CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimte en Techniek 21 november 2023, gemeente Brunssum36.654 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden [aantal] jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. De vraag kan worden gesteld of het benoemen van leden en instellen van de commissie een bevoegdheid is die gemandateerd kan worden aan het college. Mandaatverlening is niet geoorloofd indien de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In dit geval is het de vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:3, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder de Woningwet is overwogen dat de raad een centrale rol moest spelen in het welstandstoezicht, mandatering was daarom niet mogelijk. Uit de toelichting bij artikel 17.7 van de wet volgt dat “in navolging van de bestaande regeling voor de welstandscommissie (..) die bevoegdheid is neergelegd bij de gemeenteraad.” (Kamerstukken II, 2013-2014, 33962, nr. 3, p. 580). Op grond daarvan mag worden aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering aan het college verzet.

[Vierde lid Dit lid voorziet in de mogelijkheid dat de voorzitter, de ondervoorzitters, de stadsbouwmeester en de plaatsvervangers in functie worden benoemd.] Vijfde lid Dit lid regelt schorsing en ontslag. De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de wet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. [Artikel 6. Ondersteuning van de commissie De commissie wordt in ieder geval bijgestaan door een ambtelijk secretaris die voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig is aan de commissie. De secretaris wordt dus niet door bestuurlijke belangen geleid. Datzelfde geldt voor de medewerkers die eventueel aan de secretaris worden toegevoegd en die door de secretaris worden aangestuurd. OF Artikel 6. Ondersteuning van de commissie Ingevolge het eerste lid wordt de commissie bijgestaan door een secretariaat dat berust bij [naam regionale adviesorganisatie]. Het tweede lid borgt dat het secretariaat slechts door de belangen van de commissie wordt geleid.] Artikel 7. Adviestermijn In de wet is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Daarom kan het college op grond van het eerste lid aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht.

Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Awb niet zodanig kort zijn, dat de commissie zijn taak niet meer kan vervullen. In het tweede lid is bepaald dat het college ook kan afzien van het stellen van een termijn. In dat geval geldt een termijn van vier weken. Die is gelijk aan de termijn die in de [citeertitel Bouwverordening] voor een advies op een aanvraag voor een omgevingsvergunning was opgenomen. Indien geen advies wordt uitgebracht binnen de genoemde adviestermijn, staat dit de besluitvorming door het college niet in de weg (artikel 3:6, tweede lid, van de Awb). Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling Eerste lid Dit lid is een nadere regeling van uitwerking van de wettelijke eis van openbaarheid als bedoeld in artikel 17.9, vijfde lid, van de wet. Tweede lid [Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Anderen hebben geen spreekrecht. OF Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Daarnaast hebben andere belanghebbenden spreekrecht. De kring van spreekgerechtigden is beperkt tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb).

Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de commissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen recht van spreken hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.]

Het spreekrecht is van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de commissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. De regeling van dit spreekrecht wordt opgenomen in het reglement van orde (zie artikel 12). De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het advies op de aanvraag voor een omgevingsvergunning of op een voorgenomen beschikking formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg of bij de beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering. De potentiële initiatiefnemer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte planprocedure vooroverleg stimulering verdient. Derde lid Dit lid ziet erop toe dat in de vergadering voldoende leden aanwezig zijn, zodat een deskundig oordeel kan worden gevormd. Het borgt ook de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). Vierde lid Met deze bepaling wordt verstrengeling van belangen tegengegaan.

Vijfde lid Dit lid verwijst naar de Awb die uitvoerders van wetten een geheimhoudingsplicht oplegt ten aanzien van gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Op grond van artikel 2:5, tweede lid, van de Awb is de plicht tot geheimhouding ook van toepassing op instellingen die een wettelijke taak uitvoeren. Daaronder vallen ook adviesorganen. Dit lid plaatst buiten twijfel dat de geheimhoudingsplicht ook op de commissie en de daarvoor werkzame personen van toepassing is. Artikel 9. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie Dit artikel geeft de mogelijkheid om de advisering namens de commissie over te laten aan een of meer leden, al dan niet in een vaste samenstelling als subcommissie. De commissie blijft verantwoordelijk voor het advies. Een goede omschrijving van de volmacht is nodig om aan het advies een doorslaggevende betekenis toe te kennen. Dit kan worden opgenomen in het reglement van orde (artikel 12). Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet) [en de door de raad vastgestelde taakomschrijving van de stadsbouwmeester (artikel 2, derde lid)].

De commissie kan ervoor kiezen de volmacht te beperken tot de plannen met relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meer dan één vergelijkbare vallen de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Een ruimere volmacht is mogelijk indien de betrokken leden of de subcommissies volledig beschikken over de professionele deskundigheid die in een specifiek geval nodig is voor de advisering (bijvoorbeeld deskundig op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, architectuur en archeologische monumentenzorg). Ook hier blijft gelden de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet).

Artikel 10. Adviseurs Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een andere deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissies afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen). Artikel 11. Verwerking van het advies [Eerste lid Dit lid ziet toe op het vragen van een second opinion aan een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente in geval het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie. Om oneindig ‘shoppen’ te voorkomen is dit slechts één keer per activiteit toegestaan. Een advies van de commissie dat voldoet aan de wettelijke eisen van zorgvuldigheid en motivering als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet, behoeft in beginsel geen nadere motivering.

Een nadere motivering is wel vereist in geval een aanvrager of een derde-belanghebbende een contra-advies heeft overgelegd, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het advies in strijd is met de geldende beoordelingscriteria (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952).] Tweede lid Dit lid is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe het college omgaat met de uitgebrachte adviezen. Artikel 12. Reglement van orde Eerste lid De commissie stelt een reglement van orde vast. Tweede lid Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen. Derde lid Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde. Dat kan als bijlage bij deze verordening, of als aparte bekendmaking met een goede verwijzing naar deze verordening. Juridisch gezien behoeft het reglement van orde niet in de verordening zelf te worden opgenomen. Artikel 13. Relatie met andere adviseurs Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissie. Artikel 14. Vergoeding Dit artikel regelt de vergoeding die de leden en de adviseurs, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, ontvangen.

Dit kan op basis van een gemeentelijke vergoedingsregeling zijn, of van een overeenkomst met een adviesorganisatie. Artikel 15. Jaarverslag Het jaarverslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet kan voor de raad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk beleid. De commissie kan naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden beleidsaanbevelingen doen. Bijvoorbeeld over de in het omgevingsplan op te

nemen beoordelingscriteria met betrekking tot de omgevingskwaliteit. Om die reden verschijnt het jaarverslag tijdig vóór de jaarlijkse beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. De specifieke bepalingen over het jaarverslag van het college zijn onder de wet vervallen. In verband met de politieke verantwoordelijkheid voor de omgevingskwaliteit heeft het college het voornemen om de bestaande praktijk van verantwoording en terugkoppeling voort te zetten en deze mee te nemen in de verplichte evaluatierapportage over de uitvoering van het omgevingsrecht aan de raad. In de gemeentelijke evaluatierapportage kan bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan hoe is omgegaan met de adviezen van de commissie en aan het (tijdig) inwinnen en ontvangen van advies binnen de afdoeningstermijn. Daarnaast wordt de werking van deze verordening ten minste éénmaal in de [aantal (bijvoorbeeld vier)] jaar samen met de commissie geëvalueerd. Artikel 16. Overgangsrecht [Eerste lid Op grond van dit lid gaan de bestaande leden van de welstands- en monumentencommissies of adviescommissies ruimtelijke kwaliteit zonder aparte benoemingsbesluiten over naar de commissie.] Tweede lid Dit lid regelt dat aanvragen ingediend voor het inwerkingtreden van deze verordening volgens het oude recht door de commissie worden afgedaan. Artikel 17.

