Raadsvoorstel 202598459 (bijlage) 1. Conceptaanvraag gemeente Brunssum Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek
Tekst van het document
Gemeente Brunssum kiest ervoor de screening uit te voeren op basis van politiegegevens ten opzichte van een Verklaring omtrent gedrag (VOG). Daarbij horen alle gedragingen zoals bepaald in artikel 10a van de Wbmgp. Deze bredere benadering is noodzakelijk, omdat de politie ook incidenten meeneemt die niet tot een formele sanctie of straf hebben geleid. In tegenstelling tot de VOG, die uitsluitend ziet op bestrafte feiten, biedt deze aanpak inzicht in herhaald overlastgevend gedrag dat anders buiten beeld zou blijven. Juist deze informatie is van waarde om structurele overlastgevers effectief te kunnen weren uit kwetsbare Wbmgp-gebieden.
59
Concreet wordt er door de politie gecheckt of de woningzoekende in de afgelopen 4 jaar aantoonbaar overlast heeft veroorzaakt of zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Voor jongeren van 16–17 jaar hanteren we een kortere terugkijktermijn (2 jaar). Als uit het onderzoek blijkt dat de kandidaat geen relevante voorgeschiedenis heeft qua overlast of criminaliteit, wordt de huisvestingsvergunning verleend. In geval van een weigering wordt dit uiteraard schriftelijk gemotiveerd aan de betrokkene. Deze kan dan bezwaar en beroep indienen tegen de beslissing, conform de Algemene wet bestuursrecht. Ook geldt dat een weigering gebiedsgebonden is: iemand die geen vergunning krijgt voor een woning in de aangewezen buurt, kan nog wél huren in een ‘nietWbmgp buurt’. Dit nuanceert de ingreep: we houden alleen bepaalde buurten vrij van bekende overlastgevers, maar ontzeggen niemand geheel de toegang tot Brunssum zolang er elders plek is. Artikel 10 wordt ingebed in onze Huisvestingsverordening waarbij we ook gebruik maken van een hardheidsclausule die het college toestaat om in onvoorziene schrijnende situaties maatwerk te bieden. Het toepassingsgebied betreft ook voor artikel 10 alle adressen in de zes geselecteerde buurten en er zal op handhaving worden toegezien.
Zoals aangetoond in paragraaf 1.2 Situatieschets geselecteerde buurten en paragraaf 2.1 noodzakelijkheid, scoren alle buurten veel slechter dan gemiddeld op het gebied van overlast en onveiligheid. In de Kleikoelen is de situatie het meest schrijnend gezien deze buurt slechts mogelijke overlast en onveiligheidsindex (1 op schaal 1–9 t.o.v. NL-gemiddelde) heeft. Daarnaast geldt ook voor alle buurten dat de situatie alleen maar verslechterd. Ter illustratie, vanaf 2022 zijn het totaal aantal geregistreerde misdrijven in Brunssum elk jaar toegenomen. Verder blijkt uit CBS-data16 dat in 2022 het grootste deel van de misdrijven bestond uit vermogensmisdrijven (54%) - waaronder diefstal, verduistering en inbraak-, alsmede vernielingen en misdrijven openbare orde/gezag (14%), geweldsen seksuele misdrijven (10%) en verkeersmisdrijven (15%). Professionals in de wijk signaleren dat criminaliteit wordt goed gepraat en niet meer gemeld wordt. Criminaliteit wordt vaak als een terechte manier om extra geld te verdienen gezien. Tevens zijn het ook vaak jongeren uit gezinnen met een laag inkomen en waarvan de ouders lager opgeleid zijn, die opgroeien met het idee dat er weinig carrièreperspectief is, het daardoor weinig zin heeft om een opleiding te volgen of af te maken, hangen daardoor vaker op straat en hebben uiteindelijk een grotere kans om de criminaliteit in te gaan.
Dat is ook wat ze zien in hun omgeving.
16
Dashboard misdrijven in de buurt, jaarcijfers | CBS
60
Aanpak overlast door groep van 100 jongeren in Brunssum is mislukt: gemeente komt met nieuwe maatregelen, De Limburger, November 2025
61
Door criminaliteit ontstaat schade. Het gaat dan om emotionele (en soms lichamelijke) schade, maar vaak ook om financiële schade. Het CBS heeft samen met het ministerie van Justitie en Veiligheid onderzocht welke financiële schade door vermogensdelicten en vernielingen wordt aangericht maar ook hoe veel slachtoffers financiële en emotionele problemen hebben gekregen door wat hen overkomen is17. In Brunssum geldt dat 68% van de misdrijven bestaat uit dit soort delicten. Het rapport concludeert dat 12% van de slachtoffers aangaven financiële problemen te hebben (gehad) door wat hen is overkomen en 16% van de slachtoffers gaf aan emotionele of psychische problemen te hebben ondervonden. Op basis van de beschikbare data en praktijkervaringen van professionals blijkt dat de inwoners van de geselecteerde buurten in Brunssum al kampen met, zowel financiële als emotionele/psychische problemen. Er is in hoge mate sprake van multiproblematiek. Daarom willen wij hen in het bijzonder middels Artikel 10 van de Wbmgp beschermen tegen criminaliteit en overlast om uitbreiding en verdieping van de problematiek waarmee zij kampen te voorkomen.
2.2.4 Conclusie geschiktheid Op basis van een veelvoud aan indicatoren blijkt dat de geselecteerde buurten een sociaaleconomisch kwetsbare bevolkingssamenstelling hebben en dat zij gebukt gaan onder overlast en onveiligheid. Brunssum beoogt daarom alle drie bovengenoemde artikelen gezamenlijk in te zetten binnen de zes geselecteerde buurten. Dit, in combinatie met andere al bestaande interventies op sociaal en fysiek vlak, heeft als doel de veiligheid en leefbaarheid te vergroten en een meer gemengde, evenwichtige bevolkingssamenstelling in deze buurten te realiseren, in lijn met onze strategische koers ‘Bevolking in balans’. Het is daarom noodzakelijk de instroom van sociaaleconomisch kwetsbare huishoudens te beperken en de toestroom van sociaaleconomisch sterkere huishoudens te bevorderen, conform de regionale strategie ‘mengen zonder te verdringen’. Artikel 8 en artikel 9 zijn bij uitstek geschikt om deze beleidsdoelen te bereiken. Echter schieten deze artikelen opzichzelfstaand tekort als instrument om verdere uitbreiding en verdieping van overlast en onveiligheid effectief te beperken of te voorkomen. Ook dit is nodig om de inwoners van deze buurten te behoeden voor de negatieve gevolgen van overlast en onveiligheid, maar ook voor een toekomst in de criminaliteit. Daarom pleit gemeente Brunssum ervoor dat ook artikel 10 in deze gebieden wordt toegepast.
Artikel 10 van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek wordt daarbij gezien als een onmisbaar instrument. Artikel 10 Wbmgp biedt de mogelijkheid om woningzoekenden te screenen op antecedenten en een huisvestingsvergunning te weigeren als uit politiegegevens blijkt dat betrokkene een verleden heeft van ernstige (woon)overlast of crimineel gedrag. Hiermee wordt beoogd grip te houden op de instroom van nieuwe bewoners (vanaf 16 jaar) die een negatieve invloed zouden hebben op de leefbaarheid en veiligheid in deze gebieden. Enerzijds wordt zo de verdere concentratie van overlastgevend en crimineel gedrag tegengegaan, anderzijds beschermt deze maatregel de huidige – veelal kwetsbare – bewoners tegen bekende veelplegers die voor extra overlast en intimidatie zouden zorgen. Zoals ook al bepleit op pagina 53.
17
Schade van criminaliteit tegen burgers | CBS
62
In zijn algemeenheid kan dus gesteld worden dat de inzet van de Wbmgp ten goede komt aan de huidige bewoners doordat hun leefomgeving verbetert, en óók toen goede komt van instromende bewoners omdat zij in draagkrachtigere gebieden terechtkomen. Op basis van de in deze paragraaf gegeven argumentatie concludeert de gemeente Brunssum dat wordt voldaan aan de geschiktheidseis voor toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wbmgp.
