A5 - Provincie Gelderland - Ontwerp Omgevingsvisie provincie Gelderland D481305
Tekst van het document
Bij het ontwikkelen van woningbouw in de Gelderse gemeenten van Regio Foodvalley zetten we in op het bouwen in hogere dichtheden en op meervoudig ruimtegebruik. Niet alle ruimte voor verstedelijking kan in de Foodvalley worden gevonden binnen het bestaand stedelijk gebied. Daarom verstedelijken we geconcentreerd buiten bestaand stedelijk gebied op locaties die gunstig zijn gelegen met betrekking tot bereikbaarheid, energie, drinkwater en natuur. Het combineren van verdichten en voldoende ruimte houden voor groen en wateropvang is een aandachtspunt. We werken samen om zo efficiënt watergebruik te creëren ten gunste van woningbouw en bedrijven, zoals met de waterrotonde bij Nijkerk. We verbinden regionaal groen, zoals de Veluwe, met stedelijk groen en het versterken van de groene ruimte voor verblijven, ontmoeten en bewegen (zie beleidsthema’s Leefbaarheid en Sport). In dorpen, kleine kernen en buurtschappen in de regio is de woningbouwopgave meer gericht op het invullen van de lokale behoefte en op opgaven als leefbaarheid en het op peil houden van het voorzieningenniveau. Grootschalige groei vraagt om gelijktijdige investeringen in bereikbaarheid, drinkwatervoorziening, energie, economie, voorzieningen en leefomgeving.
De druk op het landschap en de milieugebruiksruimte is groot; daarom is compact en gezond verdichten noodzakelijk (zie ook beleidsthema’s Ruimte en Gezonde en veilige leefomgeving). De woningbouwopgave vraagt om een energiesysteem dat gelijktijdig meegroeit met de verstedelijking (zie beleidsthema Energie en klimaat). Netcapaciteit, warmtevoorziening en lokale energieoplossingen worden daarom vroegtijdig meegenomen in gebiedsontwikkeling, zodat woningbouw realiseerbaar blijft en toekomstige knelpunten in de energievoorziening zoveel mogelijk worden voorkomen. We bouwen niet op locaties die slecht bereikbaar zijn of niet goed bereikbaar te maken zijn (zie beleidsthema Mobiliteit). Grootschalige woningbouw vindt plaats op locaties nabij voorzieningen en die goed ontsloten zijn met (hoogwaardig) openbaar vervoer, doorfietsroutes en overige fietsroutes. Grootschalige woningbouw vraagt ook om grootschalige uitbreiding van het mobiliteitsnetwerk in de regio. De regionale corridors en knooppunten (N224, A1/A28, A1/A30) zijn randvoorwaardelijk voor de bereikbaarheid van de regio, maar de woningbouw- en werklocaties langs deze corridors leiden tot meer druk op de bereikbaarheid en leefbaarheid. Daarbij hebben we expliciet aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving, waaronder het functioneren van infrastructuur binnen de geldende geluidproductieplafonds.
Om het wegennet te ontlasten, zetten we in op nieuwe fietsroutes (zoals Ede-Wageningen-Veenendaal), ovverbindingen en overstappunten. De groei van Regio Foodvalley vraagt, net als in de regio GMR, om een betrouwbare en snelle verbinding met de Randstad en Duitsland. Om deze verbinding richting de toekomst te verstevigen zijn infrastructurele aanpassingen nodig aan het spoor en het onderliggend wegennet. Samen met het Rijk, provincie Utrecht en gemeenten onderzoeken we de meerwaarde van een hoogwaardige ov-ontsluiting. Specifieke aandacht heeft de spoorlijn Utrecht-Arnhem-Duitsland, omdat dit in Gelderland de belangrijkste en drukste
48
spoorverbinding voor personenvervoer is. En deze verbinding nodig is om het openbaar vervoer aantrekkelijk te maken voor de bestaande en groeiende woongebieden in Regio Foodvalley en de GMR. Toekomstbestendige economie en sterke netwerken Agrifood staat centraal in het economisch profiel van de regio (zie beleidsthema Land- en tuinbouw). Wageningen University & Research vormt het hart van een internationaal kennisecosysteem op het gebied van agrifood, natuur, voeding en milieu, en langs de KennisAs Ede–Wageningen is een concentratie van kennisintensieve bedrijvigheid ontstaan met start- en scale-ups en internationale aantrekkingskracht. In het noorden van de regio ligt daarnaast een krachtig foodproductiecluster en een krachtig mkb. Op de grens met de provincie Utrecht bestaat een duidelijke samenhang met economische activiteit rond de ICTcampus in Veenendaal. De ruimte voor werklocaties staat onder druk (zie paragraaf 3.5 en beleidsthema Economie). De vraag naar HMC-locaties, watergebonden bedrijventerreinen en campussen neemt toe. Door strategische clusters te versterken en infrastructuur toekomstbestendig te maken blijft Regio Foodvalley concurrerend, innovatief en leefbaar. Regio Foodvalley biedt ruimte aan watergebonden bedrijven en bedrijven in hogere milieucategorieën (HMC), juist vanwege de transitie naar een circulaire economie.
We willen dat bedrijven die gemengd kunnen worden met wonen zich vestigen in stedelijk gebied, om voldoende ruimte te behouden voor HMC-bedrijven. Om te kunnen voldoen aan de toekomstige vraag en voor compensatie voor transformatielocaties moeten we op zoek naar nieuwe locaties. We zetten in op het versterken van strategische locaties zoals de campussen op de KennisAs Ede-Wageningen, watergebonden bedrijventerreinen in Wageningen en Nijkerk, en bedrijventerreinen met een (boven)regionale functie. Daarnaast zijn er bedrijven aan de randen van kernen die een onevenredige belasting vormen voor luchtkwaliteit en geluid. We vinden het belangrijk dat deze bedrijven zich verplaatsen of van functie veranderen. Daarvoor zorgen we dat uiterlijk in 2040 duidelijk is wat nieuwe, passende locaties in de Regio Foodvalley voor deze bedrijven zijn en onder welke randvoorwaarden deze locaties beschikbaar zijn. Hiervoor stellen we samen met gemeenten een toekomstbeeld op. In de regio is Defensie een grote ruimtevrager, met de kazerne in Stroe en het Infanterie Schietkamp (ISK) Harskamp. Dit brengt werkgelegenheid en andere economische kansen met zich mee voor de regio (zie paragraaf 3.5 en beleidsthema Defensie). Tegelijk zorgt de uitbreiding van defensie ook voor toenemende druk op onder andere woningbouw, natuur en de infrastructuur.
Met onze partners willen we deze opgaven in samenhang zien met de andere regionale opgaven. Hierbij is ons uitgangspunt dat de opgaven van defensie niet zorgen voor verdringing van onze andere (rijks)opgaven. De economische ontwikkeling van Regio Foodvalley is afhankelijk van een toekomstbestendig energiesysteem (zie beleidsthema Energie en klimaat). Uitgangspunt is dat energie waar mogelijk lokaal wordt opgewekt en benut. Tegelijk zijn de mogelijkheden voor grootschalige opwek beperkt, mede door de ligging rondom de Veluwe. Dit betekent dat Regio Foodvalley, in vergelijking met andere regio’s, in de toekomst sterker afhankelijk zal zijn van energie-import van buiten de regio. Dat vraagt om tijdige en substantiële investeringen in energie-infrastructuur en systeemversterking, zodat woningbouw, economische ontwikkeling en maatschappelijke voorzieningen niet stagneren. Dit werken we momenteel samen met de regionale partners uit in een energieperspectief.
