CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 25 (bijlage) WBO Entree Dorpstraat_vastgesteld_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 12 juni 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Entree Dorpstraat; Gemeenteblad 2023/2527.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan - Toelichting -

Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat Gemeente Brunssum

BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -

Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat Gemeente Brunssum

IDN-nummer:

NL.IMRO.0899.BpEntreeDorpstraat-VA01

Status:

vastgesteld

Datum:

31 maart 2023

Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen

Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen

024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

5 5 7 9

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

11

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

11 11 15 17 18 19

Inleiding Bestaande situatie Planvoornemen Ruimtelijke inpassing en stedenbouwkundige uitgangspunten Parkeren en verkeer Duurzaamheid

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

21

3.1

Inleiding

21

3.2 3.3 3.4 3.5

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

21 28 31 37

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

43

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

43 43 45 49 51 54 57 61 65 68 70 70 71

Inleiding Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Water Ecologie Archeologie Cultuurhistorie Windhinder Bezonning

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

73

5.1 5.2 5.3

73 73 74

Inleiding Uitgangspunten Toelichting op de planregels

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

3

5.4

Artikelsgewijze toelichting

75

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

77

6.1 6.2 6.3

77 77 77

Inleiding Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Procedure

81

7.1 7.2 7.3

81 81 81

De te volgen procedure Voorontwerp Ontwerp en vaststelling

Toelichting

4

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Brunssum is eigenaar van een stuk grond gelegen in het noordelijke gedeelte van het centrum van de kern Brunssum. Het betreft een braakliggend terrein begroeid met vegetatie, waar voorheen een garagebedrijf en (bedrijfs)woning aanwezig waren. De gemeente is voornemens om deze locatie een nieuwe invulling te geven, door samen met Wonen Limburg op deze gronden woningbouw in de vorm van een appartementencomplex te realiseren en te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarnaast wordt ook de nodige aandacht aan het 'groen' geschonken, door de bestaande bomen zo veel als mogelijk te handhaven en uit te breiden met nieuwe bomen en een onderhoudsarme wilde-tuinaanplant. Het appartementencomplex komt aan een belangrijke toegangsweg van het centrumgebied van Brunssum te liggen, namelijk de de Dorpstraat, vanaf de Prins Hendriklaan. Hiermee zal het appartementencomplex als een soort 'poortgebouw' dienen ter markering van één van de entrees van het centrumgebied van Brunssum, waarvoor al in het Masterplan Centrum Brunssum uit 2008 de basis is gelegd (zie paragraaf 3.5.2). Gezien de ligging krijgt het appartementencomplex een ruimtelijke uitstraling dat getypeerd kan worden als een 'eye-catcher', ruim omgeven door groen, hetgeen bijdraagt aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving voor de kern Brunssum.

Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' geldt voor de locatie op dit moment een zogeheten wijzigingsbevoegdheid. Met deze bevoegdheid is het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk om de huidige bestemmingen te wijzigen in de bestemming 'Wonen', 'Tuin', 'Groen' en 'Verkeer', ten behoeve van het realiseren van maximaal 32 woningen en parkeren. Met het planvoornemen wordt echter voorzien in de realisatie van 39 woningen in de vorm van een appartementencomplex, waardoor geen gebruik kan worden gemaakt van de reeds bestaande wijzigingsbevoegdheid. Met voorliggend bestemmingsplan dient de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt te worden.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen binnen het bestaand bebouwd gebied van de kern Brunssum. Het plangebied is gelegen in het uiterst noordelijke gedeelte van het centrumgebied van Brunssum, en is ingesloten door bestaande woningen aan de Dorpstraat, Prins Hendriklaan, en Grachtstraat. Ten zuiden van het plangebied is aangrenzend een garagebedrijf gevestigd. De nabije omgeving van het plangebied kenmerkt zich in overwegende mate als een woonwijk. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Brunssum, sectie A, nummers: 2787, 3095, 3949, 4575, 5119, 5644, 5733, 6158 (ged.) en 7040 (ged.) en omvat circa 6.500 m².

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

5

Ligging plangebied in de kern Brunssum (rode contour)

6

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Begrenzing plangebied (rode contour)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Binnen het plangebied is het bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' van kracht, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Brunssum op 14 april 2015. Het plangebied beschikt ingevolge het geldende bestemmingsplan over een verscheidenheid aan enkelbestemmingen. Zo beschikt het noordelijke gedeelte van het plangebied over de enkelbestemmingen 'Groen' en 'Verkeer'. Tevens beschikt een klein stukje grond in het zuidelijke gedeelte van het plangebied ook over de enkelbestemming 'Verkeer'. Verder kent het noordelijke gedeelte van het plangebied nog de enkelbestemming 'Bedrijf', met aangrenzend in het midden van het plangebied de enkelbestemmingen 'Wonen - 1' en 'Tuin'. Ook een klein driehoekig stukje grond in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied beschikt over de enkelbestemming 'Bedrijf'. Het overgrote deel van het plangebied beschikt overigens over de enkelbestemming 'Gemengd'. De gronden die bestemd zijn als 'Bedrijf' beschikken volledig over een bouwvlak en de functieaanduiding 'garage'. De noordelijk gelegen bedrijfsbestemming beschikt over de maatvoeringsaanduidingen 'maximum aantal bouwlagen: 2' en 'maximum bebouwingspercentage: 15%' en de zuidelijk gelegen bedrijfsbestemming beschikt over de maatvoeringsaanduidingen 'maximum aantal bouwlagen: 1' en 'maximum bebouwingspercentage: 25% .