2.3 Subsidiariteit In paragrafen 2.1 Noodzakelijkheid en 2.2 Geschiktheid, hebben we uitvoering beargumenteerd waarom ingrijpen in de geselecteerde buurten gerechtvaardigd is, maar ook waarom artikel 8, 9 en 10 geschikt zijn voor het aanpakken van de problematiek in deze buurten. In deze paragraaf beschrijft gemeente Brunssum ook waarom enkel lichtere middelen niet voldoen en de Wbmgpmaatregelen een noodzakelijke aanvulling vormen. Hieronder worden reeds ingezette maatregelen alsmede toekomstige maatregelen die nog iets meer verfijning behoeven uiteengezet. We structureren deze maatregelen door een onderscheid te maken in volkshuisvestelijke sturingsinstrumenten en additionele interventies. Het behoeft geen verdere uitleg dat deze maatregelen elkaar versterken zoals ook de drie artikelen uit de Wbmgp dat doen. Daarnaast willen wij opmerken dat onderstaande lijst niet limitatief is maar beperkt is tot de meest relevante inspanningen.
2.3.1 Volkshuisvestelijke sturingsinstrumenten Woonruimteverdeling De gemeente stuurt op verschillende manieren op woonruimteverdeling met als doel om meer veerkrachtige buurten en wijken te creëren waarvan de bevolkingssamenstelling in balans is. Zo hebben de gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties van Parkstad op regionaal niveau meerjarige prestatieafspraken gemaakt voor de periode 2024-2028. Eén van deze afspraken ziet toe op het tijdelijk ontzien van gebieden waarbij de leefbaarheid onder druk staat, door daar tijdelijk geen bewoners in een kwetsbare situatie te huisvesten. Ook is het beleidskader ‘maatwerktoewijzen’ opgesteld zodat huurwoningen in deze gebieden gerichter kunnen worden toegewezen. Echter bestaat er geen wettelijke grondslag voor deze ‘sortering’ en zijn deze maatregelen zowel juridisch als praktisch niet voldoende bindend. Bovendien kan er niet gescreend worden op overlastgevenden/of crimineel gedrag. Deze twee zaken kunnen wél geregeld worden door artikel 8 en artikel 10 van de Wbmgp. Ook dragen deze maatregelen niet bij aan het aantrekken van sterke schouders naar kwetsbare wijken, iets wat artikel 9 wel direct beïnvloedt. Ook werkt de gemeente in regionaal verband aan een urgentieregeling die opgenomen wordt in de Huisvestingsverordening.
Gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties achten het van groot belang dat reguliere woningzoekenden niet verdrongen worden op de huurwoningmarkt en erkennen ook dat Parkstad al een buitenproportioneel aantal kwetsbare mensen huisvest. Daarom is het regionale uitgangspunt vooralsnog alleen de bij wet verplichte urgentiecategorieën op te nemen. Door niet nog meer urgentiecategorieën op te nemen, beperken we indirect een toename aan kwetsbare instroom. Echter zijn niet alle kwetsbare mensen urgenten. Het is nog steeds mogelijk dat iemand met een lange inschrijfduur maar zonder inkomen een woning krijgt toegewezen in een kwetsbare buurt, derhalve helpt deze maatregel niet bij het beperken van de instroom van kwetsbare mensen, zoals artikel 8 dat wel doet.
63
Om (ook) onze eigen bewoners die niet in deze verplichte urgentiecategorieën vallen maar wel in acute, schrijnende situaties verkeren aan woonruimte te kunnen helpen, hebben corporaties afgesproken om, conform het voorbeeld van gemeente Heerlen, ook te gaan werken met Sociale Urgentie18. Tegelijkertijd betekent dat dat er een schifting wordt gemaakt tussen écht urgenten en mensen in hele vervelende situaties die niet aan de criteria van Sociale Urgentie voldoen en dat deze laatste groep niet met voorrang wordt gehuisvest. We verwachten dat dit ertoe leidt dat er uiteindelijk minder mensen onder het mom van sociale urgentie/bemiddeling gehuisvest worden doordat alleen de écht schrijnende gevallen in aanmerking komen voor Sociale urgentie. Tevens werken we lokaal met een jaarplan woonruimteverdeling dat inzicht geeft in de vraag van verschillende doelgroepen en de match met het (vrijkomend) aanbod van passende woningen. De verhouding tussen reguliere woningzoekenden en aandachtsgroepen (urgenten, housing, zorgdoelgroepen enz.) wordt ook bewaakt door het Jaarplan en Jaarverslag Woonruimteverdeling van gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties.
Hoewel het jaarplan de balans tussen vragende en dragende bewoners in de gemeente probeert te bewaken, biedt het geen mogelijkheden om op specifieke buurten te sturen en is de kans dus groot dat kwetsbare mensen – zoals nu ook het geval is – veelal terechtkomen in de kwetsbare buurten opgenomen in deze aanvraag. Tot slot biedt het ook geen wettelijke grondslag om bij overschrijding van de afgesproken percentages, te stoppen met het huisvesten van kwetsbare mensen. Het helpt daarnaast ook niet bij het aantrekken van draagkrachtige bewoners naar deze buurten en er kan wederom niet gescreend worden op een recent verleden met overlastgevend of crimineel gedrag. Artikel 8, 9 en 10 kunnen hier wél actief aan bijdragen. Additioneel benutten corporaties ook de vrije toewijzingsruimte om vrijgekomen sociale huurwoningen toe te wijzen aan huishoudens die niet tot de DAEB-doelgroep behoren. Deze ruimte willen wij zo veel als mogelijk inzetten in buurten waar de leefbaarheid onder druk staat om zo tot een betere mix qua inkomenssamenstelling in deze buurten te komen. De realiteit wijst echter uit dat een groot deel van deze ruimte nodig is voor stadsvernieuwingsurgenten. Ook wordt er gebruik gemaakt van het tweehurenbeleid.
Dat mes snijdt aan twee kanten: enerzijds kunnen huurwoningen in buurten waar de leefbaarheid onder druk staat verhuurd worden voor een hogere prijs om zo de woning aan een huishouden met een hoger inkomen toe te wijzen en daarmee de inkomenssamenstelling van de wijk in balans te brengen; en anderzijds kunnen mensen met een lager inkomen ook een huurwoning huren in een veerkrachtigere buurt doordat deze woningen voor een lagere huurprijs verhuurd worden. Echter is het effect van deze maatregel beperkt omdat mensen met een hoger inkomen ook reageren op deze goedkope woningen. Daarnaast geldt voor zowel de vrije toewijzingsruimte als het tweehurenbeleid dat zij niet bijdragen aan het beperken van de instroom van kwetsbare mensen. Bovendien kan er niet gescreend worden op overlastgevenden/of crimineel gedrag. Deze twee zaken worden wel mogelijk gemaakt door toepassing van artikel 8 en 10 van de Wbmgp. We verwachten dat artikel 9 een groter effect zal bereiken dan bovenstaande reeds ingezette interventies omdat er een veel grotere stimulus is voor inwoners met een hoger inkomen: ze worden namelijk met voorrang gehuisvest en komen zo sneller aan een woning. De gemeente heeft ook de mogelijkheden van het sturen op de woningtoewijzing via de huisvestingsverordening laten onderzoeken door Companen.
Dit kan bijvoorbeeld door voorrang op basis van maatschappelijke en/of economische binding te verlenen. Zij stellen dat het twijfelachtig is 18
Urgentieregeling 1 juni 2024 Heerlen.pdf
64
of de toepassing van dit instrument voldoende onderbouwd kan worden omdat het primair bedoeld is om schaarste en verdringing aan te pakken en niet op basis van leefbaarheidsproblematiek ingevoerd mag worden. De Wbmgp biedt wél de mogelijkheid om te sturen op woningtoewijzing op basis van leefbaarheidsproblematiek, doet dit buurtgericht en doet dit in veel zorgvuldigere mate dan bovengenoemde maatregelen. Een ander bijkomend voordeel is dat er op basis van deze wet voorrang gegeven kan worden aan cruciale beroepsgroepen, maar wel alleen in geselecteerde buurten zodat reguliere woningzoekenden niet verdrongen worden. Sturing op het gebruik van de woning Brunssum onderzoekt momenteel of de Opkoopbescherming wordt opgenomen in onze huisvestingsverordening. We constateren echter dat dit instrument onvoldoende werking heeft op het beperken van de instroom van kwetsbare inwoners en het voorkomen van overlast en onveiligheid in de geselecteerde buurten. Ook draagt het niet bij aan het toevoegen van sterke schouders aan deze buurten. Particuliere verhuur betreft momenteel slechts een klein deel van de woningvoorraad in de geselecteerde buurten (namelijk 10%, 5%, 12%, 4%, 5% en 1%) tegenover hoge percentages corporatiehuur (namelijk 50%, 49%, 60%, 36%, 47%, 82%). Daarnaast is er bijna geen sprake van kamerverhuur in deze gebieden19.