49
4.7 Stedendriehoek Beeld van de regio De Stedendriehoek ligt zowel in Gelderland als in Overijssel en wordt gevormd door Apeldoorn, Zutphen, Deventer, Heerde, Epe, Voorst, Brummen en Lochem. De regio is centraal gelegen tussen Zwolle en de Groene Metropoolregio, en tussen de Randstad en Twente. De A1 en A50 vormen sterke oost-west- en noord-zuidcorridors; het spoor en de rivier de IJssel maken het netwerk compleet. De regio is aantrekkelijk om te wonen door de nabijheid van voorzieningen, natuur en sterke regionale identiteit. Economisch is er focus op veiligheid, slimme informatietechnologie (onder andere cyberweerbaarheid) en energie en duurzaamheid. De Stedendriehoek heeft een sterk daily urban system, waarbij 70% van het woonwerkverkeer binnen de regio plaatsvindt. De bereikbaarheid is randvoorwaardelijk voor de verstedelijkingsopgave. Een gezamenlijk ontwikkelperspectief richting 2050 wordt nu verder uitgewerkt met de partners in de regio. De belangrijkste opgaven in de regio: • verstedelijking in balans met het landelijk gebied • ontwikkeling corridors A1/A50 en bevaarbaarheid IJssel • natuurherstel Veluwe Vitaal landelijk gebied In de Stedendriehoek kiezen we ervoor om regie te voeren op een robuust water- en bodemsysteem (zie paragraaf 3.1 en beleidsthema Water en klimaatadaptatie).
Door de regio stroomt de IJssel, waar we door de weersextremen rekening moeten houden met te lage en te hoge waterstanden. Bij hoogwater ontstaat er overstromingsgevaar. Bij laagwater komt de zoetwatertoevoer richting Noord-Nederland, het IJsselmeer en via de Twentekanalen richting Oost-Nederland in gevaar. Daarbij zorgen de weersextremen ervoor dat de IJssel en de Twentekanalen niet altijd goed bevaarbaar zijn. Vanwege het belang voor de economie en de zoetwatertoevoer zetten wij in op het bevaarbaar houden van de IJssel. Samen met gemeenten en waterschap werken we aan een signaleringskaart voor de Stedendriehoek. We willen dat deze in 2028 af is. We streven ernaar dat we het hele jaar voldoende water hebben, op het goede moment op de juist plek. We maken afspraken met partners in de regio Stedendriehoek hoe we meer water kunnen vasthouden. In 2030 willen we hiervoor een uitvoerbaar plan hebben. We kiezen ervoor om de IJssel extra ruimte te geven en in te zetten op het herstel van de beken rondom Epe en Heerde. Daarnaast is waterverdelingsvraagstuk in de Gelderse Poort (zie hoofdstuk 3) belangrijk, zowel voor de bevaarbaarheid van IJssel als voor de toevoer van zoetwater richting het IJsselmeer. De biodiversiteit en natuur staan onder druk in de regio door onder andere verdroging en stikstof.
Het is onze taak om de natuur te beschermen en te herstellen (zie paragraaf 3.2 en beleidsthema Natuur en biodiversiteit). De natuur draagt bij aan gezondheid en is van belang voor recreatie en een belangrijke drager voor de identiteit van de regio. De Stedendriehoek kent vier Natura 2000-gebieden: de Veluwe, de Rijntakken, het Stelkampsveld en Landgoederen Brummen, en veel verspreid liggende GNN-gebieden. Dit zijn kerngebieden met de hoofdfunctie ‘natuur’. Hier stellen we volgens onze wettelijke taak harde randvoorwaarden aan functies. De zones rondom deze natuurgebieden zijn belangrijk voor behoud en herstel van de gebieden. Hier richten we ons vooral op waterkwaliteit, droogte, emissiereductie. Het doel staat hierbij voor ons centraal. De wijze waarop we hier invulling aan geven werken we samen met de partners in de regio uit in het regioprogramma. In de rest van het landelijk gebied zetten we in op het verbinden van natuurgebieden. We doen dit door het versterken van groenblauwe structuren. Dit draagt bij aan een robuust water- en bodemsysteem dat beter bestand is tegen droogte, piekbuien en uitspoeling van nutriënten. De IJsselvallei is een mooi en aantrekkelijk gebied dat we meer willen inzetten als stedelijk uitloopgebied en als gebied waar mensen kunnen recreëren. Op deze manier verlichten we ook de recreatiedruk op de Veluwe (zie beleidsthema Recreatie en toerisme).
Daarnaast zetten we ons in ook in voor het behoud van de waardevolle cultuurlandschappen zoals de polder Nijbroek en de Lochemse Berg (zie beleidsthema Ruimte). Deze zijn belangrijk om de diversiteit en identiteit van de regio en het landschap te versterken. De 50
landgoederen in de regio en de eerder genoemde beken zijn een belangrijke drager van het groenblauwe netwerk en een schakel in de verbinding tussen de Veluwe en de IJsselvallei. We hebben speciale aandacht voor het groene middengebied tussen Apeldoorn, Zutphen en Deventer. We willen dat dit open blijft en we gaan verkennen of er een landschapspark kan worden ontwikkeld als stedelijk uitloopgebied, met aandacht voor landbouw, natuur, cultuur en recreatie. De grootschalige verstedelijking in de Stedendriehoek zorgt voor een druk op de landbouwgronden (zie paragraaf 3.3 en beleidsthema Land- en tuinbouw). Hier komen meerdere opgaven samen. We maken onderscheid tussen gebieden met de hoofdfunctie landbouw en verwevingsgebieden landbouw. In de verwevingsgebieden zetten we in op functiemenging en meervoudig ruimtegebruik, waarbij rekening gehouden moet worden met de landschappelijke draagkracht van het gebied. We willen het vrijkomen van agrarische bebouwing gebruiken voor het verbeteren van de leefbaarheid van het landelijk gebied en het aanpakken van ondermijning. Sterke steden, dorpen en regio’s De Stedendriehoek heeft Apeldoorn en Deventer als centrumsteden, Zutphen en Lochem als regiokern en meerdere dorpen en kleine kernen. De regio heeft een forse woningbouwopgave (zie paragraaf 3.4 en beleidsthema Wonen).
De groei draagt bij aan het behoud van voorzieningen en daarmee aan de brede welvaart. Grootschalige groei vraagt om gelijktijdige investeringen in mobiliteit, drinkwatervoorziening, het energiesysteem, voorzieningen en leefomgeving. De druk op het landschap en de milieugebruiksruimte is groot; daarom is compact en gezond verdichten noodzakelijk. In de dorpen in de regio is de woningbouwopgave meer gericht op het invullen van de lokale behoefte en op opgaven als leefbaarheid en het op peil houden van het voorzieningenniveau. We willen dat groei niet ten koste gaat van de kwaliteit van de kenmerkende landschappen van de regio, gevormd door onder andere de Veluwe, de IJssel en de landgoederen en de eigen identiteit van de steden en dorpen (zie beleidsthema Ruimte). Om deze balans te kunnen realiseren is het belangrijk dat er over gemeentegrenzen heen wordt gekeken en wij als provincie gezamenlijk met andere overheden samen tot een gebalanceerd ontwikkelperspectief voor de regio Stedendriehoek komen. Het opstellen van een verstedelijkingsstrategie is hier onderdeel van. In het ontwikkelperspectief zullen wij inzetten op een goede aansluiting tussen landschappelijke waarden, het bouwen van woningen en het stimuleren van de economie.
Daarbij willen we voorkomen dat dorpen en steden aan elkaar groeien en zal er met name aandacht zijn voor het behoud van het groene middengebied tussen de steden Apeldoorn, Zutphen en Deventer. We willen de druk op dit middengebied verminderen. De druk op het mobiliteitsnetwerk in de regio neemt verder toe door de groei van het aantal inwoners en economische ontwikkelingen (zie beleidsthema Mobiliteit). Daarom vindt grootschalige woningbouw plaats op locaties in de buurt van voorzieningen, goed ontsloten met (hoogwaardig) openbaar vervoer, doorfietsroutes en overige fietsroutes. Grootschalige woningbouw vraagt ook om grootschalige uitbreiding van het mobiliteitsnetwerk in de regio. We bouwen niet op slecht bereikbare locaties. We willen dat zoveel mogelijk wordt gebouwd op locaties bij ov-knooppunten die ook met de fiets goed bereikbaar zijn, en dat de woon- en werklocaties daarop worden ingericht. Dit vormt de basis voor de investeringen in mobiliteit. Om het wegennet te ontlasten, zetten we in op nieuwe fietsroutes, ov-verbindingen en overstappunten. We zorgen daarbij voor een goede regionale afstemming van fiets-, ov- en parkeerbeleid. Verdere verstedelijking vraagt om betere bereikbaarheid, specifiek tussen Amsterdam/Utrecht – Stedendriehoek – Duitsland en tussen Zwolle – Stedendriehoek – Arnhem.
