Agendabundel
Tekst van het document
2. Stakeholdersessies. Op basis van de potentiestudie werden een aantal stakeholdersessies georganiseerd, met: • De gemeentelijke organisatie • Woningcorporaties, netbeheerder Enexis, drinkwaterleverancier WML en energiecoöperatie Energiek Brunssum • Gemeenteraad In deze sessies werden de potentiële alternatieven verkend. Daarnaast werd informatie opgehaald over bijvoorbeeld de strategieën om naar een aardgasvrije gebouwde omgeving te gaan. Ook kwam een passende rol voor de gemeente als regisseur van deze opgave ter sprake. Een verslag van deze bijeenkomsten is te vinden in bijlage 4.2
3. Inwonersenquête Bewoners zijn met een enquête bevraagd over energiezuinig en aardgasvrij wonen. In deze enquête kregen zij vragen die ingingen op hoe de gemeente de warmtetransitie zou moeten vormgeven en aan welke maatregelen zij behoefte hebben. De resultaten (bijlage 4.3) leverden ook een bijdrage aan het opstellen van het regionaal isolatieen verduurzamingsprogramma.
4. Data-analyse. De resultaten van bovengenoemde middelen werden gecombineerd met data waarvan de benodigde analyses zijn gemaakt. Denk hierbij aan informatie over energielabels, energieverbruik en allerlei andere informatie. Deze data komt voort uit de landelijke databases van onder andere de VNG, PBL, CBS en het kadaster. Naast deze stappen zijn er aanvullend nog een aantal stappen lokaal doorlopen. 1. Uit de stakeholdersessies kwam de behoefte om op basis van de potentiestudie, de potentie van de lokale warmtebronnen verder te onderzoeken. Deze studie is toegevoegd in bijlage 4.4. 2. Op basis van de eerdere sessies en de analyse van allerlei bijbehorende data, ontstond een verdiepende sessie met de woningcorporaties, Enexis en WML. In deze sessie stond de planning centraal. Door de planningen van alle partijen bij elkaar te brengen, werd de planning van de startbuurten afgestemd.
9
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
2. Ambitie gemeente Brunssum De ambitie en regierol van de gemeente zijn belangrijk. Het ambitieniveau bepaalt het tempo waarmee het gebruik van aardgas wordt verminderd. Naast een heldere ambitie kan de gemeente de daaruit voortkomende opgave op meerdere manieren invullen. Afhankelijk van de buurt of de technische oplossing kan de gemeente haar regierol hierop aanpassen. In dit hoofdstuk komt eerst de ambitie van gemeente Brunssum en vervolgens de gekozen regierol aan bod.
2.1. Ambitie aardgasreductie 2030 De planning van de buurt-voor-buurt aanpak tot 2030 bevat 9.314 woningequivalenten.2 Deze gebouwen gebruiken samen gemiddeld 11,5 miljoen m³ gas per jaar. Het huidige aardgasgebruik binnen de gehele gemeente is 22,9 miljoen m³. Dat wil zeggen dat het verbruik van aardgas in de startbuurten 50% van het totaal in Brunssum bevat. De ambitie voor aardgasreductie in Brunssum voor 2030 bestaat uit twee onderdelen: •
•
3.247.541
1.143.598
In de startbuurten wordt ingezet op volledig aardgasvrij, daarmee wordt in 2030 het huidige gebruik van 11,5 miljoen m³ gereduceerd met 3,2 miljoen m³. Dit is een reductie van 14%. Bewoners en andere eigenaren buiten de startbuurten zetten op eigen initiatief stappen. Daarnaast zet de gemeente zelf de benodigde stappen in relatie tot haar eigen gebouwen. Daarmee wordt in 2030 het gebruik van 11,4 miljoen m³ met 1,1 miljoen m³ gereduceerd. Dit is een reductie van 5%.
De totale reductie van aardgasgebruik in Brunssum in 2030 bedraagt daarmee 4,4 miljoen m³. In totaal resulteert dit in 19% reductie in 2030. Daarmee stelt de gemeente Brunssum de ambitie voor 2030 vast op 20% reductie ten opzichte van 2020. Dit is gelijk aan het landelijke uitgangspunt van 20% aardgas reductie in 2030.
10
Figuur 2: Aardgasreductie Brunssum 2030
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
18.535.310
Totaal reductie buurt voor buurt aanpak m3 Totaal reductie gemeentebrede aanpak m3 Resterend gebruik aardgas m3
Aardgas reductie Brunssum 2030
Totaal reductie buurt voor buurt aanpak m3 3247541,2 Totaal reductie gemeentebrede aanpak m3 1143 Een woningequivalent is een eenheid en andere Resterend gebruik(weq) aardgas m3om woningen 18535310,75 2
gebouwen zoals kantoren of andere utiliteiten met elkaar te vergelijken. 130 m² bvo komt overeen met 1 woningequivalent (weq). Bvo = bruto vloeroppervlak, uitgedrukt in vierkante meters (m²) (Bron: startanalyse PBL)
Op basis van de uitkomsten van de werksessies en het onderzoek (zie paragraaf 1.4) gaat gemeente Brunssum aan de slag in buurten waar de betaalbaarheid van de energierekening het meeste onder druk staat en de woningen het slechts geïsoleerd zijn. Van 2023 tot 2030 gaat de gemeente in twee buurten per jaar aan de slag, vanaf 2030 worden dit drie buurten per jaar. 2023 wordt gebruikt voor het gereedmaken van de gemeentelijke organisatie. Daarnaast start de uitvoering in de eerste startbuurten. Door deze aanpak worden in een periode van tien jaar 22 buurten betrokken bij de buurt-voor-buurt-aanpak. Hoofdstuk 4 bevat meer informatie over de geselecteerde startbuurten.
2.2. De rol van de gemeente In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten een centrale rol vervullen in de lokale warmtetransitie: de regierol. Wat dit inhoudt, wordt bepaald per buurt en is afhankelijk van de opgaven of projecten in die buurt. Op basis van de stakeholdersessies zijn twee rollen te onderscheiden: •
•
Procesregisseur in buurten waar alleen een opgave is voor energiezuinige en aardgasvrije gebouwen; Integrale regisseur indien in een buurt meerdere opgaven spelen en deze in samenhang kunnen worden opgepakt.
De gemeente streeft ernaar om in de buurtaanpak samen met bewoners afspraken te maken over de stappen (zie bijlage 2.1) naar energiezuinige en aardgasvrije gebouwen en deze vast te leggen in een uitvoeringsplan. Naast het isoleren en aardgasvrij maken, is er ook aandacht voor andere duurzame maatregelen zoals zonnepanelen. Hierbij zijn drie strategieën mogelijk: 1.
Een individuele warmteoplossing met een individuele aanpak voor elke eigenaar; 2. Een individuele warmteoplossing met een collectieve aanpak voor de buurt; 3. Een collectieve warmteoplossing met een collectieve aanpak en veel regie bij de gemeente. In de inwonersenquête werd gevraagd een voorkeur uit te spreken over bovenstaande strategieën en de rol van de gemeente. Dit leverde een gemengd resultaat op, wat ertoe kan leiden dat op basis van het uitvoeringsplan een deel van de bewoners zelf aan de slag gaat en een ander deel van de bewoners ervoor kiest om dit samen te doen.
11
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
Bij het opstellen van het uitvoeringsplan wordt ook bepaald op welke wijze de gemeente de regierol het beste kan invullen.
Koppeling met opgaven Het streven is om het moment met de buurt ook te gebruiken als aanjager voor een duurzame en toekomstbestendige buurt. Klimaatadaptatie speelt hierbij een belangrijke rol en wordt dan ook meegenomen in het uitvoeringsplan. Dit kan bijvoorbeeld door te kijken of er ook voldoende groen in de buurt is om regenwater op te vangen en schaduw te geven in hete zomers.
3. Naar een energiezuinig en aardgasvrij Brunssum In dit hoofdstuk wordt kort toegelicht wat de verschillende warmteoplossingen zijn. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen collectieve en individuele warmtetechnieken. Een uitgebreidere toelichting is te vinden in bijlage 1. Daarnaast benoemt dit hoofdstuk per buurt welke warmteoplossing het meest kansrijk lijkt. Dit op basis van de huidige inzichten en voor een periode van 2023 t/m 2032.