Überhaupt heeft de Opkoopbescherming slechts een indirecte invloed op het beperken van kwetsbare instroom omdat enkel de uitbreiding van woonruimte waar zij zich kunnen vestigen wordt beperkt en niet de instroom zelf. Hoewel verandering in gebruik van een woning kan leiden tot extra druk op de leefbaarheid, toetst dit instrument niet op overlastgevend of crimineel gedrag. Ook wordt de inzet van dit instrument normaal gesproken gebaseerd op woningschaarste en niet op basis van de negatieve gevolgen voor de leefbaarheid. Dit is echter wel mogelijk maar het blijft in de praktijk lastig om een directe causale relatie te leggen tussen enerzijds het opkopen en verhuren van woningen en negatieve effecten voor de leefbaarheid anderzijds. Hoewel Brunssum vertrouwen heeft in haar onderbouwing ten aanzien van de leefbaarheidscriteria, wordt er ook getoetst op een mutatiegraad van meer dan 10%. Dat geldt slechts voor 2 buurten, namelijk de Eggen en de Kleikoelen maar in die buurten is het percentage particuliere huur slechts 5% en 1% tegenover 47% en 82% corporatiehuur. Tevens heeft gemeente Brunssum reeds sinds 2024 via het Facetbestemmingsplan kamerbewoning, woningsplitsing en parkeren ongewenste vormen van onzelfstandige bewoning en splitsing aan banden gelegd.
Overigens onderzoekt de gemeente wel de mogelijkheden voor invoering van een verhuurvergunning als additionele maatregel voor andere gebieden in de gemeente waar de leefbaarheid gebukt gaat onder particuliere verhuur. Naast opkoopbescherming is ook de zelfbewoningsplicht een indirect instrument; het beperkt niet direct de instroom van kwetsbare huishoudens, maar vooral de groei van het woningaanbod waar zij vaak op af komen. Omdat de zelfbewoningsplicht bovendien alleen op nieuwbouw gericht is en alleen op gemeentelijke gronden kan worden afgedwongen, is het effect op de leefbaarheid in de praktijk vaak nog beperkter dan het effect van de opkoopbescherming. Daarom zijn andersoortige maatregelen nodig in de vorm van artikel 8 en artikel 10 om verdere stagnatie van deze buurten te voorkomen, terwijl artikel 9 uitermate geschikt is om juist een positieve impuls aan de buurten te geven.
19
De Woonatlas, Woningvoorraad Brunssum 1-1-2025, Etil Research Group, 2025.
65
2.3.2 Additionele interventies Naast de hierboven genoemde volkshuisvestelijke instrumenten zet de gemeente zich breder in voor het verbeteren van de sociaaleconomische positie van bewoners en het terugdringen van onveiligheid en overlast. Ook hier geldt dat deze lijst niet limitatief is. Fysieke ingrepen Gemeente Brunssum stuurt via de woningbouwprogrammering op een gebalanceerde mix van inwoners in wijken en buurten conform het principe mengen zonder te verdringen. Zo wordt er sociale huur toegevoegd in draagkrachtigere wijken en buurten en wordt er in kwetsbare gebieden juist ingezet op duurdere woningbouw.
Van miljoen kostend penthouse tot luxe appartement, studio en kavel, de woningen vliegen weg in Brunssum: eerste bewijs dat nieuwe aanpak werkt, De Limburger, september 2025.
66
Dit gebeurt op verschillende manieren, door nieuwbouw, maar juist ook door herstructurering. Ten aanzien van nieuwbouw staan er circa 1100 woningen op de programmering voor de komende 10-15 jaar. Ten aanzien van herstructurering worden er bijvoorbeeld in Brunssum Oost met behulp van het Volkshuisvestingsfonds woningen van slechte kwaliteit ingepond, gesloopt en levensloopbestendig en duurzaam nieuwgebouwd. Een deel van de woningen wordt teruggebouwd als middenhuurwoningen. In Brunssum Noord zijn 194 verouderde sociale huurwoningen gesloopt en worden er 158 woningen teruggebouwd waardoor er een mix tussen sociale huurwoningen, middeldure huur- en koopwoningen en zorgappartementen ontstaat. Ook worden er met behulp van het Volkshuisvestingsfonds particuliere koopwoningen verduurzaamd, specifiek in de buurt Lemmender. Voor Brunssum algemeen geldt dat er mensen met een laag inkomen gebruik kunnen maken van de subsidieregeling Lokale Aanpak Isolatie. In Brunssum Noord wordt ook ingegrepen in de openbare ruimte: samen met de buurt zijn er plannen gemaakt voor de Lemmender Boulevard: een 4 meter brede, doorgaande route die de wijk verbindt door groen en ontmoeting. Ook investeert de gemeente in herinrichting van wegen en de openbare ruimte. Grenzend aan de rand van de Eggen wordt een lifestylepark gecreëerd waar jong en oud kunnen bewegen en elkaar ontmoeten.
Ook zijn er plannen om aan de grens van de Eggen een duurder segment woningen toe te voegen.
Figuur 14: Het schetsontwerp van de Lemmender boulevard, gemeente Brunssum 2025 en uitsnede van nieuwsartikel ‘Provincie draagt 1 miljoen bij aan Lifestylepark Brunssum’, Provincie Limburg, 2025.
Interventies vanuit het sociale domein De gemeente Brunssum zet zich al jarenlang in voor het verbeteren van bestaanszekerheid, gezondheid en ontwikkelkansen in kwetsbare buurten. Vanuit het sociaal domein is dit topprioriteit en wordt er fors geïnvesteerd in het versterken van de sociale basis en het ondersteunen van inwoners die te maken hebben met (gezondheid- en/of leer)achterstanden, bestaansonzekerheid en/of meervoudige problematiek. Deze inzet is gericht op het doorbreken van achterstanden en het bieden van perspectief en zijn onderdeel van een bredere aanpak waarin we steeds meer werken vanuit de leefwereld van inwoners. Concreet betekent dit dat Brunssum onder andere het volgende doet: We bestendigen het opbouwwerk dat gericht is op het activeren van bewoners, omzien naar elkaar en het versterken van gemeenschapszin. Ook zetten we extra maatschappelijk werk in, met aandacht voor mentale gezondheid, praktische & laagdrempelige hulp en zelf- en samenredzaamheid alsmede inzet van schoolmaatschappelijk werk op alle basisscholen en het voortgezet onderwijs. Ook worden er coaches in voor- en vroegscholen ingezet om jonge kinderen (2-6 jaar) met een zorg- of ondersteuningsbehoefte vroegtijdig te signaleren en te helpen, teneinde geïndiceerde zorg te
67
voorkomen. Daarnaast ontwikkelen we een inclusief kindcentrum, waarin een reguliere basisschool, het speciaal basisonderwijs, kinderopvang en peuteropvang worden gehuisvest, op basis van een gezamenlijk pedagogische visie. Ons jeugd- en jongerenwerk is zichtbaar aanwezig in de wijken/buurten en ondersteunt jongeren in hun ontwikkeling. Ook werken we met straatcoaches die bijdragen aan veiligheid, aanspreekbaarheid en verbinding met jongeren. We hebben ook veel oog voor bestaanszekerheid en dragen daar op verschillende manieren aan bij, door onder andere fruit en groente op scholen aan te bieden, als onderdeel van een gezonde leefomgeving en gelijke ontwikkelkansen, maar ook door samenwerking met St. Leergeld en het Jeugdfonds Sport- en Cultuur, waardoor kinderen uit gezinnen met een smalle beurs kunnen participeren op school en in sport- en cultuuractiviteiten. Aanvullend zetten we bredesportfunctionarissen in de wijken en bij scholen in, om bewegen en gezonde voeding te implementeren. Daarnaast is er een noodfonds voor minima, dat inwoners in acute (financiële) nood tijdelijk ondersteunt en helpt om weer grip te krijgen op hun situatie. Aanverwant bieden we ook stress-sensitieve dienstverlening aan bij schuldhulpverlening. Ook organiseren we inloopspreekuren in de wijken voor inwoners met financiële zorgen, hulp bij het aanvragen van regelingen of administratieve zaken.