Vervallen [en intrekking] oude regeling Eerste lid Alleen de regels met betrekking tot de commissies in de [citeertitel Bouwverordening] en de [citeertitel Erfgoedverordening] vervallen op grond van dit lid. [Tweede lid Dit lid ziet toe op de intrekking van de [citeertitel gecombineerde Verordening op de gemeentelijke adviescommissie].] Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding en de citeertitel van de verordening.

Raadsvoorstel Collegeverg. d.d. Registratiekenmerk Gemeentebladnr. Afdeling opsteller Naam opsteller Bereikbaar onder Portefeuillehouder Raadsvergadering d.d. Uiterlijke datum

: 6 november 2023 : 202350894 : 2023/95 : Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed : : : Jaimy van Dijk : 12 december 2023 : Niet van toepassing

Aan de raad, 1.

Onderwerp Nota grondbeleid 2024-2028

2. a.

Uitgangssituatie Aanleiding In de nota grondbeleid 2019-2022 is het grondbeleid van de gemeente Brunssum vastgesteld. De gemeente is, conform de financiële beheersverordening (ex. artikel 212 van de gemeentewet), verplicht om de Nota Grondbeleid elke vier jaar te actualiseren. Aangezien er circa vier jaren verstreken zijn sinds de vaststelling van de laatste nota Grondbeleid 2019-2022, wenst de gemeente te beschikken over een actuele nota grondbeleid, die het volledige spectrum van het grondbeleid en grondbeleidsinstrumentarium in een nota vastlegt. Daarnaast treedt op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking. Deze is mede aanleiding om de nota grondbeleid te actualiseren en aansluiting te zoeken bij de komende implementatie van deze nieuwe Omgevingswet.

b.

Huidige situatie/probleemstelling De huidige nota grondbeleid 2019-2022 is aan herziening toe om de gemeente een geactualiseerd en passend grondbeleidsinstrumentarium ter beschikking te stellen waarin de beleidskaders, spelregels en de financiële verantwoording van het grondbeleid zijn opgenomen, zodat ingespeeld kan worden op actuele en gewenste omgevingsontwikkelingen die voldoen aan de Omgevingswet. In deze nota wordt voorgesteld om de keuze van inzet van grondbeleidsinstrumentarium per locatie te bepalen, het zogenaamde situationeel grondbeleid. Per locatie wordt gekeken of een actief dan wel een faciliterend grondbeleid wordt toegepast of een mengvorm daarvan, waarbij voor elke nieuwe ontwikkeling een uitvoeringsstrategie, zoals bedoeld in de Omgevingswet, wordt opgesteld.

3. a.

Gewenste situatie Wat willen we bereiken? Het grondbeleid is een middel om de gewenste ambities en opgave op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, volkshuisvesting, economische zaken en andere beleidsterreinen mogelijk te maken. Daarmee is het grondbeleid geen op zichzelf staand doel, maar biedt de gemeente diverse instrumenten om haar beleidsdoelstellingen te realiseren. Met het vaststellen van de Nota grondbeleid 2024 krijgt de gemeente een modern instrumentarium, dat voldoet aan de Omgevingswet, de financiële beleidskaders, de rolverdeling college - raad en waarmee zij kan inspelen op de actuele marktontwikkelingen.

b.

Kaders 1. Eerdere besluitvorming Vastgestelde Nota grondbeleid 2019-2022 2. Traject tot dusverre - Nota grondbeleid 2019-2022

3. Rol/ bevoegdheden college van B en W Voor de uitvoering van het grondbeleid gelden de uitgangspunten van het duale stelsel, waarbij de rol en taakverdeling tussen college en raad beter op elkaar afgestemd is. De raad stelt de kaders op (marktconformiteit en methodiek) van het grondprijsbeleid en stelt deze vast. Binnen de vastgestelde kaders stelt het college jaarlijks de grondprijsbrief vast. 4. Algemene beleidskaders (landelijk/ provinciaal/ lokaal) Omgevingswet. 5. Past het voorstel in de strategische visie/ relatie met uitvoeringsagenda? De Nota grondbeleid 2024-2028 geeft de gemeente de instrumenten in handen om haar strategische visie vertaald in uitvoeringsagenda uit te voeren. 6. Relatie met programmabegroting/ financiële gevolgen. Er zijn geen budgettaire consequenties. Het werkbudget van € 2,0 mln. is budgettaire voorzien. c.

Argumenten en overwegingen De gemeente heeft in haar structuurvisie en beleidsdocumenten haar ruimtelijke ambities vastgelegd. In dat kader neemt de gemeente de verantwoordelijkheid de woningvoorraad en het voorzieningenaanbod in het bestaand stedelijk gebied geschikt te houden voor de toekomst. Bij nieuwe projecten wordt in de initiatieffase van een ontwikkeling de afweging gemaakt welke ontwikkelstrategie de meest geschikte is voor de betreffende locatie.

d.

Opties en keuze Niet vaststellen van de Nota grondbeleid 2024-2028.

Het college van burgemeester en wethouders,

Burgemeester

Secretaris

Raadsbesluit Gemeentebladnr. Afdeling Registratiekenmerk

: 2023/95 : Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed : 202350894

De raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2023/95; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 november 2023, afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed; Besluit: 1. De Nota grondbeleid 2024-2028 vast te stellen en met ingang van 1 januari 2024 in werking te laten treden; 2. De Nota grondbeleid 2024-2028 bekend te maken; 3. De Nota grondbeleid 2019-2022 in te trekken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 12 december 2023

De Raad vernoemd,

Voorzitter

Griffier

Nota Grondbeleid 2024-2028

Versie 29-10-2023 Definitieve versie (voor bestuurlijke besluitvorming)

Inhoud SAMENVATTING ................................................................................................................................................................4 1

2

3

4

5

6

INLEIDING ......................................................................................................................................................................6 1.1

Aanleiding .............................................................................................................................................................6

1.2

Doel Nota ..............................................................................................................................................................6

1.3

Uitvoering van het grondbeleid ............................................................................................................................7

KEUZE GRONDBELEID BRUNSSUM .................................................................................................................................8 2.1

Evaluatie grondbeleid tot nu toe ..........................................................................................................................8

2.2

Keuzepalet grondbeleid ........................................................................................................................................8

2.3

Grondbeleid Brunssum 2023-2026 .......................................................................................................................9