Hernieuwbare opwek
Energiezuinig gedrag
Maak gebruik van de zon: • Zonnepanelen (PV) voor elektriciteit • Zonnecollectoren en zonneboilers voor warmte • PVT: een combinatie van elektriciteit en warmte
Zet de thermostaat lager (<19°C), verwarm alleen de ruimtes waar je bent en doe de deuren dicht. Doe de lichten uit. Douche korter (5 min). Krijg inzicht met een energieverbruiksmanager
Aardgasvrije & efficiënte apparaten Kies een aardgasvrij(ready) alternatief: • Warmtepompen • Warmtenetten: (midden, lage en zeer lage temperatuur) • Hybride warmtepompen Vervang onzuinige apparaten door zuinige apparaten.
5 4
1 3
2
Energiezuinige gebouwen Ga isoleren: • Vloer, dak, gevels en ramen (glas en kozijnen). Zorg voor vergroening en zuinige koeling Zorg voor goede en zuinige ventilatie
Figuur 3: De energiebespaarschijf Bron: Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving
12
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
(Bestaande) installatie optimaliseren Neem kleine energiebesparende maatregelen: • o.a. tochtstrips, ledlampen, radiatorfolie en waterbesparende douchekop. Optimaliseer je ketel: • opnieuw inregelen of zet je ‘m op 60 graden of lager.
3.1. Energie besparen, isoleren en ventileren Energie besparen is altijd een goed idee. Naast een energiezuinige woning, speelt gedrag in het dagelijks ook een grote rol in de hoogte van de energierekening. Eenvoudige maatregelen of slimme keuzes zorgen al voor energiebesparing. Dit komt terug in stap 1 en 2 van de energiebespaarschijf (figuur 3). Zo hoort bijvoorbeeld aardgasvrij koken bij een energiezuinige en aardgasvrije woning. Dit kan bijvoorbeeld met een inductieplaat- of keramische kookplaat. Meestal wordt voor inductie gekozen. Deze optie verbruikt minder stroom dan andere elektrische kookplaten en lijkt op koken op aardgas. Bijkomend voordeel is dat elektrisch koken ook beter is voor de luchtkwaliteit in huis. Omdat verschillende aardgasvrije alternatieven op lagere temperatuur verwarmen dan een cv-ketel, is isoleren in veel gevallen een eerste noodzakelijke stap. Daarnaast zorgt isoleren ook voor energie- en dus CO2-besparing. Om ervoor te zorgen dat de woning ook gezonder wordt is het belangrijk om tijdens het isolatieproces aandacht te besteden aan ventilatie. In onderstaande afbeelding wordt per woning het energielabel weergegeven. In Brunssum zijn er nog veel woningen met een relatief laag energielabel. In de afbeelding zijn weinig groene gebouwen.
Deze gebouwen met energielabel A of B, zijn meestal al voldoende geschikt om aardgasvrij te maken, de gele en rode gebouwen hebben vaak nog isolerende maatregelen nodig.
Figuur 4: Energielabels in Brunssum
Bron: potentiestudie Brunssum, bijlage 4.1
13
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
3.1.1. Isoleren In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het isoleren van woningen. Voor utiliteiten gelden andere normen en uitgangspunten. Deze zijn terug te vinden via het beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving en de Rijkdienst voor ondernemend Nederland. De landelijke standaard voor woningisolatie geeft duidelijkheid aan woningeigenaren over het benodigde isolatieniveau, vooruitlopend op het alternatief voor aardgas. In deze standaard zijn ook streefwaarden voor individuele bouwdelen vastgesteld. Met het isoleren volgens de standaard worden woningen voorbereid op een toekomst waarin deze aardgasvrij worden verwarmd. Meer informatie over isoleren en de nieuwe isolatierichtlijnen is te vinden in bijlage 1. Woningen in Brunssum worden minimaal geïsoleerd tot het niveau van de landelijke standaard voor woningisolatie. De standaard betreft een minimum, daarom is het belangrijk om deze in de uitwerking te vergelijken met isolerende maatregelen boven de standaard, richting de streefwaarden. Dit kan worden afgewogen op onder andere de investering, de energierekening over een periode van 30 jaar en het comfort of de waarde van de woning. Onderstaand ter verduidelijking een overzicht van deze nieuwe isolatiestandaarden en hoe deze, afhankelijk van het bouwjaar, passen bij de verschillende alternatieven voor aardgas.
Tabel 1: Nieuwe isolatiestandaarden
Alternatief voor aardgas Ander ‘gas’ (1)
Hybride WP/CV
HT
MT
Nu (LT)
Toekomst
HT
MT
LT
(Z)LT
>75°C (90°C)
55-75°C
30-55°C
55-75°C
> 75°C (90°C)
55-75°C
30-55°C
<30°C
Onder de Standaard
V
X
X
X
V
X
X
X
Vooroorlogse Standaard
V
V
X
V
V
V
X
X
Naoorlogse Standaard
V
V
V
V
V
V
V
X
Voorbij de Standaard
V
V
V
V
V
V
V
V
Temperatuur
Warmtepomp
Warmtenet
(1) Niet op korte termijn beschikbaar
Bron: Nieman: Webinar: Voorbij de Standaard
3.1.2. Ventileren Bij het isoleren worden bestaande naden en kieren die zorgen voor natuurlijke ventilatie, gedicht. Het is dus van belang om de verbetering van de ventilatie mee te nemen om te komen tot een gezonde woning en vochtproblemen te voorkomen. Bovendien draagt een goede ventilatie bij aan een gezond binnenklimaat.
14
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
3.2. Strategieën om van het aardgas af te gaan Om alle gebouwen aardgasvrij te maken, zijn er een aantal warmteoplossingen onderzocht. Deze warmteoplossingen zijn te verdelen in twee groepen: individuele en collectieve oplossingen. In bijlage 1 worden de collectieve en individuele oplossingen verder beschreven. Binnen deze oplossingen zijn allerlei technische oplossingen mogelijk. Hieronder een korte opsomming van de vier hoofdstrategieën die zijn meegenomen in deze TVW. Daarnaast zijn schematisch de verschillen per alternatieve techniek in beeld gebracht.
Voor de individuele oplossing: • Strategie 1: individuele elektrische warmtepomp • Strategie 4: cv-ketel + hybride warmtepomp in combinatie met duurzaam gas Voor de collectieve oplossing: • Strategie 2: warmtenet met een middentot hogetemperatuurbron • Strategie 3: warmtenet met een lagetemperatuurbron
Tabel 2: De vier hoofdstrategieën S1:Individuele warmtepomp
S2: Warmtenet MT- HT
S3:Warmtenet LT
S4:Hybride warmtepomp
Isoleren tot de standaard. Sommige bouwdelen mogelijk isoleren voorbij de standaard
Isoleren tot de standaard
Isoleren tot de standaard. Sommige bouwdelen mogelijk isoleren voorbij de standaard
Isoleren tot de standaard.
Vervanging van bestaande radiatoren
Bestaande radiatoren worden behouden
Mogelijk vervanging van bestaande radiatoren
Bestaande radiatoren worden behouden
Isolatieniveau woningen (schillabel)
B+
B+ of D+
B+ of D+
B+ of D+
Temperatuur verwarmingssysteem
circa 50 °C
circa 70 °C
Circa 50 °C of 70 °C
circa 70 °C
Energie infrastructuur
Elektriciteit
Warmtenet
Warmtenet en elektriciteitsnet
Duurzaam gas en elektriciteit
Overstap naar het alternatief
Meer ruimte voor eigen tempo
Iedereen tegelijk
Iedereen tegelijk
Meer ruimte voor eigen tempo
Kosten
Vooral voor het aanpassen gebouwen en installaties
Vooral voor aanleggen warmtenet
Kosten voor aanpassen gebouw en aanleggen warmtenet
Vooral kosten aanpassen gebouw
Voordeel
Keuzevrijheid eigenaar in verduurzaming
Minder isolerende maatregelen nodig
Vaak lokaal netwerk en bron
Weinig aanpassingen gebouw en energieinfrastructuur
Nadeel
Risico op geluidsoverlast omgeving
Iedereen gaat tegelijk over op deze oplossing.
Naast aanleg netwerk is er meestal ook een warmtepomp nodig (per woning of buurt)
Geen zekerheid over beschikbaarheid en betaalbaarheid van duurzaam gas
Aanpassing gebouw
Voor meer informatie over deze verschillende strategieën, zijn factsheets per strategie uitgewerkt. Deze strategieën worden ook in bijlage 1 (inclusief substrategieën) en bijlage 4 omschreven.
