A5 - Provincie Gelderland - Ontwerp Omgevingsvisie provincie Gelderland D481305
Tekst van het document
Dit betekent dat provinciale wegen, bruggen en fietspaden ook bij extreme regenval en hitte begaanbaar blijven en dat evacuatieroutes door hulpdiensten in noodgevallen nog te gebruiken zijn. Bij beheer en onderhoud van bestaande wegen is klimaatadaptatie onderdeel van de totale verkenning. Bij de aanleg van nieuwe wegen gebruiken we vanaf de planvormingsfase de signaleringskaarten voor trajectkeuze. Daar waar mobiliteitsmaatregelen leiden tot fysieke ingrepen in de leefomgeving doen we dit met aandacht voor klimaatverandering, de gezonde en veilige leefomgeving, ruimtelijke kwaliteit en de landschappen van onze Gelderse streken. We spelen in op innovatie en technologische ontwikkelingen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om proeftuinen voor het gebruik en aanwezigheid van autonome (zelfrijdende) voertuigen op het wegennet. Autonoom vervoer kan op termijn een oplossing bieden voor bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Gelderland heeft een grote verstedelijkingsopgave en mobiliteit is hiervoor randvoorwaardelijk. We willen dat zoveel mogelijk wordt gebouwd op locaties bij ov-knooppunten die ook met de fiets goed bereikbaar zijn, en dat de woon- en werklocaties daarop worden ingericht. Dit vormt de basis voor de investeringen in mobiliteit. We zorgen daarbij voor een goede regionale afstemming van fiets-, ov- en parkeerbeleid.
Voor locaties groter dan 200 woningen en bedrijventerreinen groter dan 20 hectare stellen wij een provinciale mobiliteitstoets verplicht. De provinciale mobiliteitstoets biedt een integraal en regionaal perspectief dat verder gaat dan de lokale toetsingen in gemeentelijke milieueffectrapportages. Op regionale schaal wordt getoetst of een ruimtelijke uitbreiding goed bereikbaar is of kan worden gemaakt (ook voor ov en fiets) en worden effecten op de leefomgeving (zoals geluid en luchtkwaliteit) in beeld gebracht. We bouwen niet op slecht bereikbare locaties. De toets versterkt de samenhang tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteitsbeleid op regionaal niveau, waardoor investeringen in ov, fiets en infrastructuur effectiever en 74
duurzamer worden ingezet. We leggen de mobiliteitstoets vast in onze omgevingsverordening en nemen deze mee in de programmeringsafspraken met de partners in de regio’s voor wonen, werken en mobiliteit. Zo waarborgen we dat mobiliteit niet alleen lokaal, maar ook in de bredere regio toekomstbestendig en leefbaar blijft. We zetten in op grootschalige uitbreiding van het mobiliteitsnetwerk in de Groene Metropoolregio, Regio Foodvalley en Stedendriehoek, vanwege de groei en verstedelijking in deze regio’s. Dit nemen we als randvoorwaarde mee bij economische ontwikkelingen en in het opstellen van de verstedelijkingstrategieën voor de verschillende regio’s. Er zijn infrastructurele aanpassingen nodig aan het spoor en het onderliggend wegennet om de Gelderse steden aantrekkelijk te houden voor bedrijven en werknemers uit andere delen van het land. Dit is een gezamenlijke opgave van overheden (Rijk, provincie en gemeenten) en semipublieke partners als NS en ProRail: • We willen dat het Rijk investeert in een hoogwaardig openbaar vervoersysteem dat Gelderse steden goed verbindt met Utrecht/Amsterdam/Rotterdam, Brainport Eindhoven, Zwolle en Duitsland. Met de spoorlijn Utrecht-Arnhem-Duitsland brengen we Utrecht/Amsterdam en Europese steden dichterbij. Dit is onze belangrijkste en drukste spoorverbinding voor personenvervoer (in samenhang met goederen en defensie).
Wij zetten in op de verbetering van de ICE-verbinding Amsterdam-Arnhem-Rijn/Ruhrgebied-Frankfurt/Berlijn. Daarbij versterken we de positie van station Arnhem Centraal in het internationaal spoornetwerk. • Voor de bereikbaarheid van Nijmegen en de aansluiting van Gelderland op Eindhoven is de verbinding Arnhem-Nijmegen-Eindhoven van essentieel belang. Met de groei van de GMR en de economische verbinding tussen het semiconcluster in Nijmegen en Brainport Eindhoven is een versterking van deze verbinding nodig. We stimuleren het Rijk om dit op te pakken. • Binnen de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen en Regio Foodvalley zetten we in op nieuwe fietsroutes en ov-verbindingen en overstappunten, om het wegennet te ontlasten. • Met het oog op de ontwikkeling van een nieuw stedelijk gebied in de Stedendriehoek willen we dat de infrastructuur in en rondom deze regio grootschalig uitgebreid wordt. We zetten in op de bereikbaarheid tussen Amsterdam/Utrecht-Stedendriehoek-Duitsland en tussen ZwolleStedendriehoek-Arnhem. We stimuleren het Rijk om dit op te pakken. Binnen de regio zetten we in op nieuwe fietsroutes, overstappunten en de bereikbaarheid van stations om het wegennet te ontlasten. • De Rijnbrug, gelegen op de grens van de provincies Utrecht en Gelderland, vormt een belangrijke verbinding over de Nederrijn.
Meer capaciteit op de brug toevoegen is nodig om de bereikbaarheid en leefbaarheid in de regio te verbeteren. De provincies Utrecht en Gelderland en het Rijk trekken samen op in dit project. Ook de gemeenten en regio’s Foodvalley en Rivierenland zijn belangrijke partners in het project. • In de Achterhoek zien we nog onbenut potentieel voor ontwikkelingen rondom wonen en werken. Dit vraagt om een betere bereikbaarheid van deze regio. Samen met het Rijk en de regio verbeteren we de bereikbaarheid van de Achterhoek via de N18-corridor, in combinatie met de A12 en RegioExpres (spoor en weg). Deze regionale corridor is belangrijk voor de ontsluiting van de Achterhoek en de daar aanwezige maakindustrie. Verkeersveiligheid We streven naar een dalende lijn van het aantal verkeersslachtoffers in Gelderland. Als regionale regisseur verkeersveiligheid werken we aan veilige infrastructuur – met focus op provinciale wegen – én veilig gebruik van die infrastructuur. De focus ligt op de grootste risico’s: we werken aan knelpunten waar veel ongelukken plaatsvinden of het risico op ongevallen groot is. We gebruiken data om knelpunten voor verkeersveiligheid in beeld te brengen en maatregelen te nemen. Dit stellen we waar passend ter beschikking aan gemeenten in Gelderland.
Infrastructuur en gebruik van die infrastructuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden als het gaat om verkeersveiligheid. Ook op een veilig ingerichte weg blijft het tegengaan van risicogedrag, zoals alcohol- en drugsgebruik en gebruik van de mobiele telefoon, noodzakelijk. We werken aan bewustwording, maar ook 75
aan vaardigheden van risicogroepen zoals jongeren, fietsers en de groeiende groep ouderen. Daarnaast moeten we zorgen voor veilige fietsinfrastructuur. Hierbij werken we ook aan sociale veiligheid, bijvoorbeeld met verlichting op fietspaden. Schoner en efficiënter maken goederenvervoer We stimuleren slimme en schone logistiek en verbeteren de doorstroming van het goederenvervoer. De provincie is partner in het landelijke Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) goederenvervoer, samen met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat, de Topsector Logistiek, het Havenbedrijf Rotterdam, en de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Daarin werken we aan het verduurzamen, ‘verslimmen’ en verbeteren van het goederenvervoer op de North Sea – Rhine – Mediterranean corridor en de transportcorridor Zuidoost (Brabant, Limburg) via weg, water en spoor. Samen met ondernemers, overheden en onderwijs werken we binnen Logistics Valley in drie logistieke knooppunten: Nijmegen/Overbetuwe, Tiel/Rivierenland en Emmerich/Montferland/Zevenaar (EMZ). We werken mee aan uitbreiding van de overslagcapaciteit bij Tiel, Doesburg en Nijmegen voor een toekomstbestendige goederencorridor. Via New Ways Gelderland verschuiven we vervoer van weg naar water en spoor, met het oog op duurzaamheid en belasting van het wegennet.