De gronden die bestemd zijn als 'Wonen - 1' beschikken voor een gedeelte daarvan over een bouwvlak, met daarbinnen de bouwaanduiding 'vrijstaand' en de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal bouwlagen: 2'. De gronden die bestemd zijn als 'Gemengd' beschikken volledig over een bouwvlak en de maatvoeringsaanduidingen 'maximum aantal bouwlagen: 2' en 'maximum bebouwingspercentage: 60%'. Voor het plangebied gelden dus ingevolge het bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' uiteenlopende bouw- en gebruiksregels. Het gehele plangebied kent ingevolge het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde -

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

7

Archeologie 2'. Tevens loopt door het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' met de daarbij behorende 'hartlijn leiding - gas'. Dit betreft overigens géén hogedruk gasleiding die planologische bescherming behoeft. Daarnaast beschikt vanwege de nabij gelegen NAVO-vliegbasis 'Geilenkirchen' het gehele plangebied over de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone', met de daarbij behorende maatvoeringsaanduidingen (van noord naar zuid): 'maximum bouwhoogte: 180 m'; 'maximum bouwhoogte: 190 m'; 'maximum bouwhoogte: 200 m'; 'maximum bouwhoogte: 210 m'. Tot slot bevat het noordelijke gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone wijzigingsgebied 1a' en het zuidelijke gedeelte de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1b'. In artikel 22.3 van het geldende bestemmingsplan is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen en heeft betrekking op het wijzigen van de huidige bestemming in de bestemming 'Wonen', 'Tuin', 'Groen' en 'Verkeer', ten behoeve van het realiseren van maximaal 32 gestapelde en grondgebonden woningen en parkeren. Daarbij geldt dat tussen de gestapelde woningen (min. 14 en max. 17) uitsluitend zijn toegestaan in het gedeelte van het plangebied dat beschikt over de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1a' en dat de grondgebonden woningen (min. 15 en max.

18) uitsluitend zijn toegestaan in het gedeelte van het plangebied dat beschikt over de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1b'.

Uitsnede geldend bestemmingsplan met plangebied (oranje contour)

8

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst een beschrijving gegeven van de omgeving van het plangebied en het plangebied zelf en wordt het planvoornemen beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 kort ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente met daarin ook een verantwoording aan de hand van de ladder van duurzame verstedelijking opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten. Hoofdstuk 5 bestaat uit een juridische beschrijving van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 6 wordt aandacht besteed aan de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 de procedure beschreven, die onderhavig bestemmingsplan doorloopt.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

9

10

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Inleiding

Het planvoornemen gaat uit van de invulling c.q. herbestemming van een braakliggend terrein dat is gelegen in het noordelijke gedeelte van het centrumgebied van de kern Brunssum. Het plangebied is ingeklemd tussen bestaande woningen aan de Dorpstraat, Prins Hendriklaan en Grachtstraat. Het plangebied is geheel in eigendom van de gemeente Brunssum. Met het planvoornemen wordt voorzien in de realisatie van 39 appartementen in de vorm van een appartementencomplex en een parkeerterrein.

2.2

Bestaande situatie

Het plangebied ligt ingeklemd tussen de bestaande woningen aan de Dorpstraat, Prins Hendriklaan en Grachtstraat. De grondgebonden woningen aan de Prins Hendriklaan beschikken over 2 lagen en zijn afgedekt met een kap. De woningen aan de Dorpstraat en Grachtstraat betreffen veelal gestapelde woningen bestaande uit 2 tot 5 lagen. Aan de Dorpstraat zijn tevens enkele grondgebonden woningen gelegen bestaande uit 2 lagen en een kap. Ten zuiden van het plangebied is aan de Prins Hendriklaan een garagebedrijf gevestigd.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

11

Luchtfoto van het plangebied (huidige situatie)

12

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Luchtfoto van het plangebied (anno 1999)

In het verleden is het plangebied bebouwd geweest. Zo is op noordelijke gedeelte van het plangebied een tankstation aanwezig geweest (tankstation Heijenrath). Daarna heeft zich op dit gedeelte van het plangebied omstreeks 1999 een garagebedrijf met bijbehorende (bedrijfs)woning gevestigd. Op het zuidelijke gedeelte van het plangebied waren rond dezelfde tijd woningen aanwezig, welke nog voor 2006 zijn gesloopt. De overige bebouwing, bestaande uit het garagebedrijf en bijbehorende (bedrijfs)woning, zijn enkele jaren geleden ook gesloopt. Momenteel is op het terrein geen bebouwing meer aanwezig, ligt het al geruime tijd braak en is het begroeid met vegetatie. Het maaiveld is deels verhard met klinkers en deels onverhard.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

13

Het plangebied vanaf het kruispunt Dorpstraat en Grachtstraat d.d. augustus 2020 (bron: Google Maps)

Het plangebied vanaf de Dorpstraat d.d. augustus 2020 (bron: Google Maps)

14

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Het plangebied vanaf de Prins Hendriklaan d.d. september 2021 (bron: Google Maps)

2.3

Planvoornemen

Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van 39 woningen in de vorm van een appartementencomplex en een parkeerterrein, omgeven door groen. Het appartementencomplex zal komen te beschikken over 8 bouwlagen, met uitzondering van het gedeelte dat zich oriënteert op de Dorpstraat/Grachtstraat (zuidwestelijke gedeelte van het gebouw) dat zal bestaan uit 5 bouwlagen. Hier wordt een 'gebaar' gemaakt richting de omliggende, lager uitgevoerde bebouwing. De 39 appartementen betreffen allemaal 3-kamer appartementen met een gebruiksoppervlakte van 65 à 70 m². Hiermee wordt voldoende woonkwaliteit gegarandeerd. De verdieping op de begane grond is bestemd voor de algemene voorzieningen, zoals de ontvangsthal, bergingen en fietsenstallingen. Deze verdieping zal grotendeels worden omgrensd en ingegraven worden door grondwallen. Met het planvoornemen wordt tevens voorzien in voldoende parkeergelegenheid, door op eigen terrein parkeervoorzieningen te realiseren. Deze parkeervoorzieningen evenals het appartementencomplex worden beiden ontsloten via een toegangsweg aan de Grachtstraat. De parkeervoorzieningen en toegangsweg zullen worden 'ingepakt' door middel van groenvoorzieningen. Een belangrijk onderdeel van het planvoornemen is de hoeveelheid groen waarin wordt voorzien.