Daarom zetten we in op een grootschalige uitbreiding van de infrastructuur, onder andere over het spoor, in en rondom de Stedendriehoek. Hierbij houden we er rekening mee dat de groei in het goederenvervoer ten koste gaat van het personenvervoer en capaciteit op het spoor. Toekomstbestendige economie en sterke netwerken De Stedendriehoek heeft 50.000 bedrijven, waarvan de meeste een sterke lokale binding hebben. De groei van het aantal inwoners vraagt ook om een economie die meegroeit. Daarvoor is meer ruimte voor bedrijven nodig (zie paragraaf 3.5 en beleidsthema Economie). De regio staat voor een leefbare en toekomstbestendige samenleving en richt zich in haar economische propositie op de thema’s: veiligheid, digitalisering, voedselzekerheid, waterkwaliteit en -management en energie. Rond deze thema’s groeit een ecosysteem van slimme technologie, toepasbare kennis en ondernemerschap dat zichtbaar bijdraagt aan 51
brede welvaart. Daar hebben we ruimte voor nodig, voor meer bedrijvigheid rondom veiligheid (bijvoorbeeld een innovatieve politiehub). We vinden het belangrijk dat bedrijven die zich bezighouden met cyberweerbaarheid zich kunnen vestigen in de Stedendriehoek. Daarnaast vraagt defensie ook om de nodige ruimte, onder andere de verhuizing van het Korps Mariniers naar Kamp Nieuw-Milligen. Het mkb is de motor voor de regionale economie. De industrie is goed voor 9,4% van de banen (27.000), met zwaartepunten in maak- en procesindustrie, land- en tuinbouw en high tech systems & materials. De regio kent een sterke maakindustrie en wil inzetten op circulaire economie. Maakindustrie en circulaire economie zijn veelal afhankelijk van voldoende milieugebruiksruimte. We zetten in op behoud van voldoende milieugebruiksruimte op bestaande bedrijventerreinen en het slimmer benutten hiervan. We willen bedrijventerreinen gaan reserveren voor bedrijven die (milieu)ruimte nodig hebben. Voor nieuwe regionale bedrijventerreinen nemen we strategische uitbreidingsruimte voor werklocaties (zoekgebieden) op in de omgevingsvisie om daarmee richting en ruimte te geven voor de regio voor verdere invulling. Dit werken we samen met de regio uit in het ontwikkelperspectief, waarbij onderbouwd ook andere gebieden naar boven kunnen komen.
De A1, een onderdeel van de North Sea – Baltic Corridor, en de IJssel zijn belangrijk voor het goederenvervoer (zie paragraaf 3.5). Gezien onze inzet op meer goederenvervoer over water, willen we dat de IJssel bevaarbaar blijft. We stimuleren dat bedrijven uit de gehele regio Stedendriehoek meer gebruik gaan maken van vervoer over water via de containerterminal in Deventer (Port of Deventer). Dit draagt bij aan de doorstroming op de A1/A50. De A1 speelt niet alleen een belangrijke economische rol, maar is ook van nationaal belang voor defensie, zoals voor grootschalige mobilisatie en bevoorrading (zie beleidsthema Defensie). De groei van defensie brengt werkgelegenheid en andere economische kansen met zich mee, maar zorgt ook voor toenemende druk op onder andere natuur en de infrastructuur. Ons uitgangspunt is dat deze ontwikkeling geen negatieve effecten met zich meebrengt. We zetten in op een toekomstbestendig energiesysteem dat betrouwbaar en duurzaam is (zie beleidsthema Energie en klimaat). Dit is een belangrijke randvoorwaarde voor onder andere de verstedelijking en een toekomstbestendige economie. Samen met de regionale partners stellen we een energieperspectief op (zie beleidsthema Energie en klimaat). Energie wordt zoveel mogelijk decentraal opgewekt met een diverse energiemix.
In 2050 wekt de regio Stedendriehoek mogelijk tot 80% van de energie op binnen de eigen regio. Duurzame elektriciteit en omgevingsenergie vormen de ruggengraat van de toekomstige energievoorziening van de regio. De regio werkt actief aan energiebesparing, lokaal eigendom en het vergroten van de opslagcapaciteit en flexibiliteit in het energiesysteem. De energievoorziening moet passend zijn binnen het landschap en de ruimtelijke kwaliteit van de Stedendriehoek.
52
1.
2.
3.
Beschermen: we beschermen de bestaande oppervlakte, milieucategorieën en kwaliteit van werklocaties. Wanneer na een integrale afweging van belangen een werklocatie toch verdwijnt of afneemt, wordt deze ruimte binnen de gemeente of regio gecompenseerd. Dit is maatwerk en afhankelijk van de lokale en regionale situatie. Beter benutten: we zetten in op een efficiënter gebruik van de fysieke ruimte en de milieugebruiksruimte op bestaande werklocaties. We stimuleren gemeenten en ondernemers om hierin stappen te zetten. • Intensiever ruimtegebruik: door onderbenutte delen te bebouwen, te verdichten en gezamenlijke voorzieningen zoals parkeervoorzieningen te realiseren. De intensivering blijft in balans met de kwaliteit en toekomstbestendigheid van het terrein; werklocaties moeten aantrekkelijke plekken blijven om te werken en te ondernemen. Bij intensiever ruimtegebruik hebben we ook aandacht voor het voorkomen van te grote ongewenste cumulatie-effecten van hogere milieucategorieën. • Het juiste bedrijf op de juiste plek: we sturen op een functioneel betere benutting van werklocaties door het juiste bedrijf op de juiste plek te stimuleren. We stimuleren dat bedrijven die goed te combineren zijn met wonen zich vestigen in stedelijk gebied. Dit versterkt de werkgelegenheid en voorzieningen in woonwijken en creëert ruimte op bedrijventerreinen voor bedrijven die daar echt thuishoren.
Door in centra van steden en dorpen in te zetten op de juiste randvoorwaarden en het tegengaan van leegstand, ontstaat ruimte voor functies (zoals horeca, gezondheid, recreatie en winkelvoorzieningen) die passen bij wat het betreffende centrum nodig heeft. Het is belangrijk om leegstand niet gelijk te transformeren naar wonen, maar creatief te zoeken naar andere economische functies. De mogelijkheden voor functiemenging verschillen per regio en vragen om maatwerk. Tegelijkertijd kijken we ook waar functiemenging op bedrijventerreinen juist meerwaarde kan hebben. Daarnaast zetten we in op een slim gebruik van de milieugebruiksruimte. Kavels die binnen een regio zijn bedoeld voor bedrijven met een hoge milieucategorie reserveren we in principe ook voor deze bedrijven. Bedrijven met een lage milieubelasting worden op zulke locaties uitgesloten. Het beter benutten van bedrijventerreinen vindt plaats binnen de randvoorwaarden van stikstofbeperking en natuurherstel, met bijzondere aandacht voor gebieden rondom de Veluwe. Uitbreiden: met het intensiveren van bestaande werklocaties alleen redden we het niet. Uitbreiding is noodzakelijk. • In en nabij stedelijke gebieden willen we dat de groei van wonen in evenwicht blijft met de groei van werk.
Dit betekent dat we in de verstedelijkingsstrategieën erop toezien dat dit in balans gebeurt en dat er dus ook ruimte wordt gemaakt voor (stedelijke) economische functies. • Voor bedrijven die vanwege omvang, milieuhinder of verkeersaantrekkende werking lastig inpasbaar zijn, wijzen we per regio zoekgebieden voor regionale bedrijventerreinen aan. Deze zoekgebieden zijn richtinggevend en geen strikt afgebakende contouren. De uiteindelijke (regionale) integrale afweging maken we samen met regio’s en gemeenten in de verstedelijkingsstrategieën en RPW’s, in samenhang met het energieperspectief en de afspraken met het Rijk over grip op grootschalige bedrijfsvestigingen. Bij de uitgifte van ruimte sturen we op kwaliteit. We richten ons op bedrijven met regionale meerwaarde: bedrijven die regionaal gebonden zijn, bijdragen aan de regionale economie en samenleving en zorgvuldig omgaan met ruimte en milieu. Dit werken we regionaal uit in de RPW’s, zodat gemeenten dit kunnen toepassen bij gronduitgifte. Voor functies die van provinciaal belang zijn en ergens in Gelderland een plek moeten krijgen, zoeken we in afstemming met de partners in de regio’s naar passende oplossingen.
