) wordt op gerichte wijze tegemoet gekomen aan de concrete lokale woningbehoefte binnen de gemeente Brunssum. Dat op onderhavige locatie, een inbreidingslocaties binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Brunssum, behoefte bestaat aan sociale huurwoningen blijkt uit de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg en de woningbehoefteonderzoeken die daaraan ten grondslag liggen. Met het planvoornemen wordt dus voorzien in de juiste woningen op de juiste plek, en is derhalve passend binnen de beleidskaders van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

Daarnaast wordt duurzaam omgegaan met de beschikbare ruimte binnen het grondgebied van de gemeente Brunssum, door juist op deze locatie (en niet bijvoorbeeld een locatie in het buitengebied) woningbouw mogelijk te maken. Zoals reeds aangegeven is in de Regionale Woningmarktprogrammering de nieuwbouw van 32 woningen voor deze locatie opgenomen, waarover ook regionale afstemming heeft plaatsgevonden. Bij de periodieke actualisatie van de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg is het aantal te bouwen woningen voor onderhavige locatie recentelijk opgehoogd naar 39 woningen. Conclusie Het planvoornemen past binnen de beleidsmatige uitgangspunten van de Herstructureringsvisie en binnen de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg, na besluitvorming op de aanpassing van het aantal woningen dat daarin is opgenomen voor onderhavig planvoornemen.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Brunssum In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen, wijkvoorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden. In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is. De Structuurvisie is voorts opgebouwd uit de 5 thema's: Wonen, Werken, Voorzieningen, Recreatie/natuur/milieu en Verkeer. Hiervan is het thema 'Wonen' van belang voor de ontwikkelingen in het plangebied. De beleidsambities zijn met name gericht op het behouden en versterken van de gemeente als onderscheidende, kwalitatief goede woonplek.

Brunssum moet ook in 2025, mede in het licht van de veranderende demografische omstandigheden, niet alleen een aantrekkende woongemeente zijn, maar ook een gemeente waar goed geleefd kan worden. Ontwikkelingen binnen de woningvoorraad, de werkgelegenheid, de voorzieningen, de sociaal-maatschappelijke structuur, de ruimtelijke structuur, de recreatie en het verkeer dienen met elkaar bij te dragen aan het bereiken van het noodzakelijke en toekomstbestendige woon- en

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

37

leefklimaat. Het planvoornemen draagt bij aan de leefbaarheid binnen de gemeente Brunssum. Met het beoogde plan wordt immers, naast de geplande woningbouw, ook voorzien in een ruime hoeveelheid groenvoorzieningen. Tevens sluit de te realiseren infrastructuur zorgvuldig aan op de bestaande ruimtelijke structuur van de directe omgeving van het plangebied. Door op voornoemde wijze opnieuw invulling te geven aan een nu nog braakliggend terrein wordt een positieve bijdrage geleverd aan de ruimtelijke structuur ter plaatse. Daarnaast wordt met de realisatie van sociale huurwoningen die geschikt zijn voor met name senioren tegemoet gekomen aan de lokale woningbehoefte, waardoor het planvoornemen ook een positieve effect heeft op de sociaal-maatschappelijke structuur en woningvoorraad. Het plangebied is overigens in de Structuurvisie Brunssum 2025 aangewezen als verplichte locatie voor de ontwikkeling van woningbouw. Derhalve wordt met onderhavig planvoornemen voldaan aan deze verplichting uit de Structuurvisie Brunssum 2025. Conclusie De Structuurvisie Brunssum 2025 levert geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen, integendeel zelfs, het planvoornemen draagt op een positieve wijze bij aan de uitgangspunten en beleidsambities zoals genoemd in de Structuurvisie Brunssum 2025.

3.5.2 Masterplan Brunssum Centrum De gemeente Brunssum heeft in 2008 het masterplan Brunssum Centrum vastgesteld. Hierin is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie neergelegd voor het centrum van Brunssum. Het doel van het masterplan 'Bruisend Brunssum' is om door middel van herstructurering en herontwikkeling tot een opwaardering van het centrum te komen. Het masterplan kent 12 deelgebieden waar ontwikkelingen zijn voorzien. Elk gebied is herkenbaar door de functie die ze omvat in combinatie met een karakteristieke ruimtelijke structuur. De voor dit plan relevante uitgangspunten van het masterplan zijn: accent op huisvesting van senioren met bijbehorende zorgvoorzieningen (zorgappartementen), maar ook op goedkope huur- c.q. koopwoningen voor starters/jongeren om levendigheid in centrumvoorzieningen te behouden; minder het accent op gezinnen met kinderen; mix in prijsklassen nastreven: voor het aantrekken van starters/jongeren vooral goedkope koopwoningen toevoegen en gemiddelde/goedkope huurwoningen.