Onze ketenpartners hebben naast hun eigen focus en werkzaamheden voor de inwoners ook zicht op andere leefgebieden en schakelen zo nodig andere partners in om middels vroegsignalering verergering van problematiek te voorkomen. Tot slot werken we met een aantal ondersteunende instrumenten en organisaties zoals de Voorzieningenwijzer, aansluiting op Nederlandse Schuldhulproute, convenant met woningcorporaties ter voorkoming van huisuitzettingen, Voedselbank, Arrangementenmonitor, Kledingbank, St. Stop Kinderarmoede, St. Babyspullen. Programmaplan Brunssum Noord en Oost: investeren in de wortels van de wijk Dit programma hebben we inmiddels meermaals benoemd in deze aanvraag. Kortgezegd behelst het een integrale aanpak op het gebied van wonen, leefbaarheid, onderwijs, werk, inkomen en veiligheid, om zo de woon- en leefomgeving in Brunssum Noord- en Oost te verbeteren. Het programma bestaat uit een aantal veelomvattende pijlers: verduurzaming woningen, werken met ambassadeurs, tussen wal en schip-budget: oplossen problemen en leren vanuit de echte werkelijkheid, Sociaal Veilig Brunssum, een Zorgzame wijk in Noord, ontwikkeling Schutterspark als groene long voor de inwoners, herijking van het Sociaal Domein en tot slot de doorontwikkeling van het gebiedsgericht werken.
Sociaal Veilig Brunssum Naast reguliere inzet van team toezicht en handhaving, de wijkmanagers, de wijk GGD’er, buurtnetwerken en buurtbemiddeling, maakt Brunssum een verdiepingsslag om complexe multiproblematiek adequaat aan te pakken. Sociaal Veilig Brunssum is een persoons- en gebiedsgerichte aanpak van sociale veiligheid. Op twee verschillende overlegtafels - het Casuïstiekoverleg en het Veilig Leefbaar Brunssum-overleg – wordt er in samenwerking met ISD BOL, politie, het Zorg- en Veiligheidshuis Parkstad, boa’s, veiligheidsadviseurs en zorgmedewerkers van de gemeente en het CMWW complexe casuïstiek besproken met als doel deze in gezamenlijkheid aan te pakken. Preventie met Gezag Project specifiek gericht op het voorkomen en aanpakken van jeugdcriminaliteit. Daaronder zijn een aantal interventies opgenomen, te weten: Integrale jeugdaanpak Parkstad, Veilig in en om Scholen, Jeugdboa’s, inzet straatcoaches, intensieve begeleiding re-integratie officier, interventieprogramma’s
68
Stichting Halt, Alleen jij bepaalt wie je bent (AJB), Integrale persoonsgerichte toeleiding naar arbeid (IPTA), Buurtgezinnen, opstart talentenhub, training preventieve leerkracht, uitbreiding jeugd- en jongerenwerk en inzet van analisten om datagedreven te werken. Damoclesbeleid De gemeente past bij geconstateerde hennepteelt of drugshandel het Damoclesbeleid toe. Corporaties treden streng op tegen drugshandel en hennepteelt. Bij geconstateerde overtreding zetten ze actief in op ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
2.3.3 De Wbmgp als ontbrekende schakel Ondanks al deze inspanningen, blijft het realiseren van echte verandering achter in de aangewezen buurten. De conclusie is dat geen van de bestaande instrumenten voldoende grip biedt op het specifieke probleem van instroom. We kunnen de huidige bewoners ondersteunen en de buurt fysiek verbeteren, maar als er tegelijkertijd continu nieuwe kwetsbare bewoners bijkomen, worden de verbeteringen tenietgedaan. Reguliere instrumenten bieden geen mogelijkheid om bijvoorbeeld te voorkomen dat iemand zonder inkomen van buiten de regio of met een verleden van overlast en/of criminaliteit zich vestigt in een toch al zwakke buurt – behalve via een maatregel als de Wbmgp. De Wbmgp voorziet nu juist in dat unieke instrument dat ontbreekt in het reguliere palet: de mogelijkheid om te selecteren op wie zich waar mag vestigen, uiteraard onder strikte voorwaarden. Zoals ook blijkt uit paragraaf 2.1 Noodzakelijkheid, is dit dus geen overbodige luxe maar een noodzakelijke aanvulling op de bestaande maatregelen. Immers, het reguliere beleid heeft pas echt kans van slagen wanneer de instroom van nieuwe sociaaleconomische kwetsbaarheid wordt beperkt en de balans in de buurt zich kan herstellen. Zonder die instroombeperking is het, zoals vaak gezegd, deels water naar de zee dragen.
De Wbmgp biedt het middel om die instroom te reguleren en zo de andere investeringen hun vruchten te laten afwerpen. Tegelijkertijd biedt het ook de mogelijkheid om een positieve impuls aan de buurten toe te voegen door middels artikel 9 voorrang te verlenen aan cruciale beroepsgroepen in deze buurten. Zoals eerder in paragraaf 2.1 Noodzakelijkheid beargumenteerd, vormt het waterbedeffect op zichzelf geen doorslaggevende reden tot invoering van de Wbmgp in aangrenzende gebieden, máár versterkt het in Brunssum wel de noodzaak om de Wbmgp ook in de kwetsbaarste buurten van Brunssum in te zetten. Dit omdat de buurten die het meest onder druk staan in Brunssum, ook de meest goedkope woningvoorraad hebben en andere gebieden in deze regio relatief weinig sociale huurwoningen hebben. Dat heeft een aanzuigende werking op kwetsbare mensen die genoodzaakt zijn hier gebruik van te maken, mede doordat zij mogelijk in geselecteerde buurten in Heerlen en/of Kerkrade niet meer terecht kunnen als gevolg van de Wbmgp. De kans is daarom groot dat veel van de huishoudens die in Heerlen en/of Kerkrade geen huisvestingsvergunning krijgen, in Brunssum terechtkomen. Laten we er dan voor zorgen dat zij tenminste niet terechtkomen in buurten met gelijksoortige problematiek op basis waarvan hun huisvestingsvergunning in Heerlen en/of Kerkrade is geweigerd.
Dat komt deze mensen alsmede onze buurten niet ten goede.
2.3.4 Conclusie subsidiariteit Subsidiariteit betekent dat we niet zwaarder ingrijpen dan nodig. Brunssum onderschrijft volledig dat de Wbmgp een uiterste redmiddel is, dat pas ingezet dient te worden als lichtere middelen
69
tekortschieten. Precies dat stadium achten we nu bereikt in de genoemde buurten – de situatie is van dien aard dat een bijzondere maatregel gerechtvaardigd is. In de woorden van het Rijk: het zijn instrumenten die uitsluitend kunnen worden ingezet waar de leefbaarheid en veiligheid ernstig onder druk staat – en dat is hier het geval. Daarbij benadrukken we nogmaals dat de Wbmgp-inzet zo gericht en beperkt mogelijk wordt gehouden en in samenhang met andere maatregelen plaatsvindt. Het instrument fungeert dus niet ter vervanging van bestaande inspanningen maar als ontbrekende schakel in onze integrale aanpak. Na screening op grond van artikel 8 en 9 is de inzet van artikel 10 Wbmgp niet alleen doeltreffend, maar ook noodzakelijk omdat lichtere of reguliere middelen onvoldoende soelaas bieden. De problemen in Brunssum-Noord en -Oost worden al geruime tijd met een integrale wijkaanpak bestreden. Onder de vlag van het Programmaplan Brunssum Noord en Oost investeert de gemeente 25 jaar lang intensief in deze gebieden, met maatregelen op het gebied van wonen, leefbaarheid, onderwijs, werk, inkomen, zorg en veiligheid. Die langjarige inzet – gedragen door bewoners en ketenpartners – blijft onverminderd van kracht, maar heeft tot op heden nog niet tot de gewenste ommekeer geleid.