We hebben ook een aantal sectoren in Gelderland die veel energie en water gebruiken, zoals de papierindustrie en keramische industrie. We bekijken hoe die sectoren zich op de lange termijn ontwikkelen en op welke manier we hier ruimte aan willen bieden. Daarvoor zijn grote structurerende keuzes nodig, bijvoorbeeld waar het hoogspanningsnet na 2032 wordt versterkt, waar mobiliteitshubs worden geplaatst en waar waterstof als belangrijkste energiedrager beschikbaar komt. Locaties van provinciaal belang
57
Er zijn specifiek vier typen locaties van provinciaal belang voor het economisch netwerk van Gelderland: 1. regionale bedrijventerreinen met ruimte voor grootschalige, verkeersintensieve bedrijvigheid en hogere milieucategorieën 2. watergebonden bedrijventerreinen, 3. locaties met ruimte voor grootschalige logistiek (groter dan 4 ha), en 4. campussen. Deze locaties moeten we beter benutten en uitbreiden, ook met het oog op de circulaire economie. De mogelijkheid tot uitbreiden is afhankelijk van het energiesysteem. We onderzoeken de mogelijkheden aan de hand van energieperspectieven (zie beleidsthema Energie en klimaat). Onze inzet op deze locaties hebben we uitgebreid beschreven in paragraaf 3.5. Toekomstbestendige werkmilieus We zetten actief in op het toekomstbestendig maken van werklocaties, zodat deze aantrekkelijk blijven voor bedrijven en werknemers en kunnen meebewegen met economische en maatschappelijke veranderingen. • We verhogen de organisatiegraad op Gelderse werklocaties. Organiserend vermogen is een randvoorwaarde voor het daadwerkelijk realiseren van de transities naar toekomstbestendige werklocaties. We zorgen voor rolduidelijkheid en bouwen aan een netwerk van gemeenten, ondernemers(verenigingen) en andere relevante partijen. Het organiseren en delen van kennis en expertise is hierbij essentieel, onder andere op het gebied van digitalisering en innovatie.
• We creëren inzicht in de toekomstbestendigheid van werklocaties, waaronder aspecten als organiserend vermogen, energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, mobiliteit, circulaire economie, water en weerbaarheid. • In het kader van de RPW’s maken we met regio’s en gemeenten concrete afspraken over het toekomstbestendig maken van zowel bestaande als nieuwe werklocaties. Dit doen we in ieder geval op de thema’s energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, mobiliteit, circulaire economie, water en weerbaarheid. • Laadinfrastructuur voor logistiek en bouw is een essentiële randvoorwaarde voor verduurzaming en innovatie. Dit nemen we mee in de planvorming van bedrijventerreinen. • Economische ontwikkeling vindt plaats binnen de randvoorwaarden van een gezonde en veilige leefomgeving. We stimuleren emissiereductie bij bedrijven en zetten onze rol als bevoegd gezag voor complexe bedrijven actief in om geur-, geluid- en luchtbelasting te beperken.
58
op elkaar zijn afgestemd. Wij sturen dus niet op het energiesysteem zélf, maar op ruimtelijke keuzes die bepalen waar energievragers terechtkomen. Wij geven randvoorwaarden mee met instrumenten zoals de verstedelijkingsstrategieën en de Regionale Programma’s Werklocaties. Voorbeelden van randvoorwaarden zijn beschikbaarheid van energiecapaciteit en het benutten van decentrale oplossingen (waarbij energie bijvoorbeeld lokaal wordt opgewekt). We verkennen welke randvoorwaarden we uiteindelijk opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Daarmee ontstaan ook duidelijke kaders waarop netbeheerders hun investeringen kunnen baseren. Er is een zorgvuldige afweging nodig en regie op vestigingsvoorwaarden van nieuwe, grote energievragers. We onderzoeken ook of een energietoets kan helpen om netimpact mee te wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samen met netbeheerders, regio’s, gemeenten en eventueel waterschappen stellen we energieperspectieven op. Hierin brengen we de combinatie in beeld van ruimtelijke ontwikkelingen (gebaseerd op onze verstedelijkingsstrategieën, Regionale Programma’s Werklocaties en gebiedsontwikkelingen), en de benodigde (langjarige) investeringen in het energiesysteem.
In de energieperspectieven wordt daarmee duidelijk waar ruimtelijke ontwikkelingen komen, welke gebieden prioriteit krijgen voor netverzwaring en waar dus ook de groei van energievraag juist wordt begrensd. Energieperspectieven gaan over de gehele energiemix in een gebied, maar we kiezen ervoor om energieperspectieven op te stellen op het schaalniveau van het voedingsgebied van de 150 kV stations, omdat elektriciteit in de toekomst wordt gezien als belangrijkste energiebron. Andere energiedragers blijven aanvullend, maar elektrificatie speelt de grootste rol. De voedingsgebieden worden in samenhang gezien met overkoepelende hoogspanningspockets. Aangezien een voedingsgebied niet de grenzen van regio’s of gemeenten volgt, besteden we extra aandacht aan de juiste afstemming. Om te kunnen bepalen op welke manier het net aangepast wordt, hanteren we in een energieperspectief drie mogelijke sturingsrichtingen: • decentraliseren, waarbij energie zoveel mogelijk decentraal/lokaal wordt opgewekt en gebruikt, met een diverse energiemix • optimaliseren, waarbij optimaal gebruik gemaakt wordt van het huidige systeem, waaronder het stimuleren van verduurzaming • intensiveren (verzwaren) van de huidige energie-infrastructuur Het opstellen van energieperspectieven is een doorlopend proces waarin bijsturing mogelijk is wanneer omstandigheden hierom vragen.
Een aanleiding kan zijn dat de voedingsgebieden in de toekomst veranderen of dat de prognoses in een gebied veranderen. Ook is een aandachtspunt dat een grote beschikbaarheid van energie een aantrekkende werking heeft op bedrijven; ook bedrijven die mogelijk geen regionale meerwaarde hebben. De perspectieven worden richtinggevend voor onze keuzes over waar we energie-intensieve functies willen faciliteren; niet direct besluitvormend, maar kaderstellend richting beleid. 2. We besparen zoveel mogelijk energie Energie die we niet gebruiken, hoeven we ook niet op te wekken, te betalen of te transporteren. Energiebesparing vermindert de vraag naar duurzame energie tijdens de transitie, en beperkt de transportuitdagingen. Hierdoor zorgt energiebesparing ervoor dat de uitdaging van de energietransitie en het ruimtebeslag van het energiesysteem kleiner worden. 3.