De verwachte toename aan goederenstromen past niet bij de infrastructuur die we nu hebben. De North Sea – Rhine – Mediterranean corridor (A15/Betuweroute/Waal) benutten we zoveel mogelijk via water en spoor, maar er is meer nodig. Om de toename aan goederenstromen aan te kunnen maken we de volgende keuzes: - We wijzen logistieke knooppunten aan waar logistieke activiteiten en ondersteunende voorzieningen zich concentreren, zoals truckparkings, Clean Energy Hubs, energie-infrastructuur, huisvesting voor arbeidsmigranten en voorzieningen voor stadsdistributie. - We werken mee aan uitbreiding van de overslagcapaciteit bij Tiel, Doesburg en Nijmegen voor een toekomstbestendige goederencorridor. Dit willen we omdat ons wegennet volloopt, er nog ruimte is voor vervoer over water en omdat vervoer per schip en trein minder CO2-uitstoot veroorzaakt dan vervoer over de weg. - De A15 is een belangrijke corridor en moet worden versterkt. De kruising van A2 en A15 (Knooppunt Deil) is daarbij een belangrijk knooppunt, met verbindingen van Culemborg richting Utrecht en van Zaltbommel richting Den Bosch. Dit gebied vormt een belangrijke schakel voor economie, logistiek en personenvervoer. Het is van belang dat het Rijk de A2 verbetert en we er gezamenlijk voor zorgen dat de ontsluiting van Rivierenland wordt aangepakt.
- Met het oog op onze inzet om meer vervoer over water (en spoor) te gebruiken willen we dat de IJssel en Waal bevaarbaar blijven. Dit doen we door mee te werken aan Ruimte voor de Rivier 2.0 en zo nodig lobby bij het Rijk. - Logistiek speelt een sleutelrol in de Gelderse economie. Daarom borgen we dat er ruimte is voor versterking van het provinciale wegennet (N-wegen, spoorwegen, waterwegen en fietspaden). We houden bij gebiedsontwikkelingen, daar waar nodig, rekening met ruimte voor logistieke functies. En we borgen de doorstroming en bereikbaarheid van bestaande bedrijvigheid. - We werken aan opstelplaatsen voor vrachtwagens langs corridors (truckparking), gecombineerd met laadinfrastructuur, en een dekkend netwerk van Clean Energy Hubs. In Gelderland is er een tekort aan ruim 700 vrachtwagenparkeerplaatsen. We zijn in gesprek met Rijkswaterstaat om een deel van deze behoefte langs het hoofdwegennet in te vullen op de verzorgingsplaatsen. Vanwege het tekort aan parkeerplaatsen voor vrachtwagens in Gelderland willen we bestaande ruimte hiervoor langs de corridors behouden. Daarom nemen we in de omgevingsverordening op dat deze behouden moet blijven bij de ontwikkeling van nieuwe plannen langs de transportcorridors.
Voor de invulling langs het onderliggend wegennet willen we per regio verdiepend onderzoek uitvoeren, om de meest gewenste locaties voor vrachtwagenparkeren in kaart te brengen. De uitkomsten willen we opnemen in de afspraken voor de Regionale Programma’s Werklocaties (RPW’s). We concentreren ons op logistieke knooppunten (multimodaal) en investeren in het verbeteren van de bereikbaarheid en (laad)voorzieningen van deze knooppunten. Door logistieke activiteiten en voorzieningen te concentreren wordt lintvorming van bedrijvigheid langs de corridor voorkomen en de 76
impact op het landschap beperkt. In 2050 willen we dat de economie volledig circulair is. Daarom is meer overslagcapaciteit nodig voor grondstoffen op logistieke knooppunten. Daarnaast biedt het concentreren mogelijkheden voor het combineren van voorzieningen (zoals Clean Energy Hubs, snelladen, truckparking, huisvesting arbeidsmigranten, energie-infrastructuur/-opslag, stadsdistributie). Het nadeel van concentreren is dat geluid-, lucht- en veiligheidseffecten op de leefomgeving hier samenkomen (cumulatie). Daardoor kan het een uitdaging zijn om hier aan de normen te voldoen, zeker op knooppunten waar veel wegverkeer is. Dit wordt meegewogen bij ruimtelijke keuzes en waar nodig nemen we mitigerende maatregelen. Met de inzet van logistiek makelaars helpen wij in samenwerking met de Gelderse regio’s bedrijven om te komen tot een schoner wagenpark en in rittenbesparing d.m.v. ladingbundeling en modal shift van weg naar water en spoor. Op de North Sea – Rhine – Mediterranean corridor stimuleren we goederenvervoer via water en spoor door de inzet op modal shift en op de ontwikkeling van logistieke knooppunten bij Nijmegen/Overbetuwe, Tiel/Rivierenland en Emmerich/Montferland/Zevenaar (EMZ) met bijbehorende voorzieningen (Clean Energy Hubs, truckparkings, laadpleinen enzovoort). Hiervoor werken we samen met het Rijk in het landelijke programma goederenvervoercorridors.
Ook Europees werken we interregionaal samen voor versterking van de North Sea – Rhine – Mediterranean corridor. We zetten langs de corridors in op ruimte voor watergebonden functies en bedrijven en bedrijven met een hoge milieucategorie in haventerreinen langs de corridor. Deze terreinen hebben een belangrijke functie voor de circulaire economie. We vinden het van belang dat bedrijven die zich vestigen op de logistieke knooppunten op de corridor regionale meerwaarde hebben. Hieronder verstaan we regionale gebondenheid, bijdrage aan de regionale economie, maatschappelijke meerwaarde en zorgvuldig ruimtegebruik van bedrijven. Ook streven we bij deze logistieke knooppunten naar ruimtelijke kwaliteit waarbij er een goede balans is tussen functioneel ruimtegebruik, beleving van het landschap en een toekomstbestendige inrichting. De transportcorridors vallen grotendeels samen met door de Europese Commissie aangewezen militaire mobiliteitscorridors. Deze netwerken zijn van belang voor grootschalige militaire verplaatsingen, bijvoorbeeld bij mobilisatie, en raken aan het (civiele) weg-, spoor-, en vaarwegennet in Gelderland, waaronder de A1, A12, A15, A28, A50 en naastgelegen spoor- en vaarverbindingen. We willen samen met het Rijk zorgen dat de mobiliteitsmaatregelen die hier worden genomen ook een regionale bijdrage hebben.
We verbeteren de bereikbaarheid van de kazernes (Ermelo/Stroe, ’t Harde en Zeewolde) door bruggen en provinciale wegen aan te passen. Binnenhavens spelen een belangrijke rol bij transport van defensiegoederen. Voor de bereikbaarheid van kazernes en de regio’s Amersfoort, EHPZ, Kop van de Veluwe en Zwolle investeren we (mede) in de frequentieverhoging van de Veluwelijn en bijhorende infrastructuur. We stimuleren het Rijk om de A1 tussen Apeldoorn en Amersfoort te versterken. We zetten vanaf 2040, volgend op de groei van defensie (en verstedelijking van de Stedendriehoek), in op versterking van het spoor Amsterdam-Amersfoort-Apeldoorn-Duitsland.