Zo is het uitgangspunt dat bestaande bomen worden gehandhaafd en het aantal bomen wordt uitgebreid met nieuwe bomen en een onderhoudsarme wilde-tuinaanplant. Van de totale oppervlakte van het plangebied van circa 6.500 m² zal circa 630 m2 worden bebouwd en circa 1.030 m2 worden gereserveerd voor parkeren. De overige circa 4.840 m² uit groenvoorzieningen en enkele voet- en fietspaden bestaan. Het overgrote gedeelte van het plangebied blijft dus onverhard en behoud zijn groene uitstraling. Het regenwater wordt binnen het plangebied vastgehouden en zoveel mogelijk geïnfiltreerd. Daartoe wordt voorzien in een tweetal wadi's, verbonden met een greppel, ten oosten van de beoogde parkeerplaats.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

15

Stedenbouwkundig ontwerp van het planvoornemen

16

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

2.4

Ruimtelijke inpassing en stedenbouwkundige uitgangspunten

Het plangebied wordt vanuit stedenbouwkundig oogpunt op een ruimtelijk-kwalitatieve wijze ingepast in de omgeving. Het betreft de invulling van een braakliggend terrein dat begroeid is met vegetatie. Door de aangrenzende woonbuurten en de ligging van het plangebied tussen grondgebonden woningen aan de Prins Hendriklaan en Dorpstraat, en gestapelde woningen aan de Dorpstraat en Grachtstraat, is invulling met woningbouw ruimtelijk gezien de meest logische keuze. Tevens voorziet het geldende bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' middels een wijzigingsbevoegdheid ook al in de realisatie van maximaal 32 woningen en parkeren. Het appartementencomplex zal beschikken over een ruimtelijke uitstraling dat getypeerd kan worden als een 'eye-catcher'. Hiermee zal het appartementencomplex ter markering van één van de entrees naar het centrumgebied van de kern Brunssum als een soort poortgebouw dienen. Het gebouw zal bestaan uit 8 bouwlagen, maar maakt een 'gebaar' richting de Dorpstraat en Grachtstraat, door aan de zuidwestelijke zijde van het gebouw over de oppervlakte van één woning (circa 1/4 van de oppervlakte) het aantal bouwlagen te beperken tot 5. Door de allure die het appartementencomplex uitstraalt alsmede de 'hap' die uit het gebouw is genomen, krijgt het gebouw een minder massale uitstraling.

Te meer nu het resterende gedeelte van het plangebied niet wordt ingevuld met bouwmassa's, zoals aanvankelijk wel was beoogd en is beschreven in het Masterplan Centrum Brunssum (zie paragraaf 3.5.2).

Stedenbouwkundige verkenning van het planvoornemen, bezien vanuit het zuidwesten

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

17

Stedenbouwkundige verkenning van het planvoornemen, bezien vanuit het noorden

Door te voorzien in de nodige groenvoorzieningen, waarbij in beginsel alle bestaande bomen worden gehandhaafd, het aantal bomen wordt uitgebreid met nieuwe bomen en zal worden voorzien in een onderhoudsarme wilde-tuinaanplant, krijgt het plangebied tevens een groene uitstraling. De situering van de bebouwing is door middel van bouwvlakken en maximaal toegelaten maatvoering vastgelegd. Dit is gebaseerd op het stedenbouwkundig ontwerp zoals hiervoor afgebeeld. Binnen die kaders kan verdere uitwerking plaatsvinden, onder andere ten aanzien van de toe te passen materialen en kleuren. De zichtbare witte en rode kleuren zijn dus niet te gebruiken kleuren.

2.5

Parkeren en verkeer

Door de gemeente Brunssum zijn parkeernormen gesteld waarbij zoveel als mogelijk aansluiting is gezocht bij de parkeerkencijfers zoals die gesteld zijn in de publicaties van het CROW. Ten behoeve van de berekening van de te realiseren parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen in de bestaande omgeving worden de parkeernormen gehanteerd zoals die zijn opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan 'Veegplan centrum'. Op basis hiervan dient per gestapelde woning meerpersoonshuishouden 1,2 parkeerplaats te worden gerealiseerd. Dit betekent voor onderhavig planvoornemen dat voor de realisatie van 39 appartementen 47 parkeerplaatsen (39 x 1,2 = 46,8) nodig zijn. Door in totaal 48 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren wordt voorzien in de toenemende parkeerbehoefte. Het plangebied wordt ontsloten door de bestaande ontsluitingstructuur via een toegangsweg aan de Grachtstraat. De ontsluiting via de Grachtstraat is gelegen in een woonstraat waar een maximumsnelheid van 30 km/u is toegestaan, en geeft toegang tot het gehele parkeerterrein en het appartementencomplex. Hiermee grenst het plangebied aan één ontsluitingsweg. De Grachtstraat is bereikbaar via de Dorpstraat evenals via een ventweg langs de Prins Hendriklaan en de Tegelstraat. Ingevolge de kencijfers van CROW, als opgenomen in de uitgave 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfer

18

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

parkeren en verkeersgeneratie' van 2018, kan de gemeente Brunssum als een 'sterk stedelijke' gemeente worden aangemerkt en is het plangebied gelegen in de 'schil rondom het centrum'. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 39 sociale huurwoningen (appartementen). Dit betekent dat met de realisatie van onderhavig planvoornemen ingevolge de kencijfers van CROW gemiddeld een verkeersgeneratie van minimaal 109 (39 x 2,8 = 109,2) en maximaal 140 (39 x 3,6 = 140,4) motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal wordt veroorzaakt. Rekening houdend met een omrekenfactor van 1,11 voor het bepalen van het maatgevend werkdagetmaal gaat het om circa 121 tot 156 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. De realisatie van het appartementencomplex zal dus leiden tot een beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen ter plaatse. De bestaande verkeersstructuur, waaronder de Dorpstraat en de Tegelstraat/Prins Hendriklaan (ventweg), die beiden toegang bieden tot de Grachtstraat en daarmee de toegangsweg naar het appartementencomplex en parkeerterrein, is echter berekend op een groot aantal voertuigbewegingen en zal door de toevoeging van de voornoemde aantal verkeersbewegingen niet onevenredig worden belast.

Bovendien is de Grachtstraat bereikbaar via de de Dorpstraat en Tegelstraat/Prins Hendriklaan (ventweg), waardoor de verkeersdruk zich kan verspreiden over meerdere wegen en dus niet concentreert op slechts één weg. De meest voor de hand liggende route is echter via de Dorpstraat. Het huidig aantal verkeersbewegingen over de Dorpstraat bedraagt blijkens de tellingen als ook gehanteerd voor het akoestisch onderzoek respectievelijk circa 2.450 per etmaal. Na realisatie van het planvoornemen bedraagt dit aantal dan circa 2.600. Een 50 km-weg zoals de Dorpstraat kan 1.600 tot 3.200 verkeersbewegingen per uur verwerken. Uitgaande van een piekuur waarin 10% van het totale aantal verkeersbewegingen wordt afgehandeld, gaat het om circa 260 verkeersbewegingen. Hetgeen gezien voornoemde maximum capaciteit geen belemmeringen oplevert. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen niet resulteert in een onacceptabele verkeersbelasting.

2.6

Duurzaamheid

Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting. De planregels die voor de in het plan voorkomende bestemmingen zijn opgenomen vormen geen belemmeringen om duurzaamheidsmaatregelen (zoals bijvoorbeeld warmtepompen en zonnepanelen) of maatregelen in het kader van klimaatadaptatie. Concreet ten aanzien van de omgang met hemelwater geldt dat in dit plan is geborgd dat bij de bouw van bouwwerken ook wordt voorzien in de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen die voldoen aan de dimensies die daarvoor naar de huidige inzichten aan de orde zijn. Voor het overige wordt het aspect duurzaamheid geregeld via de bouwregelgeving. Bij de bouw van de woningen moet worden voldaan aan de duurzaamheids-, energie- en milieuprestatie-eisen die voortvloeien uit het Bouwbesluit 2012 en na inwerkingtreding van de Omgevingswet uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (bijna energieneutrale gebouwen (BENG)).

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

19

20

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskaders

Inleiding

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het plangebied relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Brunssum.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI is vooralsnog vastgesteld als structuurvisie, maar heeft straks de status van omgevingsvisie onder de Omgevingswet. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.

In het NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavig

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

21

planvoornemen relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen.

Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Met het planvoornemen wordt opnieuw invulling gegeven aan een braakliggend terrein.

Door op deze locatie, en niet bijvoorbeeld in het buitengebied, woningen te ontwikkelen wordt duurzaam met de beschikbare ruimte in Brunssum omgegaan. Gezien de ligging van het plangebied, namelijk direct langs een belangrijke toegangsweg (Prins Hendriklaan/Schinvelderstraat) naar het centrumgebied van de kern Brunssum, en door invulling te geven aan een braakliggend terrein, wordt met onderhavige woningbouwontwikkeling bijgedragen

22

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

aan het beeld van een aantrekkelijke en gezonde stad. Hiermee wordt het voor woningzoekenden dus aantrekkelijker om zich te vestigen in de kern Brunssum. In de navolgende paragrafen (met name paragraaf 3.4.4) wordt nader ingegaan op de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte binnen de gemeente Brunssum en hoe met onderhavig planvoornemen daaraan wordt tegemoet gekomen. Met het planvoornemen wordt tot slot ook nog voorzien in voldoende groenvoorzieningen door onder andere nagenoeg alle bestaande bomen te handhaven en uit te breiden met zoveel mogelijk bomen en een onderhoudsarme wilde-tuinaanplant, wordt het regenwater zorgvuldig afgevoerd en wordt goed aangesloten op de bestaande verkeersinfrastructuur. Conclusie Voorliggend plan sluit dus goed aan bij de uitgangspunten en keuzes die in de NOVI worden beschreven, door te voorzien in duurzaam ruimtegebruik, waarbij onderhavig planvoornemen zorgvuldig wordt ingepast met oog voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving, lokale woningbehoefte, wateropgaven, duurzaamheid, mobiliteit en leefomgevingskwaliteit. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen.