2.4

Beleidsregels grondbeleid gemeente Brunssum ................................................................................................10

ROLVERDELING COLLEGE - RAAD .................................................................................................................................11 3.1

Grondbeleid in het duale stelsel .........................................................................................................................11

3.2

Instrumenten voor het grondbeleid ...................................................................................................................11

3.3

Beleidsregels rolverdeling raad en college .........................................................................................................12

VERWERVEN GRONDPOSITIE ......................................................................................................................................13 4.1

Inleiding ..............................................................................................................................................................13

4.2

Minnelijke verwerving ........................................................................................................................................13

4.3

Strategische verwerving .....................................................................................................................................13

4.4

Anticiperende verwervingen ..............................................................................................................................14

4.5

Actieve verwervingen .........................................................................................................................................14

4.6

Voorkeursrecht gemeenten ...............................................................................................................................14

4.7

Onteigening ........................................................................................................................................................15

4.8

Autorisatie en waarderingsgrondslagen.............................................................................................................15

4.9

Beleidsregels verwerven grondpositie ...............................................................................................................16

ACTIEF GRONDBELEID: GRONDUITGIFTE- EN GRONDPRIJSBELIED...............................................................................17 5.1

Inleiding ..............................................................................................................................................................17

5.2

Gronduitgifte en voorwaarden (selectie afnemers) ...........................................................................................17

5.3

Grondprijsbeleid en grondprijsbrief ...................................................................................................................18

5.4

Onrechtmatig grondgebruik ...............................................................................................................................19

5.5

Beleidsregels gronduitgifte- en grondprijsbeleid ...............................................................................................20

ACTIEF GRONDBELEID: FINANCIËLE SPELREGELS .........................................................................................................21 6.1

Financiële spelregels bij ruimtelijke ontwikkeling ..............................................................................................21

6.2

De grondvoorraad ..............................................................................................................................................21

6.3

Voorbereidingskredieten nieuwe projecten (Immaterieel Vast Actief) .............................................................22

6.4

Grondexploitatie (BIE) en actualisatie/herziening en afsluiting .........................................................................22

6.5

Budget en uitvoeringskrediet BIE’s.....................................................................................................................23

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 2 van 27

7

6.6

Rekentechnische uitgangspunten (parameters) ................................................................................................23

6.7

Verliesvoorziening en (tussentijdse) winstneming .............................................................................................23

6.8

Algemene reserve grondexploitatie ...................................................................................................................24

6.9

Beleidsregels financiële spelregels .....................................................................................................................24

KOSTENVERHAAL .........................................................................................................................................................26 7.1

Faciliterend grondbeleid.....................................................................................................................................26

7.2

Kostenverhaal onder de Omgevingswet ............................................................................................................26

7.3

Beleidsregels kostenverhaal ...............................................................................................................................27

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 3 van 27

SAMENVATTING De gemeente Brunssum kiest de komende jaren voor een situationeel grondbeleid. Mede op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren, de overwegingen voor wat betreft de ambities en opgave waar Brunssum zich geplaatst ziet, de verscheidenheid aan ruimtelijke opgaven én de gewenste regierol tegen beheersbare risico’s, maakt dat een eenzijdige keuze voor een actief of juist passief grondbeleid niet goed mogelijk is. De keuze voor een situationeel grondbeleid ligt dan meer voor de hand. Op die wijze kan er per locatie bezien worden welke vorm van grondbeleid de beste keuze is, en welke instrumenten daarbij inzetbaar zijn om de gewenste verandering te realiseren, waarbij maatwerk gewaarborgd blijft. Voor elke nieuwe ontwikkeling zal de gemeente daartoe in een zo vroeg mogelijk stadium de uitvoeringsstrategie bepalen. Met deze uitvoeringsstrategie (zoals de Omgevingswet bedoelt) wordt de kernvraag beantwoord in welke mate en op welke wijze de gemeente wil sturen op de kwaliteit van de locatie en het tempo van realisatie daarvan. Dat hangt vooral af van: ▪ de maatschappelijke- en beleidsdoelen die de locatie dient; ▪ de belangstelling van marktpartijen voor de locatie; ▪ de financiële ruimte van de gemeente en de financiële risico’s die de ontwikkeling van de locatie met zich meebrengt; ▪ de grondposities die de gemeente op de locatie heeft.

Hierna zijn de beleidsuitgangspunten uit deze nota per hoofdstuk samengevat: Keuze Grondbeleid Brunssum ▪ Gemeente Brunssum voert een situationeel grondbeleid, waarbij per locatie wordt bekeken of een actief dan wel een faciliterend grondbeleid wordt toegepast of een mengvorm daarvan; ▪ Ongeacht de keuze streeft de gemeente naar een zo groot mogelijke regisserende rol in de gebiedsontwikkeling en veranderingen in de ruimtelijk-fysieke situatie; ▪ Voor elke nieuwe ontwikkeling zal de gemeente in een zo vroeg mogelijk stadium de uitvoeringsstrategie bepalen. Rolverdeling College-Raad Voor de uitvoering van het Grondbeleid gelden de uitgangspunten van het duale stelsel, waarbij de gemeente de haar beschikbaar gestelde instrumenten voor het grondbeleid maximaal en efficiënt zal inzetten. Verwerving grondpositie ▪ Voor de aankoop van gronden van derden geldt het uitgangspunt een minnelijke verwerving; ▪ Bij de overweging om over te gaan tot een strategische- of anticiperende verwervingen geldt het motiveringsprincipe.

Verwerving geschiedt na een zorgvuldige en integrale afweging; ▪ Gezien de vereiste bestuurlijke slagkracht bij strategische- en anticiperende verwervingen, autoriseert de raad het college tot een bedrag van € 2.000.000, waarover het college bij de jaarrekening verantwoording aflegt; ▪ Het college houdt zich aan de met de raad afgesproken procedureregels voor dergelijke verwervingen; ▪ Inzet van het instrument voorkeursrecht (Wvg) en onteigening geschiedt door de raad (bij Wvg: voorlopige aanwijzing door college, binnen 3 maanden raadsbesluit nodig) op basis van een deugdelijke risicoanalyse.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 4 van 27

Actief Grondbeleid: Gronduitgifte en grondprijsbeleid ▪ De gemeente gaat uit van marktconforme grondprijzen; ▪ Gronduitgifte vindt bij voorkeur plaats via grondverkoop, en tegen de algemene verkoopvoorwaarden van de gemeente Brunssum; ▪ Jaarlijks stelt het college de grondprijzenbrief vast voor het volgende kalenderjaar, binnen de kaders die de raad hiervoor heeft vastgesteld; ▪ Indien er sprake is van afwijkingen in de uitgifteprijs, zal het college verantwoording afleggen in de jaarrekening (paragraaf grondbeleid); ▪ Voor de gronduitgifte en selectie van de grondafnemers wordt rekening gehouden met het zogenaamde Didam-arrest en staatssteunregels.