77
natuurherstel geven we de voorkeur aan het herstel van de natuurlijke processen en toekomstbestendig systeemherstel, waardoor de natuur kan meebewegen met het veranderende klimaat. We zijn verantwoordelijk voor het beschermen en ontwikkelen van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In 2013 zijn er afspraken gemaakt tussen Rijk en provincies over versterking en uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland. In Gelderland spreken we van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en noemen we dit de ontwikkelopgave GNN. Eind 2027 moet deze opgave zijn afgerond. Via de omgevingsverordening stellen we voorwaarden aan functies om de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van het natuurnetwerk te behouden. Zowel in stedelijk als landelijk gebied willen we natuur en biodiversiteit structureel inbedden in ruimtelijke ontwikkeling en maatschappelijke opgaven. We versterken de relatie tussen economie en natuur en bevorderen de transitie naar een natuurinclusieve samenleving. We voeren regie op de afstemming van maatregelen en hebben een verbindende rol via gebiedsgericht werken, in samenwerking met terreinbeheerders, natuurorganisaties, waterschappen en agrariërs. Daarnaast stimuleren we maatschappelijke betrokkenheid en inwonersparticipatie in vergroening en natuurbeheer in de eigen leefomgeving. Door te sturen op basiskwaliteit natuur stimuleren we de bijdrage van inwoners aan de biodiversiteit.
We steunen lokale initiatieven die bijdragen aan de biodiversiteit, groene steden en dorpen, en groene bedrijvigheid via subsidies, kennisdeling of experimenten. De opgave om natuur en verstedelijking met elkaar te verweven vraagt om een integrale en toekomstgerichte benadering. Door te investeren in landschapsparken als dragers van natuur, erfgoed en recreatie wordt niet alleen de ruimtelijke kwaliteit versterkt, maar ontstaat ook een veerkrachtige leefomgeving die klaar is voor de uitdagingen van morgen. We zetten ons in voor een groen en blauw stedelijk netwerk waarin natuur meegroeit met de stad. We zorgen ervoor dat natuur een onderdeel wordt van de inrichting en het beheer van steden en dorpen, zoals bij woningbouwprojecten en infrastructurele ingrepen. Denk aan groene daken, gevelgroen en nestelvoorzieningen. We werken hierbij nauw samen met gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, natuurorganisaties en inwoners. We willen dat iedere gemeente een biodiversiteitsplan heeft en samenwerkt met inwoners, bedrijven en instellingen aan een biodiverse leefomgeving. We bevorderen ecologisch bermbeheer en versterken groenblauwe verbindingen tussen stedelijke groengebieden en het landelijk gebied. Ook ondersteunen we initiatieven die zorgen voor vergroening van tuinen, schoolpleinen, bedrijventerreinen en openbare ruimte.
Hierbij zetten we in op inheemse soorten en klimaatadaptieve inrichting. In het landelijk gebied verweven we natuur en biodiversiteit structureel in ruimtelijke en water- en bodemopgaven. Met natuurlijke waterzuivering door vegetatie, bodemleven en moeraszones dragen we bij aan het verbeteren van waterkwaliteit en het beschermen van drinkwater. Via agrarisch natuurbeheer stimuleren we dat agrariërs een bijdrage leveren aan het versterken van de groenblauwe verbindingen. Een aandachtspunt hierbij is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en mest. Door herstel van bodemleven dragen we bij aan het behoud van bodems als natuurlijke hulpbron. We werken hierin nauw en integraal samen met de waterschappen gericht op het versterken van natuur, biodiversiteit en waterkwaliteit. We vinden het belangrijk om het aantal weidevogels in Gelderland te behouden en uit te breiden. Het gaat namelijk niet goed met de weidevogels. Daarom is het van belang dat er voor weidevogels voldoende broedgebieden zijn en blijven, zodat zij zich kunnen voortplanten. Ganzen overnachten doorgaans binnen Natura 2000-gebieden. Het is van belang dat deze ganzen over voldoende foerageermogelijkheden beschikken buiten de Natura 2000-gebieden. Hiervoor zijn weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden aangewezen. In deze gebieden worden nieuwe activiteiten of ruimtelijke ontwikkelingen getoetst op hun gevolgen.
In Polder Oosterwolde doet de provincie mee met het Aanvalsplan Grutto. Hier moet uitbreiding en intensivering van het weidevogelbeheer komen zodat een aaneengesloten geschikt leefgebied van minimaal 1000 hectare ontstaat. Dit betekent dat er ruimte is voor natuurinclusieve landbouw, gericht op weidevogelbeheer. Mogelijk dat ook plaatselijk een hoger waterpeil nodig is. Groenblauwe structuur We werken op drie manieren aan een groenblauwe structuur: 79
1. 2. 3.
groenblauwe dooradering van het landschap en van stedelijk gebied door de aanleg van kleine landschapselementen. verbindingen tussen Natura 2000-gebieden en hun omgeving gericht op specifieke wettelijk vastgelegde doelen verbindingen tussen kleine en grote natuurgebieden en watergangen voor uitwisseling van diverse dier- en plantensoorten (de huidige ecologische verbindingszones)
Voor enkele Natura 2000-gebieden hebben we deels nieuwe verbindingen nodig om de natuurdoelen te halen. In de komende periode geldt dit voor de vijf Achterhoekse Natura 2000-gebieden, voor Landgoederen Brummen, de Bruuk en het Binnenveld. Per gebied bekijken we hoe deze verbindingen ontwikkeld kunnen worden, waarbij we voor het Binnenveld nauw samenwerken met provincie Utrecht. De invulling kan onder andere bestaan uit groenblauwe dooradering, agrarisch natuurbeheer en aanleg van bos en natuur. In het verleden zijn door ons diverse ecologische verbindingszones (EVZ’s) aangewezen voor specifieke doelsoorten en met als algemeen doel de biodiversiteit te versterken. Dit grotendeels met behoud van bestaande functies en (veelal agrarisch) gebruik. Het gaat zowel om natte verbindingen (over water) als om droge verbindingen (over land). Als natte EVZ’s zijn veelal beken en riviertjes aangewezen die hoge natuurkwaliteiten of -doelen hebben, deels worden dit natuurwateren genoemd. Tot op heden zijn niet alle ecologische verbindingen die op de kaart staan gerealiseerd. Nu er voor enkele Natura 2000-gebieden verbindingen nodig zijn gaan we de EVZ-kaart herzien om te bepalen welke er kunnen vervallen, zodat we inzetten op verbindingen met de grootste winst voor de biodiversiteit.
Groenblauwe dooradering (GBDA) zien we in het algemeen als een goede aanpak om kleinschalige verbindingen tussen kleine en grote natuurgebieden en natte elementen te realiseren en om meer leefruimte te bieden aan doelsoorten in het landelijk gebied. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanleg van houtwallen, heggen, sloten en poelen. We zetten in op groenblauwe verbindingen in Gelderland, op de volgende manier: uitwerken van (deels nieuwe) verbindingen voor Natura 2000-gebieden herzien van bestaande droge ecologische verbindingen (verminderen in aantal, waar dat kan) en integreren van natuurwateren en natte ecologische verbindingen aanwijzen van gebieden en verbindingen waar groenblauwe dooradering met voorrang wordt ingezet Onze partners spelen een belangrijke rol bij de aanleg, het herstel en het beheer van de beoogde natuurhectares en landschapselementen. Als provincie hebben we een regisserende, stimulerende en faciliterende rol met subsidies, het delen van kennis en het openbaar toegankelijk maken van informatie. Stikstof Sinds de PAS-uitspraak in 2019 is het terugdringen van de stikstofuitstoot een prioritaire opgave voor Gelderland. In Gelderland is de verlening van natuurvergunningen aan zeer strenge voorwaarden gebonden.