De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In totaal gaat het om dertien nationale belangen, te weten: Rijksvaarwegen; Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Ecologische hoofdstructuur; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In het kader van deregulering en decentralisatie is er voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de EHS.

Militaire vliegbases Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met militaire luchtvaartterreinen. De NAVO-vliegbasis 'Geilenkirchen' kent een geluidzone in kosteneenheden (Ke) en een obstakelbeheergebied, welke zijn begrensd op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het Rarro. De geluidzone is begrensd met een rode omlijning en het obstakelbeheergebied beschikt over een donkerblauwe rastering. Onderhavig plangebied is geheel gelegen binnen het obstakelbeheersgebied van de NAVO-vliegbasis, maar buiten de

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

23

geluidszone rondom die basis.

Ligging geluidzone en obstakelbeheersgebied NAVO-vliegbases 'Geilenkirchen' ten opzichte van plangebied

De maximale hoogte voor objecten binnen een obstakelbeheersgebied dient op grond artikel 2.6.4, lid 4 van het Barro in overeenstemming te zijn met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens. Dat Besluit strekt ertoe om met betrekking tot militaire luchthavens uitvoering te geven aan de Wet luchtvaart. Dit besluit is in feite primair een herschikking van reeds geldende regels die vanuit diverse regelgeving in dit besluit bijeen zijn gebracht. Het obstakelbeheergebied is een samenstelling van een aantal verschillende obstakelvlakken:

de invliegfunnel; het Inner Horizontal Conical Sufrace (IHCS); het Instrument Landing System-gebied (ILS). De funnel, gekoppeld aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen, is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken. Zoals in paragraaf 1.3 Geldend bestemmingsplan is aangegeven valt te herleiden dat ingevolge het geldende bestemmingsplan binnen het plangebied de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone' geldt, met de daarbij behorende maatvoeringsaanduidingen (van noord naar zuid): 'maximum bouwhoogte: 180 m'; 'maximum bouwhoogte: 190 m'; 'maximum bouwhoogte: 200 m'; 'maximum bouwhoogte: 210 m'.

24

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

In dit verband wordt in artikel 22.1 van het bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' bepaald dat de gronden mede bestemd zijn voor een invliegfunnel en mag binnen het plangebied niet hoger worden gebouwd dan 180 tot en met 210 meter (afhankelijk van de geldende maatvoeringsaanduiding ter plaatse). Dit dient gemeten te worden vanaf het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het maaiveldniveau binnen het plangebied bedraagt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland tussen de circa 70 en 72 meter +NAP. Gezien de hoogteligging van het plangebied komt dit in het meest ongunstige geval (bouwen in het meest noordelijke gedeelte van het plangebied) neer op een toegestane maximale bouwhoogte van circa 108 meter (maximale bouwhoogte van 180 meter - 72 meter boven het NAP = 108 meter) ten opzichte van het maaiveld. Het appartementencomplex mag ingevolge de bouwregels bij dit bestemmingsplan maximaal 8 bouwlagen omvatten, waarbij een bouwlaag een maximale hoogte van 3,2 meter bedraagt. Dit met uitzondering van de onderste en de bovenste bouwlaag, die mogen 3,5 meter hoog zijn. Dit betekent dat het appartementencomplex volgens de regels uit dit bestemmingsplan niet hoger dan 26,2 meter (6 bouwlagen à 3,2 meter en 2 bouwlagen à 3,5 meter) mag worden gebouwd, hetgeen ruim onder maximale bouwhoogte van circa 108 meter ten opzichte van het maaiveld uitkomt.

Geconcludeerd kan worden het Barro op dit punt geen belemmeringen vormt voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling c.q. een veilige luchtvaart niet in het geding komt. Uit het Barro volgen verder geen nationale belangen die een planologisch-juridische doorwerking hebben in het plangebied. Dit houdt in dat er voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit het Barro gelden. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen.

Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf. Het voorliggende bestemmingsplan betreft de ontwikkeling van maximaal 39 woningen, wat gelet op het voorgaande als 'stedelijke ontwikkeling' wordt aangemerkt. Daarmee staat echter nog niet vast dat ook aan de Ladder moet worden getoetst. Er dient ook te worden bezien in hoeverre de ontwikkeling ook kan worden aangemerkt als een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling en of sprake is van nieuw ruimtebeslag, zo blijkt uit jurisprudentie.

De Afdeling hanteert bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6, tweede lid, en artikel 1.1.1, eerste lid en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening) de beoordelingslijn, dat hiervan sprake is als het bestemmingsplan of omgevingsvergunning bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en ten opzichte van het voorgaande planologische regime voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en een functiewijziging (AbRvS 25 juni 2014,

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

25

ECLI:NL:RVS:2014:2294). Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, namelijk de bouw van maximaal 39 woningen, terwijl het voorgaande bestemmingsplan niet bij recht voorzag in deze voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Dat het voorgaande bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' een (onbenutte) wijzigingsbevoegdheid bevatte ten behoeve van het realiseren van maximaal 32 woningen doet hier niets aan af. Een wijzigingsbevoegdheid geeft volgens de Afdeling immers slechts de mogelijkheid om de bestaande bestemming te wijzigen in een bij het moederplan in beginsel aanvaardbaar geachte bestemming (AbRvS 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1028 en AbRvS, 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 7.5). Dit betekent dat in onderhavig geval sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', waardoor het planvoornemen hierna getoetst zal worden aan de Ladder. Behoefte Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van maximaal 39 woningen in de vorm van een appartementencomplex. Het betreffen huurwoningen in het segment 'sociale huur'. In de huidige situatie is nog sprake van een braakliggend terrein dat in het verleden gedeeltelijk in gebruik is geweest door een garagebedrijf en gedeeltelijk was bebouwd met woningen.