38

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Deelgebieden uit het masterplan Brunssum Centrum

De locatie entree Dorpstraat wordt expliciet genoemd in het masterplan Brunssum Centrum als deelgebied 2 en daarover is in de masterplan opgenomen dat het wenselijk is de splitsing van de Prins Hendriklaan en Dorpsstraat te accentueren en daarbij te benadrukken dat sprake is van een toegang tot het centrumgebied. Daarbij werd gedacht aan het realiseren van een appartementencomplex van circa 7 bouwlagen en twee vleugels van vier bouwlagen hoog: één langs de Dorpstraat en één langs de Prinks Hendriklaan. Verderop langs de Dorpstraat werd een complex met stadswoningen voorzien, bestaande uit drie bouwlagen en tot slot een cluster van enkele twee-onder-éénkapwoningen of geschakelde woningen.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

39

Impressie beoogde invulling locatie als opgenomen in het Masterplan uit 2008

40

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Impressies beoogde invulling locatie als opgenomen in het Masterplan uit 2008

In het geldende bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' is naar aanleiding van het masterplan al een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het realiseren van maximaal 32 gestapelde en grondgebonden woningen, met bijbehorende voorzieningen. Onderhavig plan heeft betrekking op 7 extra woningen (39 in totaal) dan voorzien in het geldende bestemmingsplan. Als beoogd in het masterplan wordt daarbij ook voorzien in een accentuering van de splitsing en een landmark dat de entree van het centrum markeert. Daarbij wordt voorzien in één extra bouwlaag (8 in plaats van 7) en het gebouw wordt in verband met belemmeringen als gevolg van enkele leidingen (riool en gas) in zuidelijke richting verschoven, zonder afbreuk te doen aan hetgeen met het masterplan is beoogd (accent, markeren entree centrum). Het plan wordt daarbij veel minder massaal, aangezien de aanvankelijk beoogde vleugels, de stadswoningen en overige voorziene grondgebonden woningen niet (meer) worden gerealiseerd. Dat biedt meer ruimte voor een kwalitatief en kwantitatief goede invulling van de openbare ruimte met veel groen en waterhuishoudkundige voorzieningen. En hoewel de bouwmassa fors minder wordt, kan binnen de beoogde nieuwe bebouwing wel worden voorzien in het beoogde programma van meer woningen dan aanvankelijk beoogd (32 ipv 39).

Daarnaast voorziet onderhavig planvoornemen in de realisatie van maximaal 39 woningen in de vorm een appartementencomplex. Het betreffen huurwoningen in het segment 'sociale huur'. Hiermee wordt in lijn met het masterplan Brunssum Centrum voorzien in betaalbare huurwoningen. Conclusie

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

41

Onderhavig planvoornemen sluit goed aan bij het masterplan Brunssum Centrum, daar de planlocatie expliciet in het masterplan is aangewezen als deelgebied waar ontwikkelingen zijn voorzien en het plan aansluit op de uitgangspunten van het masterplan. Daarbij is minder bouwmassa nodig, waardoor bovendien kan worden voorzien in een kwalitatief betere en groene invulling van de openbare ruimte. 3.5.3 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg, onderdeel gemeente Brunssum De Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021, onderdeel gemeente Brunssum is op 28 juni 2017 vastgesteld en vormt het kader voor het woonbeleid op het regionale niveau voor de Stadsregio Parkstad Limburg en op het lokale niveau voor de gemeente Brunssum. De woonvisie is het integrale beleidsdocument waarin wordt aangegeven hoe de regio en de gemeente samen met de op de woningmarkt actief zijnde partijen, de opgaven op de totale woningmarkt gaan aanpakken. Volgens de vastgestelde kwantitatieve transformatieopgave (2014-2020/2030) zal er - bij ongewijzigde omstandigheden - in 2030 in Brunssum een overschot zijn van circa 600 woningen. Naast een afnemende kwantitatieve behoefte is er ook sprake van een kwalitatieve verschuiving van de vraag. Het aantal senioren neemt toe, terwijl het aantal jongeren afneemt.