We organiseren het Gelderse energiesysteem decentraal met aandacht voor de combinatie van lokale opwek, lokale opslag en lokaal gebruik We organiseren het Gelderse energiesysteem zoveel mogelijk decentraal, waarbij energie zoveel mogelijk decentraal/lokaal wordt opgewekt met een diverse energiemix (van elektriciteit tot waterstof, warmte en groen gas), in combinatie met lokale opslag en lokaal gebruik. Verder willen we dat de energievraag en het energieaanbod ook in tijd goed op elkaar afgestemd wordt. We hebben hierbij aandacht voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod om de ruimtelijke impact te beperken. Op het niveau van bedrijventerreinen noemen we dit Smart Energy Hubs en voor de logistiek Clean en Charging Energy Hubs. Daarvoor zorgen we ook samen met Overijssel voor kennisopbouw en -deling. Ook zetten we in op netbewust energiegebruik, bijvoorbeeld door slim laden van elektrische voertuigen (en op termijn de batterij van de auto te benutten als accu of thuisbatterij) en te sturen op netbewuste nieuwbouw en andere ontwikkelingen. Door op lokaal 60
niveau opwek direct te koppelen aan elektrisch laden kunnen voertuigen geladen worden, maar ook basisvoorzieningen in stand worden gehouden bij grootschalige stroomuitval. 4. We zetten in op een diverse energiemix Als we de energievraag willen verduurzamen, betekent dit dat we steeds minder tot geen gebruik maken van fossiele energiedragers zoals aardgas en brandstoffen. Daarmee moet ongeveer 88% van het huidige energieverbruik worden vervangen door een andere energievorm. Voor het aanbod van duurzame elektriciteit zetten we in op een brede energiemix, waarbij we ook letten op de gezondheidsaspecten. We zetten in op waterkracht, zon en wind, en zetten ons in om ook Small Modular Reactors (SMR’s) onderdeel te maken van de energiemix. Voor de korte termijn zijn doelstellingen voor de opwek van duurzame elektriciteit, en waar deze moeten plaatsvinden (locaties en zoekgebieden) opgenomen in de Regionale Energie Strategieën (RES’en) en de Regionale programma’s energiesysteem (RPE’s). Voor de lange termijn en voor locaties voor kernenergie moet dit nog ontwikkeld worden. In 2035 willen we een werkende SMR hebben. Voor het aanbod van duurzame warmtebronnen zetten we in op geothermie, aquathermie, bodemwarmte en restwarmte. We kijken naar deze mogelijkheden bij het kiezen van nieuwe ontwikkellocaties. Locaties voor opwek van duurzame energie staan in deze visie niet op kaart.
Dat is onderdeel van het programma energiesysteem. Naast de opwek van duurzame energie zetten we ook in op aansluiting op het nationale waterstofnetwerk (de ‘waterstofbackbone’) voor clusters bedrijven met hoge temperatuurvraag. We sturen op de plekken waar waterstof beschikbaar komt door het ontwikkelen van één of meerdere locaties voor aftakkingen op het waterstofnetwerk. Daarmee bieden wij bedrijven perspectief. 5.
We stimuleren de betrokkenheid van Gelderlanders bij de energietransitie, onder andere via participatie en de mogelijkheid tot lokaal eigendom van opwek en opslag Bij de ontwikkeling van het energiesysteem is de betrokkenheid van Gelderlanders onmisbaar. De energietransitie vraagt om breed maatschappelijk draagvlak en actieve participatie, bijvoorbeeld door lokaal eigendom. Netcongestie verminderen is nu een van de belangrijkste uitdagingen op het gebied van de energietransitie. We geven ruimte aan anderen om zelf verantwoordelijkheid te nemen. We ondersteunen initiatieven die vanuit de samenleving ontstaan, zolang deze bijdragen aan de gezamenlijke klimaatambities en we als provincie een duidelijke meerwaarde kunnen bieden. Afwegingskader voor prioritering energie-infrastructuur Met energieperspectieven geven we richting waar lange termijn investeringen in het energienetwerk moeten worden gedaan door netbeheerders. Op de kortere termijn moeten netbeheerders keuzes maken welke projecten eerst worden opgepakt. Dat doen ze tweejaarlijks in hun investeringsplan. Provincies kunnen via het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) de investeringsplannen van netbeheerders op korte termijn beïnvloeden door aan te geven welke projecten voorrang moeten krijgen vanuit provinciaal belang.
We selecteren welke projecten voorrang moeten krijgen aan de hand van een set afwegingscriteria. De afwegingscriteria worden gebruikt bij het pMIEK, maar ook wanneer zich urgente projecten aandienen of wanneer gelijktijdige inzet op alle projecten niet mogelijk is. Deze criteria zorgen ervoor dat keuzes transparant, onderbouwd en toekomstgericht zijn. De criteria zijn onderverdeeld in drie categorieën: 1. Energiesysteem-impact Hierbij kijken we hoe een project bijdraagt aan het functioneren van het energiesysteem als geheel. Het gaat onder andere om: • hoeveel de infrastructuur uitgebreid of verzwaard moet worden voor het project; • het oplossen of voorkomen van congestie en de urgentie daarvan; • de positie van het project in het energiesysteem, inclusief afhankelijkheden en bovenregionale effecten. 2. Maatschappelijke impact Hierbij kijken we naar de maatschappelijke meerwaarde van het project. We kijken naar: • het aantal en type maatschappelijke en economische functies van het project (zoals woningen, bedrijvigheid, mobiliteit en opwek van duurzame energie); • potentiële CO₂-reductie;
61
•
3.
overige maatschappelijke baten zoals mogelijkheden om zaken of projecten slim te combineren en het voorkomen van maatschappelijke kosten. Realiseerbaarheid Dit omvat alle voorwaarden die bepalen of een project haalbaar en uitvoerbaar is, zoals: • financiële haalbaarheid; • beschikbaarheid van personele capaciteit; • toewijding van betrokken partijen; • benodigde kennis en inzicht; • vergunnings- en planologische uitvoerbaarheid.
Deze criteria kennen geen onderlinge rangorde, maar worden in samenhang toegepast om tot een weloverwogen prioritering te komen. De uitkomsten zijn richtinggevend voor onze inzet en vertalen we, waar nodig, in randvoorwaarden in ruimtelijke plannen of een energietoets. Wanneer netbeheerders (TenneT en Liander) de capaciteit van het elektriciteitsnet vergroten, helpen wij waar dat kan, zoals bij vergunningprocedures. Verminderen broeikasgassen en energieverbruik We streven ernaar dat de uitstoot van broeikasgassen, zoals CO2, in 2030 met 55% en in 2040 met netto 90% verminderd is ten opzichte van 1990. Energiebesparing staat daarbij voorop. Als provincie nemen we klimaatdoelen integraal mee in beleid en uitvoering. Daarbij werken we aan passende regelgeving en instrumenten die bijdragen aan de vermindering van CO2-uitstoot. We ondersteunen, versterken en hebben extra aandacht voor de verduurzaming en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de gebouwde omgeving, industrie en bedrijfsleven, mobiliteit en landbouw. We gaan actief op zoek naar kansen en ondersteunen innovatieve ontwikkelingen met onder andere subsidies en herbruikbare investeringsfondsen. We bepalen per project of ontwikkeling wat onze rol is. We zien onze grootste toegevoegde waarde in het verbinden en bij elkaar brengen van regionale, provinciale en landelijke ontwikkelingen.
Per domein (gebouwde omgeving, industrie en bedrijfsleven, mobiliteit en landbouw) zijn in het Gelders programma klimaat doelstellingen voor de maximale CO2-uitstoot opgenomen (dit programma wordt op basis van de omgevingsvisie samengevoegd met het programma energiesysteem). Voor het domein van de bebouwde omgeving gaat het om verduurzaming van huizen en maatschappelijk vastgoed. We ondersteunen gemeenten, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties met kennis, subsidies en regie. We richten ons vooral op isolatie en energiezuinige renovaties, en op duurzame warmteoplossingen zoals warmtenetten en verschillende typen warmtepompen. Door deze aanpak gaat niet alleen de CO2uitstoot omlaag, maar ontstaat ook een toekomstbestendig energiesysteem dat minder afhankelijk is van uitbreidingen van het overbelaste elektriciteitsnet. Voor het domein industrie en bedrijfsleven willen we dat de uitstoot vermindert door energiebesparende technieken en CO₂-afvang en -opslag, toepassing van industriële warmtepompen en het verduurzamen van bedrijfsprocessen, bedrijventerreinen en gebouwen. Voor het domein mobiliteit willen we dat mensen meer gaan kiezen voor duurzamere mobiliteitsvormen, zoals fiets en ov. Ook moet het goederenvervoer, inclusief vervoer over spoor en water, de omslag maken naar duurzame energiedragers.