Uit de op 21 maart 2019 vastgestelde Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022, zoals die luidt na actualisatie van de plannenlijst in 2020, is af te leiden dat in Brunssum Centrum/Noord sprake is van een stabiele vraag naar dan wel een extra behoefte is aan de huurwoningen die in navolgende tabel zijn voorzien van een respectievelijk een gele dan wel een groene kleurcode. Daaruit blijkt dat sprake is van een extra behoefte aan levensloopbestendige c.q. -geschikte appartementen, ook in het sociale segment.

Bron: Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022

De Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022 is gebaseerd op een woningbehoefteonderzoek uit 2018, dat weer is gebaseerd op een prognose uit 2017. Begin 2022 is een nieuw woningbehoefteonderzoek uitgevoerd (Woonbehoefteonderzoek Parkstad Limburg 2022-2032, Stec, 28 januari 2022), waarbij rekening wordt gehouden met een tweetal scenario's, te weten (1) de Progneff 2021 prognose

26

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

en (2) een migratiescenario, waarbij wordt uitgegaan van het voor de komende 10 jaar doortrekken van de actuele hogere migratie over de afgelopen 5 jaar. Daaruit blijkt dat de prognose Progneff 2021 voor wat betreft de afname van het aantal huishoudens over de periode 2022-2032 kleiner is dan werd aangenomen op basis van de prognose Progneff 2017 (voor heel Parkstad Limburg ca 3.345 ten opzichte van 3.860 tot 3.910). Kort samengevat is mede als gevolg van de verder doorzettende vergrijzing van de bevolking sprake van een toenemende behoefte aan levensloopbestendige c.q. -geschikte woningen in de vorm van huur- of koopappartementen en nultredenwoningen. Voor grondgebonden koopwoningen geldt dat sprake is van een overschot. Zeker naar middeldure, levensloopbestendige c.q. -geschikt huurappartementen is een grote vraag en onvoldoende aanbod. Onderstaande fuguur laat echter zien dat er ook nog steeds behoefte is aan een uitbreiding van het aantal sociale levensloopbestendige c.q. -geschikte huurappartementen en nultredenwoningen.

Kwalitatieve behoefte 2022 tot 2032 op basis van Stec-doorstroommodel

In de regionale woningmarktpgrogrammering is voor onderhavige locatie reeds een aantal van 32 woningen opgenomen. Met onderhavig plan neemt dat aantal met 7 woningen toe tot 39. Gelet op de groeiende vraag naar levensloopbestendige c.q. geschikte sociale huurappartementen, sluit die plan aan bij en past het binnen de hiervoor afgebeelde en beschreven behoefte. Daarmee wordt kortgezegd zowel kwantitatief en kwalitatief aangesloten bij de behoefte voor in ieder geval de komende 10 jaar. Bestaand stedelijk gebied Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd dient uitgebreid te worden gemotiveerd waarom deze ontwikkeling niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied. Het bestaand stedelijk gebied is in het Bro gedefinieerd als 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorliggende plan is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Brunssum. Doordat met het planvoornemen opnieuw invulling wordt gegeven aan een braakliggend terrein dat in het verleden in gebruik is geweest ten behoeve van een garagebedrijf en enkele woningen, is sprake van inbreiding c.q. herstructurering.

Het plan sluit dus goed aan bij de uitgangspunten van de Ladder: herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied gaat vóór nieuw ruimtebeslag. Regionale afstemming

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

27

Over deze toevoeging van het aantal woningen ten opzichte van de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022 heeft (sub)regionale afstemming plaatsgevonden. Op basis daarvan heeft de Bestuurscommissie Wonen het Herstructurering van Parkstad Limburg besloten tot aanpassing van de regionale programmering. Conclusie Gezien het feit dat de ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief inspeelt op de actuele (regionale) behoefte en bijdraagt aan een optimale benutting van de beschikbare ruimte in het bestaand stedelijk gebied wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

De Provincie heeft een belangrijke rol als regisseur op de woningmarkt. Gelet op de problematiek op de huidige woningmarkt en de invloed van de demografische transitie op de markt, verlangen gemeenten van de Provincie dat zij die rol als regisseur oppakt. 3.3.1 Omgevingsvisie Limburg In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg geeft de provincie haar lange termijn visie. Deze Omgevingsvisie dient als vervanging van de provinciale Omgevingsvisie POL2014. De nieuwe Omgevingsvisie Limburg heeft betrekking op het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net als waarden zoals kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders én de samenleving als geheel. De visie heeft betrekking op drie hoofdopgaven: 1. 2. 3.

een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als landelijk gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie

De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden én door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht. Concreet ten aanzien van wonen wordt een passend aanbod van woningen nagestreefd in zowel steden als dorpen. De overgangen tussen bebouwde gebieden en het landelijk gebied zijn optimaal ingericht voor stads(kringloop)landbouw, recreatie, natuur- en landschapsbeleving en klimaatadaptieve voorzieningen. Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Voor zover relevant voor onderhavig planvoornemen gaat het over: het nastreven van een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, waarbij de inrichting en ontsluiting van gebieden uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal.

Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk. Meer stad, meer land. We koesteren de variatie in gebieden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld.

