CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 202598459 (bijlage) 1. Conceptaanvraag gemeente Brunssum Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek

Raadsvergadering 9 december 2025, gemeente BrunssumBij agendapunt: Raadsvoorstel WBMGP/Parkstadwet23.500 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1.6 Afstemming en draagvlak Brunssum staat niet alleen in het indienen van een aanvraag voor invoering van de Wbmgp: ook omliggende stedelijke Parkstad-gemeenten met vergelijkbare problematiek bereiden Wbmgpaanvragen voor. Gemeente Heerlen heeft het voortouw genomen met een aanvraag voor 19 buurten en 44 straten, overwegend in Heerlen Noord. Eveneens bereidt gemeente Kerkrade een aanvraag voor. Brunssum sluit qua aanpak aan bij de lijn van Heerlen en stemt dit ook af met gemeente Kerkrade, zodat regionaal een consistente uitvoering ontstaat en de maatregelen elkaar versterken. Er is nauwe regionale afstemming om een gezamenlijke lijn te volgen en zo veel mogelijk te

37

voorkomen dat problemen zich simpelweg verplaatsen naar een buurgemeente in Parkstad zonder maatregelen. Daartoe hebben we aanvullende afspraken gemaakt, bijvoorbeeld in de regionale Toekomstvisie Wonen, Welzijn en Zorg die is opgesteld door de Parkstad-gemeenten, de in de regio actieve woningcorporaties, hun huurdersorganisaties en zorgpartijen en welzijnsorganisaties. In deze visie erkennen wij onder andere: •

• • •

Overconcentraties van kwetsbaarheid leiden tot een neerwaartse spiraal, die gezondheid en leefbaarheid ondermijnen. De veerkrachtkaarten maken dergelijke (over)concentraties in onze regio inzichtelijk. Om neerwaartse spiralen te stoppen en te voorkomen is het van groot belang om die overconcentraties te vermijden, en waar ze al bestaan af te bouwen door middel van differentiatie. dat groei bij uitstek biedt de gelegenheid biedt om beter te mengen, zonder de huidige gemeenschap te verdringen én zonder nieuwe overconcentraties te organiseren zelfs als Parkstad alle “vragers” in onze gemeenschappen morgen optimaal zou mengen met “dragers”, zouden wij als regio een buitenproportioneel grote groep kwetsbare huishoudens huisvesten. Naast onze binnenregionale omgang met dit vraagstuk op basis van “fair share”, is het ook zaak dat wij in gezamenlijkheid optrekken richting omliggende regio’s, de provincie, en het Rijk om te benadrukken dat andere (sub)regio’s óók hun volkshuisvestelijke verantwoordelijkheid nemen.

Daarom hebben wij afgesproken dat fair share onder geen beding mag uitmonden in de verplaatsing van overconcentraties van buurt, wijk, of gemeente A naar B. Overconcentraties van kwetsbaarheid zijn namelijk nergens gewenst. Omdat “kwetsbaarheid” al snel een subjectieve categorie kan worden, omarmen we daarbij 2 objectieve maatstaven die het mogelijk maken een buurt of wijk op veerkracht te toetsen: 1) de zogenaamde SES-WOA score die sociaaleconomische veerkracht laat zien, en 2) de objectieve factoren onder de Leefbaarometer. Wanneer deze twee maatstaven voor een buurt of wijk ondergemiddeld zijn, kiezen we er in beginsel voor om geen huisvesting voor de genoemde aandachtsgroepen toe te voegen. Daarnaast hebben de gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties van Parkstad op regionaal niveau meerjarige prestatieafspraken gemaakt voor de periode 2024-2028. Eén van deze afspraken ziet toe op het tijdelijk ontzien van gebieden waarbij de leefbaarheid onder druk staat, door daar tijdelijk geen bewoners in een kwetsbare situatie te huisvesten. Ook is het beleidskader ‘maatwerktoewijzen’ opgesteld zodat huurwoningen in deze gebieden gerichter kunnen worden toegewezen. In aanloop naar deze aanvraag heeft de gemeente Brunssum intensief overleg gevoerd in de stuurgroep WBMGP Heerlen-Noord met lokale partners.

De in de gebieden actieve woningcorporaties (Weller, Wonen Zuid, Wonen Limburg en Vincio Wonen voor wat betreft Brunssum) zijn daarin en in de werkgroepen nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van de aanvragen in Heerlen, Brunssum en Kerkrade en staan in ruime meerderheid positief tegenover de inzet van de Wbmgp. Zij zien deze als een logische versterking van de bestaande wijkaanpak en als extra instrument om woonoverlast en instabiliteit tegen te gaan. Afspraken worden nader gemaakt over de praktische uitvoering, zoals het opnemen van voorrangsetiketten in woningadvertenties en het handhaven van de huisvestingsvergunningplicht in het corporatiebezit. Ook is ambtelijk en bestuurlijk afgestemd met de politie inzake artikel 10 (screening). De politie zal de benodigde gegevens aanleveren en samen met de gemeente ervoor zorgen dat overlastgevers in beeld zijn. De

38

politie onderschrijft dat de Wbmgp-maatregel kan bijdragen aan het vergroten van de veiligheid in deze wijken. Daarnaast is de Stadsregio Parkstad Limburg betrokken. Binnen de stadsregio (en in afstemming met de Provincie Limburg) is afgesproken om gezamenlijk op te trekken bij dit soort woningmarktingrepen. Via de bestuurscommissie Wonen en Herstructurering van de Stadsregio zijn alle Parkstadse gemeenten aangehaakt bij de voornemens van Heerlen, Kerkrade en Brunssum om de Wbmgp in te voeren. Deze regionale solidariteit zorgt ervoor dat alle gemeenten een deel van de verantwoordelijkheid dragen voor het huisvesten van kwetsbare groepen, en dat bepaalde buurten tijdelijk ontzien kunnen worden zonder dat één gemeente onevenredig belast wordt. Zoals genoemd heeft Brunssum haar aanvraag inhoudelijk afgestemd met Heerlen en Kerkrade en sluit ook qua aanpak aan bij de lijn van Heerlen, zodat regionaal een consistente uitvoering ontstaat en de maatregelen elkaar versterken. Dit betekent bijvoorbeeld dat definities (zoals wat telt als “inkomen uit arbeid” of de criteria voor lokale binding) zoveel mogelijk gelijk worden gehouden, zodat er geen mismatches in uitvoering ontstaan tussen de buurgemeenten. Eveneens heeft er op bestuurlijk niveau overleg plaatsgevonden tussen gemeente Brunssum en Provincie Limburg, gezien de Provincie een adviserende taak heeft.

Voor Limburg hecht de Provincie groot belang aan het verbeteren van de leefbaarheid en het waarborgen van de sociale samenhang in kwetsbare wijken. Provincie Limburg onderstreept dan ook de noodzaak om in Brunssum de Wbmgp toe te passen op onze kwetsbaarste buurten en heeft daartoe een steunverklaring afgegeven. Landelijk onderzoek toonde ook aan dat er over het algemeen veel draagvlak is onder bewoners én professionals in aangewezen gebieden voor de Wbmgp; men ziet het instrument niet als discriminatie, maar als noodzakelijke bescherming van de wijk. Uiteraard blijft het belangrijk om de maatregel zorgvuldig te communiceren. De gemeente zal de betrokken inwoners blijven informeren en betrekken gedurende de uitvoering, zodat misvattingen worden weggenomen en suggesties of zorgen kunnen worden meegenomen. Het uitgangspunt is en blijft dat de bestaande bewoners centraal staan: de Wbmgp-aanpak is er juist op gericht hun leefomgeving te verbeteren en hen meer kansen te bieden. Daarnaast erkennen wij ook dat de aanzuigende werking van deze gebieden (door onder andere de goedkope woningvoorraad) op kwetsbare mensen van buiten de regio en de inperking daarvan, hen ook beschermt tegen een leefomgeving die hen niet ten goede komt. Door de Wbmgp in de hierboven beschreven buurten in te voeren, komen deze mensen terecht in meer veerkrachtige gebieden.

“De oostkant van de regio valt niet alleen op omdat hier veel buurten zeer veel slechter scoren dan het Nederlandse gemiddelde, maar ook omdat het een zo groot en aaneengesloten gebied betreft. Wie van Kerkrade-Zuid, via het centrum van Heerlen naar Brunssum-Oost fietst, komt bijna nergens door een gebied dat bovengemiddeld scoort.