Belangrijker: zelfs als lokale initiatieven effect sorteren, dreigt hun resultaat teniet te worden gedaan door de continue toestroom van nieuwe probleemgevallen van buitenaf. Zoals vaak gezegd wordt, is het zonder instroombeperking als water naar de zee dragen. De gemeente Brunssum heeft binnen de huidige wettelijke kaders al geprobeerd hierop te sturen – bijvoorbeeld via regionale prestatieafspraken met corporaties om kwetsbare buurten tijdelijk te “ontzien” en via een eigen beleidskader Maatwerktoewijzen om selectiever toe te wijzen. Echter, deze instrumenten missen bindende kracht en wettelijke grondslag om truly effectief te zijn. Vooral belangrijk: bij gebrek aan Wbmgp mag een woningzoekende niet op overlast- of crimineel gedrag worden getoetst. De gemeente kan dus nu niet voorkomen dat een bekende veeloverlastgever een huurwoning betrekt, zolang hij aan de formele inschrijfvoorwaarden voldoet. Pas ná daadwerkelijke escalatie kan men ingrijpen (bijv. via een civiel huisverbod of strafrecht), maar dan is het kwaad in de buurt al geschied. Alternatieven zoals een reguliere Verklaring Omtrent Gedrag volstaan evenmin, omdat deze alleen onherroepelijke strafbare feiten toont en geen informatie geeft over frequente ordeverstoringen zonder veroordeling.
Het rijk heeft bovendien duidelijk aangegeven dat de problematiek in deze buurten structureel van aard is en een robuuste aanpak vergt, waar toepassing van de Wbmgp expliciet onderdeel van kan zijn. Gezien het vorenstaande is het subsidiariteitsbeginsel ruimschoots vervuld: de gemeente heeft eerst alle beschikbare reguliere middelen ingezet, maar deze schieten tekort om de neerwaartse trend te keren. Uitsluitend via de Wbmgp kan de noodzakelijke drempel opgeworpen worden om instroom te reguleren en zo de andere investeringen hun vruchten te laten afwerpen. Immers, het reguliere beleid – hoe omvangrijk ook – heeft pas echt kans van slagen wanneer de voortdurende aanvoer van nieuwe sociaaleconomische kwetsbaarheid en overlastgevers wordt beperkt. De Wbmgp biedt het juridische instrumentarium om die instroom te reguleren (artikel 8 voor inkomenseis, artikel 10 voor screening op overlast), hetgeen met geen enkel ander middel bereikt kan worden. Ook op regionaal niveau zijn geen lichtere alternatieven voorhanden die hetzelfde bewerkstelligen. Parkstadgemeenten en woningcorporaties hebben weliswaar gezamenlijke urgentiecriteria aangescherpt om “verdringing” op de woningmarkt te voorkomen, maar niet alle kwetsbare huishoudens vallen onder urgentie. Evenmin kan van omliggende gemeenten worden verwacht dat zij eenzijdig de toestroom overnemen.
Om die reden is er regionaal voor gekozen gezamenlijk op te trekken bij dit soort woningmarktinterventies. Brunssum heeft zijn voornemen tot Wbmgp-aanvraag nauw afgestemd
70
met buurgemeenten Heerlen en Kerkrade, zodat er een consistente uitvoering ontstaat en geen waterbedeffect binnen de stadsregio optreedt. Dankzij deze regionale solidariteit draagt iedere gemeente een deel van de verantwoordelijkheid voor het huisvesten van kwetsbare groepen, en kunnen bepaalde buurten tijdelijk worden ontzien zonder dat één gemeente onevenredig wordt belast. Kortom, alle betrokken partijen erkennen dat zwaardere middelen nodig zijn voor deze uitzonderlijke situatie. Artikel 10, in combinatie met de andere Wbmgp-bepalingen, is het aangewezen instrument om dat in goede banen te leiden. De reeds getroffen maatregelen, zoals beschreven in deze paragraaf, en de ernst van de problematiek zoals onderbouwd in paragrafen 1.2 en 2.1, concludeert de gemeente Brunssum dat wordt voldaan aan het subsidiariteitscriterium en dat toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 gerechtvaardigd is.
2.4 Proportionaliteit Proportionaliteit houdt in dat de zwaarte van de maatregel in redelijke verhouding moet staan tot het doel en de problematiek, én dat bij de toepassing de rechten van betrokkenen zoveel mogelijk worden geborgd. In paragrafen 1.2 Situatieschets geselecteerde buurten, 2.1 Noodzakelijkheid en 2.2 Geschiktheid, hebben we uitvoerig beargumenteerd waarom ingrijpen in de geselecteerde buurten gerechtvaardigd is, maar ook waarom artikel 8, 9 en 10 geschikt zijn voor het aanpakken van de problematiek in deze buurten. Daarna heeft paragraaf 2.3 Subsidiariteit uiteengezet waarom bestaande interventies tekortschieten en waarom de Wbmgp een noodzakelijke aanvulling is. De onderstaande toelichting moet worden gelezen in samenhang met de hiervoor genoemde paragrafen, om inhoudelijke overlap te vermijden.
2.4.1 Toepassingsbereik van de Wbmgp Zoals in hoofdstuk 1 en paragraaf 2.1 Noodzakelijkheid geschetst, is de situatie in de geselecteerde buurten uiterst zorgelijk. De leefbaarheid en veiligheid staan zodanig onder druk dat een vergaande maatregel als selectieve woningtoewijzing gerechtvaardigd is. Via onderstaande overzichten maken we het aantal huurwoningen inzichtelijk waar, bij toekenning van onze aanvraag, de Wbmgp-maatregelen van toepassing op zullen zijn. In totaliteit gaat het om 2190 huurwoningen, zowel particuliere verhuur als corporatiewoningen. In verhouding tot de totale woningvoorraad van Brunssum betekent dat dat de Wbmgp van toepassing zal zijn op 15% daarvan, zoals weergegeven in tabel 8. Ditzelfde hebben we ook inzichtelijk gemaakt voor de totale regio Parkstad zoals we die in onze aanvraag hanteren. Dat schetst het volgende beeld: slechts 2% van de totale woningvoorraad in Parkstad is onderhevig aan selectieve woningtoewijzing op grond van de Wbmgp. Als we het perspectief verbreden naar de regio Zuid-Limburg en provincie Limburg als geheel, dan zien we dat dit respectievelijk 1% en 0,5% is. Er dient echter een onderscheid gemaakt te worden tussen het totaal aantal woningen waar de Wbmgp op van toepassing is en het daadwerkelijke aantal woningen per jaar dat beschikbaar komt voor de verhuur.
Dat aantal is aanzienlijk minder: De gemiddelde mutatiegraad in deze buurten is namelijk 9,5%. Dat betekent dat van de 2190 woningen, jaarlijks circa 208 woningen waar selectieve woningtoewijzing op van toepassing is, beschikbaar komen voor verhuur. Tabel 8: aandeel Wbmgp-woningen van de totale woningvoorraad van Brunssum
71
Woningvoorraad Brunssum
Woningen in Wbmgpbuurten
Percentage Wbmgpwoningen van totaal aantal woningen
Corporatiewoningen
4030
1905
47%
Particuliere huurwoningen
1500
285
19%
Totaal aantal woningen
14195
2190
15%
Tabel 9: aandeel Brunssumse Wbmgp-woningen van de totale woningvoorraad van Parkstad, Zuid-Limburg en Limburg
Wbmgpgebied Brunssum
Aandeel van de woningvoorraad Parkstad Limburg
Aandeel van de woningvoorraad Zuid-Limburg
Aandeel van de woningvoorraad Limburg
Corporatiewoningen 1905
39.282
5%
86.073
2%
140.770 1,5%
Particuliere huurwoningen
285
17.110
2%
49.787
1%
76.656
Totaal Part. Huur + corporatie huur
2190
56.392
4%
135.860 2%
217.426 1%
Totale woningvoorraad inclusief koopwoningen
2190 Wbmgpwoningen (excl. Koop)
131.293
2%
305.291 1%
548.613 0,5%
0,5%
Ook hebben we in voorgaande hoofdstukken en paragrafen uiteengezet welke artikelen we willen toepassen – artikel 8, artikel 9 en artikel 10 – maar ook op welke wijze we deze gaan toepassen. Het toepassingsgebied is precies afgebakend op basis van uniforme selectiecriteria (zoals beschreven in paragraaf 1.2.1 Selectiecriteria) in lijn met buurgemeente Heerlen. Hoewel uit de Veerkrachtanalyse blijkt dat 7 aangrenzende buurten ook onder druk staan (≥30% roze, rood of donkerrood, zie figuur 5), hebben we niet meer gebieden dan nodig opgenomen. Ook binnen de geselecteerde buurten geldt artikel 8 enkel voor nieuwe woningzoekenden van buiten de regio of die minder dan 6 jaar onafgebroken in de regio Parkstad hebben gewoond, maar niet voor de mensen die er al wonen of voldoen aan de regionale binding. Zoals eerder gezegd: Brunssum neemt verantwoordelijkheid voor haar eigen kwetsbare inwoners die hier al geworteld zijn. Via toepassing van de Wbmgp kunnen we de effectiviteit van ons flankerend beleid in deze buurten vergroten doordat de instroom van kwetsbare inwoners wordt beperkt. Deze mensen worden niet geweerd uit woningen in de overige draagkrachtigere buurten van Brunssum.