Daardoor kan er veel niet en dat raakt onder meer de woningbouw, de aanleg van infrastructuur en de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten (agrarisch en niet-agrarisch). We werken aan een passende balans tussen het mogelijk maken van maatschappelijke activiteiten en gezonde natuur. Die balans is ook nodig om vergunningen te kunnen blijven verlenen, nu en in de toekomst. Daarvoor moet de uitstoot van stikstof fors verminderen, zodat de natuur zich kan herstellen en de provincie aan de wettelijke vereisten voldoet. We werken aan versneld natuurherstel, het verminderen van de uitstoot van stikstof en het wegnemen van knelpunten voor de vergunningverlening. Dit doen we via de Versnellingsaanpak Stikstof (VAS). Hieronder valt onder andere het strokenbeleid. Daarin zijn zogeheten stikstofreductiegebieden ingesteld rond de Veluwe, de Landgoederen Brummen en mogelijk ook rond twee Natura 2000-gebieden bij Winterswijk: Willinks Weust en Bekendelle (er is een mogelijkheid dat bij Winterswijk hiervan wordt afgezien). Binnen de stroken van maximaal 500 meter, en in de natuur waar deze stroken omheen liggen, stellen we regels voor activiteiten die stikstof uitstoten en stimuleren we verduurzaming. Aan het verminderen van de stikstofuitstoot werken alle sectoren mee; niet alleen in de landbouwsector, maar ook bij andere bedrijven 80
en in de mobiliteit is stikstofreductie noodzakelijk. Hierbij werken we samen met de rijksoverheid. Het komen tot stikstofreductie is niet alleen een beperking, maar ook een motor voor innovatie en klimaatmaatregelen.
81
Ter ondersteuning en inspiratie is voor elke streek een streekgids opgesteld, en voor heel Gelderland een Koepelgids. We leggen in onze gebiedsprocessen de verbinding tussen de ruimtelijke kwaliteiten uit de streekgidsen en de regionale gidsmodellen die zijn opgesteld voor het natuurlijke systeem. Er zijn gebieden in Gelderland die bijzondere landschappelijke waarde hebben en daarom mogelijk extra provinciale aandacht verdienen. We gaan onderzoeken of het aanwijzen van waardevolle cultuurlandschappen, een ruimtelijke concept dat het Rijk heeft geagendeerd in haar omgevingsbeleid en ook toepast in Gelderland, stevig kan bijdragen aan herkenbare en beleefbare ruimtelijke kwaliteit. Voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van Gelderland (zowel voor het landelijke gebied als voor het stedelijk gebied) formuleren we een meerjarige aanpak: Aanpak Ruimtelijke Kwaliteit. Hierin zetten we juridische, financiële, kennis- en organisatorische instrumenten in. Denk hierbij aan beleidsregels met kwaliteitscriteria en gebiedsbiografieën. In de Aanpak Ruimtelijke Kwaliteit krijgen vervolgactiviteiten op gebied van ons landschapsbeleid ook een plek en koppelen we ruimtelijke kwaliteit aan erfgoed en cultuur, leefbaarheid, biodiversiteit en recreatie en toerisme. Ontwerpend onderzoek is als instrument in alle gevallen behulpzaam en nodig om vooruit te kijken richting de toekomst.
Het ligt voor de hand om in dit kader, samen met relevante partners en deskundigen, te werken aan ruimtelijke concepten als stads- en dorpsrandzones, landschapsparken, waardevolle cultuurlandschappen, multimodale knooppunten, toekomstbestendige bedrijventerreinen enzovoort. Hierbij hebben we extra aandacht voor de diversiteit en identiteit van regio’s. Compacte verstedelijking Compacte verstedelijking betekent dat we de focus leggen op intensiever benutten van bestaand stedelijk gebied (van steden en dorpen). Daarbij komen ook gestapelde of hoogbouwoplossingen in beeld en houden we rekening met de kernenclassificatie van centrumsteden, regiokernen, dorpen en kleine kernen (zie paragraaf 3.4). Dit komt terug in de regionale verstedelijkingsstrategieën, waarin ook oog is voor de groene ruimtes en de stads- en dorpsrandzones. We monitoren de mate van verstedelijking in Gelderland en of deze voldoende zorgvuldig is. Stads- en dorpsrandzones liggen rond de stedelijke gebieden van steden en dorpen (inclusief de werklocaties). In deze zones is in het algemeen sprake van ruimtelijke druk vanuit het stedelijk gebied, gecombineerd met ontwikkelingen van het landelijk gebied.
Hier kan worden ingezet op passende en goed afgewogen uitbreidingen, uitplaatsingen, ontsluitingen, erftransformaties, recreatieve uitloopvoorzieningen, passende vormen van landbouw rekening houdend met gezondheidsaspecten. De randzones kennen een hoge mate van verweving van grondgebruiksfuncties, wat onderdeel zal zijn van de verstedelijkingsstrategieën. We vragen gemeenten om in hun omgevingsbeleid voor steden en dorpen de randzones integraal en in samenhang te bekijken en zo nodig bij te sturen, met extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit om te voorkomen dat de zones rommelig worden. Leefbare steden en dorpen De inrichting van de bebouwde omgeving en openbare ruimte bepaalt de aantrekkelijkheid van onze directe woon- en werkomgeving. We zullen deze aantrekkelijkheid kwalitatief monitoren om te kunnen (laten) zien wat in Gelderland gebeurt. We gaan onderzoeken hoe we als provincie kunnen bijdragen aan voldoende, gevarieerde en goed toegankelijke voorzieningen, zowel in steden als in dorpen en kleine kernen. Hoe kunnen zorgen we voor passende en voldoende voorzieningen op verschillende schaalniveaus? We brengen in ieder geval in beeld welke voorzieningen er nog zijn in de diverse kernen en monitoren hoe dit zich ontwikkelt. Verder stimuleren we behoud van voorzieningen door verschillende voorzieningen onder 1 dak te brengen (denk aan het idee van het Kulturhus).
De leefbaarheid van het landelijk gebied als geheel staat onder druk van functieverandering. Steden of dorpen die in oppervlakte groeien zorgen voor verandering naar stedelijke functies in het omliggende buitengebied. Nieuwvestiging of nieuwe aanleg van recreatiebedrijven, defensievoorzieningen of bouwwerken voor energie-opwek en -transport hebben invloed op het karakter van het landelijk gebied ter plekke. Voor een vitaal landelijk gebied moeten met name landbouw en natuur in balans worden gebracht.
84
Hoe dit gebeurt, verschilt per gebied. De zonering van het landelijk gebied helpt bij het leefbaar en kwalitatief inrichten en beheren van ons mooie buitengebied. Stoppende agrarische bedrijven en vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) vragen bijzondere aandacht. Primair zijn gemeenten aan zet voor functieverandering, maar als provincie willen we samen met de partners in de regio’s werken aan regionaal beleid voor functieverandering van (vrijkomende) gebouwen, bouwblokken en aansluitende gronden. Als hier geen regie op wordt gevoerd dan ontstaat het risico op verrommeling, ongebreidelde verstedelijking of ondermijning in het landelijk gebied. Dit regionale beleid moet ruimte bieden voor verduurzaming van de landbouw, biodiversiteit herstellen, nieuwe functies laten aansluiten bij de bodem en landschapswaarden, en verstedelijking van het landelijk gebied voorkomen. Nieuwe functies vragen maatwerk. De inrichting van het erf en de aansluiting op het plaatselijke landschap staan centraal, vastgelegd in een erfinrichtings- en landschapsplan. Het geheel moet passen bij de omgeving, en de gebiedskwaliteit en biodiversiteit versterken. Nieuwe belemmeringen voor bestaande landbouw moeten worden voorkomen.
85
vervolgens ook richting onze partners op sturen is de volgende stap. Wij ondersteunen en nemen deel aan experimenten op dit punt. De signaleringskaart nemen we ook voor onze taken mee in de door ons te maken afwegingen en in de gezamenlijk te maken afweging. Ook vanuit de opgaven rond waterkwaliteit en biodiversiteit komt een ruimtevraag. We zullen de opgaven zoveel mogelijk proberen te stapelen binnen een integrale bekenaanpak. We gaan de ruimtelijke effecten van waterkwaliteit integreren met de hierboven genoemde signaleringskaart. Ook dit doen we in samenspraak met onze partners. Als provincie zijn we verantwoordelijk voor het duurzaam beheer van de grondwatervoorraad. Dat betekent dat we ervoor moeten zorgen dat het watergebruik in balans is met de hoeveelheid water die beschikbaar is. We kunnen geen garantie geven op voldoende (grond)waterbeschikbaarheid. Dat betekent dat we keuzes moeten maken bij planvorming en locatiekeuze van functies met een watervraag. Functies moeten rekening houden met de beschikbare hoeveelheid grond- en oppervlaktewater. Het type activiteit moet passen bij het type water (oppervlaktewater, grondwater, drinkwater) dat hiervoor wordt gebruikt. Om de hoeveelheid water die wordt onttrokken te reguleren, ontwikkelen we in samenwerking met waterschappen grondwateronttrekkingsplafonds voor verschillende gebieden.