15
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
3.3. Energiedragers voor duurzame warmte Om aardgas als energiedrager te vervangen bij de individuele of collectieve oplossingen, zijn duurzame alternatieven nodig. Alternatieve energiedragers voor de warmtetransitie kunnen zijn: • • • •
Elektriciteit; Natuurlijke bronnen zoals zonnewarmte, lucht, bodem en water; Restwarmte uit bijvoorbeeld de industrie of datacentra; Duurzame gassen zoals groen gas en waterstof.
Naast een duurzame warmtevoorziening gebruikt elk gebouw elektriciteit. In het opstellen van het uitvoeringsplan worden dan ook afspraken met bewoners gemaakt over besparen, isoleren, duurzame warmte en duurzame elektriciteit. Er wordt op dit moment gewerkt aan de ontwikkeling van duurzaam gas. Het is onzeker of dit op termijn voldoende beschikbaar komt en of dit dan ook een betaalbare oplossing is. Bijlage 1.3 beschrijft meer informatie over warmtebronnen en duurzaam gas.
3.4. Wat zijn de kansrijke warmteopties in gemeente Brunssum? Het startpunt voor het aanwijzen van het alternatief voor aardgas per buurt is de startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), gepresenteerd in de TVW 1.0. Als aanvulling heeft bureau Stantec, in opdracht van de gemeente Brunssum, een analyse op pand- en clusterniveau gemaakt. Afhankelijk van het bouwjaar wordt hierbij bepaald in welke mate woningen eenvoudig of erg complex aardgasvrij te maken zijn. Onderstaande afbeelding geeft de verschillen per type warmtesysteem aan op basis van de bouwperiode. Figuur 5: Verschillende warmtesystemen 1965
1975 150.000
1992 100.000
In de jaren ‘70 zijn de meeste woningen gebouwd.
50.000
1945
1920
1940
1960
1980
2000
2020
Complexiteit
Lastig, duur
Matig
Goed mogelijk
Warmtenet
Inpassing mogelijk, per woning uitdagingen
All-electric
Inpassing duur en technisch ingewikkeld
Inpassing goed mogelijk
Inpassing mogelijk bij renovatie, maar duur
Inpassing mogelijk, maar duur
Inpassing goed mogelijk
Grondige isolatie mogelijk in bewoonde staat
Isolatie al aanwezig
Benodigde aanpassingen voor all-electric per woningtype Isolatie (gevel, vloer, dak, glasvervanging)
Verwarmingssysteem
Grondige isolatie technisch lastig, niet in bewoonde staat
Radiatoren vervangen door LT, lastig door ruimtegebrek
Ventilatiesysteem (aanleggen niet noodzakelijk, wel beter voor comfort)
Mechanische ventilatie technisch lastig
Voorspelbaarheid
Unieke bouw, afzonderlijk plan nodig
Mechanische ventilatie blijft zichtbaar
Deels seriematig te verduurzamen
Bron: Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
16
Radiatoren vervangen door LT
Radiatoren vervangen door LT, eventueel aantal uitbreiden
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
Soms mechanische ventilatie aanwezig
Seriematig te verduurzamen
Mechanische ventilatie aanwezig
Uitkomsten onderzoeken In paragraaf 1.4 werd beschreven hoe deze TVW tot stand kwam. Verschillende onderzoeken werden uitgevoerd. Concrete resultaten uit dit proces zijn: • • •
•
• • •
De strategieën individuele oplossingen (S1 en S4), ingrijpend isoleren en besparen passen het beste bij Brunssum; Starten in buurten met veel slecht geïsoleerde woningen en waar de betaalbaarheid van de energierekening bij veel huishoudens onder druk staat heeft de voorkeur; Er is beperkt draagvlak voor collectieve warmteoplossingen. Er is onvoldoende zicht op een passende midden- en hogetemperatuurbron (MT-HT) (S2) om dit nu als voorkeursstrategie vast te leggen. Dit kan, afhankelijk van de verdere ontwikkeling van het warmtenet ZuidLimburg, na 2030 anders zijn; Het lokaal verdiepend onderzoek naar de beschikbare lagetemperatuurbronnen (LT) (S3) uit de potentiestudie maakt duidelijk dat deze bronnen onvoldoende interessant zijn om verder ontwikkelen; Aandachtspunten zijn voor alle belanghebbenden gericht op haalbaarheid en betaalbaarheid; Een perfecte oplossing voor iedereen bestaat niet. Elke keuze heeft voor- en nadelen; Uit de inwonersenquête bleek lokaal en regionaal dat veel bewoners nog niet altijd weten welke stappen zij nu al kunnen zetten. Om bewoners hierin te ondersteunen organiseerde de gemeente zeven informatieve webinars in samenwerking met de WoonWijzerWinkel.
Deze webinars zijn specifiek gericht op VvE’s en woningeigenaren en behandelen onderwerpen als energie besparen, isoleren, zonnepanelen, aardgasvrije technieken en hoe deze maatregelen gefinancierd kunnen worden.
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en huidige inzichten met betrekking tot de beschikbare warmte opties voorziet gemeente Brunssum het volgende: Grootschalige collectieve warmtenetten zijn voor nu niet mogelijk. Wellicht wel in de fase na 2030, afhankelijk van de ontwikkeling van het Warmtenet Zuid-Limburg. Dit is tot 2030 geen optie omdat:
• •
Er geen eigen bron met midden- of hogetemperatuur is in de gemeente; De vijvers onvoldoende potentie hebben om tot een rendabel warmtenet te komen.
Voor de komende periode blijven daarom de individuele oplossing en kleine collectieven de enige oplossing.
3.4.1. De warmteoplossing in de startbuurten De startbuurten hebben veelal een combinatie van oplossingen. Welke het beste past, is per buurt anders: • • • • •
17
Woningen, gebouwd na 1992, gaan meestal over op een elektrische warmtepomp; Woningen, gebouwd voor 1992, gaan meestal over op een elektrische- of hybride warmtepomp wanneer er nu (nog) niet voldoende kan worden geïsoleerd; Ook kunnen er situaties zijn waarbij een groep bewoners graag een gezamenlijke warmteoplossing (klein collectief) wil; Waar het gaat om gestapelde bouw zoals appartementencomplexen (meergezinswoning), ligt het voor de hand om een collectieve oplossing voor het hele gebouw te onderzoeken; Soms heeft een eigenaar veel gebouwen in een buurt. Dit kunnen woningen, appartementen maar ook andere functies zijn. In die situatie is een klein lokaal warmtenet mogelijk interessant. Mogelijk kunnen dan ook andere eigenaren hierop aansluiten.
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
Deze oplossingen zijn niet in beton gegoten, maar bieden wel handelingsperspectief voor energiezuinig en aardgasvrij wonen aan bewoners en andere belanghebbenden. Daar waar de gemeente aan de slag gaat met een uitvoeringsplan, worden de beschikbare opties samen met de buurt nader uitgewerkt. Welke optie wordt onderzocht in de buurt, wordt vastgelegd in het projectplan. Hoe alle stappen met de buurt eruit zien, staat in bijlage 2. De kansrijke oplossingen per buurt staan in bijlage 3. Deze oplossingen hebben de laagste maatschappelijke koste. Bijlage 1.2 laat twee kaarten zien met informatie over de verschillende type gebouwen en de mogelijkheden voor bodemwarmte. In Brunssum is potentie voor het toepassen bodemwarmte met een WKO. In bijlage 1 staat meer verdiepende informatie over isoleren en de mogelijke alternatieven voor aardgas en wat deze opties op hoofdlijnen inhouden. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van het bouwjaar van de verschillende woningen. Hierin wordt meteen duidelijk welke groepen woningen al met beperkte maatregelen aardgasvrij gemaakt kunnen worden. Dit zijn vooral de groene woningen in de onderstaande kaart.
Figuur 6: Bouwjaar woningen en andere gebouwen Brunssum
Bron: potentiestudie Brunssum, bijlage 4.1
18
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
3.4.2. Overige overwegingen Regionale ontwikkelingen
Technieken en innovaties
De RES Zuid-Limburg zet momenteel stappen voor de ontwikkeling van een warmtenet op de schaal van Zuid-Limburg. Dit warmtenet gaat gebruik maken van onder andere de restwarmte van Chemelot. Momenteel is het nog onduidelijk of dit warmtenet in de toekomst ook naar Brunssum kan komen. In de volgende TVW komt hierover wellicht meer duidelijkheid.