We werken mee aan de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) Regio Oost (Gelderland en Overijssel). Hierin is opgenomen dat de laadinfrastructuur geen belemmering mag vormen voor de transitie naar elektrisch vervoer. Dit gebeurt voornamelijk op de vlakken van personenvervoer, logistiek en zero emissie bouw, met scheepvaart in ontwikkeling. Wij ondersteunen gemeenten, netbeheerders en marktpartijen en leveren praktische hulpmiddelen (kaarten, rekenmodellen, beleidskaders, onderzoek) en beleidsadvies. Indien gewenst organiseren we gezamenlijke concessies. Voor het domein van landbouw en landgebruik werken we aan duurzamere landbouw, met minder uitstoot van broeikasgassen (inclusief stikstof) en meer vastlegging van CO2 in bodem, bossen en gewassen. Samen met gemeenten en het Rijk bevorderen we de toepassing van klimaatmaatregelen in de landbouw, zoals kringlooplandbouw. We geven richting, delen kennis, stimuleren en faciliteren innovatie (op het gebied van 62
voedsel voor vee) en belonen positieve ontwikkelingen. Energiebesparing, elektrificatie en het duurzaam opwekken van energie draagt ook bij aan minder uitstoot van luchtverontreiniging. De richtingen voor de klimaatmaatregelen zijn uitgewerkt in het Gelders programma klimaat. Hiervoor gebruiken we de volgende criteria: klimaatrechtvaardigheid kosteneffectiviteit (hoeveel broeikasgasreductie per bedrag) uitvoerbaarheid in relatie tot menskracht en tijd betaalbaarheid en draagvlak bij inwoners en bedrijven helderheid rol en verantwoordelijkheid provincie Gelderland aantal provinciale ambities waaraan de maatregel bijdraagt (denk aan: biodiversiteit, vestigingsklimaat, innovatie of klimaatadaptatie) mate van bijdrage aan stikstofreductie en grondstoffenreductie opschalingsmogelijkheden (versnellen, verspreiden of vergroten) financieringsmogelijkheden (zoals subsidies of fondsen) bijdrage aan bedrijvigheid en werkgelegenheid/maatschappelijke opgaven en transities
63
bevatten in beeld brengen, en het gebruik en de uitstoot van deze stoffen door bedrijven onder ons bevoegd gezag zoveel mogelijk voorkomen of beperken. Voor circulaire industrie waarvan de effecten op de gezonde leefomgeving nog niet duidelijk zijn, geldt het voorzorgsbeginsel. We kijken binnen de Omgevingswet en de ontwikkelingen van de Europese en Nederlandse wetgeving kritisch naar de inzet van de instrumenten die wij beschikbaar hebben om voor een gezonde leefomgeving te zorgen. Zo wordt een Nationaal Milieuprogramma (NMP) opgesteld, is recent de Europese Richtlijn bodemmonitoring en veerkracht van kracht geworden en is er een Europees actieplan ‘Vervuiling van lucht, water en bodem naar nul’. Dit actieplan heeft als doel dat in 2050 vervuiling van lucht, water en bodem is teruggebracht tot niveaus die geen schade meer toebrengen aan gezondheid en natuur. Indien hiervoor nieuwe, strengere normen gaan gelden, proberen we waar mogelijk deze nieuwe normen zo snel mogelijk te halen. Uiteraard in gebalanceerde afweging met de andere opgaven waar we aan werken. Verbeteren luchtkwaliteit in lijn met landelijk beleid en Europese normen Bij verbeteren van de luchtkwaliteit gaat het vooral om stikstofdioxide en fijnstof. Deze stoffen kunnen negatieve invloed hebben op de gezondheid.
Als provincie zijn we vanuit onze rol als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide afkomstig van provinciale wegen, en voor vergunningverlening, toezicht en handhaving voor de uitstoot van provinciale bedrijven. Ook hebben we een aantal wettelijke taken bij de monitoring van de luchtkwaliteit en op het gebied van smog. Binnen Gelderland zijn wegverkeer, industrie en landbouw onze belangrijkste opgaven op het gebied van luchtverontreiniging. We willen diverse bronnen van luchtverontreiniging aanpakken: mobiliteit, industrie, landbouw, scheepvaart en mobiele werktuigen. Ook bevorderen we participatie en bewustwording. Daarbij kijken we samen met bedrijven en omwonenden waar stappen gezet kunnen worden richting schonere lucht en vermindering van uitstoot. We verbeteren de luchtkwaliteit in lijn met het landelijke beleid en de Europese grenswaarden en op basis van het Schone Lucht Akkoord (SLA). We werken aan ons doel door actief te monitoren en samen te werken met gemeenten, omgevingsdiensten en andere overheden. Maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren zorgen vaak ook voor vermindering van broeikasgasuitstoot. We streven ernaar dat wordt voldaan aan de in het SLA vastgestelde advieswaarden voor afstanden, bijvoorbeeld voor de afstanden tussen drukke wegen en woningen of andere kwetsbare functies.
In de nieuwe Europese richtlijn voor luchtkwaliteit is de ambitie opgenomen om in 2050 de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) te behalen, met als tussenstap de Europese luchtkwaliteitsnormen in 2030. Plekken die meer belast zijn, zoals knooppunten met veel (weg)verkeer, vragen gebiedsgerichte maatregelen. Voor een betere luchtkwaliteit stimuleren we lopen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer. Beperken geuremissie van bedrijven onder bevoegd gezag We beperken de geuremissie van bedrijven onder ons bevoegd gezag, en we stemmen het geurbeleid af met andere overheden. Doordat de aanpak van geur onder de Omgevingswet vooral op lokaal niveau is belegd, kunnen geurregels per gebied verschillen. Dit vraagt om afstemming. Daarom bekijken we samen met gemeenten en binnen het Interprovinciaal Overleg (IPO) hoe we hierin zoveel mogelijk gezamenlijk kunnen optreden. Beperken geluidsproductie tot binnen de geldende normen Vanuit het milieubeginsel van ‘aanpak bij de bron’ werken we aan het blijvend stiller maken van provinciale wegen, waar mogelijk door het toepassen van stilasfalt, door het plaatsen van geluidschermen of door te kijken naar de mogelijkheid om de rijsnelheid te verlagen. We hebben onder andere geluidproductieplafonds vastgesteld, waardoor de geluidstoename vanwege de autonome groei van het wegverkeer wordt beperkt.
Onze aanpak van geluid rondom provinciale wegen is verder uitgewerkt in het Gelders actieplan geluid. Ook moeten we volgens de Omgevingswet als provincie een saneringsprogramma opstellen voor geluidgevoelige gebouwen waar te veel geluid is vanwege het verkeer op provinciale wegen. We streven ernaar dat de geluidproductie van bedrijven onder ons bevoegd gezag niet meer is dan noodzakelijk en binnen de geldende normen blijft. Ook hier streven we ernaar dat wordt voldaan aan grenswaarden voor geluidgevoelige gebouwen ten aanzien van bedrijven en intensieve verkeersaders (weg, water, spoor).
65
Bij nieuwe ontwikkelingen moeten hoge geluidbelastingen bij geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) worden voorkomen. Dit kan in eerste instantie door het akoestisch optimaal ontwerpen van bouwplannen, bijvoorbeeld door voldoende afstand tussen de geluidsbron (weg, spoor, industrie, etc.) en de geluidgevoelige gebouwen binnen dit nieuwe plan of door niet-gevoelige gebouwen tussen een geluidsbron en woningen te plaatsen (afschermend bouwen). Voor bestaande situaties moeten maatregelen worden genomen om het geluid op geluidgevoelige gebouwen zo laag mogelijk te houden. Verder hebben we in onze omgevingsverordening stiltegebieden aangewezen. We gaan onderzoeken of de aangewezen gebieden nog voldoen aan de criteria (evaluatie) en of hier wijzigingen in nodig zijn. Beheersen en verminderen risico’s van gevaarlijke stoffen, windturbines en luchthavens We dragen bij aan het beheersen en verminderen van risico’s van gevaarlijke stoffen, en van windturbines (afbreken onderdelen) en luchthavens. We willen inzicht hebben in de risico’s en deze zoveel mogelijk beperken of op een aanvaardbaar niveau brengen. Wij zijn bevoegd gezag voor circa 200 industriële bedrijven, inclusief Seveso-bedrijven. We houden activiteiten met gevaarlijke stoffen (gebruik, opslag, productie en trasport) zoveel mogelijk gescheiden van woonlocaties.