Dat betekent dat er een maximum kan komen aan de hoeveelheid water die daar uit de bodem gehaald mag worden. Vervolgens kijken we of een voorkeursvolgorde voor onttrekkingen gewenst is. Gebruik van zoetwater voor economische gebruikers blijft tot een bepaalde grens mogelijk. In samenwerking met de waterschappen gaan we waar nodig aangescherpte kaders voor het gebruik van grondwater opstellen. Uitgangspunt hierbij is dat er te allen tijde voldoende drinkwater voor de inwoners van Gelderland beschikbaar is. Om dit te kunnen garanderen werken we samen met Vitens aan drinkwaterbesparing en aan uitbreiding van de wincapaciteit met aandacht voor brondiversificatie (gebruik van oppervlaktewater en grondwater), en stimuleren we innovatieve concepten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opslag van water in de ondergrond van de Veluwe om de grondwatervoorraad aan te vullen en drinkwater te winnen, zoals benoemd in het ruimtelijk arrangement met het Rijk. In het nationale programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt de gewenste afvoerverdeling bij laag en hoog water onderzocht en worden de effecten op de riviertakken en voor de zoetwaterhuishouding van ons land afgewogen. Wij zullen de consequenties van de beslissingen die daarin worden genomen, uitwerken in onze programma’s.
Beschermen tegen (de gevolgen van) wateroverlast en overstromingen Wateroverlast ontstaat door hevige buien, waarbij meer regen valt dan de bodem en het riool kan verwerken, of bij lange periodes van regen waardoor de bodem verzadigd raakt. Hierdoor blijft water op straat staan, loopt het riool vol en ontstaan er overstorten of kan water in kelders omhoog komen. We werken regionaal samen met gemeenten, regio’s, waterschappen en andere partners om Gelderland klimaatbestendig in te richten en wateroverlast te voorkomen. Dit doen we volgens de adaptatiepiramide in het nationale Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Deze piramide bestaat uit 3 lagen die belangrijk zijn om problemen te voorkomen of verminderen: het natuurlijk systeem benutten, technische maatregelen nemen en handelen bij extremen. We stimuleren en faciliteren (door onderzoek, kennisdeling en fysieke maatregelen), en waar nodig reguleren we. We nemen een actieve houding aan en verwachten dit ook van de andere partijen. Heftige en langdurige neerslag vormen vooral een probleem in lagergelegen en natte gebieden. Voor locatiekeuze en inrichting van bijvoorbeeld woon- en werklocaties stimuleren we de ontwikkeling en het gebruik van de eerder genoemde signaleringskaarten en onderzoeken we de doorwerking van deze kaarten.
Hierop staat informatie over onder andere risico op hoge grondwaterstanden, op wateroverlast bij hevige neerslag en op overstromingen vanuit de rivieren. Als gevolg van klimaatverandering zullen gevolgen van wateroverlast niet in alle gevallen meer voorkomen kunnen worden. Ruimtelijke doorwerking van deze opgave is van wezenlijk belang. De aanpak van hoogwaterveiligheid is gebaseerd op de vijf treden van meerlaagsveiligheid: bewustzijn van waterveiligheid en het risico op wateroverlast 88
-
water keren (bijvoorbeeld met dijken) ruimtelijke inrichting (zoals retentiegebieden en risicozonering) rampenbeheersing (zoals evacuatieplannen) robuust herstel
Ten behoeve van de waterveiligheid werken we samen met het Rijk en regionale partners aan de inrichting van ons watersysteem, om te voorkomen dat er grootschalige overstromingen vanuit onze rivieren ontstaan. Het gaat hier ook om de interactie van regionaal en primair systeem. Dat doen we binnen het Nationale Deltaprogramma en het nationale programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Samen voorkomen we dat er, als gevolg van overstromingen, grote schade ontstaat en slachtoffers vallen. Zo werken we aan een toekomstbestendig, robuust watersysteem, zowel langs de grote rivieren als langs de regionale wateren. Dit gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Voor het onderhouden en verbeteren van waterkeringen zijn de waterschappen en Rijkswaterstaat verantwoordelijk. Wij zijn het bevoegd gezag om goedkeuring te geven aan de projectbesluiten voor de dijkverbetering en we coördineren de benodigde besluiten. Daarnaast wijzen wij in het regionale watersysteem de regionale waterkeringen aan. Voor deze keringen stellen we omgevingswaarden (normen) vast in onze omgevingsverordening. Waterschappen toetsen deze en rapporteren periodiek aan ons over de staat van de regionale keringen. Daarnaast richten we ons op de ruimtelijke inrichting die samenhangt met het veilig houden van onze provincie.
Gezamenlijk werken we aan een toekomstbestendig rivierengebied waarbij ruimte is voor alle 5 functies van de rivier: (i) veilige afvoer van water; (ii) zoetwaterbeschikbaarheid; (iii) natuur en ecologische waterkwaliteit; (iv) scheepvaart; en (v) ruimtelijk economische ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit. We werken ook samen met partners in Duitsland op het gebied van hoogwaterveiligheid en gebiedsontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de binnendijkse ruimte die voor de rivieren gereserveerd moet worden om hogere rivierafvoeren en de effecten van zeespiegelstijging als gevolg van klimaatverandering in de toekomst te kunnen blijven faciliteren. In het kader van het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 denken en adviseren wij hier integraal over mee. De nationale reserveringen voor mogelijke rivierverruiming en het ruimtelijk gebruik van deze Gelderse gebieden moeten goed op elkaar aansluiten. De maatregelen die nodig zijn, vragen ruimte in de uiterwaarden van de Waal, het Pannerdensch Kanaal en de bovenloop van de IJssel. Ook voor regionale rivieren die in open verbinding staan met het hoofdwatersysteem, zoals de Oude IJssel, moet bij het ruimtelijk gebruik rekening worden gehouden met hogere afvoeren.
Daarnaast stemmen we af met de waterschappen of de opgestelde ‘profielen van vrije ruimte’ voor toekomstige dijkversterkingen aansluiten op de regionale ontwikkelingen. Beschermen waterkwaliteit Wij streven naar schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en het halen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Waterkwaliteit wordt bepaald door factoren zoals chemische stoffen, zuurstofgehalte, temperatuur en aanwezigheid van planten en (water)dieren. Goede waterkwaliteit duidt op een stabiel ecosysteem. Voor waterkwaliteit hebben wij een kaderstellende rol via de doelen voor oppervlaktewater vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Door hieraan te voldoen zorgen we voor een basiskwaliteit van biodiversiteit in onze regionale oppervlaktewateren. Voor grondwater zijn er landelijke kaders in de Grondwaterrichtlijn (GWR). Uitgangspunt is dat functies zo min mogelijk negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. De chemische toestand van het water vraagt aandacht. We zien dat er veel (soms veel te veel) voedingsstoffen en gewasbeschermingsmiddelen in ons water komen. Dit geldt ook voor medicijnresten, microplastics en zeer zorgwekkende stoffen (onder andere PFAS). De verontreiniging in het grondwater is meestal onomkeerbaar. De inbreng van verontreinigende stoffen moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Wij zetten in op bronaanpak (voorkomen dat het in het systeem komt).