Bij de kansrijke oplossingen wordt voor nu uitgegaan van de technieken die voldoende marktrijp zijn. Dit wil zeggen dat dit bewezen technieken zijn waarbij een hoge mate van zekerheid kan worden gegeven over de effectiviteit. Dit wil niet zeggen dat innovaties worden uitgesloten bij de verdere uitwerking van een alternatief op buurtniveau. Door de energietransitie zijn veel technieken met potentie in ontwikkeling.
Besparen Figuur 7: Verduurzamingscomponenten in de gebouwde omgeving
Efficiënte en aardgasvrije warmtesystemen
Energiezuinig gedrag & energiezuinige gebouwen
In gebouwd gebied
Hernieuwbare bronnen
Bron: Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving
3.5. Haalbaar en betaalbaar Het uitgangspunt uit het Klimaatakkoord is dat de alternatieve warmtevoorziening haalbaar en betaalbaar moet zijn. Bij haalbaarheid gaat het om de technische haalbaarheid en de sociale haalbaarheid: draagvlak en maatschappelijke acceptatie voor het alternatief. Dit krijgt in de uitvoeringsplannen op buurtniveau een plek. Bij betaalbaarheid gaat het om de balans tussen de maatschappelijke kosten, gebruikerskosten en de opbrengsten. Aardgasvrije alternatieven brengen vaak investeringen met zich mee, maar niets doen kent ook een prijs. De kosten van het alternatief moeten betaalbaar zijn voor de gebruiker en de eigenaar, zonder alle kosten bij de maatschappij neer te leggen. Het uitgangspunt is dat de warmtetransitie alleen slaagt als iedereen mee kan doen. Daarvoor moet de overstap naar een alternatief voor aardgas en de verduurzaming
19
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
van de woning ook voor iedereen betaalbaar zijn. Woonlastenneutraliteit voor het overgrote deel van de bewoners is hierbij het uitgangspunt. Dat betekent dat de investering in de verduurzaming op termijn wordt terugverdiend door de besparing op energiekosten. Dit kan niet voor alle individuele bewoners worden gegarandeerd. Bij het opstellen van het uitvoeringsplan op buurtniveau, wordt rekening gehouden met de verwachte betaalbaarheid. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van onder andere het Dashboard eindgebruikerskosten. Het kabinet maakt de komende periode middelen vrij om gemeenten te ondersteunen bij de transitie naar een energiezuinige en aardgasvrije gebouwde omgeving. Die financieringsconstructies kunnen de drempel tot het treffen van verduurzamings maatregelen voor bewoners een stuk verlagen.
Wat de verduurzamingskosten zijn voor de eigenaar hangt af van verschillende factoren waaronder: •
•
•
•
Het type gebouw en de oppervlakte van het gebouw: hoe groter het oppervlak van de gevel en het dak, hoe meer warmte verloren kan gaan. Dit heeft invloed op de investeringskosten en de maandlasten; De huidige staat van het gebouw: is het al goed geïsoleerd? Is er wel of geen achterstallig onderhoud? Wat is de leeftijd van het gebouw? Deze vragen beïnvloeden hoeveel er geïnvesteerd moet worden om het gebouw energiezuinig te maken; Het warmtealternatief voor aardgas: dit alternatief heeft invloed op de kosten. Dit kan gaan over de kosten voor de woning maar ook over de kosten voor de infrastructuur, een warmtenet of het elektriciteitsnet. Hierbij komen de investeringen bij verschillende partijen terecht. De investeringen in het gebouw zijn voor de eigenaar. De investeringen in het netwerk liggen bij de netwerkbeheerder of het warmtebedrijf en worden door de bewoners betaald via de energierekening; Naast deze kosten zijn er ook externe factoren die de kosten beïnvloeden. Denk hierbij aan prijsontwikkelingen voor materialen en of deze voldoende beschikbaar zijn.
3.5.1. Financiering Financiering is een belangrijk onderdeel om stappen te kunnen zetten. Uit de inwonersenquête blijkt dat dit voor veel bewoners een lastig vraagstuk is. Wat leveren de investeringen op? Daarnaast zijn de kosten hoog, niet iedereen heeft de financiële middelen om dit te bekostigen. Er zijn subsidies beschikbaar voor bewoners met een koophuis en VvE’s voor isolatie of de aanschaf van een warmtepomp. Deze dekken een deel van de investeringskosten. Het Nationaal Warmtefonds biedt lage inkomens en (lage) middeninkomens een lening tegen 0% rente. Hiervoor geldt geen leeftijdsgrens. Via deze energiebespaarlening leent het huishouden maximaal € 65.000 voor de verduurzaming van de woning. Voor bewoners met een koophuis en VvE’s is via het landelijk platform Verbeterjehuis, een totaaloverzicht beschikbaar van subsidies en financieringsmogelijkheden. Daarnaast kan iedereen voor algemene vragen, informatie, maatwerkadvies en ondersteuning in het nemen van maatregelen terecht bij de WoonWijzerWinkel. Voor bedrijven en andere functies is deze informatie beschikbaar bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
3.5.2. Maatschappelijke kosten De startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (2020) geeft inzicht in de warmtealternatieven per buurt met de laagste maatschappelijke kosten. Deze studie is één van de studies die is gebruikt bij het opstellen van deze TVW. Het alternatief met de laagste maatschappelijke kosten komt voort uit de kosten en baten van alle partijen, maar houdt geen rekening met waar die terecht komen. Een alternatief dat voor de bewoner het goedkoopst is, kan bijvoorbeeld voor de netbeheerder het duurst zijn en andersom. Als elke bewoner
20
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
van Nederland zou kiezen voor het alternatief met de laagste eigen kosten, betaalt de maatschappij de hoogste rekening. Sommige bewoners zijn duurder uit om de maatschappelijke kosten te beperken, maar hier is over het algemeen weinig begrip voor. Het is de taak en verantwoordelijkheid van de gemeente om de kosten voor iedereen betaalbaar te houden. Daarom moet de gemeente het verdeelvraagstuk oplossen door middel van duidelijke regie op de beschikbare alternatieven en hiervoor de beste keuze per buurt maken. Instrumenten zoals subsidies kunnen hier een rol in vervullen.
4. Buurtgerichte aanpak Het is onmogelijk om overal tegelijk aan de slag te gaan. Daarom is het belangrijk om keuzes te maken. Brunssum gaat via twee sporen aan de slag: •
Buurtgerichte aanpak van de startbuurten;
•
Gemeentebrede aanpak met het regionaal isolatie- en verduurzamingsprogramma.
Dit hoofdstuk licht de buurtgerichte aanpak verder toe. Daarmee wordt duidelijk op welke criteria de startbuurten zijn geselecteerd en hoe de planning eruitziet. Bijlage 2 beschrijft hoe dit proces met de buurt verloopt en de stappen die daarbij horen.
Behoefte van Bewoners Bewoners hebben een cruciale rol om tot een energiezuinig en aardgasvrij Brunssum te komen. In de totstandkoming van deze TVW zijn zij specifiek bevraagd over hoe zij dit proces in de buurt zien. Wat verwachten ze van de gemeente? Hoe willen ze samenwerken in de buurt en welk alternatief voor aardgas heeft de voorkeur? Deze resultaten (bijlage 4.3) zijn relevant voor het vormgeven van de twee sporen. Uit de resultaten bleek dat ongeveer 25% van de bewoners een actieve rol voor zichzelf ziet in het opstellen van het uitvoeringsplan. Bijna de helft wil tijdig een mening kunnen geven. Hoe bewoners het vormen van een uitvoeringsplan voor zich zien? Een derde van de bewoners wil zelf stappen zetten met een eigen plan, een derde wil dit juist samen met de buurt doen. Tot slot weet een derde niet hoe zij dit het liefste doen. Deze behoeften komen terug in de buurtgerichte én gemeentebrede aanpak.
4.1. Startbuurten De buurtgerichte aanpak is een aanpak waarbij elke buurt samen met de gemeente een uitvoeringsplan opstelt. Op basis van de beschikbare warmteopties, zoals beschreven in paragraaf 3.4, start een verkenning in elke startbuurt.