Ten aanzien van de proportionaliteit van artikel 8 merken we ook op dat, in lijn met gemeente Heerlen, indien het inkomen afkomstig is van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid of uit zelfstandig beroep of bedrijf, het inkomen tenminste gelijk moet zijn aan de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21 en 22 van de Participatiewet. Om een meer evenwichtige bevolkingssamenstelling te bevorderen, is het nodig om niet alleen te sturen op
72
de bron van het inkomen, maar ook op de hoogte ervan. Door aan te sluiten bij de systematiek van de Participatiewet — waarbij het inkomen ten minste gelijk dient te zijn aan de toepasselijke bijstandsnorm — wordt geborgd dat de maatregel proportioneel blijft. De norm sluit namelijk aan bij een maatschappelijk aanvaard bestaansminimum. Ook sluit het mensen met lage inkomens niet uit, maar enkel die mensen wiens inkomen minder is dan het minimale bedrag dat nodig is om van te leven. Verder geldt voor artikel 10 dat bij het controleren van politiegegevens, er een terugkijktermijn geldt tot de afgelopen 4 jaar en voor jongeren van 16 en 17 jaar is deze verlaagd tot 2 jaar. Woningzoekenden wiens huisvestingsvergunning wordt geweigerd, ontvangen een gemotiveerde beschikking en kunnen op basis van de Awb bezwaar en beroep instellen. De gehanteerde criteria zijn helder omschreven in de Wbmgp en worden eveneens vastgelegd in de Huisvestingsverordening. Door middel van een hardheidsclausule in de Huisvestingsverordening borgen we daarnaast dat maatwerk voor schrijnende gevallen mogelijk blijft – denk aan iemand die wegens mantelzorg bij familie in de buurt moet komen wonen maar niet aan alle criteria voldoet. De Wbmgp is een tijdelijke maatregel en wordt in beginsel ingesteld voor een periode van 4 jaar.
Indien evaluatie uitwijst dat de maatregelen niet langer nodig zijn of onvoldoende werken, zal Brunssum geen verzoek doen tot verlenging en de maatregelen beëindigen. Alleen bij gebleken effect én aanhoudende noodzaak zal verlenging overwogen worden, opnieuw in overleg met raad en betrokkenen. Deze waarborg van periodieke toetsing voorkomt dat de maatregelen langer dan proportioneel voortduren. Bovendien moet de minister toestemming verlenen voor verlenging en daarvoor is het aanleveren van een evaluatie verplicht. Flexibiliteit is ook tijdens de looptijd mogelijk: mocht eerder duidelijk worden dat bepaalde buurten voldoende zijn verbeterd, dan kan tussentijds een verzoek tot gedeeltelijke intrekking worden gedaan. Op basis van de geschetste multiproblematiek schatten wij echter in dat dit niet aan de orde zal zijn en de kans groter is dat een verlenging nodig is.
2.4.2 Alternatieve huisvestingsmogelijkheden Een belangrijk onderdeel van proportionaliteit is dat de mensen die geen huisvestingsvergunning voor de geselecteerde buurten kunnen krijgen, nog steeds ergens anders terecht kunnen. Op jaarbasis komen er in Parkstad circa 2500 huurwoningen vrij, waarvan circa 143720 vrijkomen in de beoogde Wbmgp-gebieden, waardoor er alleen in Parkstad al 1063 woningen overblijven voor de huishoudens die niet in Wbmgp-gebieden terecht kunnen. Hoewel we in de regio Parkstad nog altijd sociale huur toevoegen, weten we ook dat wanneer Parkstad alle huishoudens optimaal zou mengen (zonder te verdringen), de regio nog steeds een disproportioneel grote verantwoordelijkheid draagt voor het huisvesten van kwetsbare groepen. Zo is circa 40%21 van de reacties op beschikbare woningen in Brunssum in 2024 als in 2023 afkomstig van woningzoekenden van buiten Parkstad. Het is daarom zaak dat andere (sub)regio’s ook hun aandeel nemen in het huisvesten van kwetsbare mensen. Dit is ook besproken met de provincie en de andere gemeenten: er moet gezamenlijk voor worden gezorgd dat Parkstad niet onevenredig belast blijft als opvanggebied voor kwetsbare
Geprognotiseerde woningaantallen van Heerlen plus Brunssum. Woningaantallen van Kerkrade waren nog niet beschikbaar op het moment van schrijven. 20
TIL Rapportage Brunssum 2024, Thuis in Limburg, 2025 en TIL Rapportage Brunssum 2023, Thuis in Limburg, 2024. 21
73
groepen. Die fair share-gedachte leeft breed en er is sprake van een grote regionale solidariteit. Zo nodig kan de Provincie of het Rijk hierop toezien in het kader van regionale woonzorgvisies. Derhalve verwijzen wij niet alleen naar de huisvestingsmogelijkheden binnen Parkstad, maar vooral ook buiten Parkstad. In totaliteit komen er in de periode 2026-2030 namelijk in Zuid-Limburg circa 4500 sociale huurwoningen bij en op het niveau van heel Limburg bedraagt dit zelfs circa 9500 sociale huurwoningen. We verwijzen tevens terug naar tabel 9, waaruit blijkt dat de Brunssumse Wbmgpwoningen slechts respectievelijk 1% en 0,5% van de totale woningvoorraad van Zuid-Limburg en Limburg zijn. Ook landelijk zijn er in deze periode ongeveer 290.000 extra sociale huurwoningen geraamd. Met andere woorden: zowel binnen Zuid-Limburg, Limburg en Nederland wordt de taart groter en niet alleen herverdeeld. Daarmee is de proportionaliteit van de aanvraag zorgvuldig gewogen binnen zowel de lokale als de bredere regionale en landelijke context.
Figuur 15: Nieuwsartikel ‘Brunssum en het einde aan het Calimerogevoel in Parkstad: ‘Deze regio is er niet om de problemen van het land op te lossen’’, De limburger, oktober 2024.
74
2.4.3 Conclusie proportionaliteit Hoewel de inzet van artikel 10 een ingrijpende maatregel is, acht de gemeente Brunssum deze passend en proportioneel gezien de ernst van de problematiek. De maatschappelijke belangen die hier in het geding zijn – het herstel van leefbaarheid en veiligheid in de meest kwetsbare wijken – rechtvaardigen een tijdelijke beperking van de vestigingsvrijheid in deze specifieke gevallen. Tegenover de beperkte inbreuk op individuele keuzemogelijkheden staat een groot maatschappelijk voordeel: de leefbaarheid in zeer kwetsbare buurten kan herstellen, wat opweegt tegen de tijdelijke begrenzing van vestiging. Bovendien is de maatregel zo vormgegeven dat de rechten van betrokkenen maximaal worden geborgd en niet onevenredig worden geschaad. Ten eerste is de reikwijdte precies afgebakend tot wat strikt noodzakelijk is. De aanwijzing betreft uitsluitend die zes buurten die aantoonbaar het zwaarst getroffen zijn en waar de cumulatie van problemen uitzonderlijk hoog is (geselecteerd op basis van objectieve criteria). We kiezen daarbij heel bewust voor volledige buurten, om te voorkomen dat er binnen één wijk een lappendeken van wel/niet aangewezen straten ontstaat en de problematiek zich verplaatst naar direct aangrenzende straten.