39

Kinderen die hier opgroeien zouden de mate van overlast en onveiligheid zomaar als ‘normaal’ kunnen beschouwen”.11

2. Toetsing aan de beginselen In artikel 6 van de Wbmgp is bepaald dat de gemeenteraad in de aanvraag tot gebiedsaanwijzing voldoende aannemelijk moet maken dat aan de volgende criteria is voldaan: • • • •

Noodzakelijkheid: de aanwijzing is noodzakelijk om de grootstedelijke problematiek te bestrijden. Geschiktheid: de aanwijzing is geschikt om de beoogde problemen aan te pakken. Subsidiariteit: er is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel – eerst zijn lichtere/gewone middelen uitgeput; de Wbmgp-maatregel wordt alleen ingezet als zwaarder middel dat aantoonbaar nodig is. Proportionaliteit: de maatregel staat in redelijke verhouding tot het doel; rechten van betrokkenen worden zoveel mogelijk geborgd en er zijn voldoende alternatieven voor hen die geraakt worden; de duur en reikwijdte van de aanwijzing zijn niet ruimer dan noodzakelijk.

In de onderstaande paragrafen wordt ieder van deze punten voor Brunssum nader onderbouwd op basis van de lokale situatie en beschikbare data.

2.1 Noodzakelijkheid De gemeente Brunssum acht de inzet van de Wbmgp noodzakelijk voor de zes aangewezen buurten, omdat de situatie in deze gebieden zonder deze extra maatregel naar verwachting verder zal verslechteren. Uit de analyse van de veerkrachtkaarten11 blijkt dat in Brunssum zowel de foto – de huidige situatie – als de film – de ontwikkeling gemeten over een periode van negen jaar – verslechtert. Hoewel Brunssum al intensief investeert in de wijken en buurten (zie paragraaf 2.3 Subsidiariteit), blijven de kernproblemen bestaan en dreigen zij zich te verdiepen én uit te breiden naar omliggende buurten. Dit hebben wij uitgebreid geadresseerd in paragraaf 1.2 Situatieschets geselecteerde buurten. Onderstaande onderbouwing dient dus in combinatie met de onderbouwing in paragraaf 1.2 gezien te worden. Op basis van de

11

Analyse Veerkrachtkaarten Stadsregio Parkstad Limburg, Circusvis, februari 2025.

40

2.1.1 Veerkrachtkaarten In paragraaf 1.2.1 zijn de selectiecriteria toegelicht. Buurten zijn geselecteerd als 25% of meer van een buurt rood of donkerrood kleurt, waarbij enkel de Streek gemotiveerd is toegevoegd aan deze selectie. In onderstaande tabel zijn de scores per buurt opgenomen: Tabel 2: Indicatoren Veerkrachtkaarten per buurt

De betreffende buurten vertonen op sociaaleconomisch vlak een aantal zorgelijke patronen. Zo is het aandeel inwoners met een laag inkomen relatief hoog en ligt de arbeidsparticipatie juist beduidend lager dan gemiddeld. Ook scoren deze gebieden laag op de SES-WOA-indicatoren van het CBS, wat duidt op een kwetsbare sociaal-economische positie. Daarnaast wijken zij in negatieve zin sterk af van het landelijk gemiddelde in de Leefbaarometer 3.0. Samen geven deze gegevens een samenhangend beeld van de problematiek in deze buurten. In de onderstaande tabellen zijn de cijfers per indicator weergegeven, te beginnen met de resultaten van de Leefbaarometer.

2.1.2 Leefbaarometer De Leefbaarometer laat zien hoe de situatie van de leefbaarheid in de buurt is en hoe die zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Om te bepalen in hoeverre een gebied positief of negatief scoort op de Leefbaarometer wordt gebruik gemaakt van 45 typen omgevingskenmerken die zijn samengesteld uit 94 onderliggende variabelen (voornamelijk afkomstig uit landelijke registraties). De omgevingskenmerken worden onderverdeeld in 5 leefbaarheidsdimensies: woningvoorraad, fysieke omgeving, voorzieningen, sociale samenhang en overlast en onveiligheid12. In tabel 3 wordt voor de betreffende buurt de afwijking ten opzichte van het landelijk gemiddelde getoond voor de totaalscore van de Leefbaarometerklasse. Tabel 3: Totaalscore Leefbaarometerklasse peiljaar 202213

Buurt Treebeek-Zuid Rozengaard Lemmender De Streek

Afwijking t.o.v. gemiddelde NL Negatieve afwijking Grote negatieve afwijking Zeer grote negatieve afwijking Grote negatieve afwijking

Score -0.07 -0.14 -0.35 -0.18

“FAQ – Hoe wordt de leefbaarheid gemeten?”, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 2025: Leefbaarometer FAQ. 13 Leefbaarometer | Kaart 12

41

De Eggen Kleikoelen

Grote negatieve afwijking Grote negatieve afwijking

-0.16 -0.20

2.1.3 SES-WOA Zoals in paragraaf 1.1.1 Context beschreven, scoort Brunssum laag op de SES-WOA score. De wijken Brunssum-Noord en Brunssum-Oost scoren echter nóg lager (zie ook Figuur 1 en 2). De score geeft in één oogopslag weer hoe de gemeente, wijk of buurt scoort ten opzichte van andere gemeenten, wijken of buurten. De gemiddelde SES-WOA-score voor heel Nederland is gemiddeld 0. Bij een hogere score zijn de inwoners welvarender en/of hoger opgeleid en/of langduriger aan het werk en bij een lagere score geldt het omgekeerde14. Naast de SES-WOA Score, is ook de spreiding van belang. Deze waarde geeft de mate van ongelijkheid in een regio aan. Het betreft het gemiddelde absolute verschil tussen twee willekeurige huishoudens in een regio. Voor ieder huishouden in een regio wordt het verschil tussen de score van dat huishouden en de scores van alle andere huishoudens in die regio berekend. Hiervan wordt het gemiddelde bepaald. Zo ontstaat voor elk huishouden een gemiddeld verschil met de andere huishoudens. Tot slot wordt daarvan weer het gemiddelde bepaald over alle huishoudens in de regio. Onderstaande tabel laat zien dat de geselecteerde buurten fors lager dan gemiddeld scoren ten opzichte van Nederland op gebied van welvaart, opleiding en arbeidsparticipatie.

Ook de spreiding geeft aan dat deze buurten in vergelijking met andere buurten in de regio erg afwijken in negatieve zin ten aanzien van voorgenoemde indicatoren. En dat terwijl de regio Parkstad al onder druk staat en vaak ‘onderaan de slechte lijstjes staat’. Tabel 4: sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 202315

Buurt Treebeek-Zuid Rozengaard Lemmender De Streek De Eggen Kleikoelen

SES-WOA Score -0.403 -0.442 -0.652 -0.212 -0.440 -0.714

Spreiding 0.928 0.892 0.885 0.868 0.922 0.886

2.1.4 Arbeid en inkomen In paragraaf 1.2 hebben we per buurt al de percentages Netto arbeidsparticipatie en Laag inkomen weergegeven. In onderstaande tabel hebben we daaraan ook nog het percentage arbeidsongeschiktheid, het gemiddeld inkomen per inwoner, het percentage huishoudens met een laag inkomen en het percentage huishouders onder or rond het sociaal minimum toegevoegd, afgezet tegen het Nederlands gemiddelde van deze categorieën. De hierboven genoemde categorieën worden als volgt gedefinieerd: •

Arbeidsongeschiktheid: Het percentage van het aantal inwoners vanaf 15 jaar dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt in het kader van de Wet op de

“Hoe interpreteer je de SES-WOA-scores en hoe zijn deze bepaald?”, CBS, 2025: Hoe interpreteer je de SES-WOA-scores en hoe zijn deze bepaald? | CBS 15 StatLine - Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2023 14

42

• •

• •

•

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (wet Wajong). Netto arbeidsparticipatie: Dit betreft het aandeel in % van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). De netto arbeidsparticipatie is vermeld als percentage van het totaal aantal personen van 15 tot 65 jaar. Aandeel inwoners met Laag inkomen: Een laag inkomen betreft het aandeel personen in particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 40% personen met het laagste persoonlijk inkomen. Het persoonlijk inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag). Gemiddeld inkomen per inwoner: Het rekenkundig gemiddeld persoonlijk inkomen per persoon op basis van de totale bevolking in particuliere huishoudens. Huishoudens met een laag inkomen: De doelpopulatie bestaat dan ook uit particuliere huishoudens waarvan de hoofdkostwinner (of eventuele partner) het gehele jaar inkomen heeft en niet afhankelijk is van studiefinanciering.

Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het inkomen van een huishouden omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen (exclusief eventueel ontvangen huurtoeslag). Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met het prijsindexcijfer) herleid naar het prijspeil in 2000. Het resulterende gestandaardiseerde en gedefleerde inkomen is laag wanneer het minder is dan 9249 euro. Deze grens komt ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979 toen deze op zijn hoogst was. Huishoudens onder/rond sociaal minimum: Het sociaal minimum is het wettelijk bestaansminimum zoals dat in de politieke besluitvorming is vastgesteld. Om te kunnen beoordelen hoe het inkomen zich verhoudt tot het minimum, is aan de hand van de regelgeving vastgesteld welke norm voor het desbetreffende huishouden van toepassing is. De norm voor een (echt)paar met uitsluitend minderjarige kinderen is bijvoorbeeld gelijkgesteld aan de bijstandsuitkering van een echtpaar, aangevuld met de (leeftijdsafhankelijke) kinderbijslag. Bij 65-plussers is het bedrag aan AOW-pensioen als norm gekozen. Het waargenomen inkomen van huishoudens, die uitsluitend op een bijstandsuitkering zijn aangewezen, wijkt in veel gevallen in geringe mate af van de vastgestelde normbedragen.

Zouden de normbedragen als inkomensgrens worden gehanteerd, dan komt een deel van deze huishoudens met hun inkomen net boven het sociale minimum uit. Daarom is niet 100%, maar 101% van het sociaal minimum als inkomensgrens gehanteerd.

Tabel 5: indicatoren t.a.v. arbeid en inkomen per buurt t.o.v. Nederlands gemiddelde op basis van CBS-data peiljaar 2022

Nederland → Buurt in Brunssum↓ TreebeekZuid Rozengaard Lemmender

Arbeidsongeschiktheid

Netto arbeidsparticipatie

Aandeel inwoners Laag inkomen

Gem. inkomen per inwoner x€1000

% Huish. met een laag inkomen

% Huish. onder/rond sociaal minimum

5%

71%

40%

30.8

4.2%

6.3%

12%

58%

51%

23

5.8%

9.2%

12% 15%

55% 42%

54% 58%

22.1 23.7

6.2% 8.6%

10.5% 17.3%

43

De Streek De Eggen Kleikoelen

10% 15% 18%

67% 57% 50%

43% 54% 61%

27.3 20.4 19.3

3.7% 7.2% 6.7%

6.5% 9.8% 15.1%

Daarnaast hebben we ook gekeken naar het percentage mensen dat in deze buurten afhankelijk is van een uitkering op basis van CBS-data, wederom voor peiljaar 2022. Die gegevens hebben we nader gespecificeerd voor een viertal uitkeringen: Werkloosheidsuitkering, Bijstandsuitkering, Arbeidsongeschiktheidsuitkering en de AOW-uitkering. Het is mogelijk dat een persoon aanspraak maakt op meer dan één uitkering. Dat kunnen uitkeringen zijn van eenzelfde soort (bijvoorbeeld twee arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: WIA, WAZ, Wajong of WAO) of twee uitkeringen van verschillend type (zoals een WW en een bijstandsuitkering). In het laatste geval wordt de persoon bij beide soorten uitkeringen meegeteld. In het eerste geval slechts één keer (bij de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen). Daarnaast merken we op dat de indicator arbeidsongeschiktheid uit de vorige tabel, overeenkomt met het percentage inwoners dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Voor de overzichtelijkheid is deze indicator ook meegenomen in de volgende tabel. De uitkeringen zijn als volgt gedefinieerd:

• •

•

•

Werkloosheidsuitkering: Het aantal personen dat een uitkering ontvangt in het kader van de Werkloosheidswet (WW) in procenten van het aantal inwoners van 15 jaar en ouder. Bijstandsuitkering: Het aantal personen dat een bijstandsuitkering in het kader van de Participatiewet (PW) ontvangt in procenten van het aantal inwoners van 15 jaar en ouder. Personen met een uitkering die verblijven in een instelling, de elders verzorgden, zijn niet inbegrepen. Ook dak- en thuislozen met bijstand zijn niet inbegrepen. Arbeidsongeschiktheidsuitkering: Het aantal personen dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (wet Wajong) in procenten van het aantal inwoners van 15 jaar en ouder. AOW-uitkering: Het aantal personen dat een uitkering ontvangt in het kader van de Algemene ouderdomswet (AOW).

Tabel 6: percentages uitkeringsontvangers per uitkering, per buurt t.o.v. Nederlands gemiddelde op basis van CBSdata peiljaar 2022

Nederland → Buurt in Brunssum↓ TreebeekZuid Rozengaard Lemmender De Streek

% inwoners met een werkloosheidsuitkering

% inwoners met een bijstandsuitkering

1%

3%

1% 1% 1% 1%

% inwoners met een arbeidsongeschiktheidsuitkering

% inwoners met een AOWuitkering

Totaal % inwoners met een uitkering

5%

22%

31%

6%

12%

24%

43%

6% 8% 4%

12% 15% 10%

24% 38% 22%

43% 62% 37%

44

De Eggen Kleikoelen

1% 2%

7% 7%

15% 18%

17% 25%

40% 52%

Figuur 12: Percentage bijstandsgerechtigden van inwoners van 18-66 jaar ten opzichte van het Nederlands gemiddelde, per buurt, Bureau Louter, 2024.

45

Figuur 13: Percentage bijstandsgerechtigden van inwoners van 18-66 jaar ten opzichte van het gemiddelde van Parkstad Limburg, per buurt, Bureau Louter, 2024.

De cijfers uit bovenstaande tabellen en kaarten maken duidelijk dat de zes geselecteerde buurten in Brunssum op meerdere vlakken aanzienlijk zwakker scoren dan het landelijke gemiddelde. Arbeidsongeschiktheid ligt in alle buurten structureel hoger: waar Nederland gemiddeld 5% kent, liggen de percentages in Brunssum tussen de 10% en 18%. Dat betekent dat de arbeidsongeschiktheid in deze buurten minstens het dubbele maar in een enkel geval ook bijna het vierdubbele van het Nederlands gemiddelde betreft. In het verlengde daarvan ligt dan ook de netto arbeidsparticipatie die in deze buurten flink achterblijft. Landelijk is deze 71%, maar in deze buurten varieert dit van slechts 42% in Lemmender tot maximaal 67% in De Streek. Met name Lemmender en Kleikoelen laten een zorgwekkend beeld zien, waarbij hooguit de helft van de inwoners actief is op de arbeidsmarkt. We zien dan ook voor wat betreft de bijstandsuitkeringen een hoger percentage dan gemiddeld terug: bijna in elke buurt is het percentage het dubbele of hoger dan het landelijk gemiddelde, zoals ook te zien is in figuur 13. Figuur 14 laat vervolgens zien dat dit percentage ook nog fors hoger is wanneer Brunssum vergeleken wordt met de regio Parkstad, die landelijk toch al vaak slechter scoort op tal van indicatoren. Wat betreft het aandeel inwoners met een laag inkomen, zien we opnieuw forse afwijkingen.

Het landelijke percentage is 40%, terwijl in alle buurten dit aandeel significant hoger ligt — met pieken tot 61% in Kleikoelen en 58% in Lemmender. Ook het gemiddelde inkomen per inwoner ligt in elke buurt drastisch lager dan landelijk terwijl het percentage huishoudens onder of rond het sociaal minimum veel hoger ligt. Dat laatste is ook het geval voor het percentage huishoudens met een laag inkomen, met uitzondering van de Streek met 3.7% versus 4.2% landelijk.