21
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
4.1.1. Selectiecriteria startbuurten Naast de algemene uitgangspunten voor de warmtetransitie, hanteert gemeente Brunssum een aantal selectiecriteria om te komen tot de juiste startbuurten. Daarbij is in willekeurige volgorde uitgegaan van de volgende criteria: •
•
Buurten met woningen met veel slecht geïsoleerde woningen. Woningen met een relatief laag energielabel (E, F of G), verbruiken veel aardgas. Buurten waar de betaalbaarheid van de energierekening bij veel huishoudens onder druk staat. Woningen die slecht geïsoleerd zijn, verbruiken veel aardgas waardoor deze huishoudens ook een hoge energierekening hebben. Afhankelijk van het aantal huishoudens in een buurt waar de betaalbaarheid van de energierekening onder druk staat, krijgt deze buurt prioriteit in de planning.
De buurten die prioriteit hebben op basis van deze criteria zijn: • Hoge prioriteit De Eggen, Rozengaard, Schuttersveld, Het Heufken, Treebeek-Zuid, Op den Haan, Haansberg, Kerkeveld, De Struiken en de Lemmender
•
Midden prioriteit Centrum, Hofpoel, De Streek, Langenberg, Kruisberg, Rumpener Beemden, Op de Vaard, Bexdelle, Treebeek-Noord en Achter de Put
Dit wil niet zeggen dat deze problemen niet spelen in buurten die niet hoog scoren op prioriteit: het betekent slechts dat het vraagstuk daar minder groot is.
Koppeling met andere opgaven De warmtetransitie wordt waar mogelijk in samenhang met andere ruimtelijke, sociale en economische opgaven opgepakt. Denk hierbij aan armoede, eenzaamheid en projecten zoals reconstructie van de openbare ruimte. Opgaven slim combineren beperkt kosten en overlast voor bewoners en ondernemers. De eerste stap naar het opstellen van het uitvoeringsplan, de verkenningsfase, is het moment om de verschillende opgaven te inventariseren. In samenspraak met bewoners en betrokken partijen wordt afgestemd welke opgaven onderdeel uitmaken van het uitvoeringsplan en hoe de invulling eruitziet. Dit wordt vervolgens vastgelegd in het projectplan dat met de buurt wordt opgesteld.
4.2. De planning De bovenstaande selectie van buurten is de basis voor de opgestelde planning. Deze planning houdt rekening met de prioriteit van de verschillende buurten maar ook met al geplande werkzaamheden (bijvoorbeeld de reconstructie van de openbare ruimte, aanpassingen door Enexis of de planning van de woningcorporaties). De goedkoopste oplossing is op dit moment de hybride warmtepomp: hierbij hoeft de woning beperkt te worden aangepast en blijft de huidige energieinfrastructuur grotendeels behouden. Het is nog onzeker of op termijn voldoende en betaalbaar duurzaam gas beschikbaar komt. Een hybride warmtepomp is op dit moment dus een tussenoplossing naar volledig aardgasvrij.
Benodigde aanpassingen Afhankelijk van het alternatief voor aardgas moet de isolatie van woningen worden aangepast.
22
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
Daarnaast zijn alle aardgasvrije oplossingen in Brunssum gebaseerd op elektriciteit, in combinatie met duurzame bronnen zoals buitenlucht of de bodem. Elektriciteitsnetwerken moeten hiervoor aangepast worden. De netwerkbeheerder gaat hiermee aan de slag op basis van een aantal uitgangspunten. Deze zijn te vinden in bijlage 2.4.
Planning Onderstaande tabel geeft de buurten weer waar tot 2032 gestart wordt met het opstellen van het uitvoeringsplan. Deze planning is een uitgangspunt en is niet in beton gegoten. Er kunnen altijd door omstandigheden verschuivingen ontstaan. Het proces om samen met de buurt een uitvoeringsplan op te stellen staat beschreven in bijlage 2. In bijlage 3 staat een uitgebreide versie van deze tabel met meer informatie, inclusief doorkijk naar 2050.
26
5
23
planning buurtgerichte aanpak
35
31
24
1
19
44
28
17
3 7
2028 t/m 2032
41
27
2033 t/m 2037
36
21
4
10 25
2023 t/m 2027
2
16
30
6
42
11 29
14
22 13
43
20 15
9 18 8
40
32
37
Figuur 8:
39
38
45
12
2038 t/m 2039
34
33
Tabel 3: planning buurtgerichte aanpak
Buurt
23
Aantal woningen
Voorkeur techniek
Aantal equivalenten
Aantal te isoleren gebouwen (EFG)
Start proces opstellen uitvoerings plan
Energie infrastructuur aardgasvrij oplossing
1
Lemmender
749
All-electric / hybride
809
19
2023
Elektriciteit
2
Schuttersveld
526
All-electric / hybride
533
376
2023
Elektriciteit
3
De Eggen
778
All-electric / hybride
901
569
2024
Elektriciteit
4
De Struiken
574
All-electric / hybride
942
394
2024
Elektriciteit
5
Rozengaard
656
All-electric / hybride
688
346
2025
Elektriciteit
6
Treebeek-Zuid
899
All-electric / hybride
1.134
413
2025
Elektriciteit
7
Centrum
465
All-electric / hybride
730
68
2026
Elektriciteit
8
Het Heufken
398
All-electric / hybride
406
247
2026
Elektriciteit
9
Op den Haan
362
All-electric / hybride
389
239
2027
Elektriciteit
10
Haansberg
418
All-electric / hybride
461
317
2027
Elektriciteit
11
Kerkeveld
219
All-electric / hybride
260
157
2028
Elektriciteit
12
Langeberg
648
All-electric / hybride
672
582
2028
Elektriciteit
13
Treebeek-Noord
678
All-electric / hybride
756
567
2029
Elektriciteit
14
Kruisberg
590
All-electric / hybride
633
384
2029
Elektriciteit
15
Hofpoel
585
All-electric / hybride
622
122
2030
Elektriciteit
16
Rumpener Beemden
600
All-electric / hybride
809
126
2030
Elektriciteit
17
Op de Vaard
271
All-electric / hybride
287
127
2031
Elektriciteit
18
De Streek
472
All-electric / hybride
482
191
2031
Elektriciteit
19
Bexdelle
180
All-electric / hybride
188
53
2031
Elektriciteit
20
Oeloven
376
All-electric / hybride
773
271
2032
Elektriciteit
21
Achter de Put
213
All-electric / hybride
299
98
2032
Elektriciteit
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
4.3. De uitvoering In 2023 start het opstellen van het uitvoeringsplan voor de geselecteerde startbuurten. Dit plan gaat in op de vraag op welk duurzaam warmtealternatief deze buurt overgaat, per wanneer én welke maatregelen nodig zijn om tot de gewenste situatie te komen. Ook het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen kan een onderdeel zijn van een uitvoeringsplan. Welke route bij een buurt past, is afhankelijk van de eigenschappen en kansen in dat gebied. Ook de kenmerken en standpunten van de belanghebbenden, zoals bewoners, woningcorporaties en overige (maatschappelijke) partijen hebben daar invloed op. Dat er in de startbuurten wordt gestart met het
Bron: Programmaplan 2021 - 2024 PAW
24
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
opstellen van een uitvoeringsplan, betekent nog niet dat er daarmee besloten is hoe en wanneer de buurt aardgasvrij wordt. Dit volgt pas uit het uitvoeringsplan dat met de buurt wordt opgesteld. In bijlage 2 meer informatie over dit proces. Het uitvoeringsplan moet aan een aantal inhoudelijke, juridische en procedurele eisen voldoen. De regie ligt daarom bij de gemeente. Bewoners, gebouweigenaren en andere partijen zoals de woningcorporatie en Enexis worden hierbij betrokken, zodat zij weten wat er van hen wordt verwacht en wat zij andersom van de gemeente mogen verwachten.