Het aantal woningen dat onder de regeling valt is beperkt – in totaal een fractie van de woningvoorraad van Brunssum, laat staan van de regio Parkstad of provincie Limburg. Er blijven dus voldoende alternatieve huisvestingsmogelijkheden over voor woningzoekenden die niet (meteen) in deze buurten terecht kunnen. Deze alternatieven bevinden zich zowel binnen de gemeente (andere, veerkrachtiger wijken) als in omliggende gemeenten; regionale afspraken zorgen ervoor dat kwetsbare huishoudens in meer stabiele gebieden kunnen worden opgevangen. In die zin dient de maatregel ook het belang van deze woningzoekenden zelf: zij worden behoed voor vestiging in een omgeving die hun welzijn en perspectief niet ten goede zou komen, en kunnen in plaats daarvan in een meer draagkrachtige buurt wonen.
Ten tweede is de duur van de aanwijzing beperkt. Er wordt vergunningweigering op grond van artikel 10 (evenals 8 en 9) gevraagd voor maximaal vier jaar. Conform de Wbmgp zal na die termijn een expliciet besluit nodig zijn om de aanwijzing al dan niet te verlengen, waarbij opnieuw de noodzaak en proportionaliteit moeten worden gewogen. De tijdelijkheid waarborgt dat de maatregel niet langer duurt dan nodig om de beoogde ommekeer te bewerkstelligen. Parallel hieraan is voorzien in verplichte monitoring en evaluatie: de gemeente zal jaarlijks de effecten volgen (o.a. aantal geweigerde vergunningen, ontwikkeling leefbaarheid en veiligheid) en na afloop evalueren of voortzetting nog gerechtvaardigd is.
Ten derde worden hardheids- en rechtsbeschermingsclausules in acht genomen. De gemeente past artikel 10 alleen toe binnen het kader van de Huisvestingsverordening, waarin een hardheidsclausule wordt opgenomen om in onvoorziene, schrijnende individuele situaties maatwerk te kunnen leveren. Zo behoudt het college de bevoegdheid om, indien strikte handhaving tot evident onbillijke uitkomsten zou leiden, alsnog van weigering af te zien. Tevens staat voor elke geweigerde woningzoekende de mogelijkheid open om bezwaar en beroep aan te tekenen, zodat onafhankelijke toetsing door de rechter gewaarborgd is. Deze juridische controlemechanismen verzekeren een zorgvuldige toepassing en voorkomen willekeur.
75
Alles afwegende is de voorgestelde inzet van artikel 10, in samenhang met de artikelen 8 en 9, proportioneel te noemen. De maatregelen staan in redelijke verhouding tot de aard en ernst van de problemen – die zijn immers uitzonderlijk, zie paragraaf 2.1 – en zijn precies en tijdelijk begrensd naar gebied, doelgroep en duur. Er is voorzien in voldoende uitwijkmogelijkheden voor de betrokken doelgroep, zodat niemand tussen wal en schip raakt. De inkomenseis (art.8) is gematigd vormgegeven (aansluitend bij de bijstandsnorm) om lage inkomens niet onnodig uit te sluiten, en de toepassing van artikel 10 richt zich uitsluitend op personen met een relevant negatief verleden, niet op brede categorieën. Daarnaast verzachten de tijdelijkheid, evaluatieplicht, hardheidsclausule en bezwaar/beroep de impact op individuele rechten. Gelet op het grote maatschappelijke belang van de maatregel en de voorziene positieve effecten op leefbaarheid en veiligheid, acht de gemeente Brunssum de inzet van artikel 10 Wbmgp gerechtvaardigd en proportioneel. Deze maatregel is uiteindelijk erop gericht om de buurten weer een toekomstperspectief te geven waarin zowel huidige bewoners als nieuwe instromers kunnen floreren in een veilige, stabiele omgeving.
Conclusie: Op grond van bovenstaande motivering is de gemeente Brunssum van oordeel dat toepassing van artikel 10 Wbmgp in de aangewezen buurten onontbeerlijk is. De maatregel is noodzakelijk om de vicieuze cirkel van kwetsbare instroom en toenemende overlast te doorbreken, geschikt om de beoogde verbetering in veiligheid en leefbaarheid te bereiken, subsidiar omdat mildere alternatieven ontbreken, en proportioneel in het licht van de geboden waarborgen en het zwaarwegende algemene belang. Wij verzoeken dan ook de minister om artikel 10 (evenals 8 en 9) van de Wbmgp toe te staan voor de zes genoemde buurten. Dit geeft de gemeente en haar partners de kans om op verantwoorde wijze de ‘pauzeknop’ in te drukken voor deze kwetsbare wijken: de instroom van problematische gevallen wordt tijdelijk beperkt, terwijl volop wordt doorgewerkt aan het versterken van de buurt en haar bewoners. Hiermee creëren we de noodzakelijke ademruimte om de negatieve spiraal om te buigen naar een positief perspectief voor Brunssum-Noord, -Oost en Treebeek. Uiteindelijk is dit zowel in het belang van de huidige inwoners – zij krijgen een veiligere, stabielere leefomgeving – als van kwetsbare woningzoekenden zelf, die niet langer in een omgeving terechtkomen die hun problemen vergroot maar in plaats daarvan kansrijker worden gehuisvest.
De inzet van artikel 10 Wbmgp is daarmee een passende, noodzakelijke en proportionele maatregel om de hardnekkige grootstedelijke problematiek in Brunssum effectief aan te pakken. Gelet op al deze factoren concluderen we dat de toepassing van de Wbmgp in Brunssum proportioneel is. We schenden geen rechten onevenredig, waarborgen alternatieven voor huishoudens die niet in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning en beperken de duur en reikwijdte tot wat strikt noodzakelijk is. Daartegenover staat een groot maatschappelijk voordeel: het herstel van leefbaarheid in zeer kwetsbare buurten weegt op tegen de beperkte inbreuk die tijdelijk op de vestigingsvrijheid wordt gemaakt De gemeente Brunssum concludeert dat de gezamenlijke toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wbmgp proportioneel is. De maatregelen staan namelijk in verhouding tot de aard en ernst van de problematiek – zoals beargumenteerd in paragraaf 1.2 en 2.1 – en zijn zorgvuldig afgebakend naar gebied, doelgroep en duur. Het aantal woningen is beperkt, zeker in verhouding tot de totale woningvoorraad van Brunssum, Parkstad en (Zuid-)Limburg zoals weergegeven in deze paragraaf. Er
76
zijn dus voldoende alternatieve huisvestingsmogelijkheden binnen en buiten de regio. Ook de inkomenseis sluit aan bij de bijstandsnorm en borgt daarmee een maatschappelijk aanvaard minimum zonder lage inkomens uit te sluiten. Daarnaast wordt proportionaliteit gewaarborgd door de tijdelijke duur van vier jaar, de verplichte evaluatie, de hardheidsclausule en de mogelijkheid tot bezwaar en beroep. Alles afwegende acht de gemeente Brunssum de inzet van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wbmgp een proportionele maatregel ten aanzien van de problematiek waarmee de zes buurten kampen.
3. Monitoring, effect en beëindiging 3.1 Monitoring en evaluatie Gemeente Brunssum vraagt de Wbmgp aan voor een periode van vier jaar, geldend in onze zes minst draagkrachtige buurten. Dit geeft onze professionals, partners én uiteraard onze inwoners meer slagkracht om de opeenstapeling van problematiek effectief aan te pakken. Uiteindelijk is het doel niet het in stand houden van de maatregel op zich, maar het creëren van buurten die weer zonder de Wbmgp vooruit kunnen. Monitoring en evaluatie helpen te bepalen of en wanneer dat punt bereikt is. Daarnaast kunnen we daardoor ook tussentijds bepalen of de maatregelen op de juiste manier geïmplementeerd worden, of dat er bijsturing nodig is. Uiteraard is het van belang deze maatregelen op transparante wijze te verantwoorden richting inwoners, gemeenteraad en het Rijk. Dit vereist een zorgvuldige monitoring, die de basis vormt voor een kwalitatieve en inhoudelijk onderbouwde evaluatie. We haken daarvoor aan op de monitoringssystematiek die is opgesteld in het kader van het programma Brunssum Noord en Oost. Vanuit het programma wordt een dashboard ontwikkelt dat wordt opgebouwd in de Arrangementenmonitor van gemeente Brunssum. Dit behelst de kwantitatieve monitoring. Daarnaast zet het programma ook in op kwalitatieve monitoring via de bewonersraad en een 2-jaarlijkse evaluatie die breder wordt uitgevraagd bij bewoners in de wijk.