28

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. We zetten in op een sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In onze afwegingen betrekken we naast de impact op mens, economie en welvaart ook de impact op de omgeving en het milieu. We streven naar functiecombinaties en benutten bestaande functies optimaal. Wonen en leefomgeving Een woningaanbod en planvoorraad waarbij vraag en aanbod goed in evenwicht zijn is benoemd als provinciaal belang. Dat evenwicht is nodig op zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. Kortgezegd: voldoende (betaalbare) woningen, op het juiste moment beschikbaar, op de juiste locatie en van de juiste kwaliteit. De provincie wil het voorgaande graag samen met haar partners. Het streven is een leefomgeving te (blijven) bieden waar mensen zich prettig voelen en waarin mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving, die past bij zowel hun mogelijkheden als hun levensfase. Daarbij gaat het niet alleen om de spreekwoordelijke stenen, maar door in samenhang naar woonopgaven te kijken, leggen we op wijk-/buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus.

Daarmee willen we verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op een woningbouwontwikkeling op een inbreidingslocatie. Door een braakliggend terrein midden in een bestaande woonwijk in de kern Brunssum te herbestemmen, wordt opnieuw invulling gegeven aan onbenutte ruimte binnen een stedelijk gebied. Hiermee wordt zorgvuldig en duurzaam omgegaan met de beschikbare ruimte binnen het grondgebied van de gemeente Brunssum. Daarnaast wordt met het planvoornemen tegemoetgekomen aan de lokale woningbehoefte, namelijk sociale huurwoningen (appartementen/nultreden) bij senioren, door met onderhavig plan te voorzien in de realisatie van 39 huurwoningen in het segment 'sociale huur'. Bovendien wordt met de inrichting van de openbare ruimte en door het realiseren van de nodige groenvoorzieningen, een inclusieve, gezonde en veilige samenleving nagestreefd, door de omgeving de gelegenheid te bieden en uit te nodigen tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid. Conclusie Gezien het voorgaande past het planvoornemen goed binnen de uitgangspunten van de provinciale omgevingsvisie. Die visie vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan de provincie Limburg. Op de resultaten daarvan wordt ingegaan in paragraaf 7.2 van deze toelichting. 3.3.2 Limburg Agenda 2030 Limburg moet mee kunnen bewegen met alle veranderingen in onze samenleving. Op cultureel, economisch én sociaal gebied. De Provincie Limburg heeft daarom het initiatief genomen om met de Limburgse samenleving in gesprek te gaan over de uitdagingen van de toekomst. Met de Limburg Agenda is daarmee een begin gemaakt, door samen te kijken naar de vraag: Hoe kan Limburg in 2030 eruit zien? In de Limburg Agenda worden keuzes voor het Limburg van morgen. Die keuzes zijn richtinggevend, maar niet allesbepalend. De agenda is bedoeld om Limburg te laten inspelen op de uitdagingen van de toekomst, door mensen en organisaties samen te brengen, elkaar te inspireren en uiteindelijk elkaars krachten te bundelen. Niet alleen nu, voor de totstandkoming van deze agenda, maar vooral ook voor straks. De Limburg Agenda gaat uit van een centraal thema 'Vernieuwing' en is uitgewerkt in vier inhoudelijke thema's: Limburg in beweging

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

29

Glokale productie en consumptie Ontbinding en nieuwe verbinding Een digitale sprong in de toekomst Raakvlakken tussen de Agenda en dit planvoornemen zijn er op het gebied van de energietransitie en circulaire economie (thema 2), onderwerpen en opgaven die nadrukkelijk onderdeel zijn van het totale project. De andere thema's vormen geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Daarmee sluit het planvoornemen aan bij het perspectief voor het Limburg van 2030. 3.3.3 Omgevingsverordening Limburg Gelijktijdig met de vaststelling van het POL2014 is door Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld, die nadien nog enkele malen is gewijzigd. Deze verordening voorziet in de borging van provinciale belangen die voortvloeien uit het POL en in de juridische borging van de eerder met de Limburgse gemeenten gemaakte bestuursafspraken over c.q. de regionale structuurvisies voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hoewel het POL2014 als strategische visie van de provincie in aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet inmiddels is vervangen door de Omgevingsvisie Limburg (zie paragraaf 3.3.1), is de huidige provinciale verordening nog gebaseerd op het POL2014.

Wel is de verordening recent aangevuld met enkele nieuwe onderwerpen, waardoor de verordening beter aansluit op de actuele Omgevingsvisie, in afwachting van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de in voorbereiding daarop reeds vastgestelde nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021). De betreffende nieuwe hebben betrekking op huisvesting van internationale werknemers, na-ijlende gevolgen van steenkolenwinning, zonne-energie, intensieve veehouderij, het voorkomen van eventuele verstoringen binnen het zoekgebied voor de Einstein-telescoop en klimaatadaptatie. Voor dit bestemmingsplan en het plangebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft, zijn de navolgende bepalingen uit de verordening (in beginsel) van belang.

Artikel 2.4.2 Wonen In de verordening is bepaald dat uit de toelichting op een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, dat voorziet in de toevoeging van woningen, dient te blijken dat: het plan past binnen de kaders van de provincie Omgevingsvisie; de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte blijkt uit een actueel, onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; over die behoefte overeenstemming bestaat binnen de regio Zuid-Limburg; het plan is opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg; realisatie is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en, wanneer die termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer die mogelijkheden weer komen te vervallen. Uit paragraaf 3.3.1 van deze toelichting blijkt dat het planvoornemen past binnen de kaders van de provinciale Omgevingsvisie. De behoefte aan de woningen die dit plan mogelijk maakt is onderbouwd in paragraaf 3.2.3, in samenhang met de paragrafen 3.4 Regionaal beleid en 3.5 Gemeentelijk beleid. Daaruit blijkt dat de behoefte blijkt uit een actueel en onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek en ook dat over die behoefte regionaal overeenstemming bestaat. De maximaal 39 woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn voorts ook opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg. Realisatie van de beoogde woningen is voorzien binnen 5 jaar.