4.4. Participatie De afbeelding hieronder beschrijft op hoofdlijnen het stappenplan om te komen tot een breed gedragen uitvoeringsplan. Het participatieproces met de buurt is een cruciale factor. Zonder participatie, geen uitvoering van de warmtetransitie. Elke buurt is anders. Dit vraagt om maatwerk. De totstandkoming van een uitvoeringsplan is een lang traject, dat twee jaar of soms nog langer kan duren. Gedurende die tijd is het cruciaal om bewoners en gebouweigenaren te betrekken. Door bewoners vroegtijdig te betrekken wordt duidelijk onder welke voorwaarden bewoners mee willen in de warmtetransitie. Wat dit voor hen aantrekkelijk maakt, en wat voor ondersteuning zij nodig hebben van de gemeente. Het succes van een participatieproces is in belangrijke mate afhankelijk van menselijk contact tussen bewoners en de gemeente. In de kern gaat
Figuur 9: uitvoeringsplan & participatie
Bron: Programma Aardgasvrije Wijken
25
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
het erom dat de gemeente openstaat voor ideeën en ervaringen van bewoners en rekening houdt met het perspectief en overwegingen van deze bewoners. Voordat de gemeente in een startbuurt aan de slag gaat, moet tijdens het opstellen van het projectplan een participatietraject met de bewoners worden vormgegeven. Daarnaast zijn er een aantal participatie uitgangspunten die hierbij gehanteerd worden. Deze uitgangspunten zijn gericht op iedereen een mogelijkheid te geven om mee te doen. Ook is het van belang dat iedereen gehoord wordt en dat er gebouwd wordt aan betrouwbare kennis. Waar nodig worden de bewoners ook voldoende ondersteund gedurende het hele proces. Om participatie gedurende het hele proces vorm te geven, is er een handreiking participatie beschikbaar. Deze is tot stand gekomen op basis van de ervaringen in de landelijke proeftuinen aardgasvrije wijken.
5. Gemeentebrede aanpak In dit hoofdstuk wordt de gemeentebrede aanpak toegelicht. De gemeente kreeg naast het aardgasvrij maken ook een taak in het isoleren van koopwoningen met slechte energielabels (E,F,G). Daarvoor werkte Brunssum samen met andere Parkstad-gemeenten aan een isolatieen verduurzamingsprogramma (IVP). Dit programma loopt vooralsnog van 2024 tot 2030. Het IVP is als groeimodel opgezet en zal in de komende jaren steeds verder worden uitgewerkt. De focus voor de eerste fase is het isoleren van woningen met slechte energielabels. In de fase daarna is er ook aandacht voor andere duurzame maatregelen. Hierbij worden de resultaten uit de inwonersenquête en andere ontwikkelingen meegenomen.
5.1. Regionaal isolatie- en verduurzamingsprogamma Met hulp van het IVP, waarvoor de gemeente middelen krijgt uit het nationaal isolatieprogramma, is het streven om het isolatieniveau van zoveel mogelijk woningen voor 2030 te verbeteren. Hiervoor bevat het IVP bouwstenen om gemeentebreed stappen te zetten naar energiezuinigere woningen: • •
•
Woningeigenaren met een slecht label en relatief laag inkomen, worden extra ondersteund; Er komen collectieve inkoopacties voor isoleren. Alle woningeigenaren kunnen hiervan gebruik maken; Woningeigenaren worden actief ondersteund bij het realiseren van de besparingsopgave om stappen te zetten naar een energiezuinig en aardgasvrij Brunssum.
Huishoudens met een koopwoning kunnen met de gemeentebrede aanpak stappen zetten in het isoleren van hun woning. Bij huurwoningen ligt deze taak bij de verhuurder. Landelijk zijn er afspraken gemaakt met de woningcorporaties over de aanpassing van huurwoningen met een slecht energielabel. Het IVP ontwikkelt continu door en werkt ook voor andere doelgroepen aanpakken uit en biedt dus niet alleen ondersteuning voor eigenaren van koopwoningen.
26
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
Energieloket Wanneer woningen en andere gebouwen buiten de startwijken van deze TVW vallen, kunnen eigenaren voor advies rondom verduurzamen terecht bij de WoonWijzerWinkel Limburg, het officiële energieloket voor de Parkstad-gemeenten.
Cv-ketel vervangen vanaf 2026 De Rijksoverheid werkt nog de normering uit die ertoe moet leiden dat hybride warmtepompen vanaf 2026 de nieuwe standaard worden voor het verwarmen van woningen in de bestaande bouw. Ook is het bij hybride warmtepompen van belang dat er niet binnen 10 jaar gestart wordt met de ontwikkeling van een warmtenet of een ander aardgasvrij alternatief in de buurt. Een hybride warmtepomp is een combinatie tussen warmtepomp en cv-ketel: de cv-ketel springt bij in het verwarmen van de woning als het buiten te koud is. Ook het warm water komt nog uit de cv-ketel. Een hybride warmtepomp is dus een eerste stap naar volledig aardgasvrij wonen. Woningen gebouwd na 1992 kunnen bij vervanging beter direct overstappen naar een all-electric warmtepomp omdat de woning daar meestal goed genoeg voor is geïsoleerd.
Bronnenlijst Expertise Centrum Warmte. Algemene website
Gemeente Hengelo. (2022). Ontwerp warmteprogramma
Ministerie van BZK. Nationaal Isolatieprogramma Brief aan B&W Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving Leefbaarometer
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2020). Buurtatlas: gezondheid per buurt, wijk en gemeente
Nationaal Warmtefonds. (2023). Energiebespaarlening
Natuur & Milieu. De waterstofladder
Nieman. Webinar: voorbij de standaard
PBL. (2022). Startanalyse aardgasvrije buurten
Platform31. (2023). Energietransitie
Programma Aardgasvrije Wijken. (PAW). Algemene website
27
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0
Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. (2018). Advies warm aanbevolen
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Geluidshinder door wegverkeer
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. 2020. Buurtatlas: Ernstige geluidshinder door wegverkeer in Nederland
Rijksoverheid. (2023). Regionale Klimaatmonitor, rapportage energieverbruik
Rijksoverheid. (2023). Nationale Energie Atlas
RVO. (2021). Standaard en streefwaarden voor woningisolatie
RVO. (2023). Wetten en regels gebouwen.
WoonWijzerWinkel Limburg. WoonWijzerWinkel
WKO (2023) Bodemenergietool
VNG. (2023). Datavoorzieining Wijkpaspoort Warmtetransitie
VNG. (2023). Datavoorziening Energietransitie Gebouwde Omgeving
Bijlage 1
28
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Bijlage 1
1. Verdieping isoleren en warmtealternatieven Deze bijlage licht de standaard- en streefwaarden bij het isoleren van woningen toe. Vervolgens worden de verschillende warmtetechnieken verder toegelicht. De meeste alternatieven voor aardgas gebruiken elektriciteit om de installatie draaiende te houden. Daarnaast maken deze ook gebruik van een bron. Dit kunnen natuurlijke bronnen zijn maar ook restwarmte of duurzaam gas. Aan het einde van deze bijlage wordt de status van duurzaam gas en waterstof toegelicht.
1.1.
Standaard- en streefwaarden woningisolatie
De landelijke Standaard voor woningisolatie legt vast tot welk niveau de gehele woning minimaal geïsoleerd moet worden om over te kunnen stappen naar een aardgasvrij alternatief. Deze isolatienorm is gekoppeld aan de hoeveelheid warmte/m² die een woning nodig heeft. Daarnaast houdt de standaard rekening met het soort ventilatiesysteem en de mate van kier- en naaddichting. Er wordt geen rekening gehouden met mogelijke oververhitting en de behoefte aan koeling als gevolg in de zomer. Isoleren conform de standaard betekent niet direct dat de woning voldoende geïsoleerd is voor het kansrijke warmtealternatief. Onderstaande afbeelding geeft aan wanneer de standaard geschikt is per technische oplossing en bijbehorende temperatuur.