Deze vraag splitst zich op in de volgende 3 behoeften: Meer levensloopgeschikte woningen: De vraag naar levensloopgeschikte woningen neemt toe, met name in de huur. Anderzijds neemt de vraag naar koopwoningen in het goedkoopste segment af. In een ontspannende woningmarkt als in Parkstad Limburg is dit het segment waar vraaguitval zich het eerst manifesteert. Meer comfortabele woonruimte: Door meer kleinere huishoudens als gevolg van de vergrijzing groeit de vraag naar ‘comfortabele’ woonruimte. De grondgebonden woning blijkt daarbij het meest gewild in Zuid-Limburg; ook in de vorm van levensloopgeschikte woningen. Met name kleinere eengezinshuurwoningen en huurappartementen, en kleine eengezinskoopwoningen zijn minder in trek. Meer goedkope huurwoningen: Gelet op het passend toewijzen ligt de behoefte in het sociale segment vooral bij woningen die beschikbaar en betaalbaar zijn voor de huurtoeslagdoelgroep. Zij zijn aangewezen op huurwoningen tot de aftoppingsgrenzen. Voor dit plan is van belang dat wordt voorzien in betaalbare sociale huurwoningen, in een appartementencomplex met lift, waardoor wordt voorzien in 'goedkope' huurwoningen, die bovendien levensloopgeschikt zijn.

Daarmee wordt voorzien in woningen die kwantitatief en kwalitatief aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van woningzoekenden, zoals gemotiveerd aan de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Onderhavig planvoornemen past daarmee goed binnen de actuele regionale en gemeentelijke woonvisie.

42

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In een bestemmingsplan dient aandacht te worden besteed aan eventuele omgevingsaspecten die een rol kunnen spelen. Milieu-aspecten zoals bodem- en grondwaterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidshinder, geurhinder, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid dienen te worden besproken, maar ook wateraspecten, archeologie en cultuurhistorie en flora en fauna. In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten en het milieubeleid kort behandeld in relatie tot het planvoornemen die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor deze ontwikkeling, van belang zijn.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof betreffende de toepassing van drempelwaarden (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08) en de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 is een nieuw Besluit milieueffectrapportage in werking getreden op 1 april 2011. Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D).

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D:

Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht. Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

43

m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r.

is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of wel m.e.r. aanmeldingsnotitie gebruikt. Uit de toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(beoordelings)plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de ((vormvrije)-m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

44

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

4.2.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Echter bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk onwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Onderhavig planvoornemen blijft ruim beneden de drempelwaarden, waardoor een informele m.e.r.-beoordeling nodig is. Voor het beoogde planvoornemen is daarom een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling gesteld. 4.2.3 Conclusie Uit de beschrijving van de verwachte milieueffecten die is opgenomen in de notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat de realisatie van het planvoornemen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde realisatie van maximaal 39 nieuwe woningen, gezien de kenmerken, plaats en potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige project m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom op basis van bijgaande notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bijlage 1) besloten dat ten behoeve van deze ontwikkeling geen verdere m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader bodemkwaliteit Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. 4.3.2 Uitgevoerde bodemonderzoeken In 2015 is ten behoeve van de toen voorgenomen herontwikkeling van het plangebied een actualiserend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, kenmerk: MA150165.R01, d.d. 10 september 2015). Vervolgens is in 2016 ten behoeve van dezelfde voorgenomen herontwikkeling van het plangebied een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (Geonius, kenmerk: MC150165.R01, d.d. 22 februari 2016). Beide bodemonderzoeken zijn opgenomen als Bijlage 2 en Bijlage 3 bij deze toelichting.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