2.1.5 Onderwijs en Jeugdzorg Ook onderwijsindicatoren en jeugdzorg laten een zorgelijk beeld zien. We hebben gekeken naar indicatoren die op buurtniveau beschikbaar zijn zoals basis opleidingsniveau en jongeren met jeugdzorg, maar ook naar indicatoren die enkel per gemeente beschikbaar zijn zoals NEET’s, en gerealiseerde jeugdzorgkosten per 1000 inwoners. • •

Basis opleidingsniveau: Het aantal personen die op 1 oktober tussen de 15 en 75 jaar oud waren en waren ingeschreven in een Nederlandse gemeente, waarvan het hoogst behaalde onderwijsniveau basisonderwijs, vmbo of mbo1 betreft. Jongeren met jeugdzorg: Dit percentage heeft betrekking op personen tot 18 jaar die op enig moment in de verslagperiode gebruik gemaakt hebben van jeugdhulp, jeugdbescherming of jeugdreclassering. In uitzonderlijke gevallen wordt de hulp of zorg voortgezet tot de leeftijd van 23 jaar. In % van alle jongeren tot 23 jaar.

Tabel 7: percentages laag onderwijsniveau en jongeren met jeugdzorg, CBS peildatum 2022 % Laag onderwijsniveau Nederland → Buurt in Brunssum↓ TreebeekZuid Rozengaard

% jongeren met jeugdzorg

26%

10.7%

33%

18.8%

40%

13%

46

Lemmender

34% 10% 29% 6.4% De Eggen 37% 19.5% Kleikoelen 47% 33.3% De gegevens uit tabel 7 onderstrepen dat alle buurten in deze aanvraag aanzienlijk ongunstiger scoren dan het landelijke gemiddelde op het gebied van opleidingsniveau en bijna alle buurten slechter scoren op het gebruik van jeugdzorg. Waar landelijk gemiddeld 26% van de bevolking een laag opleidingsniveau heeft, ligt dit aandeel in alle onderzochte Brunssumse buurten hoger. In buurten als Kleikoelen, Rozengaard en De Eggen is dit aandeel zelfs substantieel hoger: 47%, 40% en 37% respectievelijk. Ook de buurten met relatief lagere percentages – zoals De Streek 29% – blijven nog steeds boven het landelijke cijfer. Een vergelijkbaar patroon is zichtbaar bij het aandeel jongeren dat gebruikmaakt van jeugdzorg. In Nederland ontvangt gemiddeld 10,7% van de jongeren jeugdzorg; in meerdere Brunssumse buurten ligt dit aandeel fors hoger. Kleikoelen kent met 33,3% een uitzonderlijk hoog percentage jongeren dat afhankelijk is van jeugdzorg. Ook De Eggen en TreebeekZuid laten met 19,5% en 18,8% respectievelijk zorgwekkende cijfers zien. De relatief lage percentages Jeugdzorg in Lemmender en De Streek kunnen verklaard worden doordat in deze buurten relatief weinig jongeren wonen. De Streek

Andere noemenswaardige indicatoren die helaas niet per buurt beschikbaar zijn, zijn het aantal NEET’s jongeren (Not in Eduation, Employment or Training), waarbij het gemiddelde van Nederland in peiljaar 2022 806 NEET’s jongeren per 10.000 inwoners tussen de 15-27 jaar is, terwijl dat voor Brunssum 930 per 10.000 inwoners tussen de 15-27 jaar zijn. Ook de gerealiseerde kosten per 1000 inwoners van jeugdzorg zijn voor Brunssum – op gemeente Heerlen na – in peiljaar 2022 het hoogst van de hele provincie Limburg, met €431 per 1000 inwoners voor een totaalbedrag van €11.930.000. Om dit cijfer in nog breder perspectief te plaatsen hebben we ook gekeken naar hoe Brunssum landelijk scoort op het gebied van de gerealiseerde jeugdzorgkosten per 1000 inwoners: van de 342 gemeenten zijn er maar 16 gemeenten die meer uitgaven, namelijk Almelo, Doesburg, Eemsdelta, Heerlen, Den Helder, Lelystad, Middelburg(Z.), Oldambt, Pekela, Smallingerland, Stadskanaal, Veendam, Vijfheerenlanden, Vlissingen, Zoetermeer en Zutphen.

2.1.6 Praktijkvoorbeelden In de vorige alinea’s hebben we uitvoerig stilgestaan bij een voornamelijk cijfermatige onderbouwing van de problematiek in deze 6 buurten. Deze problematiek zien wij natuurlijk terug in de dagelijkse praktijk van inwoners en professionals. Hieronder geven wij in aanvulling op de cijfers, een opsomming van hun ervaringen in Brunssum Noord- en Oost weer, in de vorm van citaten ter illustratie van de problematiek. Deze citaten zijn opgehaald voorafgaand aan het opstellen van het Programmaplan Brunssum Noord- en Oost. Ze hebben geleid tot fundamenteel andere keuzes en inzetten van nieuwe instrumenten. De Wbmgp wordt daar een belangrijk onderdeel van. ‘’We zien vaak dat jongeren uit gezinnen met een laag inkomen en waarvan de ouders lager opgeleid zijn minder kansen hebben op een goede toekomst. Ze groeien op met het idee dat er weinig carrièreperspectief is, het daardoor weinig zin heeft om een opleiding te volgen of af te maken, hangen daardoor vaker op straat en hebben uiteindelijk een grotere kans om de criminaliteit in te gaan.’’ – medewerker team veiligheid, toezicht en handhaving

47

“Criminaliteit wordt eigenlijk vaak goed gepraat en niet gemeld wanneer men ziet dat er iets gaande is. De meeste vinden namelijk dat iedereen wel meer mag verdienen, en zolang dat niet het geval is vinden velen het meer dan terecht dat bepaalde criminaliteit plaatsvindt.” – Uitvoerend professional ‘’Een jongeman heeft een verstoord dag- en nachtritme en moet rondkomen van de Wajong uitkering. Door gebrek aan geld is het sowieso lastig om gezonde keuzes te maken. Ook het gezin waarin hij is opgegroeid had te maken met verschillende problemen. Zo heeft zijn moeder een psychische beperking en zijn vader een verslavingsprobleem. Verder was het huis zeer vervuild. Voor hem is er weinig vooruitzicht om zijn leven anders in te richten. Het is dan makkelijker om jezelf te verliezen in bijvoorbeeld gamen, eten bestellen in plaats van zelf koken, etc.’’ – Uitvoerend professional Situatieschets: een jongeman vertelt dat hij net is ontslagen, maar daar weinig last van heeft. Hij gaat niet meer naar school, dat lijkt geen meerwaarde te hebben. Er ontbreekt een perspectief op de toekomst, maar hij vindt dat ook niet relevant. Zijn dagen vult hij nu met vrienden, sportschool en middelgebruik en dat is eigenlijk wel fijn zo. – Uitvoerend professional “Er is geen intrinsieke motivatie om goede scholing te krijgen want er zijn amper banen.

Doordat er geen carrièreperspectief is gaat de jeugd zich vervelen. Ze weten vaak niet goed wat ze met hun toekomst moeten en gaan dan opzoek naar andere manieren om snel geld te verdienen. De normen en waarden van Brunssum zijn heel anders vergeleken met de rest van Nederland, waar bepaalde dingen echt afgekeurd zouden worden.” – Uitvoerend professional “Vroeger werd de buurt netjes gehouden door de inwoners. Er was veel meer gevoel van gezamenlijke verantwoordelijkheid. Mijn buurvrouw en ik hadden bijvoorbeeld zakjes buiten hangen waar jongeren vuilnis in konden doen. Als ze dat deden, kregen ze een kleine beloning van ons, bijvoorbeeld een ijsje. Dat vonden ze hartstikke leuk. Maar de jeugd is verandert nu. Als je ze er nu op aanspreekt dat ze hun rotzooi moeten opruimen, krijg je een grote mond terug.” – Inwoner Brunssum “Vooral de bewoners die al langere tijd in Brunssum wonen, hebben vaak een groot sociaal netwerk. Dit sociale netwerk is doorgaans hecht. We zien dat mensen op elkaar letten en voor elkaar klaar staan. Bij veel verloop neemt die sociale cohesie af.” – uitvoerend professional “Mensen in de wijk letten op elkaar. Ik had een kind dat een “wegloop-fase” had, maar hij kreeg nooit de kans om uit de wijk te glippen omdat iedereen altijd goed op hem lette.