Binnen de plaatsgebonden risicocontouren van 1 op de 1.000.000 per jaar (de kans op een dodelijk ongeval) van activiteiten met gevaarlijke stoffen en van windturbines willen we zo weinig mogelijk beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Binnen veiligheidsaandachtsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen willen wij zo weinig mogelijk kwetsbare objecten. Bedrijfsactiviteiten moeten voldoen aan de best beschikbare technieken om risico’s van gevaarlijke stoffen te beheersen. We stimuleren het gebruik van alternatieve stoffen met geen of minder gevaarsaspecten. De ontwikkeling van decentrale energieopslagsystemen is een aandachtspunt vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. We wijzen transportroutes aan op onze provinciale wegen waarop gevaarlijke stoffen vervoerd mogen worden. We willen dat doorgaande transportroutes niet door woonkernen lopen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor loopt bij voorkeur via de Betuweroute; dichtbebouwde gebieden worden zoveel mogelijk gemeden. De ontwikkeling van de waterstofketen is hierbij een aandachtspunt. Vanwege de energietransitie verwachten we grote transportstromen richting Duitsland door onze provincie van waterstof en waterstofdragers (zoals ammoniak). We stimuleren dat gevaarlijke stoffen vooral via buisleidingen vervoerd worden.
Waar dit niet mogelijk is, zijn de transportmodaliteiten in afnemende voorkeur: via het water, via het spoor en via de weg. Voor het beleidsthema luchtvaart geldt dat dit aansluiting heeft bij de Omgevingswet, maar daar niet onder valt. Voor luchtvaart werken we daarom met een apart beleidskader, waarin wel de uitgangspunten van de Omgevingswet worden gerespecteerd. We dragen zorg voor evenwicht tussen benutten van de ruimte voor luchtvaart en impact op de leefomgeving (geluid, geur, luchtkwaliteit). Beschermen en verbeteren van de gezondheid van de bodem Wij streven naar een gezonde bodem. Dat is van belang voor de gezondheid van mensen en de kwaliteit van de leefomgeving. De gezondheid van mensen kan worden aangetast door blootstelling aan bodemverontreiniging. Ook heeft de bodemkwaliteit effect op kwetsbare functies als natuur en drinkwater. Naast de aandacht voor de chemische kwaliteit zijn ook andere eigenschappen van de bodem van belang voor een gezonde leefomgeving. Een vitale bodem zorgt voor voedselzekerheid en voedselveiligheid, draagt bij aan het beperken van wateroverlast en hittestress en zorgt voor CO2-opslag waarmee klimaatdoelen worden bereikt. Daarnaast kan de ondergrond energie en grondstoffen leveren en opslaan. Om ruimtelijke keuzes op een robuust water- en bodemsysteem te kunnen baseren is gedeelde kennis over dat systeem nodig.
Wij werken met onze partners in gebieden aan inzicht hoe water, bodem, natuur en biodiversiteit één samenhangend systeem vormen en hoe het gebruik van dat systeem in de loop der tijd is gewijzigd. Daarvoor gebruiken we regionale gidsmodellen die voor 10 landschappelijke eenheden in Gelderland zijn opgesteld. We zorgen dat locaties met bodemverontreiniging met onaanvaardbare risico’s in beeld komen en worden gesaneerd of beheerst. Onder de Omgevingswet ligt de taak voor bodemkwaliteit grotendeels bij gemeenten. Wel hebben we wettelijke taken voor de bedrijven onder ons bevoegd gezag, voor overgangsrechtsituaties en voor grondwaterverontreiniging. Voor zeer zorgwekkende stoffen als PFAS blijkt 66
de opgave veel omvangrijker dan bij de overgang naar de Omgevingswet gedacht. Het is de verwachting dat het een zaak van lange termijn is om bodemverontreiniging te inventariseren en waar nodig te beheersen. De provincie heeft daarbij, samen met de gemeenten Arnhem en Nijmegen, een coördinerende rol binnen Gelderland. Aanwezige warmtebronnen kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van de warmtevraag bij bedrijven en in de gebouwde omgeving. Het gebruik van de ondergrond voor bodemenergie, geothermie en warmteopslag moet zorgvuldig gebeuren, waarbij bodemkwaliteit en grondwater voor de drinkwaterwinning beschermd moeten worden. Hiervoor willen we onze regierol versterken. We brengen gebieden met goede potentie voor geothermie en voor warmteopslag in de bodem verder in kaart en overleggen met gemeenten in de betrokken regio’s. Op dit moment is het beeld dat er verspreid over de provincie interessante gebieden liggen voor geothermie, met temperaturen grofweg tussen de 30 en 50 graden. Daarbij is het van belang dat er voldoende warmtevraag in de buurt aanwezig is. We streven naar het duurzaam beheer van landbouwbodems waardoor belangrijke functies voor mens en natuur worden geleverd, zoals de productie van landbouwgewassen, waterberging, vastlegging van CO2, bijdrage aan biodiversiteit en de voedingsstoffenkringloop.
De provincie heeft hierbij een stimulerende rol, gericht op kennisontwikkeling en kennisdeling over methodes om de bodem duurzaam te beheren. Grond die vrijkomt bij werkzaamheden willen we zo hoogwaardig mogelijk laten hergebruiken. Daarvoor ontwikkelen we instrumenten om daar regie op te voeren of te stimuleren. Ontgrondingen De winning van zand, grind en klei als primaire bouwstoffen is belangrijk voor de opgaven op het gebied van bouw, waterveiligheid en infrastructuur. De impact op de leefomgeving van dergelijke ontgrondingen is groot. De grootschalige winning van bouwgrondstoffen is namelijk eenmalig en onomkeerbaar. Er ontstaan plassen en de aard van het landschap verandert. We streven naar een balans tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving: ontgrondingen en de winning van bouwgrondstoffen moeten in balans zijn met de bescherming van natuurlijke waarden. Wij vinden dat onze provincie haar ‘redelijke aandeel’ in de levering van die bouwgrondstoffen moet hebben. Wij willen de levering niet doorschuiven naar onze buurprovincies of buiten Nederland in de wetenschap dat in Gelderland ook bouwgrondstoffen nodig zijn die van buiten de provincie aangevoerd moeten worden. We willen dat winning van primaire bouwstoffen op termijn afneemt door meer circulair gebruik van grond en bouwstoffen en door inzet van biobased materialen.
We zijn bevoegd gezag voor ontgrondingen op land, in regionale wateren of in het winterbed van rijksrivieren. Om te bepalen of ontgrondingen mogelijk zijn en aan welke voorwaarden die moeten voldoen, werken we een afwegingskader uit. Dit afwegingskader geeft sturing bij het opstellen van regels in de omgevingsverordening en bij vergunningverlening. Het afwegingskader bestaat uit vier stappen: 1. Nut en noodzaak van de ontgronding worden aangetoond. 2. Indien er sprake is van aantasting van bijzondere gebiedskenmerken kan ontgronding plaatsvinden, als de effecten en de mogelijkheid van mitigatie (vermindering van effecten), locatie en compensatie zorgvuldig zijn onderzocht in een milieueffectrapportage en de aantasting op basis daarvan als aanvaardbaar is beoordeeld. 3. Er ontstaat maatschappelijke meerwaarde voor het gebied ten gevolge van de ontgronding, de eindinrichting en het beheer. 4. Bij de werkwijze van de exploitatie en eindinrichting wordt gelet op duurzaamheid.
67
en tuinders dragen bij aan toekomstbestendigheid. We willen hieraan extra aandacht geven en deze voorsprong verder uitbouwen en zoveel mogelijk verzilveren. Met onze inzet op innovatie versterken we de Gelderse waarden. Met name in Gelderland ontstaan veel innovaties door goede samenwerking tussen de vele aanwezige kennisinstellingen, de vestigingen van het agri-bedrijfsleven en de expertisecentra. Wij verspreiden deze innovaties, waardoor niet alleen de plantaardige sectoren maar ook de veehouderij sterk moderniseren. We gaan onze inzet op innovaties op de volgende thema’s toespitsen: Emissiereductie van NH3, broeikasgassen en fijnstof Mestverwaarding en energieproductie Slim gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Plantaardige eiwitbronnen en circulaire landbouw Behoud van een vitaal landelijk gebied Het doel is dat de ontwikkeling van de land- en tuinbouw bijdraagt aan een vitaal landelijk gebied. We zorgen dat de land- en tuinbouw past bij kwaliteiten zoals schoon water en schone lucht, biodiversiteit, bodemkwaliteit, natuurbehoud en -herstel, klimaatdoelen en een gezonde leefomgeving. Vitaal betekent ook, dat de land- en tuinbouw in economische zin duurzaam is en bijdraagt aan de plattelandseconomie, de leefbaarheid en de voorzieningen in het landelijk gebied.