45

4.3.3 Toetsing Binnen het plangebied hebben in het kader van het bodemonderzoek gefaseerd verschillende boringen plaatsgevonden (plaatsen van handboringen en peilbuizen). Het bodemmateriaal is tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden zowel lithologisch als zintuiglijk onderzocht. Bij het lithologische onderzoek worden de grondsoorten geclassificeerd. Bij het zintuiglijk onderzoek worden bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen ten aanzien van kleur en geur van het bodemmateriaal beschreven. Van de opgeboorde bodem is naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek een aantal grondmonsters samengesteld. De grond(meng)monsters zijn onderzocht op vluchtige aromaten, minerale olie en organische stof. De analyseresultaten zijn getoetst aan de interventiewaarde voor grond en de streefwaarde voor grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarde uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). Boven- en ondergrond Uit de resultaten van voorgaande bodemonderzoeken blijkt dat de verontreiniging met minerale olie (en aromaten) in de grond wordt aangetroffen van 0,4 m-mv tot circa 7,0 m-mv (leemlaag). Het oppervlakte van de grondverontreiniging wordt geschat op 460 m2, waarvan circa 190 m2 sterk verontreinigd is. De interventiewaardecontour concentreert zich onder de klinkerverharding aan de noordzijde van het plangebied.

In verticale richting wordt de verontreiniging begrensd op circa 7 m-maaiveld. De omvang van de verontreiniging in de grond wordt geraamd op 2.100 m3, waarvan circa 855 m3 sterk verontreinigd is. Doordat bij die raming rekening is gehouden met een verontreiniging vanaf 2,5 m-mv en niet vanaf 0,4 m-mv wordt de omvang van de sterke verontreiniging circa 380 m3 groter geschat, waardoor het totaal circa 1.235 m3 bedraagt. Op basis van de beschikbare onderzoeksresultaten kunnen de verontreinigingen met vluchtige aromaten en minerale olie in de grond, gerelateerd worden aan het voormalig gebruik als tankstation. Binnen de perceelsgrenzen is de verontreiniging in horizontale en verticale richting voldoende afgeperkt. De interventiewaardecontour staat weergegeven op bovenstaande afbeelding (rode lijn). Asbest Er is geen sprake van het voorkomen van asbestverdachte materialen (met een diameter groter dan 16 mm) in de bodem of op het maaiveld, met uitzondering van 1 stuk asbestverdachte golfplaat op het maaiveld. Om te onderzoeken of fracties van asbestverdachte materialen (met een diameter kleiner dan 16 mm) aanwezig zijn in de bodem, is een aantal mengmonsters samengesteld van de contactzone (0,0-0,5 m-mv). Het asbestverdachte materiaal (met een diameter groter dan 16 mm) dat is aangetroffen op het maaiveld bevat 10 tot 15 % chrysotiel, 0,1 tot 2 % actinoliet en 2 tot 5 % crocidoliet.

De mengmonsters van de fijne fracties van asbestverdachte materialen (met een diameter kleiner dan 16 mm) zijn ook onderzocht. Met uitzondering van asbest in de vorm van plaatmateriaal op het maaiveld wordt geen asbest aangetoond. De bodem is dus asbestvrij. Grondwater Uit eerdere bodemonderzoeken blijkt dat in het grondwater sterke verontreinigingen met benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en minerale olie aanwezig zijn. Deze grondwaterverontreiniging is in horizontale en in verticale richting voldoende afgeperkt. Op de onderzoekslocatie is geen drijflaag aangetroffen. De verontreinigingen worden aangetroffen vanaf de grondwaterstand (circa 2,5 m-mv) tot een diepte van 7,0 m-mv over een oppervlakte van circa 1.800 m2. De omvang van de verontreinigingen met minerale olie en aromaten wordt geraamd op circa 8.000 m3. De sterke verontreiniging in het grondwater valt qua oppervlakte samen met de sterke verontreiniging in de grond en omvat circa 855 m3.

46

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Ernst en spoedeisendheid Gelet op de omvang van de verontreinigingen is sprake van een ernstige verontreiniging. Uit de risico beoordelingen blijkt dat bij de huidige bestemming en gebruik er geen sprake is van spoedeisendheid. Nader onderzoek Op basis van voorgaande onderzoeksresultaten is de bodemkwaliteit van het plangebied voldoende vastgesteld, waardoor geen directe aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Sanering Naar aanleiding van voornoemde bodemonderzoeken is in 2017 vanwege de voorgenomen sloop van de toen aanwezige bebouwing en de beoogde woningbouwontwikkeling een deelsaneringsplan opgesteld (Peeters Milieuadvies, kenmerk: 170002-02, d.d. 18 april 2017). Dit deelsaneringsplan is opgesteld als gevolg van de vastgestelde verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in de grond en grondwater. Het deelsaneringsplan is bij besluit van 14 augustus 2017 door de Provincie Limburg goedgekeurd. Op navolgende afbeelding is van de vastgestelde verontreiniging de interventiewaardecontour voorzien van een blauwe lijn en de streefwaardecontour van een paarse lijn. Het appartementencomplex is voorzien van een bruine kleur. Zoals uit de afbeelding blijkt ligt de nu beoogde bebouwing buiten deze contouren.