Hij kwam daardoor altijd weer veilig thuis.” – inwoner Brunssum ’De doelgroep die wij begeleiden heeft veel psychische problematiek. Zij krijgen vaak weinig steun vanuit thuis of de omgeving. Deze jongeren hebben vanaf hun 18e een moeilijke start in het volwassen leven. Ze blijven daardoor heel eenzaam en kunnen heel jong al in de schulden raken.’’ – Uitvoerend professional

2.1.7 Conclusie noodzakelijkheid De buurten die in deze aanvraag zijn opgenomen, zijn geselecteerd op basis van dezelfde criteria die de gemeente Heerlen in haar aanvraag heeft toegepast. De problematiek in Heerlen(-Noord) is inmiddels breed erkend en vereist een robuuste aanpak, waarbij toepassing van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) een waardevolle aanvulling vormt. Ook de andere stedelijke gemeenten in de regio Parkstad, Brunssum en Kerkrade, worden

48

geconfronteerd met vergelijkbare problematiek, zij het in een andere omvang. Voor de situatie in Brunssum is dit onderbouwd in paragrafen 1.2 en 2.1. Op basis van de huidige omstandigheden en de negatieve ontwikkeling die in paragrafen 1.2 en 2.1 is onderbouwd, concludeert de gemeente Brunssum dat de geselecteerde zes buurten voldoen aan de eis van noodzakelijkheid voor toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wbmgp. Dit is zowel in het belang van de huidige bewoners én kwetsbare bewoners die een woning zoeken, die beiden recht hebben op een leefbare en veilige buurt. Daarnaast draagt het bij aan het bredere belang van Brunssum om verdere achteruitgang tegen te gaan. Daarbij speelt nog een aanvullende overweging een belangrijke rol: het zogenoemde waterbedeffect. Hoewel dit op zichzelf geen doorslaggevende reden vormt om de Wbmgp in te voeren, versterkt het in Brunssum de noodzaak om de Wbmgp juist in de meest kwetsbare buurten van Brunssum in te zetten. Dit omdat de buurten die het meest onder druk staan in Brunssum, ook de meest goedkope woningvoorraad hebben en andere gebieden in deze regio een relatief kleine sociale woningvoorraad hebben. Hierdoor is de kans reëel dat een aanzienlijk deel van de huishoudens die in Heerlen en/of Kerkrade als gevolg van toepassing van de Wbmgp geen huisvestingsvergunning ontvangen, zich tot Brunssum zal wenden.

Het is dan ook van belang om ervoor te zorgen dat zij niet worden gehuisvest in buurten met vergelijkbare problematiek als die waarop de weigering in Heerlen en/of Kerkrade was gebaseerd. Zij komen dan in een omgeving terecht die hun welzijn niet ten goede komt. Daarnaast pakt Brunssum, evenals gemeente Heerlen en Kerkrade, al sinds jaar en dag haar verantwoordelijkheid ten aanzien van volkshuisvestelijke opgaven in het betaalbare segment, waaronder de sociale huursector. Zelfs als Parkstad alle “vragers” in onze gemeenschappen morgen optimaal zou mengen met “dragers”, zouden wij als regio een buitenproportioneel grote groep kwetsbare huishoudens huisvesten. Het is daarom zaak dat ook andere (sub)regio’s hun volkshuisvestelijke verantwoordelijkheid nemen. Hoewel de Wbmgp daar niet voor kan zorgen, is het een goed begin om te voorkomen dat onze kwetsbaarste buurten verder verslechteren. Zonder deze stap is de vrees dat over enkele jaren de situatie in deze buurten nog schrijnender is, met alle maatschappelijke kosten van dien. Kortom, de Wbmgp-aanwijzing is noodzakelijk om een neerwaartse spiraal te doorbreken die anders zou voortduren.

2.2 Geschiktheid De gemeente Brunssum ziet de inzet van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) als een belangrijk aanvullend instrument binnen de bredere strategische koers die is uitgezet in het Koerskompas voor de komende 25 jaar (zie ook paragraaf 1.1 – Aanleiding en context). De Wbmgp draagt specifiek bij aan de realisatie van meerdere doelen binnen deze langetermijnvisie, te weten: • • •

Doel 1: Een bevolking in balans Doel 5: Gezond samenleven in veerkrachtige wijken Doel 7: Aantrekkelijk wonen in het groen

Ondanks langdurige inspanningen van de gemeente en haar partners om de sociaaleconomische situatie in kwetsbare wijken te verbeteren, blijft de ervaren multiproblematiek hardnekkig en complex. Deze problematiek manifesteert zich op het snijvlak van onder andere leefbaarheid, veiligheid, gezondheid, armoede, participatie en onderwijs. Om hier duurzaam verandering in te

49

brengen, heeft de gemeente Brunssum naast het Koerskompas dat geldt voor héél Brunssum, een integraal gebiedsgericht programma opgezet met een looptijd van 25 jaar, specifiek gericht op Brunssum-Noord en Brunssum-Oost. Binnen dit langjarige gebiedsgerichte programma fungeert de Wbmgp als een gericht beleidsinstrument dat de mogelijkheid biedt om de instroom van sociaaleconomisch kwetsbare huishoudens tijdelijk te beperken. Daardoor kunnen de gemeente en samenwerkingspartners meer effectief investeren in het versterken van de positie van de huidige bewoners. Het maakt het mogelijk om gerichter in te zetten op ondersteuning, zorg, participatiebevordering en veiligheid, en daarmee het fundament te leggen voor stabielere en veerkrachtigere buurten. De inzet van de Wbmgp in de zes kwetsbaarste buurten van Brunssum kan daarom ook op breed draagvlak rekenen bij professionals zoals woningcorporaties, hulpverleners en politie. Gemeente Brunssum heeft namelijk de inzet van de Wbmgp reeds in (onder andere) de regionale werkgroep WBMGP vanuit Heerlen-Noord ambtelijk/bestuurlijk afgestemd met woningcorporaties en politie. De centrale missie van het gebiedsgerichte programma luidt dan ook: “In 2050 hebben de inwoners van Brunssum-Noord en -Oost eigen regie op een stabiel, breed welvarend en gezond leven.”.

Zoals onderbouwd in paragrafen 2.1 en 1.2, is dit toekomstbeeld op dit moment nog niet de realiteit. De inzet van de Wbmgp is dan ook niet op zichzelf staand, maar onderdeel van een bredere, samenhangende en langdurige aanpak om dit toekomstperspectief wél haalbaar te maken.

2.2.1 Artikel 8 en Artikel 9 Artikel 8 en 9 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) zijn gericht op het bevorderen van een evenwichtige en veerkrachtige bevolkingssamenstelling in wijken die langdurig kampen met structurele leefbaarheidsproblematiek. Deze artikelen geven gemeenten de bevoegdheid om woningtoewijzing tijdelijk selectief te sturen. Artikel 8 biedt de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan het inkomen van woningzoekenden – door het hebben van werk of een opleiding/pensioen – voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning binnen een Wbmgpgebied. Daardoor kan de instroom van sociaaleconomisch kwetsbare huishoudens gereguleerd worden. Brunssum wil artikel 8 toepassen op alle huurwoningen onder de liberalisatiegrens van zowel woningcorporaties als particuliere verhuurders. Daarnaast geldt dat, in lijn met gemeente Heerlen, indien het inkomen afkomstig is van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid of uit zelfstandig beroep of bedrijf, het inkomen tenminste gelijk moet zijn aan de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22 van de Participatiewet. (zie ook paragraaf 2.4 Proportionaliteit).

Zonder het stellen van deze inkomenseis, zouden er alsnog veel sociaaleconomisch kwetsbare huishoudens zich kunnen vestigen in Wbmgp-gebieden waar er al sprake is van een concentratie van armoede, een verminderde draagkracht en druk op de leefbaarheid; enkel en alleen door het feit dat zij wél inkomen generen uit arbeid of eigen bedrijf, terwijl de hoogte mogelijk minder is dan het maatschappelijk aanvaard bestaansminimum zoals dat is gedefinieerd door de bijstandsnorm in de Participatiewet. Bij elke nieuwe verhuring in deze gebieden zal de woningzoekende een huisvestingsvergunning moeten aanvragen. In de praktijk loopt dit via nauwe samenwerking met de woningcorporatie, en bij particuliere verhuur via de huurder of samen met de verhuurder. De gemeente controleert of een woningzoekende voldoet aan de criteria en op basis daarvan wordt de huisvestingsvergunning ofwel verleend, ofwel geweigerd.