Actief Grondbeleid: Financiële spelregels ▪ Grondexploitaties worden door de raad vastgesteld en vervolgens minimaal één keer per jaar geactualiseerd; ▪ Bij de actualisatie in het kader van de jaarrekening zal een MPG (Meerjaren Prognose Grondexploitaties: deels openbaar en deels vertrouwelijk) aan de raad worden voorgelegd waarin de financiële stand van zaken rondom de projecten en de grondexploitaties wordt toegelicht; ▪ De (financiële) verantwoording en verslaglegging over grondvoorraad, grondexploitaties, beschikbaar gestelde voorbereidings- en verwervingskredieten wordt gedaan via de paragraaf Grondbeleid van de jaarrekening en de begroting van de gemeente waarbij de BBV-richtlijnen leidend zijn; ▪ Vóór de actualisatie van de grondexploitaties stelt het college de parameters (rente- en inflatiepercentage) voor de grondexploitaties vast; ▪ Voorzieningen voor de verliesgevende exploitaties worden bepaald op basis van de netto contante waarde van het grondexploitatieresultaat en jaarlijks bij de jaarrekening herijkt; ▪ Tussentijdse winstnemingen worden volgens de wettelijk voorgeschreven percentage of completion methode (POC-methode) bepaald en wordt in de jaarrekening verantwoord; ▪ Bij significante wijzigingen in de grondexploitatie wordt een herziene grondexploitatie ter vaststelling aan de raad aangeboden; ▪ De financiële resultaten van het grondbeleid lopen va de

reserve grondexploitaties. Kostenverhaal Voor het verhalen van kosten bij particuliere initiatieven sluiten we bij voorkeur een anterieure overeenkomst. Als het niet mogelijk is om met alle eigenaren in een ontwikkelingsgebied tot een anterieure overeenkomst te komen, zullen kostenverhaalsregels in het omgevingsplan worden opgenomen.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 5 van 27

1

INLEIDING

1.1 Aanleiding De gemeente Brunssum heeft haar grondbeleid vastgelegd in de Nota Grondbeleid 2019. In deze nota zijn de beleidskaders en spelregels vastgelegd voor de wijze waarop de gemeente het instrument grondbeleid wil inzetten om de beleidsdoelen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, volkshuisvesting, economie/werkgelegenheid en andere beleidsterreinen te realiseren. Er zijn diverse redenen om deze nota uit 2019 te actualiseren. 1. De gemeente is, conform de financiële beheersverordening (ex. artikel 212 van de gemeentewet), verplicht om de Nota Grondbeleid elke vier jaar te actualiseren. De huidige nota dateert van 2019 en moet om die reden geactualiseerd te worden; 2. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet (inclusief de Aanvullingswet grondeigendom) in werking. Bij nieuwe ontwikkelingen geldt het uitgangspunt dat de gemeente een uitvoeringsstrategie opstelt, waarbij de gemeente bepaalt hoe sterk zij wil sturen op de kwaliteit van de locatie en het tempo van realisatie er van. De relatie grondbeleid en gebiedsontwikkeling is niet langer een fragmentarische benadering vanuit één instrument, maar een integrale toepassing van de verschillende instrumenten in de ‘gereedschapskist’. Daarbij helpt het als de gemeente beschikt over een actuele nota grondbeleid; 3.

Gewijzigde wet- en regelgeving (en de jurisprudentie), zorgt ervoor dat actualisatie en herijking van het grondbeleid en de inzet van instrumenten en de verantwoording noodzakelijk is. Hier wordt met name gedoeld op de BBV-richtlijnen, het zogenaamde Didam-arrest en de staatsteunregels. Daarom wenst de gemeente te beschikken over een actuele nota grondbeleid, die het volledige spectrum van het grondbeleid en grondbeleidsinstrumentarium in een zelfstandig leesbare nota vastlegt. Deze “Nota Grondbeleid 2024-2028, gemeente Brunssum” (verder te noemen: nota) ligt nu voor.

1.2 Doel Nota Benadrukt wordt dat het grondbeleid gezien moet worden als een instrument dat ingezet kan worden voor de realisatie van doelen op andere beleidsterreinen, zoals een goede ruimtelijke ontwikkeling, economische, volkshuisvestelijke en sociale doelen. Met de nota wordt transparantie geboden in de manier waarop de raad beleidsmatige kaders stelt voor de wijze waarop de gemeente Brunssum op de grondmarkt opereert en invulling geeft aan haar ruimtelijke doelstellingen. Hierbij worden niet alleen de taken en bevoegdheden voor de uitvoering van het grondbeleid beschreven, maar wordt ook ingegaan op de relatie gemeenteraad (kaderstelling) versus college (uitwerkingsbevoegd-heden). De nota grondbeleid is zeker geen instrument of afwegingskader voor de keuze waar en wanneer de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Brunssum plaats gaat vinden en met welke kwaliteit. De nota geeft vooral antwoord op de vraag hoe de ruimtelijke opgave geëffectueerd gaat worden en welke (beleids- en wettelijke) instrumenten hiervoor ingezet gaan worden. De nota bevat richtlijnen voor de wijze waarop de gemeente bestaand grondgebruik handhaaft en maatschappelijk gewenste ontwikkelingen realiseert, zodat dit past binnen de gemeentelijke ambities voor de ruimtelijke ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Deze maatschappelijk gewenste ontwikkelingen kunnen van economische aard zijn, maar ook

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 6 van 27

doelstellingen van volkshuisvestelijke en/of ruimtelijke aard of duurzaamheid vallen hieronder. Daarnaast bevat de nota uitgangspunten voor de organisatie bij de uitvoering van het grondbeleid, zoals het (financiële) beheer (planning, sturing en verantwoording).

1.3 Uitvoering van het grondbeleid De uitvoering van het grondbeleid is een taak van het college. De raad stelt hiervoor de kaders van het grondbeleid vast en controleert of het college het grondbeleid uitvoert binnen deze kaders. De wijze van verslaglegging over het gevoerde grondbeleid, wordt zodanig vormgegeven dat de raad in staat is haar controlerende taak naar behoren te kunnen uitvoeren. De invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024 brengt wijzigingen met zich mee die invloed hebben op de gereedschapskist van de in te zetten grondbeleidsinstrumenten. In deze nota wordt waar mogelijk inzicht gegeven in de invloed van de Omgevingswet op het grondbeleid. Naast de verplichting om een omgevingsvisie en een omgevingsplan op te stellen, wordt ook de betrokkenheid van de samenleving veranderd en kan zij meedenken over de gewenste ontwikkelingen. Met het omgevingsplan kan de gemeente de juiste randvoorwaarden meegeven en ruimte geven aan marktpartijen. De Omgevingswet streeft naar een flexibel grondbeleid met meer ruimte voor initiatieven uit de markt. Zo wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten en biedt de Omgevingswet betere mogelijkheden voor uitnodigingsplanologie.