Tabel 1: Alternatieven voor aardgas Alternatief voor aardgas Ander ‘gas’ (1)
Hybride WP/CV
HT
MT
Nu (LT)
Toekomst
HT
MT
LT
(Z)LT
>75°C (90°C)
55-75°C
30-55°C
55-75°C
> 75°C (90°C)
55-75°C
30-55°C
<30°C
Onder de Standaard
V
X
X
X
V
X
X
X
Vooroorlogse Standaard
V
V
X
V
V
V
X
X
Naoorlogse Standaard
V
V
V
V
V
V
V
X
Voorbij de Standaard
V
V
V
V
V
V
V
V
Temperatuur
Warmtepomp
(1) Niet op korte termijn beschikbaar
29
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Warmtenet
Bron: Nieman: Webinar: Voorbij de Standaard
Uitleg standaard Deze standaard houdt rekening met vooroorlogse woningen (bouwjaar tot en met 1945) en naoorlogse woningen (bouwjaar na 1945). Voor woningen gebouwd tot en met 1945 geldt een andere standaard dan voor woningen die zijn gebouwd na 1945. De standaard voor vooroorlogse woningen gaat uit van minder isolatie waardoor de woning nog niet geschikt is voor lagetemperatuurverwarming (LT). De standaard is hierbij vergelijkbaar met energielabel D. Dit heeft, ondanks dat er voldaan wordt aan de standaard voor isoleren, de consequentie dat de woning niet of in mindere mate geschikt is voor sommige alternatieve warmtetechnieken. De standaard voor woningen na 1945, komt ongeveer overeen met energielabel A of B. De standaard is daarmee het isolatieniveau waarbij de woning in principe voldoende geïsoleerd is om de woning met een lage temperatuur te verwarmen. Op alle nieuwe energielabels – vanaf 1 augustus 2021 – staat vermeld of de isolatie van de woning voldoet aan de ‘Standaard voor isolatie’. Meer informatie over de isolatiewaarde van de verschillende bouwdelen zijn beschikbaar via het Rijk en aanvullende informatie over de standaard bij het Expertise Centrum Warmte.
Streefwaarden Naast een standaard voor de gehele woning bestaan er ook streefwaarden voor afzonderlijke bouwdelen van woningen. Deze zijn bedoeld voor eigenaren die een of enkele delen van de woning verduurzamen. Deze isolatienormen geven aan wanneer een enkel bouwdeel (zoals dak, vloer of ramen) zeker ‘toekomstbestendig’ is. Het isoleren van een bouwdeel naar deze streefwaarde zorgt ervoor dat dit bouwdeel goed genoeg is geïsoleerd. Bij aansluiting op een alternatieve warmtebron wordt dit gedeelte niet meer aangepakt. Het doel is wel dat de woning voldoet aan de standaard. Het is daarom niet nodig alle streefwaarden te realiseren.1
Figuur 1: Schematische weergave van de relatie tussen de Standaard en Streefwaarden
1
30
Bron: RVO standaard en streefwaarden woningisolatie
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Bewoners kunnen bij het maken van isolatiekeuzes rekening houden met onderstaande consequenties.
Figuur 2: Consequenties isoleren
Bron: Nieman
31
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
1.2. Warmtealternatieven
Figuur 3: Factoren warmtealternatieven
Er zijn vier verschillende warmte alternatieven die een rol spelen in deze TVW. Deze worden verdeeld in twee soorten: • •
Individueel alternatief per woning Collectief alternatief in de buurt, wijk, binnen de gemeente of zelfs op regionale schaal.
Deze afbeelding geeft de verschillende factoren bij het bepalen van het beste warmtealternatief weer.
1.2.1. Individuele warmtetechnieken Voor een groot deel van de woningen en andere gebouwen zijn geen collectieve oplossingen beschikbaar. Daarnaast zijn er bewoners die het liefst vandaag al een keuze maken om hun aardgasverbruik te verminderen. Deze kunnen het beste overstappen op een individuele warmtetechniek. Dit betekent dat elke woning een eigen warmtevoorziening krijgt. Voor deze bewoners zijn individuele technieken een oplossing om in de warmtebehoefte te voorzien. Meestal werken deze op elektriciteit, bijvoorbeeld warmtepompen, infraroodpanelen, zonneboilers of een combinatie van technieken. Bij gestapelde bouw wordt de warmtevoorziening vaak centraal geregeld. Het is dan ook goed om te kijken naar een eigen oplossing voor het hele complex. Hybride warmtepompen (aardgas besparend) kunnen, zeker als eerste stap naar volledig aardgasvrij, een rol spelen. Dit zijn warmtepompen gecombineerd met een CV-ketel op aardgas. De ketel springt dan alleen op de koudste dagen bij om het huis warm te krijgen en maakt nog warm tapwater. Bij elke warmteoplossing is het van belang om ervoor te zorgen dat: • de woning voldoende is geïsoleerd; • een verwarmingssysteem zoals radiatoren of vloerwarming aanwezig is; • en dat dit systeem past bij het gekozen alternatief.
Ter illustratie Is een woning slecht geïsoleerd en is er geen vloerverwarming aanwezig? Dan is het niet verstandig om al volledig naar aardgasvrij te gaan. In die situatie kan er beter gekozen worden voor een hybride warmtepomp. Daarna kunnen er nog aanvullende isolatiemaatregelen genomen worden zodat in de toekomst de woning wel energiezuinig en aardgasvrij kan worden.
32
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Beschikbare individuele warmtetechnieken zijn: • S1: elektrische warmtepomp • Variant S1a (B+): elektrische luchtwarmtepomp In deze variant gebruikt de elektrische warmtepomp de buitenlucht als belangrijkste energiebron. De buitenunit onttrekt warmte aan de buitenlucht en is bevestigd aan het gebouw of staat nabij het gebouw. • Variant S1b (B+): elektrische bodemwarmtepomp Deze variant gebruikt een elektrische warmtepomp met de bodem als de belangrijkste warmte bron. Een gebouw heeft in het algemeen buitenruimte nodig voor het plaatsen van de bodem warmtewisselaar. • S4 (B+ of D+): Hybride warmtepomp met groen gas • Een hybride warmtepomp kan ook gebruik maken van aardgas. In de toekomst zal het gebruik van aardgas stoppen. Groen gas is daarvoor het aangewezen alternatief op dit moment. De betaalbaarheid en beschikbaarheid van groen gas op de lange termijn is onzeker. Meer informatie over groen gas in bijlage 1.3.2. Onderstaande kaart laat de verschillende type gebouwen zien. Dit laat zien dat de meeste gebouwen (groen) waarschijnlijk naar een eigen oplossing over stappen, maar bewoners mogen ook op een collectieve oplossing in de buurt aansluiten. Voor de geel en blauw gemarkeerde gebouwen is het interessant om na te gaan of een klein collectief kansrijk is.
Figuur 4: Type gebouwen Brunssum
Bron: potentiestudie Brunssum, bijlage 4.1
33
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
1.2.2. Collectieve warmtetechnieken Bij collectieve technieken wordt een hele wijk, buurt of meerdere woningen aangesloten op hetzelfde warmtesysteem. Dit is een collectief warmtenet. Dit is een grootschalig warmtenet dat vaak meerdere wijken of zelfs gemeenten voorziet van warmte. Woningen worden verwarmd via een netwerk van leidingen onder de grond waar warm water doorheen stroomt. Voorwaarde voor het ontwikkelen van een warmtenet is wel dat er voldoende warmtebronnen beschikbaar zijn. Ook is het belangrijk dat deze bronnen en het warmtenet betrouwbaar, duurzaam en betaalbaar zijn. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen grootschalige warmtenetten (vooral stadsverwarming) en kleinschalige warmtenetten (zoals blokverwarming). Beschikbare warmte technieken • S 2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron •
•
•
S3: Warmtenet met lagetemperatuurbron •
•
•
•
•
34
S2a en S2d: MT-Restwarmte Dit zijn varianten met een middentemperatuurnet met een aflevertemperatuur van 70 °C. Een restwarmtebron voedt het warmtenet met warmte met een temperatuur van meer dan 70 °C. S2b, S2c, S2e en S2f: MT-geothermie Bij deze varianten wordt een middentemperatuurnet gevoed vanuit een geothermiebron.
Variant S3a (B+) – Warmtenet met lagetemperatuurbron – aflevering op 30 °C De warmte wordt bij woningen en gebouwen afgeleverd op ongeveer 30 °C. Vervolgens wordt de warmte binnen de woningen en gebouwen met een individuele combiwarmtepomp opgewaardeerd naar bruikbare temperatuurniveaus voor ruimteverwarming en warm tapwater. Variant S3b en f (B+ en D+) – Warmtenet met lagetemperatuurbron – aflevering op 70 °C De warmte wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd tot 70 °C en is daarmee binnen woningen en gebouwen direct geschikt voor gebruik voor ruimteverwarming en warm tapwater. Variant S3c en g (B+ en D+) – Warmtenet met warmte-koudeopslag (WKO) met aflevering op 70 °C hele buurt In deze variant wordt warmte-koudeopslag toegepast. In de zomer wordt er warmte opgeslagen in zogeheten ondergrondse warmte-koudeaquifers, diepere watervoerende lagen, zodat je die warmte in de winter kunt gebruiken om gebouwen te verwarmen. Om de warmte op 70 °C te krijgen is er opwaardering met een collectieve warmtepomp nodig. Variant S3d en h (B+ en D+) – Warmtenet met warmte-koudeopslag (WKO) met aflevering op 50 °C In deze variant wordt warmte-koudeopslag (open bodemenergiesysteem) toegepast, waarbij warmte en koude van gebouwen zelf worden opgeslagen in ondergrondse warmte-koudeaquifers. Met dit systeem wordt er in de zomer warmte opgeslagen in de ondergrond.