50

Artikel 9 maakt het aanvullend mogelijk om voorrang te verlenen aan woningzoekenden die bijdragen aan de sociaaleconomische draagkracht van de wijk. In lijn met gemeente Heerlen wil Brunssum dit bereiken door mensen werkzaam in cruciale beroepsgroepen (zoals gedefinieerd in paragraaf 1.3.2) met voorrang te huisvesten. Inherent hieraan is dat zij middels hun arbeid bijdragen aan belangrijke facetten van veerkrachtige gemeenschappen, waaronder het onderwijs, de zorg en veiligheid. Een groot deel van deze mensen zullen banen in de regio vinden of hebben, waardoor niet alleen Brunssum maar ook omliggende gemeenten profiteren. Er is namelijk een tekort aan deze beroepsgroepen in de regio. Het is echter aannemelijk dat zij zonder deze voorrangsregeling, in andere gebieden terecht komen die beter scoren op het gebied van leefbaarheid en veerkracht. We hopen middels artikel 9 een positieve prikkel te bieden om zich toch in deze buurten te vestigen, simpelweg omdat ze daar sneller aan een woning kunnen komen. De voorrang wordt vastgelegd in de gemeentelijke Huisvestingsverordening en afgestemd met het regionaal woningtoewijzingsplatform Thuis in Limburg. Concreet zal artikel 9 toegepast worden op het corporatiebezit in de betreffende buurten. De woningcorporaties zijn bereid om in hun woningadvertenties voor deze buurten een voorrangslabel op te nemen.

Woningzoekenden die op zo’n woning reageren, moeten bij toewijzing aantonen dat ze in die voorrangscategorie vallen, bijvoorbeeld door een werkgeversverklaring of beroepsregistratie te overleggen. De corporatie zal vervolgens bij de rangordening eerst degenen met voorrang rangschikken; bij gelijke voorrang gelden daarna de normale regels (inschrijfduur of urgentie) zoals gebruikelijk. Zijn er geen voorrangskandidaten, dan verloopt de toewijzing regulier. Dit mechanisme is uitvoerbaar binnen het bestaande systeem en vergt met name een administratieve aanpassing en communicatie naar woningzoekenden. Voor de particuliere huur is voorrang lastiger af te dwingen – particuliere verhuurders kiezen doorgaans zelf hun huurder. Binnen de regionale werkgroep particuliere huur volgen we de stappen die Heerlen hierin zet en bekijken wij hoe wij particuliere verhuurders kunnen stimuleren voorrang te geven aan woningzoekenden met een cruciaal beroep. Door de instroom tijdelijk anders te sturen en tegelijkertijd de toestroom van sociaaleconomisch sterkere huishoudens te bevorderen, wordt beoogd om een meer gemengde, evenwichtige bevolkingssamenstelling in deze buurten te realiseren, in lijn met onze strategische koers ‘Bevolking in balans’.

“Vooral de bewoners die al langere tijd in Brunssum wonen, hebben vaak een groot sociaal netwerk. Dit sociale netwerk is doorgaans hecht. We zien dat mensen op elkaar letten en voor elkaar klaar staan. Bij veel verloop neemt die sociale cohesie af.” – uitvoerend professional

We zien deze artikelen als complementair aan elkaar en beogen daarom beide van toepassing te laten zijn in de zes geselecteerde buurten. Deze gecombineerde aanpak sluit namelijk naadloos aan bij onze regionale strategie om te ‘mengen zonder te verdringen’: we voegen sterke schouders toe zonder bestaande bewoners te verdringen. We beogen daarom uitzonderingsbepalingen op te nemen zoals de lokale binding. Regionaal is afgesproken dat artikel 8 alleen geldt voor woningzoekenden van buiten Parkstad, dan wel die korter dan 6 jaar binnen de regio Parkstad

51

wonen, maar niet voor woningzoekenden die de afgelopen zes jaar onafgebroken in Parkstad hebben gewoond. Dit omdat we verantwoordelijkheid nemen voor onze eigen inwoners in kwetsbare situaties, hen koesteren door in hen te investeren en hen niet de toegang willen ontzeggen tot woningen in hun eigen gemeente/regio, óók niet in geval van werkloosheid of uitkeringsafhankelijkheid. Ten aanzien van artikel 9 wordt geen lokale binding opgenomen, omdat we juist mensen met dit soort beroepen willen aantrekken van buiten Parkstad, gezien het tekort hieraan in de regio. Artikel 8 en artikel 9 worden ingebed in onze Huisvestingsverordening, waarin we ook gebruik maken van een hardheidsclausule die het college toestaat om in onvoorziene schrijnende situaties maatwerk te bieden. Het toepassingsgebied van deze twee artikelen (maar ook artikel 10, zie paragraaf 2.2.3) betreft alle adressen in de zes geselecteerde buurten en er zal op handhaving worden toegezien. Uit de cijfers van de veerkrachtkaarten, waarop de initiële selectie van de in deze aanvraag opgenomen buurten is gedaan (zie paragraaf 1.2.1 Selectiecriteria), blijkt dat de 6 Brunssumse buurten waar we de Wbmgp willen toepassen, allen een hoge concentratie aan kwetsbare inwoners hebben die ook veel problemen ervaren. Daarnaast huisvesten we in Parkstad überhaupt een buitenproportioneel grote groep kwetsbare huishoudens.

In paragraaf 2.1 Noodzakelijkheid, alsmede paragraaf 1.2 Situatieschets geselecteerde buurten, zijn de onderstaande indicatoren al besproken die wijzen op een sociaaleconomisch kwetsbare bevolkingssamenstelling. Om herhaling van de analyse te voorkomen, verwijzen wij terug naar deze paragrafen die als onderdeel van deze onderbouwing gezien moeten worden, maar we merken wel expliciet op dat het percentage inwoners met een bijstandsuitkering overal hoger én voor 5 van de 6 buurten minstens het dubbele is dan het gemiddelde van Nederland. Reeds benoemde indicatoren: Totaalscore leefbaarometerklasse, SES-WOA score inclusief spreiding, arbeidsongeschiktheidspercentage, netto arbeidsparticipatie, aandeel inwoners met een laag inkomen, gemiddeld inkomen per inwoner, percentage huishoudens met een laag inkomen, percentage huishoudens onder/rond het sociaal minimum, percentage inwoners met een uitkering (werkloosheidsuitkering/ bijstandsuitkering/ arbeidsongeschiktheidsuitkering/ AOW-uitkering), percentage bijstandsgerechtigden per buurt ten opzichte van het Nederlands gemiddelde, percentage bijstandsgerechtigden per buurt ten opzichte van het gemiddelde van Parkstad Limburg, basis opleidingsniveau, aandeel laagopgeleiden, jongeren met jeugdzorg, aantal NEET’s jongeren per 10.000 inwoners en gerealiseerde jeugdzorgkosten per 1000 inwoners.

‘’We zien vaak dat jongeren uit gezinnen met een laag inkomen en waarvan de ouders lager opgeleid zijn minder kansen hebben op een goede toekomst. Ze groeien op met het idee dat er weinig carrièreperspectief is, het daardoor weinig zin heeft om een opleiding te volgen of af te maken, hangen daardoor vaker op straat en hebben uiteindelijk een grotere kans om de criminaliteit in te gaan.’’ – medewerker team veiligheid, toezicht en handhaving

52

2.2.3 Artikel 10 Artikel 10 van de Wbmgp biedt gemeenten de mogelijkheid om huisvestingsvergunningen te weigeren aan woningzoekenden als blijkt dat er een gegrond vermoeden is dat hun huisvesting zal leiden tot een toename van overlast of criminaliteit. Deze maatregel is bedoeld om sturing te geven aan de instroom van nieuwe bewoners die mogelijk een nadelige impact hebben op de leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare buurten. Daarmee wordt enerzijds voorkomen dat overlastgevend en crimineel gedrag zich in deze gebieden concentreert, en anderzijds wordt het voor jongeren en andere bewoners minder aantrekkelijk of vanzelfsprekend om zich te richten op een toekomst in de criminaliteit. Brunssum wil daarom deze screening invoeren bij alle type verhuizingen naar zowel corporatie als particuliere huurwoningen. Tevens geldt deze check voor mensen vanaf 16 jaar die bij een bestaand huishouden komen inwonen om te voorkomen dat alsnog mensen die niet door de check komen in deze kwetsbare buurten terechtkomen. In tegenstelling tot artikel 8, geldt artikel 10 ook voor woningzoekenden binnen Parkstad. Alle woningzoekenden die in Wbmgp-gebieden willen komen wonen worden dus getoetst op artikel 10. Het weigeren van de huisvestingsverordening mag alleen op basis van het niet kunnen overleggen van een Verklaring omtrent gedrag (VOG) of op basis van politiegegevens.