Om de gemeentelijke doelstellingen te realiseren zal zij eerder en beter dan voorheen moeten inspelen op verwachte toekomstige ontwikkelingen en moeten bepalen op welke wijze zij de gewenste verandering van de fysieke omgeving wil bewerkstelligen.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 7 van 27

2

KEUZE GRONDBELEID BRUNSSUM

2.1 Evaluatie grondbeleid tot nu toe Waar met de nota grondbeleid uit 2009, met een paar kanttekeningen/nuances, nog ingezet werd op actief grondbeleid, kan het recent vastgestelde grondbeleid 2019-2022, als een situationeel grondbeleid betiteld worden. Zo wordt in de laatste nota meer de nadruk gelegd op differentiatie per locatie en het toesnijden per situatie van de invulling van het grondbeleid. De ervaringen met het grondbeleid zoals dat de afgelopen 4 jaar gevoerd is, kunnen als overwegend positief betiteld worden. Wel wordt geconstateerd dat wanneer de gemeente sturing wil geven aan een gewenste (her)ontwikkeling, dit zonder grondpositie een lastige opgave wordt. Daarnaast is er een aantal strategische verwervingen gedaan, maar daarmee is nog niet de ommezwaai gemaakt naar een betere grip op de ruimtelijke ontwikkeling. Deze aspecten worden in paragraaf 2.3 meegenomen als het gaat om de inkleuring van het grondbeleid voor de komende jaren.

2.2 Keuzepalet grondbeleid Het grondbeleid is een instrumenteel beleid. Voor de uitvoering van het grondbeleid beschikt de gemeente over een aantal instrumenten, die kunnen worden toegepast om binnen het gemeentelijk beleid het gewenste grondgebruik te realiseren. Voor de uitvoering van het grondbeleid kan de gemeente zich bewegen in het spectrum van actief grondbeleid aan de ene kant en puur passief aan de andere kant, of een middenweg van faciliterend grondbeleid: ▪ Actief grondbeleid: Bij actief grondbeleid neemt de gemeente een actieve rol wanneer de ruimtelijke ontwikkeling in belangrijke mate bijdraagt aan de realisatie van gemeentelijke ambities, maatschappelijk wenselijk is, en/of een hoge prioriteit heeft. In dit geval treedt de gemeente op als private partij in de grondmarkt. De gemeente draagt zelf zorg voor de verwerving van de gronden, het bouwrijp maken van de bouwterreinen, geeft de bouwterreinen uit aan derden en werkt deze na realisatie van de opstallen af (woonrijp maken), en geeft hierbij de bouwrijpe gronden zelf uit. De regie en de risico’s van de planrealisatie berusten hierbij volledig bij de gemeente, maar daar tegenover staat de mogelijkheid om de eventuele exploitatiewinst volledig ten goede te laten komen aan de gemeenschap. Voor eigen rekening en risico voert de gemeente de grondexploitatie.

▪ Faciliterend grondbeleid: Bij faciliterend grondbeleid wordt voor de planrealisatie een vorm van samenwerking (middels overeenkomsten) tussen de gemeente en de particuliere initiatiefnemer gezocht. Zowel de invloed op de planrealisatie, kennis, winstmogelijkheid alsmede de risico’s worden gezamenlijk ingezet en gedragen. ▪ Passief grondbeleid: Bij passief grondbeleid beperkt de gemeente zich tot haar publiekrechtelijke taak. Zij stelt de kaders voor de ontwikkeling vast (in de vorm van een bestemmingsplan en straks omgevingsplan), maar derden (zoals ontwikkelaars of woningcorporaties) zijn verantwoordelijk voor de realisatie. De gemeentelijke grip op de planrealisatie is in dit geval minder, maar de risico’s zijn daarentegen voor rekening van de initiatiefnemer. Zo komt eventuele ontwikkelwinst ten goede aan de initiatiefnemer en niet aan de gemeente/gemeenschap.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 8 van 27

Bij de “keuze” uit vorenstaande vormen van het grondbeleid zijn naast de in paragraaf 2.1 genoemde evaluatiepunten een drietal aspecten sowieso van belang (in willekeurige volgorde): 1. Hoe regisserend wil de gemeente opereren, welke ambities heeft de gemeente en welke risico’s vindt zij daarbij acceptabel; 2. Voor welke maatschappelijk belang en ruimtelijk-fysieke opgave ziet de gemeente zich gesteld; 3. Wat beoogt de wetgever onder andere met de nieuwe Omgevingswet als het gaat om het inzetten van het grondbeleid voor de fysieke ontwikkeling. In de volgend paragraaf wordt hier dieper op ingegaan.

2.3 Grondbeleid Brunssum 2023-2026 Hoe regisserend wil de gemeente opereren, welke ambities heeft de gemeente en welke risico’s vindt zij daarbij acceptabel? In zijn algemeenheid geldt voor het gemeentelijk beleid dat Brunssum zo veel mogelijk sturing wil geven aan (de kwaliteit van) de ruimtelijke ontwikkeling. Zeker omdat de “markt” niet voor alle functies (denk onder andere aan sociale- en betaalbare woningen, maatschappelijke functies, etc.) het initiatief zal tonen, is een actieve en regisserende rol voor de gemeente in deze onvermijdelijk. Zeker om alle doelen vanuit andere beleidsvelden gerealiseerd te krijgen past een initiërende rol van de gemeente. Echter deze beoogde actieve houding, i.c. grip en regie houden op de ruimtelijke ontwikkeling, moet wel afgezet worden tegen de wens om de risico’s daarbij zo laag en beheersbaar mogelijk te laten zijn. Hierbij moet worden onderkend dat bij gebiedsontwikkeling in Brunssum (en directie omgeving) de kosten vergelijkbaar zijn als elders in het land, maar de opbrengstpotentie daarentegen gemiddeld lager dan. Dit leidt tot een risico voor wat betreft het financieel sluitend krijgen van grondexploitaties. Faciliterend grondbeleid (“het aan de markt overlaten”) betekent dat de invloed kleiner is dan bij een actieve interventie op de grondmarkt.

Maar de gemeente kan via het stellen van ruimtelijke kaders en het publiekrechtelijk instrumentarium regie voeren en ook de kosten verhalen die zij maakt. Voor welke maatschappelijk belang en ruimtelijk-fysiek opgave ziet de gemeente zich gesteld? Het (maatschappelijk) belang van ontwikkelingen is voor Brunssum een belangrijke factor. Alle ontwikkelingen moeten als vanzelfsprekend passen in de visie van de gemeente die onder meer is verwoord in de structuurvisie en straks in de Omgevingsvisie. Maar ook bijvoorbeeld de lokale en regionale Woonvisie, en daarin opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven, is in deze van belang. Voor het daadwerkelijk realiseren van deze maatschappelijke opgaven, past een actief grondbeleid het beste. Maar ook particuliere initiatieven die passen in de visie van de gemeente en maatschappelijk belang dienen gestimuleerd te worden. In dat geval is actief ingrijpen door de gemeente niet altijd nodig en kan voor faciliterend of passief grondbeleid worden gekozen. Actief ingrijpen zal wel noodzakelijk zijn bij ontwikkelingen die van groot belang voor Brunssum zijn, maar die niet automatisch of geheel niet door de markt worden opgepakt. Maar ook door samenwerking met andere (hogere) overheden en particulieren kan de beoogde maatschappelijke opgave mogelijk (beter) gerealiseerd worden.