Het woongebouw ligt daarmee verder zuidelijk dan de woningbouwontwikkeling waarop de bodemonderzoeken en het deelsaneringsplan in het verleden zijn gebaseerd.

Locatie vastgestelde verontreiniging ten opzichte van footprint beoogde woonbebouwing

Gezien het voorgaande is door Geonius een notitie opgesteld (kenmerk MA210865.M02 d.d. 25 mei 2022) als wijziging op het eerder genoemde deelsaneringsplan.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

47

Uit de wijziging van Geonius volgt: de ten behoeve van het plan benodigde (graaf)werkzaamheden vallen buiten de saneringscontour. Enkel ten behoeve van de sloop/verwijdering van de nog aanwezige funderingsresten van het voormalig tankstation wordt naar verwachting gewerkt binnen een gebied met (sterk) verontreinigde grond. Die grond zal conform het oorspronkelijke deelsaneringsplan worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Bij werkzaamheden ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte (planten van bomen en struiken, aanleggen van paden) zal sprake zijn van een leeflaag van minimaal 1 meter dik. Daar waar paden aanwezig zijn of worden aangelegd worden deze paden beschouwd als een duurzaam aaneengesloten afdeklaag (isolatievoorziening). nu er geen graafwerkzaamheden zijn voorzien beneden grondwaterniveau, vervalt de eerder voorziene bemaling. De voorziene hemelwatervoorziening is gesitueerd op enige afstand van de verontreiniging, waardoor geen (negatieve) invloed wordt verwacht op de grondwaterverontreiniging. De Provincie Limburg heeft op 14 juni 2022 ingestemd met de wijziging van het deelsaneringsplan. Dit besluit is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Het verwijderen van de fundering van het voormalig tankstation is ook al uitgevoerd, waarna de benodigde leeflaag van minimaal 1 meter dik is aangebracht.

Naar aanleiding van de uitvoering van dit deel van de sanering is een tussenevaluatierapport opgesteld door Geonius (kenmerk MA210865.R01.EVA d.d. 2 maart 2023) dat als Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd. 4.3.4 Conclusie bodemkwaliteit Resumerend kan worden gesteld dat binnen het plangebied sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, maar dat geen spoedige sanering noodzakelijk is. Het (herziene) deelsaneringsplan is door de Provincie Limburg goedgekeurd. Ter plaatse van de beoogde woningen is geen sprake van te saneren verontreinigingen, waardoor die verontreinigingen geen belemmering vormen voor de betreffende woningen. Ook voor de beoogde inrichtingen van de openbare ruimte bestaan geen belemmeringen. De met de uit te voeren handelingen zijn redelijkerwijs geen dusdanige kosten gemoeid dat het plan financieel uitvoerbaar moet worden geacht. 4.3.5 Voormalige steenkolenmijnbouw Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans).

In de eerste twee zones is bij ontwikkelingen een nader onderzoek naar de geotechnische situatie noodzakelijk. Indien dat uit het betreffende onderzoek blijkt, dan zijn technische, stabiliserende maatregelen nodig bij een ontwikkeling. Voor de zone EK3 gelden in principe geen verplichtingen of belemmeringen, maar wordt een nader onderzoek of het inwinnen van advies van een deskundige omtrent de beoogde constructie van bebouwing wel geadviseerd. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de concessiegrens van de mijn Emma. Uit de rapportage Na-ijlende gevoglen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d. 31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH volgt dat binnen het plangebied geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3). Ook laat het kaartmateriaal bij de rapportage geen opwaartse of neerwaartse boringen zien. Voorts zijn binnen het plangebied of in de directe omgeving geen zogenoemde 'drempels' ingetekend die fictief kunnen worden doorgetrokken tot binnen het plangebied. Tot slot ligt de planlocatie buiten het potentieel invloedsgebied aan weerszijden van de Feldbissbreuk.