Bij een onderzoek op basis van politiegegevens kan, conform artikel 10a van de Wbmgp, uitsluitend rekening worden gehouden met de volgende gedragingen uit de politiegegevens: • • • • • • • • •

het veroorzaken van overlast die hinderlijk of schadelijk is voor personen of een gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van personen; onrechtmatig gebruik van een woning; gebruik van beledigende of discriminerende taal of uitingen jegens of intimidatie van omwonenden of bezoekers; gewelddadigheden of openlijke geweldpleging tegen, dan wel bedreiging of mishandeling van omwonenden of bezoekers; activiteiten die strafbaar zijn gesteld op grond van de Opiumwet in of in de omgeving van de woning; openbare dronkenschap in de omgeving van de woning; het plegen van vermogensdelicten met een directe relatie tot de woonomgeving; brandstichting, vernieling en vandalisme in de omgeving van de woning; radicaliserende, extremistische of terroristische gedragingen die strafbaar zijn gesteld op grond van het Wetboek van Strafrecht.

Gemeente Brunssum kiest ervoor de screening uit te voeren op basis van politiegegevens ten opzichte van een Verklaring omtrent gedrag (VOG). Daarbij horen alle gedragingen zoals bepaald in artikel 10a van de Wbmgp. Deze bredere benadering is noodzakelijk, omdat de politie ook incidenten meeneemt die niet tot een formele sanctie of straf hebben geleid. In tegenstelling tot de VOG, die uitsluitend ziet op bestrafte feiten, biedt deze aanpak inzicht in herhaald overlastgevend gedrag dat anders buiten beeld zou blijven. Juist deze informatie is van waarde om structurele overlastgevers effectief te kunnen weren uit kwetsbare Wbmgp-gebieden. Concreet wordt er door de politie gecheckt of de woningzoekende in de afgelopen 4 jaar aantoonbaar overlast heeft veroorzaakt of zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Voor jongeren van 16–17 jaar hanteren we een kortere terugkijktermijn (2 jaar). Als uit het onderzoek blijkt dat de kandidaat geen relevante voorgeschiedenis heeft qua overlast of criminaliteit, wordt de

53

huisvestingsvergunning verleend. In geval van een weigering wordt dit uiteraard schriftelijk gemotiveerd aan de betrokkene. Deze kan dan bezwaar en beroep indienen tegen de beslissing, conform de Algemene wet bestuursrecht. Ook geldt dat een weigering gebiedsgebonden is: iemand die geen vergunning krijgt voor een woning in de aangewezen buurt, kan nog wél huren in een ‘nietWbmgp buurt’. Dit nuanceert de ingreep: we houden alleen bepaalde buurten vrij van bekende overlastgevers, maar ontzeggen niemand geheel de toegang tot Brunssum zolang er elders plek is. Artikel 10 wordt ingebed in onze Huisvestingsverordening waarbij we ook gebruik maken van een hardheidsclausule die het college toestaat om in onvoorziene schrijnende situaties maatwerk te bieden. Het toepassingsgebied betreft ook voor artikel 10 alle adressen in de zes geselecteerde buurten en er zal op handhaving worden toegezien. Zoals aangetoond in paragraaf 1.2 Situatieschets geselecteerde buurten, scoren alle buurten veel slechter dan gemiddeld op het gebied van overlast en onveiligheid. In de Kleikoelen is de situatie het meest schrijnend gezien deze buurt slechts mogelijke overlast en onveiligheidsindex (1 op schaal 1–9 t.o.v. NL-gemiddelde) heeft. Daarnaast geldt ook voor alle buurten dat de situatie alleen maar verslechterd.

Ter illustratie, vanaf 2022 zijn het totaal aantal geregistreerde misdrijven in Brunssum elk jaar toegenomen. Verder blijkt uit CBS-data16 dat in 2022 het grootste deel van de misdrijven bestond uit vermogensmisdrijven (54%) - waaronder diefstal, verduistering en inbraak-, alsmede vernielingen en misdrijven openbare orde/gezag (14%), gewelds- en seksuele misdrijven (10%) en verkeersmisdrijven (15%). Professionals in de wijk signaleren dat criminaliteit wordt goed gepraat en niet meer gemeld wordt. Criminaliteit wordt vaak als een terechte manier om extra geld te verdienen gezien. Tevens zijn het ook vaak jongeren uit gezinnen met een laag inkomen en waarvan de ouders lager opgeleid zijn, die opgroeien met het idee dat er weinig carrièreperspectief is, het daardoor weinig zin heeft om een opleiding te volgen of af te maken, hangen daardoor vaker op straat en hebben uiteindelijk een grotere kans om de criminaliteit in te gaan. Dat is ook wat ze zien in hun omgeving. Door criminaliteit ontstaat schade. Het gaat dan om emotionele (en soms lichamelijke) schade, maar vaak ook om financiële schade. Het CBS heeft samen met het ministerie van Justitie en Veiligheid onderzocht welke financiële schade door vermogensdelicten en vernielingen wordt aangericht maar ook hoe veel slachtoffers financiële en emotionele problemen hebben gekregen door wat hen overkomen is17.

In Brunssum geldt dat 68% van de misdrijven bestaat uit dit soort delicten. Het rapport concludeert dat 12% van de slachtoffers aangaven financiële problemen te hebben (gehad) door wat hen is overkomen en 16% van de slachtoffers gaf aan emotionele of psychische problemen te hebben ondervonden. Op basis van de beschikbare data en praktijkervaringen van professionals blijkt dat de inwoners van de geselecteerde buurten in Brunssum al kampen met, zowel financiële als emotionele/psychische problemen. Er is in hoge mate sprake van multiproblematiek. Daarom willen wij hen in het bijzonder middels Artikel 10 van de Wbmgp beschermen tegen criminaliteit en overlast om uitbreiding en verdieping van de problematiek waarmee zij kampen te voorkomen.

16 17

Dashboard misdrijven in de buurt, jaarcijfers | CBS Schade van criminaliteit tegen burgers | CBS

54

2.2.4 Conclusie geschiktheid Op basis van een veelvoud aan indicatoren blijkt dat de geselecteerde buurten een sociaaleconomisch kwetsbare bevolkingssamenstelling hebben en dat zij gebukt gaan onder overlast en onveiligheid. Brunssum beoogt daarom alle drie bovengenoemde artikelen gezamenlijk in te zetten binnen de zes geselecteerde buurten. Dit, in combinatie met andere al bestaande interventies op sociaal en fysiek vlak, heeft als doel de veiligheid en leefbaarheid te vergroten en een meer gemengde, evenwichtige bevolkingssamenstelling in deze buurten te realiseren, in lijn met onze strategische koers ‘Bevolking in balans’. Het is daarom noodzakelijk de instroom van sociaaleconomisch kwetsbare huishoudens te beperken en de toestroom van sociaaleconomisch sterkere huishoudens te bevorderen, conform de regionale strategie ‘mengen zonder te verdringen’. Artikel 8 en artikel 9 zijn bij uitstek geschikt om deze beleidsdoelen te bereiken. Echter schieten deze artikelen opzichzelfstaand tekort als instrument om verdere uitbreiding en verdieping van overlast en onveiligheid effectief te beperken of te voorkomen. Ook dit is nodig om de inwoners van deze buurten te behoeden voor de negatieve gevolgen van overlast en onveiligheid, maar ook voor een toekomst in de criminaliteit. Daarom pleit gemeente Brunssum ervoor dat ook artikel 10 in deze gebieden wordt toegepast.

In zijn algemeenheid kan dus gesteld worden dat de inzet van de Wbmgp ten goede komt aan de huidige bewoners doordat hun leefomgeving verbetert, en óók toen goede komt van instromende bewoners omdat zij in draagkrachtigere gebieden terechtkomen. Op basis van de in deze paragraaf gegeven argumentatie concludeert de gemeente Brunssum dat wordt voldaan aan de geschiktheidseis voor toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wbmgp.