Hiervoor kan een samenwerking op basis van de Wgr (Wet gemeenschappelijke regeling) gezocht worden of een aperte entiteit (BV/CV) worden opgericht. De kwantitatieve en ruimtelijke opgave waarvoor de gemeente zich op langere termijn gesteld ziet (denk aan woning- en bedrijvenlocaties), zal in de nog op te stellen omgevingsvisie gaan landen. Maar om de continuïteit in de ruimtelijk-fysieke opgave ook op termijn te kunnen waarborgen, zal een (deels) actieve rol van de gemeente onvermijdelijk zijn.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 9 van 27

Wat beoogd de wetgever onder andere met de nieuwe Omgevingswet als het gaat om het inzetten van het grondbeleid voor de ruimtelijk fysieke ontwikkeling Met de nieuwe Omgevingswet beoogt de wetgever onder andere, dat de gemeente duidelijk vastlegt wat de uitvoeringsstrategie zal zijn voor de beoogde uitvoering van de ruimtelijke ontwikkeling. Ofwel niet alleen de waar en wat vraag, maar van begin af aan ook inzicht in de wijze waarop de ruimtelijk-fysieke ontwikkeling plaatsvindt. Een onderbouwing van het gemeentelijk grondbeleid in een Nota Grondbeleid wordt hierbij aanbevolen. De kernvraag bij het kiezen van een uitvoeringsstrategie is namelijk hoe sterk de gemeente wil sturen op de kwaliteit van de locatie en het tempo van realisatie daarvan. Dat hangt vooral af van: ▪ de maatschappelijke- en beleidsdoelen die de locatie dient. ▪ de belangstelling van marktpartijen voor de locatie. ▪ de financiële ruimte van de gemeente en de financiële risico’s die de ontwikkeling van de locatie met zich meebrengt. ▪ de grondposities die de gemeente op de locatie heeft. De overwegingen die hiervoor onder de genoemde items zijn beschreven, zijn ook hier van belang. Samenvatting In het algemeen is een actief grondbeleid gewenst op locaties die maatschappelijk belangrijk zijn, maar die slecht in de markt liggen. Hier zullen nieuwe ontwikkelingen niet als vanzelf tot stand komen.

Wel zal de gemeente een deugdelijke afweging maken van het maatschappelijk belang/winst en de mogelijke maatschappelijke offers (negatief grondexploitatieresultaat) en risico’s die hiermee gepaard gaan. Faciliterend en passief grondbeleid zijn daarentegen een goede optie voor locaties die van maatschappelijk belang zijn, maar die goed in de markt liggen. Hier zijn marktpartijen graag bereid de ontwikkelingen te realiseren. Daardoor kan de overheid ermee volstaan regels te stellen en kostenverhaal toe te passen. Gelet op het vorenstaande kunnen de volgende kaders voor het te voeren grondbeleid voor de komende jaren opgemaakt worden: De gemeente zal de exacte inkleuring van haar grondbeleid per situatie bekijken. Dit betekent maatwerk per locatie en dat noemen we “situationeel grondbeleid”. Hiervoor wordt per locatie een uitvoeringsstrategie (zoals de Omgevingswet bedoelt) opgesteld, die als basis dient voor het grondbeleid van die specifieke locatie.

2.4 Beleidsregels grondbeleid gemeente Brunssum ▪ Gemeente Brunssum voert een situationeel grondbeleid, waarbij per locatie wordt bekeken of een actief dan wel een faciliterend grondbeleid wordt toegepast of een mengvorm daarvan; ▪ Ongeacht de keuze streeft de gemeente naar een zo groot mogelijke regisserende rol in de gebiedsontwikkeling en veranderingen in de ruimtelijk-fysieke situatie; ▪ Voor elke nieuwe ontwikkeling zal de gemeente in een zo vroeg mogelijk stadium de uitvoeringsstrategie bepalen.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 10 van 27

3

ROLVERDELING COLLEGE - RAAD

3.1 Grondbeleid in het duale stelsel Het dualisme heeft in de gemeentepolitiek geleid tot een duidelijke taakverdeling en verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. Dit vertaalt zich ook naar het grondbeleid. De raad stelt met de nota grondbeleid kaders en het college voert het beleid uit binnen deze kaders. De raad controleert vervolgens de uitvoering van het grondbeleid door het college of dit binnen de vastgestelde kaders heeft plaatsgevonden. Orgaan Gemeenteraad

Taak Kaders stellen

Instrument Nota Grondbeleid Grondexploitaties, grondprijzen, College van B&W Uitvoeren aankopen, sluiten overeenkomsten e.d. Paragraaf grondbeleid Gemeenteraad Toetsen/controleren (rekening, begroting en Berap)

3.2 Instrumenten voor het grondbeleid In onderstaande tabel zijn de taak- en rolverdeling per thema voor de raad en het college voor het grondbeleid opgenomen.

Vaststellen beleidsnota’s Ruimtelijke producten Financiële producten en rapportages

Grondexploitatie

Gemeenteraad - Nota Grondbeleid - Financiële verordening - Nota reserve en voorzieningen Bestemmingsplan, beeldkwaliteitplan, straks omgevingsvisie en -plan, programma en uitvoeringsstrategie - Resultaatbestemming - Mutaties in reserves en voorzieningen - Paragraaf Grondbeleid, weerstandsvermogen en risicomanagement in jaarrekening en begroting - Openen van een grondexploitatie (BIE) - Herzien en actualiseren BIE - Afsluiten BIE - Beschikbaar stellen voorbereidings- en uitvoeringskredieten - Winstneming en instellen verliesvoorziening

Verwerving

- Beschikbaar stellen van krediet voor strategische en anticiperende verwervingen - Toepassen Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) Onteigeningsbesluit

Samenwerking

- Effectueren kostenverhaal - Besluit tot oprichting of deelneming in privaatrechtelijk rechtspersoon of gemeenschappelijke regeling

Bouw- en woonrijp - Vaststellen inkoop- en aanbestedingsbeleid maken Uitgifte

- Vaststellen kaders grondprijs- en uitgiftebeleid (nota GB) - Algemene voorwaarden

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

College van B&W - Uitvoeren van grondbeleid en ruimtelijk beleid Inrichtingsplan, verkavelingsplannen, stedenbouwkundige plannen, wijzigingsbevoegdheden Aanbieden jaarrekening en begroting

- Uitvoeren van een grondexploitatie - Opstellen risicoanalyse op een BIE - Informatieverstrekking en verantwoorden BIE's (middels MPG en paragraaf grondbeleid) - Vaststellen verwervingsstrategie - Verwerven onroerende zaken (sluiten overeenkomsten) - Vestigen voorbescherming Wvg - Starten onteigeningsprocedure - Sluiten overeenkomsten voor samenwerking - Deelname aan bestuur privaatrechtelijk rechtspersoon - Aanbesteden van werken en diensten - Vaststellen grondprijzen - Sluiten verkoopovereenkomsten - Selectie (markt)partijen/afnemers