We gaan uit van doelsturing: boeren en tuinders kunnen zelf kiezen hoe ze doelen met betrekking tot bijvoorbeeld stikstofemissiereductie, bemesting of biodiversiteit bereiken. Daarnaast kiezen we voor een maximale omvang van veehouderijlocaties. We willen stoppen met het automatisme dat een zekere jaarlijkse groei nodig is om de toenemende kosten te kunnen blijven dekken. Qua groei zijn de grenzen bereikt, ook aan wat landschappelijk nog past, kijkend vanuit de Gelderse waarden. We willen voorkomen dat beleggers agrarische bedrijven bedrijfsmatig gaan exploiteren, met extern personeel dat weinig binding heeft met de omgeving. Daarom willen we de maten van een veehouderijlocatie gaan voorzien van een Gelders plafond, bijvoorbeeld door een maximale omvang van waar gebouwd mag worden (bouwblok of bouwvlak) of door een maximaal aantal bouwlagen te bepalen. Dat betekent dat (inkomens)groei gevonden moet worden door op andere manieren waarde te creëren op het agrarisch bedrijf, bijvoorbeeld door met specifieke producten of diensten nieuwe markten aan te boren (niches of verbrede landbouw). Zorg voor economische toekomstbestendigheid van boeren en tuinders Op agrarisch bedrijfsniveau zorgt toekomstbestendige ontwikkeling vaak voor hogere exploitatiekosten voor boeren en tuinders, omdat de investeringen veelal niet door de markt worden gecompenseerd.
Zolang dit het geval is, is extra inzet op kostenbesparing en op vormen van meerwaardeontwikkeling op het agrarisch bedrijf wenselijk. Daartoe moet ruimte gegeven worden aan ondernemerschap: ‘de boer aan het roer’. We kiezen voor extra inzet op landbouwstructuurbeleid. In de land- en tuinbouw is een grote generatiewisseling aanstaande. De gemiddelde leeftijd van Gelderse agrariërs is hoog (57 jaar) en het opvolgingspercentage laag (ca. 27%). Daarom komen we met een generatievernieuwingsstrategie, waarmee we jonge landbouwers bij het starten of overnemen van een bedrijf steunen. Eerder is aangegeven dat in bepaalde gebieden niet elke ontwikkelrichting is toegestaan. De ontwikkeling van de land- en tuinbouw moet passen bij de opgaven van het landelijk gebied ter plekke. Met extra inzet op landbouwstructuurbeleid willen we werken aan een goede verkaveling en hiermee de realisatie van toekomstbestendige bedrijven. We stellen de volgende beleidsinzet voor: We komen met subsidies voor vrijwillige kavelruil, inzet van grondinstrumenten onder meer ook voor jonge landbouwers en steun voor herplaatsing naar andere bedrijfslocaties met meer ontwikkelruimte, wat ruimte creëert voor extensivering van de achterblijvers. We nemen verantwoordelijkheid om bedrijven, die om maatschappelijk gewenste redenen naar ander gebied moeten herplaatsen te ondersteunen.
Daartoe kunnen we instructies geven aan gemeenten, om medewerking te verlenen aan hervestiging van verplaatste veehouderijbedrijven. In gebieden met veel prioritaire opgaven kunnen we gebiedsprocessen starten, om aldaar regie te voeren op de ruimtelijke ontwikkeling van de landbouw. 70
In Gelderland is ook ruimte voor intensieve veehouderij. Hierbij gaat het om vormen van veehouderij waarbij de dieren overwegend in gebouwen worden gehouden op bedrijven die met hun grond niet voor minimaal de helft kunnen voorzien in eigen veevoer en niet alle mest op eigen grond kunnen afzetten. In onze verordening spreken we over niet-grondgebonden veehouderij. In Gelderland blijft voor deze ‘hokdierbedrijven’ toekomst, omdat de intensieve bedrijven er flink aan werken om hun ecologische voetafdruk zo klein mogelijk te maken. Ook wordt de komende jaren fors ingezet op dierwaardigheid en circulariteit. Wat betreft de kringloop van voer en mest is het streven om die zoveel mogelijk in de nabije regio te sluiten. We stellen de volgende beleidsinzet voor: We stimuleren de reductie van emissies van ammoniak, fijnstof en broeikasgassen, zowel technologisch als met managementmaatregelen. We stimuleren dierwelzijn, via steun voor stalmodernisering en ruimte voor natuurlijk gedrag en uitloopmogelijkheden. We stimuleren dat nog meer intensieve veehouders hun mest afvoeren naar akkerbouwers, die hen voer leveren. We stimuleren mestverwaardingsprojecten (zoals biovergisting) naar energie en groene kunstmest.
We helpen de veevoerindustrie om de import van grondstoffen uit andere werelddelen af te bouwen door projecten te steunen voor gebruik van reststromen en alternatieve eiwitbronnen (zoals insecten) uit de regio, en we lobbyen richting EU voor passende regels hieromtrent.
71
-
meer reizigers in het openbaar vervoer door het verbeteren van toegankelijkheid, sociale veiligheid en betaalbaarheid goed bereikbare woningen meer duurzaam openbaar vervoer verbeteren van de bereikbaarheid van het landelijk gebied en een beter netwerk van hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) Om doelstellingen te realiseren willen wij een betrouwbaar HOV-netwerk dat afgestemd is op de woningbouwopgave. Voor de verbindingen over het spoor werken we samen met het Rijk. Zelf pakken we onze verantwoordelijkheid door het ov-aanbod binnen de bestaande vergunningen en afspraken (concessies) te vergroten, bijvoorbeeld door met infrastructurele maatregelen de doorstroming van de bus te verbeteren of de frequentie te verhogen. Dit kan eventueel ook met het uitbreiden van het netwerk waar dit nodig is. Daarnaast dragen we bij aan het voortbestaan en de verduurzaming van veerverbindingen. We werken aan comfortabele en veilige fietspaden en fietsstraten. Fietsers verdienen een plek in het verkeer die speciaal voor hen is ingericht en waar ze de ruimte hebben, en een aangename omgeving om doorheen te fietsen. We versterken het Hoofdfietsnet Gelderland. Daarbij werken we op de drukste verbindingen van het hoofdfietsnet samen met gemeenten en andere provincies aan doorfietsroutes.
We werken toe naar een goed netwerk en we maken met gemeenten en regio afspraken over verkenning en uitvoering van trajecten. Vooral in landelijke gebieden is de auto belangrijk. Voor mensen die van de auto afhankelijk zijn, blijven we werken aan een goede bereikbaarheid over de weg. Dit doen we niet alleen, want gemeenten zijn verantwoordelijk voor gemeentelijke wegen en het Rijk voor de nationale infrastructuur (snelwegen). De provincie beheert en onderhoudt 1109 kilometer provinciale wegen, 1094 kilometer fietspaden en 170 kilometer parallelwegen. Het kwaliteitsniveau voor het beheer en onderhoud van de provinciale wegen in Gelderland is gedefinieerd als “sober en doelmatig”. De focus ligt op het technisch en functioneel in stand houden van de huidige infrastructuur. Hiermee voldoen we aan de minimale landelijke technische richtlijnen en het wettelijk minimum voor wegbeheer, en voorkomen we achterstallig onderhoud. Daarmee houden we onze wegen betaalbaar, veilig en beschikbaar. Op een groot aantal plaatsen in het provinciale wegennet zijn aanpassingen nodig vanwege de toename van het auto- en vrachtverkeer, maar ook vanwege nieuwe ontwikkelingen in wonen en werken. De grotere onderhoudswerkzaamheden aan het wegennet worden samen met andere wegwerkzaamheden uitgevoerd. Dit gebeurt via trajectprogrammering. We werken ook aan een klimaatbestendig provinciaal netwerk.