2.3 Subsidiariteit In paragrafen 2.1 Noodzakelijkheid en 2.2 Geschiktheid, hebben we uitvoering beargumenteerd waarom ingrijpen in de geselecteerde buurten gerechtvaardigd is, maar ook waarom artikel 8, 9 en 10 geschikt zijn voor het aanpakken van de problematiek in deze buurten. In deze paragraaf beschrijft gemeente Brunssum ook waarom enkel lichtere middelen niet voldoen en de Wbmgpmaatregelen een noodzakelijke aanvulling vormen. Hieronder worden reeds ingezette maatregelen alsmede toekomstige maatregelen die nog iets meer verfijning behoeven uiteengezet. We structureren deze maatregelen door een onderscheid te maken in volkshuisvestelijke sturingsinstrumenten en additionele interventies. Het behoeft geen verdere uitleg dat deze maatregelen elkaar versterken zoals ook de drie artikelen uit de Wbmgp dat doen. Daarnaast willen wij opmerken dat onderstaande lijst niet limitatief is maar beperkt is tot de meest relevante inspanningen.

2.3.1 Volkshuisvestelijke sturingsinstrumenten Woonruimteverdeling De gemeente stuurt op verschillende manieren op woonruimteverdeling met als doel om meer veerkrachtige buurten en wijken te creëren waarvan de bevolkingssamenstelling in balans is. Zo hebben de gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties van Parkstad op regionaal niveau meerjarige prestatieafspraken gemaakt voor de periode 2024-2028. Eén van deze afspraken ziet toe

55

op het tijdelijk ontzien van gebieden waarbij de leefbaarheid onder druk staat, door daar tijdelijk geen bewoners in een kwetsbare situatie te huisvesten. Ook is het beleidskader ‘maatwerktoewijzen’ opgesteld zodat huurwoningen in deze gebieden gerichter kunnen worden toegewezen. Echter bestaat er geen wettelijke grondslag voor deze ‘sortering’ en zijn deze maatregelen zowel juridisch als praktisch niet voldoende bindend. Bovendien kan er niet gescreend worden op overlastgevenden/of crimineel gedrag. Deze twee zaken kunnen wél geregeld worden door artikel 8 en artikel 10 van de Wbmgp. Ook dragen deze maatregelen niet bij aan het aantrekken van sterke schouders naar kwetsbare wijken, iets wat artikel 9 wel direct beïnvloedt. Ook werkt de gemeente in regionaal verband aan een urgentieregeling die opgenomen wordt in de Huisvestingsverordening. Gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties achten het van groot belang dat reguliere woningzoekenden niet verdrongen worden op de huurwoningmarkt en erkennen ook dat Parkstad al een buitenproportioneel aantal kwetsbare mensen huisvest. Daarom is het regionale uitgangspunt vooralsnog alleen de bij wet verplichte urgentiecategorieën op te nemen. Door niet nog meer urgentiecategorieën op te nemen, beperken we indirect een toename aan kwetsbare instroom. Echter zijn niet alle kwetsbare mensen urgenten.

Het is nog steeds mogelijk dat iemand met een lange inschrijfduur maar zonder inkomen een woning krijgt toegewezen in een kwetsbare buurt, derhalve helpt deze maatregel niet bij het beperken van de instroom van kwetsbare mensen, zoals artikel 8 dat wel doet. Om (ook) onze eigen bewoners die niet in deze verplichte urgentiecategorieën vallen maar wel in acute, schrijnende situaties verkeren aan woonruimte te kunnen helpen, hebben corporaties afgesproken om, conform het voorbeeld van gemeente Heerlen, ook te gaan werken met Sociale Urgentie18. Tegelijkertijd betekent dat dat er een schifting wordt gemaakt tussen écht urgenten en mensen in hele vervelende situaties die niet aan de criteria van Sociale Urgentie voldoen en dat deze laatste groep niet met voorrang wordt gehuisvest. We verwachten dat dit ertoe leidt dat er uiteindelijk minder mensen onder het mom van sociale urgentie/bemiddeling gehuisvest worden doordat alleen de écht schrijnende gevallen in aanmerking komen voor Sociale urgentie. Tevens werken we lokaal met een jaarplan woonruimteverdeling dat inzicht geeft in de vraag van verschillende doelgroepen en de match met het (vrijkomend) aanbod van passende woningen.

De verhouding tussen reguliere woningzoekenden en aandachtsgroepen (urgenten, housing, zorgdoelgroepen enz.) wordt ook bewaakt door het Jaarplan en Jaarverslag Woonruimteverdeling van gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties. Hoewel het jaarplan de balans tussen vragende en dragende bewoners in de gemeente probeert te bewaken, biedt het geen mogelijkheden om op specifieke buurten te sturen en is de kans dus groot dat kwetsbare mensen – zoals nu ook het geval is – veelal terechtkomen in de kwetsbare buurten opgenomen in deze aanvraag. Tot slot biedt het ook geen wettelijke grondslag om bij overschrijding van de afgesproken percentages, te stoppen met het huisvesten van kwetsbare mensen. Het helpt daarnaast ook niet bij het aantrekken van draagkrachtige bewoners naar deze buurten en er kan wederom niet gescreend worden op een recent verleden met overlastgevend of crimineel gedrag. Artikel 8, 9 en 10 kunnen hier wél actief aan bijdragen. Additioneel benutten corporaties ook de vrije toewijzingsruimte om vrijgekomen sociale huurwoningen toe te wijzen aan huishoudens die niet tot de DAEB-doelgroep behoren. Deze ruimte willen wij zo veel als mogelijk inzetten in buurten waar de leefbaarheid onder druk staat om zo tot

18

Urgentieregeling 1 juni 2024 Heerlen.pdf

56

een betere mix qua inkomenssamenstelling in deze buurten te komen. De realiteit wijst echter uit dat een groot deel van deze ruimte nodig is voor stadsvernieuwingsurgenten. Ook wordt er gebruik gemaakt van het tweehurenbeleid. Dat mes snijdt aan twee kanten: enerzijds kunnen huurwoningen in buurten waar de leefbaarheid onder druk staat verhuurd worden voor een hogere prijs om zo de woning aan een huishouden met een hoger inkomen toe te wijzen en daarmee de inkomenssamenstelling van de wijk in balans te brengen; en anderzijds kunnen mensen met een lager inkomen ook een huurwoning huren in een veerkrachtigere buurt doordat deze woningen voor een lagere huurprijs verhuurd worden. Echter is het effect van deze maatregel beperkt omdat mensen met een hoger inkomen ook reageren op deze goedkope woningen. Daarnaast geldt voor zowel de vrije toewijzingsruimte als het tweehurenbeleid dat zij niet bijdragen aan het beperken van de instroom van kwetsbare mensen. Bovendien kan er niet gescreend worden op overlastgevenden/of crimineel gedrag. Deze twee zaken worden wel mogelijk gemaakt door toepassing van artikel 8 en 10 van de Wbmgp. We verwachten dat artikel 9 een groter effect zal bereiken dan bovenstaande reeds ingezette interventies omdat er een veel grotere stimulus is voor inwoners met een hoger inkomen: ze worden namelijk met voorrang gehuisvest en komen zo sneller aan een woning.

De gemeente heeft ook de mogelijkheden van het sturen op de woningtoewijzing via de huisvestingsverordening laten onderzoeken door Companen. Dit kan bijvoorbeeld door voorrang op basis van maatschappelijke en/of economische binding te verlenen. Zij stellen dat het twijfelachtig is of de toepassing van dit instrument voldoende onderbouwd kan worden omdat het primair bedoeld is om schaarste en verdringing aan te pakken en niet op basis van leefbaarheidsproblematiek ingevoerd mag worden. De Wbmgp biedt wél de mogelijkheid om te sturen op woningtoewijzing op basis van leefbaarheidsproblematiek, doet dit buurtgericht en doet dit in veel zorgvuldigere mate dan bovengenoemde maatregelen. Een ander bijkomend voordeel is dat er op basis van deze wet voorrang gegeven kan worden aan cruciale beroepsgroepen, maar wel alleen in geselecteerde buurten zodat reguliere woningzoekenden niet verdrongen worden. Sturing op het gebruik van de woning Brunssum onderzoekt momenteel of de Opkoopbescherming wordt opgenomen in onze huisvestingsverordening. We constateren echter dat dit instrument onvoldoende werking heeft op het beperken van de instroom van kwetsbare inwoners en het voorkomen van overlast en onveiligheid in de geselecteerde buurten. Ook draagt het niet bij aan het toevoegen van sterke schouders aan deze buurten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=bd8f5959-01d1-4de7-8162-584e507dc6a2