89
We zijn bevoegd gezag voor grondwaterbescherming voor drinkwater. Om de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van drinkwater te beschermen stellen we regels in onze omgevingsverordening. Daarnaast is de aanpak van nitraat en gewasbeschermingsmiddelen en de aanpak via het Uitvoeringsprogramma Gebiedsdossiers belangrijk voor de kwaliteit van drinkwaterbronnen. De waterkwaliteitsopgave is zodanig groot dat die vraagt om een gezamenlijke aanpak van Rijk, provincie, waterschappen, gemeenten en Duitsland. Daarbij moeten afspraken worden gemaakt over een evenwichtige inzet van middelen en instrumenten. Wij faciliteren waterschappen bij het nemen van de noodzakelijke maatregelen, bijvoorbeeld met financiering en het verkrijgen van grondposities. Wij regisseren, faciliteren en stimuleren daar waar doelen uit de KRW (inclusief de Nitraatrichtlijn) en GWR samenvallen met andere provinciale doelen en opgaven. Uitvoering van de maatregelen in en in de directe omgeving van de beek ligt bij het waterschap, waarbij provincie, gemeenten en waterschappen hun ruimtelijke instrumenten moeten inzetten. Maatregelen in het stroomgebied gaan vaak over grote oppervlakken, zoals landbouwgebieden of natuurgebieden. Daarom is generiek beleid, bijvoorbeeld over de toelating van stoffen, vanuit het Rijk hier voor de hand liggend.
Een grote opgave voor kwaliteit van oppervlaktewater ligt bij de beken in de Gelderse zandgebieden in de Achterhoek, de Veluwe en de stuwwal in het Rijk van Nijmegen. De opgaven voor ecologie, nutriënten, temperatuur en hydrologie vragen zowel in de beek als in de directe omgeving van de beek om maatregelen. Deze maatregelen zijn niet alleen nodig daar waar de waterkwaliteit niet in orde is, maar in het hele stroomgebied van de beek. Ook indirecte lozingen, waarbij afvalwater via de (riool/afval)waterzuiveringsinstallaties in het oppervlaktewater terechtkomt, vormen een belangrijke opgave. Ook zijn we verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van wet- en regelgeving voor indirecte lozingen van bedrijven onder ons bevoegd gezag. Het verminderen van indirecte lozingen vraagt om afstemming in de keten: met gemeenten, waterschappen en provincies. Wij coördineren de gemeenschappelijke aanpak met gemeenten, waterschappen en omgevingsdiensten om te zorgen dat indirecte lozingen geen negatieve effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit hebben. Ook voorzien we toekomstige knelpunten vanwege beperkte beschikbare lozingsruimte in het oppervlaktewatersysteem. We voorzien dat er onvoldoende capaciteit komt voor extra afvalwater. Dit kan leiden tot overschrijdingen van milieunormen en daardoor minder ruimte voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen.
We hebben hierin een regisserende rol, waarbij we inzetten op regionale afstemming met ketenpartners en het tijdig herkennen van knelpunten bij het aanwijzen van nieuwe woon- en werklocaties. Tot slot zijn we als provincie verantwoordelijk voor het aanwijzen van zwemlocaties in oppervlaktewater. In de omgevingsverordening hebben we instructieregels voor zwemwaterlocaties opgenomen. Daarnaast stimuleren en ondersteunen wij locatiehouders in de uitvoering. Wij monitoren veiligheid van de zwemmers en waterkwaliteit met mogelijkheid tot een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod ter plaatse. Waar nodig werken wij samen met de waterbeheerders. Klimaatbestendige leefomgeving In 2023 heeft het KNMI de meest recente klimaatscenario’s gepubliceerd. Op basis van deze scenario’s wordt duidelijk dat Nederland richting het eind van deze eeuw verder opwarmt. Dit betekent toenemende weersextremen, zoals meer en extremere buien zoals hierboven al benoemd, maar ook minder water, langere perioden van droogte en hitte. Op basis van de klimaatscenario’s verschijnt medio 2026 de vernieuwde Nationale Adaptatiestrategie (NAS). Het is onze ambitie om de NAS uit te werken voor Gelderland. Samen met waterschappen, gemeenten en de regio’s van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie blijven we werken aan een klimaatbestendige leefomgeving.
Daarbij benutten we de handreiking toekomstbestendig bouwen in Gelderland. Hierin staan heldere doelen en richtlijnen voor een klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving. Deze zijn gebaseerd op landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving van het Rijk. Hiermee dragen we bij aan eenduidige uitgangspunten en een gelijk speelveld in de bouwsector. Daarnaast stimuleren we dat deze handreiking wordt gebruikt in plan- en gebiedsontwikkeling. Zo werken we aan een leefbare en gezonde bebouwde omgeving voor Gelderland. 90
Door stijgende temperaturen komt de leefbaarheid van onze dorpen en steden en de gezondheid van inwoners onder druk te staan. Provincie Gelderland levert een bijdrage aan het beperken van hittestress in huurwoningen nu en in de toekomst door de aanpak van hittestress in bestaande sociale huurwoningen samen met corporaties en gemeenten vorm te geven. We richten ons daarbij op wijken waar de grootste opgave ligt. Daarnaast stimuleren we de ontwikkeling van voldoende groen op bedrijventerreinen en in bebouwd gebied, dit bevordert ook sociale verbondenheid en gezonde leefstijl. We stimuleren de ontwikkeling van werklandschappen van de toekomst: duurzaam ingerichte bedrijventerreinen waar bedrijven zich graag willen vestigen. Het beperken van hittestress in bebouwd gebied betekent dat er een limiet is aan de hoeveelheid inbreiding die bebouwde gebieden aankunnen.
91
waarden die aanwezig zijn in het gebied en naar mogelijkheden om gebouwen te behouden en een nieuwe functie te geven. In het programma wonen nemen we stimulerende maatregelen op onder de noemer ‘steengoed benutten’. Naast inzet op nieuwe woningbouw en transformatie, stimuleren we ook dat de bestaande voorraad beter wordt benut door het splitsen en optoppen van bestaande woningen. Voldoende betaalbare woningen Voor veel mensen zijn woningen te duur. Om het doel voor betaalbare woningen te halen, neemt de provincie in het Gelders programma wonen minimum doelen op voor percentages betaalbare woningen in de nieuwbouw, gericht op gemeenten waar een tekort bestaat. We monitoren de voortgang qua betaalbare woningbouw bij alle gemeenten. Als er door een gemeente structureel onvoldoende betaalbare woningen gerealiseerd en gepland worden, grijpt de provincie in. We gebruiken daarbij dezelfde interventieladder als voor voldoende woningen. Voldoende passende woningen voor ouderen en aandachtsgroepen De doelen voor ouderenhuisvesting en aandachtsgroepen vertaalt de provincie, samen met gemeenten en regio’s, naar concrete opgaven en neemt deze op in het Gelders programma wonen. Huisvesting voor ouderen en andere aandachtsgroepen zal zoveel mogelijk dicht bij voorzieningen plaatsvinden.
Ook sturen we op het toevoegen van voorzieningen binnen nieuwe woonwijken (economie, huisarts/fysio, sport), waarmee de leefbaarheid versterkt wordt. Er is een groeiende behoefte aan nieuwe woonvormen: collectief en betaalbaar. Ook als antwoord op vergrijzing, mantelzorg, meer eenpersoonshuishoudens, vereenzaming, stijgende woonkosten en schaarse ruimte. De provincie stimuleert dit soort woonvormen via het programma wonen: van kleinschalige initiatieven tot grotere gemeenschappen, erfdelen, voor jong en oud, in koop en in huur, in de bestaande bouw en in nieuwbouw, op bestaande erven in de stad, dorp en op het platteland. Toekomstbestendige woonwijken, goed gepland met efficiënt ruimtegebruik We hebben als provincie een regisserende rol bij het realiseren van voldoende kwaliteit van de leefomgeving, met sturing op toekomstbestendige woningbouw en efficiënt ruimtegebruik. Nieuwe woonwijken moeten niet gebouwd worden op locaties die tot problemen in de toekomst leiden die we nu al kunnen voorzien. Water, bodem, de energievoorziening en mobiliteit zijn daarom medebepalend bij locatiekeuzes voor verstedelijking. Deze integrale afwegingen maken we in de verstedelijkingsstrategieën en energieperspectieven. We willen dat zoveel mogelijk wordt gebouwd op locaties bij ov-knooppunten die ook met de fiets goed bereikbaar zijn, en dat de woonlocaties daarop worden ingericht.