48

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Kaart risicogebieden EK1-EK2-EK3, ligging plangebied met rode cirkel aangegeven

Conclusie Gelet op het voorgaande zijn binnen het plangebied geen lange termijn gevolgen als gevolg van de voormalige steenkolenwinning te verwachten.

4.4

Geluid

4.4.1 Wegverkeerslawaai - wettelijk kader De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen) binnen de onderzoekszone van de Prins Hendriklaan, Schinvelderstraat en Dorpstraat. Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

49

4.4.2 Wegverkeerslawaai - toetsing Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd Door K+ (d.d. 13 maart 2023, kenmerk Rm210895aaA0.teey_03). Het onderzoek is bij deze toelichting opgenomen als Bijlage 6. Voor de Schinvelderstraat blijkt uit de rapportage dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Voor de Prins Hendriklaan en de Dorpstraat geldt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden op de gevels van het appartementencomplex, maar de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden. Door K+ is ook bezien of maatregelen aan de bron mogelijk zijn (andere wegverharding). Deze maatregelen stuiten echter op bezwaren van financiële aard en zijn vanuit een oogpunt van praktische uitvoerbaarheid ook niet wenselijk. Dergelijk asfalt slijt namelijk door afremmend en optrekkend verkeer en daarvan is veevuldig sprake vanwege de kruising Raadhuistraat /Dorpstraat. Het treffen van overdrachtsmaatregelen als het realiseren van een geluidscherm of geluidswal is op deze plek overigens stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Gezien het voorgaande kan medewerking worden verleend aan het planvoornemen indien zogenoemde hogere grenswaarden voor wegverkeerslawaai worden vastgesteld, waarin wordt voorzien parallel aan de procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoewel wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur geen zone kennen en daarvoor op grond van de wet geluidhinder geen onderzoek c.q. toetsing aan de voorkeursgrenswaarde nodig is, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel bezien of het verkeer dat gebruik maakt van rond het plangebied tot dusdanige geluidsbelasting op het plangebied leidt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting van deze wegen (Flemingstraat en Pastoor Hagenstraat) op het plangebied bedraagt echter maximaal 35 dB en 38 dB (zonder 5dB aftrek), waardoor op dit punt geen belemmering bestaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening c.q. voor het goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Tot slot is door K+ ook de gecumuleerde geluidbelasting van de wegen samen in beeld gebracht. Die resultaten laten geen dusdanige geluidbelastingen zien dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, uitgaande van een karakteristieke gevelwering van de nieuwe woningen als vereist op grond van het Bouwbesluit 2012. 4.4.3 Warmtepompen - goede ruimtelijke ordening Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen.

Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zullen afnemen. Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. Om die reden is in beeld gebracht wat de cumulatieve gevolgen zijn van het planvoornemen. Daarbij is ingegaan op de resultaten op de omliggende bestaande woningen en de nieuw te realiseren woningen, waarbij wordt uitgegaan van een situatie waarin alle woningen een eigen warmtepomp krijgen.

Verder is ook ingegaan op de cumulatieve geluidsbelasting van het wegverkeer en de te realiseren warmtepompen. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 13 maart 2023, kenmerk Nm210895abA0.teey_06).

50

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Op basis van de berekeningsresultaten van K+ kunnen de resultaten voor wegverkeerslawaai de meeste waarneempunten waarvoor de geluidsbelasting is berekend worden ingedeeld in de classificatie ‘matig’ dan wel 'tamelijk slecht' volgens de methode 'Miedema', bij welke methode aansluiting wordt gezocht als toetsingskader voor de gecumuleerde geluidsbelasting. Wanneer wordt gekeken naar de classificatie van de gecumuleerde belasting van het wegverkeer en de warmtepompen in vergelijking met de classificatie van alleen wegverkeerslawaai treedt er weinig verandering op. Waar sprake is van een stap terug (bijvoorbeeld van 'matig' naar 'tamelijk slecht') is sprake van belasting rond het klasseovergangspunt (omslagpunt). De meeste warmtepompen hebben daarmee slechts beperkt invloed op het woon- en leeklimaat. In een separate bijlage bij de rapportage (bijlage III) Op enkele waarneempunten, voornamelijk 11 t/m 14, gesitueerd op het appartementencomplex boven het lagergelegen dak, is het verschil in de classificatie vaak twee-drie stappen, van ‘goed’ en 'redelijk' bij wegverkeerslawaai naar 'matig' en ‘tamelijk slecht’ bij de gecumuleerde belasting. Het grotere verschil wordt veroorzaakt door twee zaken.