Mochten de woningen onverhoopt niet binnen 5 jaar na vaststelling van dit plan worden gerealiseerd, dan wordt na verloop van die periode heroverwogen of de planologische mogelijkheden behouden blijven of dat ze dienen te vervallen wegens een gebrek aan behoefte.

30

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is ook nogmaals geborgd dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals die is geborgd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en daarin is onderbouwd dat daaraan wordt voldaan. De extra trede die door de provincie Limburg is toegevoegd aan de Ladder betreft de afweging of het plan kan worden gerealiseerd door herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale of beeldbepalende panden aanwezig die leegstaand zijn en aan voornoemde uitgangspunten kunnen voldoen.

Artikel 2.16.1 Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Deze instructieregel vraagt gemeenten waar in het verleden steenkolenwinning heeft plaatsgevonden (waaronder Brunssum) om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. In de toelichting op dit bestemmingplan wordt daarin voorzien in paragraaf 4.3 Bodem.

Artikel 2.18.2 Beschermingsgebied Einstein Telescope In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interfererende activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Onderhavig plangebied ligt echter buiten het aangegeven beschermingsgebied.

Artikel 2.19.1 Klimaatadaptatie Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte). Onderhavig plangebied ligt niet een gebied dat gevoelig is voor overstromingen. Droogte en wateroverlast wordt zoveel mogelijk voorkomen door de binnen het plangebied aanwezige openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatadaptief in te richten. Zo wordt voorzien in de nodige groenvoorzieningen, waarin ook is voorzien in de benodigde bergingscapaciteit om (extreme) regenbuien goed te kunnen opvangen.

Conclusie Onderhavig planvoornemen voldoet dus aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren:

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

31

Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen, met voor de overige kernen een goed functionerend en aantrekkelijk woonklimaat; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: 1. Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. 2.

Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. 3. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. 4. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding. Het planvoornemen heeft hoofdzakelijk betrekking op het derde thema ´Wonen´. Voor dit thema heeft sinds 2009 verdere uitwerking plaatsgevonden in regionale nota's als de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en het Regionaal woonbeleid, welke aan bod zullen komen in het vervolg van dit hoofdstuk.

Uitwerking op gemeentelijk niveau heeft vervolgens plaatsgevonden in onder meer de Structuurvisie Brunssum, waarover meer in paragraaf 3.5. Het planvoornemen betreft de realisatie van 39 woningen in de vorm van een appartementencomplex op een inbreidingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Door te kiezen voor herstructurering in plaats van uitbreiding past het planvoornemen goed binnen het derde thema 'Wonen'. Tevens wordt tegemoetgekomen aan de lokale woningbehoefte door te voorzien huurwoningen in het segment 'sociale huur' met een huurprijs rond de hoge aftoppingsgrens. Bovendien wordt voorzien in een sterke kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte, mede door een braakliggend terrein zorgvuldig in te richten en te voorzien van de nodige water- en groenvoorzieningen.

32

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Entree Dorpstraat

Conclusie Het planvoornemen sluit goed aan op de uitgangspunten uit de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg. De structuurvisie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 3.4.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg In deze regionale structuurvisie, die op 11 oktober 2016 is vastgesteld door de raad van Brunssum, maken de 16 Zuid-Limburgse gemeenten onderlinge afspraken over de wijze waarop de transformatie van de woningvoorraad in Zuid-Limburg gestalte dient te krijgen. De woningmarkt in Zuid-Limburg heeft te maken met een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch: er zijn te veel woningen en tevens sluit het aanbod niet meer aan op de toekomstige vraag. Daarom worden er afspraken gemaakt over een gezamenlijke aanpak. In de visie wordt op hoofdlijnen de gewenste kwaliteitsslag beschreven die nodig is om het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. De belangrijkste conclusies hierbij zijn, dat de grootste problemen thans optreden in het particulier bezit en dat er naar verhouding meer huurwoningen gewenst zijn. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden. Het belangrijkste uitgangspunt daarbij is evenwel dat de woningvoorraad in omvang niet meer mag groeien, dit om te voorkomen dat de leegstand toeneemt. Leegstand leidt tot verloedering en ook tot waardedaling.

Dit basisprincipe leidt ertoe dat nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad zullen moeten worden gecompenseerd, hetzij met sloop, hetzij met het schrappen van harde bouwtitels, hetzij met een financiële bijdrage (waarmee sloop kan worden gefinancierd). Voor iedere gemeente wordt daarom aan de hand van actuele demografische gegevens en leegstandscijfers een transformatieopgave afgesproken, zijnde de kwantitatieve koers die de gemeente dient te varen. Die kwantitatieve koers moet worden beschouwd als richtinggevend wat betreft het maken van beleidsmatige keuzes en niet als een harde slooptaakstelling. De transformatieopgave wordt tweejaarlijks herijkt. Gemeenten worden verplicht een woningbouwprogrammering op te stellen welke is geënt op zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgaven. In de Structuurvisie Wonen Zuid-limburg staat de transformatieopgave per gemeente centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. Om de gewenste kwantitatieve omvang van de woningvoorraad te bepalen wordt de transformatieopgave per gemeente uit de Woonmonitor gebruikt als de kwantitatieve koersbepalende opgave om te komen tot een gezonde woningmarkt met voldoende marktspanning. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een gezonde frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=281711a7-c8ec-442f-bdbb-fae30fc227ed