Pagina 11 van 27

3.3 Beleidsregels rolverdeling raad en college Voor de uitvoering van het Grondbeleid gelden de uitgangspunten van het duale stelsel, waarbij de gemeente de haar beschikbaar gestelde instrumenten voor het grondbeleid maximaal en efficiënt zal inzetten.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 12 van 27

4

VERWERVEN GRONDPOSITIE

4.1 Inleiding In beginsel staat de gemeente Brunssum een integrale en gebiedsgerichte werkwijze voor. Daarbij is het belangrijk op te merken dat de gemeente niet over onbeperkte middelen beschikt (financieel en capaciteit). Daarom kiest de gemeente ervoor om de regie te voeren op die locaties, waar prioritaire ontwikkelingen plaatsvinden die zonder gemeentelijke inmenging niet tot realisatie komen. Verwerving (in een zo vroeg mogelijk stadium) is voor gemeenten het instrument bij uitstek om de regiefunctie bij de ontwikkeling van projecten te voeren. Daarbij kan er voor gekozen worden om reeds in te grijpen voordat de integrale en gebiedsgerichte werkwijze geheel is uitgekristalliseerd. Essentieel is dan wel dat hiervoor op korte termijn alsnog een uitgewerkte werkwijze wordt opgesteld. Vanuit de eigendomspositie ontstaat de mogelijkheid om actief sturing te geven aan de programmatische en ruimtelijke ontwikkeling, binnen de gestelde kwalitatieve en financiële kaders. Minnelijke verwerving kan worden ondersteund door instrumenten, die uitsluitend voorbehouden zijn aan de overheid, zoals voorkeursrecht (Wvg) en onteigening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de instrumenten die de gemeente kan inzetten voor het verkrijgen van een (betere) positie op de grondmarkt, en die vallen onder een actief grondbeleid.

4.2 Minnelijke verwerving Bij voorkeur wordt de grond met eventuele opstallen minnelijk verworven. Zonder inzet van publieke instrumenten probeert de gemeente, op basis van minnelijke overeenstemming met de verkoper, onroerend goed (grond en panden) in het bezit te krijgen tegen marktconforme condities. Indien het noodzakelijk is om voor het bereiken van maatschappelijke gewenste ontwikkelingen gronden aan te kopen van derden is minnelijke verwerving het uitgangspunt. Het minnelijk verwerven zal in de praktijk niet plaats kunnen vinden indien de huidige eigenaar (veelal een ontwikkelaar) zelf in staat en bereid is om de beoogde functie te realiseren, binnen de door de gemeente gestelde kaders. In dat geval zal de gemeente zich beperken tot het opstellen van de publieke instrumenten (nu bestemmingsplan en per 1 januari 2024 het omgevingsplan) waarbinnen de eigenaar tot zelfrealisatie over kan gaan. In beginsel worden drie vormen van verwervingsbeleid onderkend die hierna achtereenvolgens worden belicht. Op de waarderingsgrondslagen wordt in paragraaf 4.8 teruggekomen.

4.3 Strategische verwerving Strategische verwervingen vinden plaats in gebieden waar de gemeenteraad nog geen of slechts zeer globale kaders of visies heeft bepaald, maar waar de gemeente grondposities wil en kan verwerven met het oog op te verwachte mogelijkheden voor (her)ontwikkeling van deze gebieden, dan wel eventuele gronden en opstallen kan verwerven voor compensatiedoeleinden. In principe zal de gemeente Brunssum de risico’s die met de aankopen van onroerende zaken gepaard gaan, het motiveringsprincipe hanteren. Strategische verwervingen moeten worden bezien in het kader van de noodzaak/wens om een locatie ruimtelijk te ontwikkelen en de financiële en maatschappelijke rendementen en risico’s van de aankoop en de verwachte

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 13 van 27

ontwikkelingstermijn van de bedoelde locatie. Een duidelijke en integrale afweging van deze aspecten maken onderdeel uit van een voorstel tot aankoop. Conform bestendige gedragslijn gelden voor het doen van strategische verwervingen de navolgende procedureafspraken: ▪ Het college heeft/krijgt onder voorwaarden mandaat, tot het doen van strategische aankopen tot een bedrag van € 2.000.000; ▪ Hiervoor is een werkbudget beschikbaar van eveneens € 2.000.000, waarvoor de volgende spelregels gelden: - het college neemt (na consultering van een raadsvertegenwoordiging) een gemotiveerd besluit tot het doen van een strategische aankoop; - de aankoop wordt administratief tijdelijk ten laste van het werkbudget strategische aankopen geboekt; - vervolgens wordt de aankoop onder staat van Materieel Vast Actief (MVA) verantwoord; - zodra de grondexploitatie voor het betreffende gebied is vastgesteld, wordt de aankoop tegen de dan geldende boekwaarde overgeheveld naar de grondexploitatie; ▪ Verantwoording hierover wordt afgelegd in de Jaarrekening van het betreffende boekjaar; ▪ Zodra de aankoop niet meer op het werkbudget drukt (bij activering als MVA), is weer het oorspronkelijke werkbudget beschikbaar (tot maximaal € 2.000.000).

4.4 Anticiperende verwervingen Deze verwervingen vinden plaats in gebieden waar de gemeenteraad reeds met een globale visie (ambitiedocument, masterplan, gebiedsvisie of dergelijke) heeft ingestemd, en waar het hebben van een grondpositie gewenst is om op die manier (gedeeltelijke) regie op de (her) ontwikkeling te kunnen voeren. Anders dan bij strategische verwervingen, heeft de raad hier wel een visie (in de ruime zin van het woord) vastgesteld. De procedureafspraken zoals onder strategische verwervingen beschreven zijn, gelden ook voor anticiperende verwervingen, en vallen ook binnen het budget van strategische verwervingen van € 2.000.000.

4.5 Actieve verwervingen Het voorkeursrecht (Wvg) gaat het om verwerven van gronden, die zijn opgenomen in een door de raad vastgestelde grondexploitatie (BIE) en noodzakelijk zijn om het vastgestelde projectontwerp te kunnen realiseren. Het vaststellen van de grondexploitatie houdt dus tevens de autorisatie en opdracht in om de onroerende zaken actief te verwerven. De instrumenten voorkeursrecht (Wvg) en Onteigening kunnen hierbij desgewenst worden ingezet. Het college toetst per geval of verwerving daadwerkelijk opportuun is.