Daarnaast zijn er middelen bij ZONMW aangevraagd voor een participatief onderzoek om te analyseren welk effect het programma in de leefwereld van bewoners heeft en wat haar meerwaarde is. We analyseren de ervaringen en perspectieven van bewoners, beleidsmakers en andere betrokkenen en analyseren de sociale en economische meerwaarde van de aanpak. Zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve monitoringssystematiek leent zich uitstekend voor het monitoren van het effect van de Wbmgp. Uiteraard wordt deze systematiek aangevuld door andere databronnen zoals hieronder weergegeven. Deze aanvraag is onder andere gestoeld op een breed scala aan indicatoren van het CBS. Door de data van vóór de invoering van de Wbmgp te vergelijken met de data na invoering, kunnen we het effect van de maatregelen op de buurten meten. Daarnaast willen we een verdiepingsslag maken op deze data, gericht op de instroom in de buurten, door ook te kijken naar de microdata van het CBS. Daarmee kunnen we op persoons- en adresniveau verschillende indicatoren bekijken zoals gezinssamenstelling, leeftijd, herkomstgemeente, maar ook kenmerken als inkomen, type arbeid,
77
zorg, gezondheid. Op basis van zulke (en aanvullende) indicatoren kunnen we per artikel meten of het gewenste effect bereikt wordt. Vragen zoals ‘komen er inderdaad minder kwetsbare mensen van buiten de regio in deze gebieden wonen door de inzet van artikel 8?’ en ‘zorgt artikel 9 er inderdaad voor dat er mensen die werkzaam zijn in de cruciale beroepsgroepen in deze wijken gaan wonen?’ kunnen aan de hand van deze data beantwoord worden doordat we ook hier de data van voor en na de invoering vergelijken. Daarnaast worden de persoonsgegevens (m.u.v. politiegegevens) in relatie tot vergeven huisvestingsvergunningen enkel ter evaluatie van de Wbmgp bewaard. Uiteraard zijn deze slechts toegankelijk nadat de functionaris gegevensverwerking daartoe machtiging heeft gegeven. Verder is deze aanvraag ook gebaseerd op de Veerkrachtanalyse Parkstad dat niet enkel kijkt naar de huidige situatie, de zogenoemde ‘foto’, maar ook naar de ‘film’, de ontwikkeling gemeten over een periode van negen jaar. We verwachten dat we de effecten van de Wbmgp ook hierin terug zullen zien en kunnen door de onderliggende data van deze kaarten te raadplegen, per buurt zien hoe de cijfers zijn veranderd ten opzichte van de cijfers in deze aanvraag. Gezien deze analyse regionaal gedaan wordt, kunnen we ook bekijken of de veerkracht van andere omliggende buurten niet onacceptabel achteruitgaat.
Op Parkstad-niveau wordt eveneens elke 2 jaar voor elke gemeente in Parkstad een burgeronderzoek (Parkstad inZicht) gedaan dat ingaat op de belevingen van inwoners ten aanzien van leefbaarheid, wonen, veiligheid, beheer en onderhoud, vrijetijdsbesteding en gezondheid en zorg. Door de resultaten te vergelijken met eerdere onderzoeken uit 2019, 2021 en 2023, ontstaat een waardevol beeld van de ontwikkeling van leefbaarheid over de tijd. Dit maakt het mogelijk om maatschappelijke trends te volgen en beleid gericht te evalueren en bij te sturen. Additioneel halen we informatie op bij onze collega’s en partners die in deze wijken aan de slag gaan, denk aan onze wijkmanagers, de wijk GGD’er, (jeugd)boa’s, straatcoaches, consulenten van ISD-BOL, consulenten wijken en buurten van woningcorporaties etc. Dit doen we onder andere door via de overlegtafels Sociaal Veilig en het casuïstiekoverleg waar een groot deel van deze professionals structureel vertegenwoordigd is. Naast bovengenoemde bronnen ontvangen we ook jaarlijks een rapportage van Thuis in Limburg, het regionale woningtoewijzingsplatform waar alle woningcorporaties die actief zijn in Brunssum bij zijn aangesloten. In deze rapportage wordt weergegeven hoeveel huurcontracten dat jaar zijn afgesloten, met een uitsplitsing naar woningtype, huishoudtype, prijsklasse en leeftijd.
Eveneens wordt er inzicht gegeven in het aandeel vrij aanbod versus bemiddeling en de redenen voor bemiddeling naar een woning. Verder geeft het, naast andere indicatoren, inzicht in de herkomstgemeente van mensen die reageren en de herkomst van nieuwe huurders. Gemeente Brunssum neemt reeds deel aan het Wbmgp-overleg van de gemeente Heerlen en in het kader van het Programma Brunssum Noord en Oost is er ook al samenwerking met het programmabureau van het NPLV Heerlen. In aanloop naar de besluitvorming over deze aanvraag wordt binnen dat overleg tevens het gesprek voortgezet over de wijze waarop de monitoringssystematiek zo efficiënt en integraal mogelijk kan worden ingericht. Na toekenning van de aanvragen van Heerlen en Brunssum en/of Kerkrade zal binnen dit overleg ook ruimte zijn voor het uitwisselen van praktijkervaringen en het onderling delen van inzichten ten behoeve van eventuele bijsturing.
78
3.2 Te verwachten effect De gemeente verwacht dat door de combinatie van artikel 8, artikel 9 en artikel 10, de aangewezen buurten een positieve ontwikkeling zullen doormaken. Door artikel 8 en 9 in gezamenlijkheid in te zetten verwachten we in kwantitatieve termen een duidelijke knik te zien in de trend: het aandeel nieuwe instroom met een uitkering daalt fors als gevolg van artikel 8, terwijl artikel 9 bijdraagt aan het verhogen van het aandeel werkende nieuwe bewoners. Hierdoor zal op termijn het percentage huishoudens met een laag inkomen in deze buurten afnemen en het gemiddeld inkomen toenemen. Bovendien heeft artikel 9 een positieve nevenwerking dat bijvoorbeeld scholen in de buurt profiteren van leerkrachten die er zelf wonen, of dat de buurt extra binding krijgt doordat agenten of verpleegkundigen daadwerkelijk buurmannen en -vrouwen worden. Ook voor de betreffende huurders zelf is het een stap vooruit: zij krijgen een kans op betaalbaar wonen in een omgeving die ze mede kunnen helpen versterken. Evenzeer verwachten we dat het aandeel huishoudens met (zeer) veel problemen (roze/rood categorie) stapsgewijs terugloopt, doordat er minder bijkomen en de bestaande bewoners intensiever geholpen kunnen worden. Dit zal zich wellicht vertalen in een hogere veerkrachtscore of leefbaarheidsscore bij de volgende metingen.
Ook artikel 10 zal bijdragen aan de leefbaarheidsscore van deze buurten. Op veiligheidsgebied voorzien we namelijk een afname van overlastmeldingen en een toename van het veiligheidsgevoel. Bewoners zullen hopelijk merken dat er een andere dynamiek ontstaat: nieuwe buren werken vaker en zorgen voor minder overlast, en bestaande overlastgevers worden aangepakt of vertrekken. Mensen met een recent verleden ten aanzien van overlast of criminaliteit worden immers geweerd, wat direct effect kan hebben op de leefbaarheid. Ook is er een signaalwerking: het wordt duidelijk dat in deze buurten actief wordt ingezet op een veilige en leefbare omgeving, wat mogelijk een preventief effect heeft. De daadwerkelijke aantallen weigeringen op grond van artikel 10 zullen vermoedelijk beperkt zijn, maar het effect per geweerde persoon is groot – één actieve overlastgever minder kan voor een hele straat verschil maken. Bovendien geeft het de zittende bewoners rust te weten dat bekende veelplegers niet zomaar naast hen komen wonen. Door artikel 10 te combineren met artikel 8 en 9 richten we ons zowel op sociaaleconomische verbetering als op (on)veiligheid. Die integrale benadering is nodig om de buurten weer aantrekkelijk en leefbaar te maken voor een brede groep inwoners. Belangrijk is wel te beseffen dat deze effecten niet van de ene op de andere dag zichtbaar zijn.