Ten eerste zijn de waarneempunten deels afgeschermd van het wegverkeerslawaai: gezien de hoge ligging en de plaatsing boven het lagergelegen dak is de optredende belasting van de wegen hier relatief laag. Ten tweede is de belasting van de warmtepompen, die op het lagergelegen dak geplaatst en dus direct onder de waarneempunten gemodelleerd zijn, hoog. Omdat straks voldaan dient te worden aan het Bouwbesluit 2012 zullen maatregelen getroffen moeten worden om het geluidniveau op de gevel voor iedere afzonderlijke pomp te laten voldoen aan 40 dB. Na het treffen van de op grond van het Bouwbesluit 2012 benodigde maatregelen zal het verschil in classificatie naar waarschijnlijkheid zeker 1 stap afnemen en mogelijk meer. Voor de beoordelingspunten op omliggende woningen (15 t/m 20) geldt dat er géén verandering optreedt in de classificatie en dat de warmtepompen geen invloed hebben op de reeds bestaande cumulatieve geluidsbelasting op die punten als gevolg van wegverkeerslawaai.

Gezien het voorgaande, gelet op de situering van het plangebied in het stedelijk centrum van Brunssum en gezien de eisen die in het Bouwbesluit 2012 worden gesteld aan afzonderlijke warmtepompen, kan worden geconcludeerd dat er bij de eventuele toepassing van warmtepompen op de daken van de nieuw te realiseren geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de onderzochte waarneempunten en daarmee geen strijdigheid ontstaat met een goede ruimtelijke ordening. 4.4.4 Conclusie Gezien het voorgaande vormen de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai en eventuele warmtepompen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Wel is vanwege overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van verkeer over de Raadhuisstraat en Dorpstraat de vaststelling van hogere grenswaarden noodzakelijk, waarin parallel aan de procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan wordt voorzien.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

51

een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

4.5.2 Toetsing Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg zal een plan mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving. Met het het bestemmingsplan worden maximaal 39 woningen mogelijk gemaakt en is daardoor als NIBM aan te merken. Daarnaast geldt voor het planvoornemen dat de luchtverontreiniging ten gevolge van het plan wordt veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Ingevolge de kencijfers van CROW voorziet het planvoornemen in een gemiddelde verkeersgeneratie tussen de 109 en 140 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (zie ook paragraaf 2.5 Parkeren en verkeer).

NIBM-tool

Uit de ingevulde NIBM tool blijkt dat het planvoornemen aan te merken is als NIBM uitgaande van de maximale toegestane 39 woningen als nieuwe situatie. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor

52

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

Uitsnede NSL-monitor

Op bovenstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied (rood omcirkelt) ten opzicht van de twee meest nabij gelegen concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zwarte pijlen) inzichtelijk gemaakt. De jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 zijn als volgt: pijl direct nabij het plangebied (Prins Hendriklaan): maximaal 12,1 µg/m³ (NO2), 15,1 µg/m³ (PM10) en 8,7 µg/m³ (PM2,5); pijl ten noorden van het plangebied (Buitenring Parkstad - N300) : maximaal 13,9 µg/m³ (NO2), 14,7 µg/m³ (PM10) en 8,4 µg/m³ (PM2,5). Voor het peiljaar 2030 is de volgende prognose aan jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 gesteld: pijl direct nabij het plangebied (Prins Hendriklaan): maximaal 7,4 µg/m³ (NO2), 12,7 µg/m³ (PM10) en 6,8 µg/m³ (PM2,5); pijl ten noorden van het plangebied (Buitenring Parkstad - N300) : maximaal 9,0 µg/m³ (NO2), 12,5 µg/m³ (PM10) en 6,6 µg/m³ (PM2,5).

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

53

De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m³) en PM2,5 (20 µg/m³) wordt zowel voor 2020 als 2030 niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.5.3 Conclusie Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het

54

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). 4.6.2 Toetsing Met behulp van de Signaleringskaart EV kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gegeven. In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de Signaleringskaart EV.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=281711a7-c8ec-442f-bdbb-fae30fc227ed