Nieuwe woonwijken mogen het elektriciteitsnet niet onnodig extra belasten. De provincie stelt daarom in overleg met netbeheerders regels op om het piekverbruik van elektriciteit van nieuwe woningen te beperken. Dat noemen we ‘netbewust’. We laten nieuwe woonwijken zoveel mogelijk netbewust ontwikkelen. Hiervoor zetten we via de programma’s wonen en energiesysteem stimulerende maatregelen in, gericht op bijvoorbeeld collectieve warmtesystemen, bodemwarmte en installatie- en bouwtechnische maatregelen. De provincie vraagt gemeenten om bij het ontwerp van woonwijken rekening te houden met hittestress, hevige neerslag, overstromingsrisico’s, slappe en inklinkende bodems, biodiversiteit, energie, hernieuwbaar materiaalgebruik en met ruimte om te ontmoeten, te bewegen en te spelen. Dat geldt zowel voor nieuwbouw als in bestaande wijken. Door meer circulair en biobased te bouwen wordt er minder CO2 en stikstof uitgestoten en zijn er veel minder grondstoffen nodig. Water en groen versterken de biodiversiteit en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit, gezondheid en leefbaarheid. De provincie zet stimulerende maatregelen en kennis in om gemeenten, marktpartijen, woningcorporaties en anderen hierbij te helpen. Ook stimuleert de provincie dit via het stellen van voorwaarden bij subsidies en andere provinciale ondersteuning.
Specifiek voor klimaatadaptie stellen we in de verordening verplicht dat gemeenten hier in het ruimtelijk ontwerp van nieuwbouwwijken rekening mee houden. De provincie stuurt op efficiënt ruimtegebruik in nieuwe woonwijken. Dat doen we door in het programma wonen streefcijfers vast te stellen voor minimale dichtheden, die we gebruiken in onze gebiedsgerichte samenwerking met gemeenten, zoals in de verstedelijkingstrategieën. Voor bepaalde typen locaties, zoals nabij stations en in het centrum van een stad, houden we hogere dichtheden aan dan voor buitenwijken en
93
dorpen. De ruimte in Gelderland is schaars en ook woningbouw moet de claim op de ruimte beperken. Zo houden we ruimte beschikbaar voor bijvoorbeeld groene recreatie, de energietransitie, landbouw en natuur. In binnenstedelijke gebieden moet worden gewerkt aan een goede balans tussen wonen en werken. Dit draagt bij aan de leefbaarheid van gebieden en korte woon-werkafstanden.
94
De omgevingsvisie is kaderstellend. Om de gewenste maatschappelijke effecten te bereiken werken we de strategische doelen uit in programma’s met concrete maatregelen, prioriteiten en afspraken met partners. Deze programma’s zijn in principe tactisch, kortlopend. GS stellen de programma’s vast en leggen deze ter consultatie voor aan PS, conform de onderlinge afspraken en rolverdeling. Afhankelijk van de opgave gaat het om thematische programma’s, regionale programma’s of gebiedsprogramma’s. Samen met gemeenten, waterschappen en andere partners geven we hierin uitvoering aan gezamenlijke ambities. De keuzes uit het coalitieakkoord zijn leidend bij de prioritering en financiering van de programma’s. Middelen worden beschikbaar gesteld via de reguliere planning & controlcyclus (P&C-cyclus). Hiermee verankeren we de omgevingsvisie in reguliere werkprocessen en bieden we transparantie en bestuurlijke grip op de uitvoering. Juridische, financiële en communicatieve instrumenten Behalve in programma’s vertalen we de omgevingsvisie in juridische regels in de omgevingsverordening. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd. De verordening bevat onder meer instructieregels die doorwerken in gemeentelijke omgevingsplannen en waterschapsverordeningen.
Daarnaast kunnen GS omgevingsvergunningen afgeven voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, en voor specifieke projecten in de fysieke leefomgeving kunnen GS het instrument projectbesluit inzetten. Naast juridische instrumenten maken we gebruik van financiële en communicatieve middelen, vaak als onderdeel van programma’s. Denk aan subsidies, opdrachten of samenwerkingsafspraken om partners te ondersteunen of te stimuleren. Ook communicatie en campagnes kunnen bijdragen aan het realiseren van provinciale doelen, bijvoorbeeld door het bevorderen van gedragsverandering. Monitoren en vooruitkijken De omgevingsvisie is verbonden met een monitor die – terugredenerend vanuit 2050 – met een stoplichtstatus laat zien of de 16 strategische doelen op koers liggen (zie hoofdstuk 2). Aan elk doel zijn indicatoren en streefwaarden gekoppeld zodat we de voortgang kunnen volgen. Deze sturingsinformatie maakt het mogelijk om tijdig bij te sturen in de uitvoering of, als dat nodig is, strategische doelen te herijken. Dit kan leiden tot nieuwe of aangepaste programma’s. Het adequaat monitoren van de strategische doelen in de omgevingsvisie kan alleen met betrouwbare sturingsinformatie. We doen dit vanuit een uniforme kennisbasis: de Staat van Gelderland. We zien het als onze verantwoordelijkheid om die op te bouwen, langjarig te beheren en te onderhouden.
Sturingsinformatie vraagt niet alleen om terugkijken, maar ook om vooruitkijken. Het is onze taak te verkennen welke ontwikkelingen in de toekomst impact kunnen (gaan) hebben, zonder dat we dat zeker weten. Dat vooruitkijken is wel nodig om ons scherp te houden en in te kunnen spelen op trends en ontwikkelingen. Daar is experimenteerruimte voor nodig om creativiteit te stimuleren en verder te kunnen kijken dan vandaag en morgen. Daar moet een veilige omgeving voor zijn. Dat willen we stimuleren en organiseren om onszelf en onze partners te inspireren en te adviseren.
6.3 Bijstelling Na de vaststelling van de omgevingsvisie zullen zich in de periode tot 2050 nieuwe opgaven blijven aandienen, bijvoorbeeld door maatschappelijke ontwikkelingen, wetswijzigingen of veranderingen in het rijksbeleid. Dat vraagt om aanpassingsvermogen en een flexibele houding in de ontwikkeling van het strategische beleid voor de fysieke leefomgeving en dus om een dynamische omgevingsvisie. Halverwege en aan het einde van elke coalitieperiode evalueren we de omgevingsvisie. Hierbij maken we gebruik van de monitor (zie paragraaf 6.2). De evaluatie aan het einde van de coalitieperiode wordt betrokken bij de vorming van een nieuw college van GS en kan samen met de ambities van het nieuwe college aanleiding zijn voor aanpassingen in (onderdelen van) de omgevingsvisie.