In de winter wordt die warmte gebruikt om de gebouwen te verwarmen. Om de warmte op een voldoende hoge temperatuur te brengen (50 °C) is opwaardering met een collectieve warmtepomp nodig. Variant S3e en h (B+ en D+) – Omgevingswarmte uit oppervlaktewater +WKO, levering op 70 °C Dit is een variant voor het gebruik van omgevingswarmte uit oppervlaktewater (TEO) van zeer lage temperatuur (circa 15 °C). Dit is een vorm van aquathermie. De combinatie met warmtekoudeopslag maakt het mogelijk om warmte in de zomer ondergronds op te slaan en in de winter te benutten voor ruimteverwarming. De warmte wordt op een temperatuur van 70 °C bij het gebouw afgeleverd na opwaardering met een collectieve elektrische warmtepomp. Bij deze variant gelden dezelfde beperkingen voor inzet van WKO als bij variant S3D. Daarnaast is ook vereist dat er geschikt oppervlaktewater in de buurt is.
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Grootschalige warmtenetten De ontwikkeling van grootschalige warmtenetten is een langdurig proces. In de praktijk begint de aanleg vanaf de bron en wordt dit net stap voor stap verder uitgewerkt. De omvang is vaak groter dan de buurt en kan zelfs in meerdere gemeenten worden aangelegd. Dit maakt dat de ontwikkeling en aanleg van een grootschalig warmtenet lang duurt. Liggen in een buurt kansen om in de toekomst aan te sluiten op een grootschalig warmtenet? Dan kan dit ook klein beginnen met een collectief per buurt. Er moet dan wel een centrale bron aanwezig zijn. Afhankelijk van de huidige en verwachte temperatuur in de toekomst wordt de isolatieopgave bepaald en uitgewerkt. De benodigde aanpassingen in een woning hangen af van de temperatuur van het warmtenet. Bij lage temperatuur (LT) is een lage temperatuur afgiftesysteem (zoals vloerverwarming of LT-radiatoren) in combinatie met een passend isolatieniveau nodig, om woningen comfortabel warm te krijgen én houden in de wintermaanden. Bij een warmtenet met een hoge temperatuur (vanaf 70 ºC) kunnen vaak de bestaande radiatoren in gebruik blijven en is vergaande isolatie minder noodzakelijk. Een groot collectief kan, in tegenstelling tot een kleine variant, niet worden ontwikkeld door eigenaren of de energiecoöperatie. Dit heeft enerzijds te maken met wet- en regelgeving maar ook met praktische zaken.
Zo kan een grootschalig collectief voor meerdere gemeenten worden aangelegd en is de locatie en grootte van de bron bepalend voor de uitrol en de fases waarin dit kan plaatsvinden.
Kleine collectieven Voor gebieden met relatief veel gebouwen (gestapeld en/of grondgebonden) kan een klein collectief financieel interessant zijn. Dit leidt in deze situatie tot lagere maatschappelijke kosten. Een klein collectief wordt in een buurt of een gedeelte daarvan gerealiseerd. Dit kan met een (hybride) warmtepomp of met een lokale bron zoals bodemwarmte/restwarmte van een bedrijf in de directe omgeving. Draagvlak, kosten, fysieke inpassing en de aanwezigheid van een geschikte warmtebron zijn doorslaggevend voor een klein collectief. Het grootste verschil tussen een klein of groot collectief is de schaal waarop het wordt aangelegd. Daarin zit ook de complexiteit. Hoe groter het collectief, hoe meer gebouwen aangesloten moeten worden met oog voor de betaalbaarheid voor gebruikers en de maatschappelijke kosten voor de energievoorziening. De analyse in Brunssum (bijlage 4.3) laat zien dat er potentie is voor kleine collectieven. In sommige buurten lijken meer bewoners hiervoor open te staan dan in andere buurten. Om dit alternatief verder te verkennen is altijd aanvullend onderzoek nodig. Hoe dat wordt gedaan en op basis van welke uitgangpunten een keuze wordt gemaakt, wordt vastgesteld in het projectplan dat samen met bewoners wordt opgesteld.
Vanuit het projectplan wordt onderzoek georganiseerd, de resultaten verzameld en een objectieve afweging gemaakt op basis van de uitgangspunten in het projectplan. Deze optie kan in het uitwerken van het uitvoeringsplan worden vergeleken met een individuele oplossing per woning, appartementencomplex en andere functies. Voor de optie van een buurtwarmtepomp is dit schematisch op hoofdlijnen weergegeven in de afbeelding op de volgende pagina. De keuzehulp op de volgende pagina wordt gebruikt voor het bepalen van alternatieve warmteoplossingen in het projectplan.
35
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Figuur 5: Kansen voor een buurtwarmtepomp
36
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
Afhankelijk van de vraag (MT/LT warmte) en de beschikbare bronnen zijn de volgende technische oplossingen mogelijk:
Figuur 6: Technische oplossingen
Bron: Programma Aardgasvrije Wijken
37
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
In Brunssum zijn er mogelijkheden voor bodemwarmte. Bodemwarmte kan worden ingezet bij een individuele warmteoplossing maar dat is technisch niet eenvoudig. Bij nieuwbouw is de toepassing van bodemwarmte eenvoudiger te realiseren. Ook liggen er kansen om bodemwarmte toe te passen in kleine collectieve oplossingen. De onderstaande kaart laat zien dat er een aantal gebieden in Brunsum zijn waar bodemwarmte beperkingen heeft. Ook zijn de aanwezige bodem warmtesystemen weergegeven op de kaart. Via de WKO Tool kan de mogelijkheid voor bodemwarmte op specifieke locaties verder worden verkend.
Figuur 7: Potentie bodemwarmte
Bron: WKO tool
38
Gemeente Brunssum | Transitievisie Warmte 2.0 | Bijlage 1
1.3. Warmtebronnen en duurzaam gas In paragraaf 3.3 worden de energiedragers kort aangestipt. Momenteel is aardgas de grootste bron voor onze warmtevoorziening. Dit gaat veranderen. De transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving betekent dat een veelheid aan bronnen wordt ingezet om alle gebouwen te kunnen verwarmen. De meeste alternatieven voor aardgas gebruiken elektriciteit om de installatie draaiende te houden. Daarnaast maken deze ook gebruik van een bron. Dit kunnen natuurlijke bronnen zijn maar ook restwarmte of duurzaam gas. Welke bronnen bij welk alternatief mogelijk zijn, zijn in paragraaf 1.2.1 en 1.2.2 van bijlage 1 al globaal beschreven. Meer hierover is in de factsheets per strategie uitgewerkt door het Expertise Centrum Warmte. In deze paragraaf worden verschillende mogelijke warmtebronnen en de ontwikkeling van duurzaam gas kort toegelicht. Het Expertise Centrum Warmte heeft specifieke en uitgebreide informatie beschikbaar over mogelijke energiebronnen en -dragers. De potentiestudie in bijlage 4.1 geeft meer informatie over de toepassing van verschillende bronnen en bijbehorende strategieën voor Brunssum.
1.3.1. Warmtebronnen per strategie In de warmtetransitie kan gebruik gemaakt worden van natuurlijke bronnen of restwarmte: afhankelijk van de beschikbaarheid en de meest kansrijke techniek in de buurt. Dit is een overzicht van de mogelijke warmtebronnen als alternatief voor aardgas: Tabel 2: Warmtebronnen per strategie
Temperatuur verwarming systeem
Energiebron voor warmte
S1: Individuele warmtepomp
S2: Warmtenet MT- HT
S3: Warmtenet LT
S4: Hybride warmtepomp