4.6 Voorkeursrecht gemeenten De Wvg is een zogenoemd passief verwervingsinstrument dat de gemeente het wettelijk recht van voorrang geeft op de verwerving van onroerende zaken. In geval van een voorgenomen vervreemding van een onroerende zaak waarop de Wvg van kracht is, dient de betrokken eigenaar deze eerst te koop aan te bieden aan de gemeente. De gemeente en de eigenaar moeten het vervolgens eens worden over de koopprijs. De verkopende partij kan de gemeente verzoeken om de rechtbank een bindende prijsuitspraak te laten doen.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 14 van 27

Vanwege de te volgen procedures en daaraan verbonden termijnen én vanwege het ‘opwarmend’ effect op de prijs van de grond, moet het vestigen van een voorkeursrecht weloverwogen gebeuren. Waar mogelijk en wenselijk wordt het instrument Wvg ingezet, op basis van een integrale analyse van alle relevante aspecten (strategisch, juridisch, financieel en planologisch). Ook onder de Omgevingswet is het inzetten van dit instrument mogelijk. Het college neemt het besluit voor een voorlopige aanwijzing, wat gevolgd moet worden door een raadsbesluit (vervroegde aanwijzing, op basis van omgevingsvisie, programma of omgevingsplan) en kan eenmalig verlengd worden. Overigens heeft de gemeente dit instrument nagenoeg nooit geëffectueerd. Maar mocht het inzetten ervan een meerwaarde hebben, dan zal de Wvg zeker ingezet gaan worden.

4.7 Onteigening Als minnelijke verwerving niet succesvol is, kan het onteigeningsinstrument (als ultiem middel) ingezet worden voor de uitvoering van het actieve grondbeleid. Gelet op de mogelijke impact van dit instrument op de betrokken grondeigenaar, wordt dit instrument met uiterste zorgvuldigheid ingezet. Uitgangspunt is dat dit instrument alleen wordt ingezet om te voorkomen dat de (tijdige) realisatie van het gemeentelijk ruimtelijk beleid vertraging oploopt. Het hanteren van het instrument onteigening heeft voor de gemeente de volgende voordelen: ▪ Impasse in onderhandelingen kan worden voorkomen/doorbroken; ▪ De gewenste eigendomssituatie kan worden bereikt; ▪ Het opstarten van een onteigeningsprocedure (als “stok achter de deur”) leidt vaak alsnog tot minnelijk overleg en overeenstemming. Naast deze voordelen kleven er ook nadelen en risico’s aan een onteigeningsprocedure, te weten: ▪ De duur van de procedure; ▪ Volledige schadeloosstelling voor de onteigende wordt gerechtelijk bepaald, met verplichte afname; ▪ Kans op vorm- en procedurefouten. Bij het inzetten van het instrument, wat in het recente verleden overigens zelden tot niet voorgekomen is1 gaan we uit van een zorgvuldige afweging.

Niet alleen worden de hiervoor beschreven voor- en nadelen zorgvuldig afgewogen, maar wordt vooraf ook een deugdelijke juridische, financiële en planologische risicoanalyse opgesteld. De bevoegdheid te besluiten het instrument onteigening in te zetten ligt overigens bij de gemeenteraad.

4.8 Autorisatie en waarderingsgrondslagen Raadautorisatie strategische en anticiperende verwervingen Gezien de vereiste bestuurlijke slagkracht bij aankoop van strategische én anticiperende verwervingen wordt voorgesteld om een aankoopkrediet beschikbaar te stellen van € 2.000.000. De in paragraaf 4.3. beschreven procedureregels zijn hiervoor geldend. Waarderingsgrondslagen In onderstaande tabel is schematisch weergegeven hoe de aankooprijs tot stand komt, hoe deze financieel gedekt is en hoe de waardering plaatsvindt bij de administratieve vastlegging. 1 met uitzondering van Huth e.a.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 15 van 27

2. Strategisch aankoopprijs Krediet (autorisatie aankoop) adminsitratieve eenheid

waarde in huidige bestemming

3. Anticiperend waarde toekomstige bestemming

krediet raad van € 2.000.000

MVA

MVA

4. Actief 5. Wvg 6. Onteigening waarde o.b.v. o.b.v. o.b.v. deskundigen vigerende onderhandelingen commissie bestemming of rechtbank begroot in voorzien in krediet € 2.000.000, grondexploitatie en grondexploitatie en of voorzien in grex begroting begroting grondexploitatie grondexploitatie (onder handen MVA of grex (onder handen werk) werk)

feitelijke feitelijke aankoopwaarde aankoopwaarde feitelijke (indien (indien feitelijke aankoopwaarde feitelijke waarderings- verwervingsprijs is verwervingsprijs is aankoopwaarde op (voorlopig in MVA, aankoopwaarde (op grondslagen hoger als hoger als waarde te nemen in of grondexploitatie te nemen in de marktwaarde, van warme grond, grondexploitatie als die al grondexploitatie) afwaarderen tot afwaarderen tot vastgesteld is) marktwaarde marktwaarde MVA: Materieel Vast Actief Grex: Grondexploitatie Voor de waarderingsgrondslagen zie o.a. paragraaf 6.2

4.9 Beleidsregels verwerven grondpositie ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Voor de aankoop van gronden van derden geldt het uitgangspunt een minnelijke verwerving; Bij de overweging om over te gaan tot een strategische- of anticiperende verwervingen geldt het motiveringsprincipe. Verwerving geschiedt na een zorgvuldige en integrale afweging; Gezien de vereiste bestuurlijke slagkracht bij strategische- en anticiperende verwervingen, autoriseert de raad het college tot een bedrag van € 2.000.000, waarover het college bij de jaarrekening verantwoording aflegt; Het college houdt zich aan de met de raad afgesproken procedureregels voor dergelijke verwervingen; Inzet van het instrument voorkeursrecht (Wvg) en onteigening geschiedt door de raad (bij Wvg: voorlopige aanwijzing door college, binnen 3 maanden raadsbesluit nodig) op basis van een deugdelijke risicoanalyse.

Nota Grondbeleid Brunssum 2024

Pagina 16 van 27

5

ACTIEF GRONDBELEID: GRONDUITGIFTE- EN GRONDPRIJSBELIED

5.1 Inleiding Een van de belangrijkste pijlers van het actieve grondbeleid is, dat de gemeente Brunssum de door haar gemaakte kosten van bouwgrondproductie (verwerving, plankosten, bouw- en woonrijp maken, e.d.) kan doorberekenen in de verkoopprijs van de door haar uit te geven bouwkavels. Daarbij kunnen, aanvullend op de publiekrechtelijke bepalingen, privaatrechtelijk nadere eisen en condities worden gesteld aan het tijdstip en de wijze waarop de bouwkavels moeten worden bebouwd, zoals functie, kwaliteit, type en/of prijsklasse woningen, etc. Door vervreemding wisselen gronden en/of opstallen van eigenaar en/of gebruiker. Er zijn verschillende vormen van gronduitgifte, ten eerste natuurlijk de ‘gewone’ verkoop. Daarnaast kennen we ook nog uitgifte in erfpacht, verhuur, in gebruik geven en verpachten. Als het gaat om uitgifte van grond (al dan niet met de daarop eventueel aanwezige opstallen) is in principe elke uitgiftevorm mogelijk, verkoop heeft echter in Brunssum de voorkeur. Uitgangspunt voor de verkoopprijs is een marktconforme prijs.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=7d6549c9-59d5-4a62-be21-c3cfe89e32ba