6.4 Omgevingswet
96
7 Verantwoording 7.1
Omgevingseffectrapport
Voor het opstellen van de omgevingsvisie hebben we de milieueffectrapportage (plan-mer) doorlopen. Naast effecten op het milieu hebben we ook thema’s als gezondheid, duurzaamheid en klimaatadaptatie onderzocht. Het milieueffectrapport noemen we dan een Omgevingseffectrapport (OER). In deze paragraaf lichten we de OER-procedure toe en beschrijven we hoe we hier inhoudelijk mee zijn omgegaan. Participatie In het participatieproces van de omgevingsvisie (zie paragraaf 7.2) hebben we deelnemers ook geïnformeerd over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en het OER. De NRD heeft ter inzage gelegen. De binnengekomen reacties zijn samengevat en beantwoord in een reactienota. De opgehaalde input is gebruikt bij het opstellen van de visie en het OER. Het OER is samen met de ontwerp omgevingsvisie ter inzage gelegd. Foto van de Leefomgeving Het eerste product in de OER-procedure is de ‘Foto van de Leefomgeving’, waarin de effecten van het huidige provinciale beleid (vóór vaststelling van de nieuwe omgevingsvisie) zijn beschreven. Dit is de referentiesituatie waar de omgevingsvisie uiteindelijk naast is gelegd. De foto hebben we gebruikt om inzicht op te doen waar nieuw beleid wenselijk is. Het verwachte tekort aan werklocaties sprong er hierbij uit en daar hebben we nieuw beleid voor opgesteld in de omgevingsvisie.
De thema’s gezonde en veilige leefomgeving (geluid, gezondheid en omgevingsveiligheid) en klimaatbestendig bouwen (hittestress) hebben we steviger gepositioneerd in ons beleid over verstedelijking. Ontwerpend onderzoek van de scenario’s Voor de visie hebben we ontwerpend onderzoek gedaan door in een scenariostudie extremen te verbeelden. Zo hebben we de hoeken van het speelveld in beeld gebracht en inzichtelijk gekregen wat de consequenties zijn als we een thema heel sturend maken in de omgevingsvisie. We hebben dit gedaan voor het energiesysteem, het bodem- en watersysteem en een gezonde en veilige leefomgeving. Voor de eerste twee hebben we dit vergeleken met scenario’s waarin deze systemen volgend waren. Voor een gezonde en veilige leefomgeving was dit niet nodig, omdat de referentiesituatie al grotendeels overeenkomt met een ‘volgend’ scenario. We zijn door participatief ontwerp tot de scenario’s gekomen. We hebben verschillende ontwerpsessies gehouden met partners (waterschappen, netbeheerders en GGD) en interne collega’s. Beoordeling scenario’s Ieder scenario leverde een kaart van Gelderland van 2050 en 2100 op, waarop de doorwerking van deze extremen op de fysieke leefomgeving zichtbaar werd. In de werksessies om te komen tot de omgevingsvisie hebben we de kaarten en scenario’s gebruikt om te komen tot de ruimtelijke keuzes.
Daarbij hielp het ons om de gevolgen van een keuze voor andere thema’s zichtbaar te krijgen, waarbij ook verschillen in de regio’s aan het licht kwamen. De opgaven per regio verschillen, bij het bepalen hiervan en het schrijven van de regioparagrafen is gebruik gemaakt van de kaarten. De keuze om in de omgevingsvisie meer nadruk te leggen op het water- en bodemsysteem en minder op energie sluit aan bij de beoordeling van de scenario’s. Hierin blijkt dat we met het sturen op het water- en bodemsysteem meer positieve impact op de fysieke leefomgeving hebben dan met het sturen op energie. Voorkeursalternatief 0.5 – eerste beoordeling Voor het voorkeursalternatief 0.5 hebben we de 7 ruimtelijke keuzes opgesteld. Deze hebben we met partners en inwoners besproken en vervolgens laten beoordelen als voorkeursalternatief 0.5. We hebben de beoordeling gebruikt in het aanscherpen van de tekst, waaronder de Gelderse hoofdstructuur (hoofdstuk 3). Twee voorbeelden zijn natuur en wonen. Zo werd natuur in de ruimtelijke keuzes niet heel concreet beschreven. Dit leidde in de beoordeling tot een negatieve trend voor Natura 2000-gebieden. In de visie hebben we natuur onderdeel gemaakt van de Gelderse hoofdstructuur en concrete maatregelen opgenomen. Voor wonen hebben we onze rol sterker neergezet. 98
Verwerken van de keuzes en aanscherping op basis van het OER In de beoordeling van het voorkeursalternatief 1.0 valt een aantal punten op: • De negatieve trend in afname van landbouw blijft bestaan: landbouw was altijd het ruimtelijke sluitstuk, doordat deze niet op kaart stond en daarmee niet als volwaardige ruimtevrager werd meegenomen. We willen hier wel op sturen door landbouwgebieden aan te wijzen en een onderscheid te maken tussen gebieden met hoofdfunctie landbouw en verwevingsgebieden landbouw. De bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in kwetsbare zones kan onder druk komen te staan. Daarom nemen we maatregelen gericht op het ondersteunen van deze bedrijven. • Positieve beoordeling ruimte voor bedrijven: in de foto van de leefomgeving werd al aangegeven dat er met bestaand beleid een tekort dreigt aan ruimte voor bedrijven. Het is goed om te zien dat we deze trend met de voorgestelde beleidsinzet kunnen keren. • In de beoordeling worden ook risico’s genoemd voor concentratie van logistieke netwerken en het stapelen van functies. Dit kan lokaal zorgen voor een toename van geluidshinder en luchtvervuiling. Toch kiezen we hier wel voor; vanwege de schaarse ruimte is verdichten noodzakelijk. Daarnaast is het onbetaalbaar om nieuwe locaties die slecht bereikbaar zijn, bereikbaar te maken.
We onderkennen de aangegeven risico’s zoals hinder voor omwonenden en stikstofdruk op Natura 2000-gebieden. Dit proberen we zo goed als mogelijk te voorkomen door maatwerk voor werklocaties nabij Natura 2000-gebieden en door de gezonde en veilige leefomgeving mee te nemen ten tijde van planvorming. • Stapelen functies in stedelijk gebied – bouwen van leefomgevingen: ook bij de verstedelijking kiezen we voor verdichten, omdat de infrastructuur tegen de grenzen aanloopt en om het voorzieningenaanbod in stand te houden. We onderkennen de risico’s die de stapeling van functies heeft voor de leefomgeving. Daarom nemen de volgende maatregelen: o landschapsparken & groenblauwe dooradering voor onder andere hittestress en verbindingen (tegengaan van barrièrewerking) o gezonde en veilige leefomgeving meenemen ten tijde van planvorming o wonen en werken meer in nabijheid van elkaar om verkeersbewegingen te minimaliseren • In de omgevingsvisie is leefbaarheid een belangrijke waarde. Vandaar dat we ervoor kiezen om leefomgevingen te bouwen en de aanwezigheid van voorzieningen, groen, recreatieruimte mee te nemen. Het is een bewuste keuze om meer regie te nemen op het bouwen van woningen en ook (meer) randvoorwaarden aan de voorkant mee te nemen. We zien dat projecten nu soms stokken, doordat zaken niet vooraf zijn geregeld.
Het kost bij de start van woningbouwprojecten tijd, maar levert op de langere termijn winst op. • Energie en klimaat: er zit spanning tussen het toewerken naar een volledig circulaire economie, waar meer logistiek en industrie in hogere milieucategorieën voor nodig is, en het toewerken naar een klimaatneutraal Gelderland. Met bijvoorbeeld onze inzet op een energiemix met daarin onder andere waterstof en kernenergie, verwachten we dat beide doelen behaald kunnen worden.
7.2 Participatie Bij het opstellen van de omgevingsvisie hebben we een participatietraject doorlopen op basis van ons participatieplan omgevingsvisie (PS2024-425). Het betrekken van Gelderlanders is een rode draad in ons provinciale werk. We vinden het belangrijk om te luisteren naar inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, mede overheden en overige belanghebbenden in Gelderland. Voor de omgevingsvisie hebben we zoveel mogelijk verschillende mensen en organisaties de kans gegeven om mee te doen. Met participatie vergroten we de betrokkenheid van inwoners en partners en benutten we hun kennis en inzichten. Het doel van de participatie is voor iedereen hetzelfde: we raadplegen en informeren, waarna besluitvorming bij de Provinciale Staten van Gelderland ligt. In het Participatieverslag Vernieuwing omgevingsvisie beschrijven en evalueren we het participatieproces en leggen we uit wat we met de inbreng hebben gedaan.