(183) Motivering
Tekst van het document
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.
29
6 Beschermen van de waterbelangen Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Beleid Waterschap Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit project is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.
Het Programma Water en Riolering 2023-2027 De riolen die nu aangelegd worden blijven nog tientallen jaren liggen, daarom moeten nu goede keuzes gemaakt worden. Daarom wordt gehandeld vanuit onderstaand toekomstperspectief op de waterketen, stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Waterketen De zorg voor de waterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid beschermd blijft en schade aan het milieu wordt voorkomen. Hiervoor bestaat reeds een omvangrijk stelsel aan riolering, dat goed beheerd wordt. Waar nodig worden nieuwe voorzieningen aangelegd.
30
Stedelijk afvalwater Om te voorkomen dat meer afvalwater ontstaat, wordt afvalwater zoveel mogelijk gescheiden van schoon water. Hiervoor wordt de trits ‘schoonhouden-scheiden-zuiveren’ gevolgd. Het waterschap haalt bij de zuiveringsinstallatie(s) steeds meer reststoffen uit het (afval)water om deze opnieuw te gebruiken als grondstof. Ook wint het waterschap energie terug uit het afvalwater. Met de huidige riolering en het uitvoeringsbeleid wordt bijgedragen aan het goed functioneren van de zuiveringsinstallatie. Hemelwater Gemeente, waterschap en perceeleigenaar hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het hemelwater. Bij de verwerking van hemelwater wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ gevolgd. Het heeft de voorkeur om water vast te houden in het gebied waar het is gevallen, en daar te infiltreren naar het grondwater. Daar waar dit niet kan, wordt regenwater bij voorkeur in waterpartijen of bovengronds geborgen. Bij de aanleg van verhard oppervlak wordt rekening gehouden met het uitgangspunt dat ook extreme buien moeten kunnen worden opgevangen; Daarom wordt uitgegaan van een robuuste aanleg, zodat niet over enkele jaren geconstateerd wordt dit onvoldoende is. Grondwater Het doel is om grondwater zoveel mogelijk op een natuurlijke manier te laten functioneren. Het grondwatermeetnet in de gemeente Brummen geeft inzicht in de grondwaterstanden.
Er wordt ingezet op het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van een te hoge of te lage grondwaterstand voor de bebouwing in de gemeente. De risicogebieden zijn hiervoor in beeld gebracht en maatregelen worden genomen waar deze doelmatig zijn. Veelal betekent dit dat pas maatregelen genomen worden als er ook andere maatregelen in de openbare ruimte plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld bij vervanging van de riolering en aanleg van regenwaterriolen. Naast grondwateroverlast krijgt de gemeente ook steeds meer te maken met de gevolgen van verdroging en lage grondwaterstanden. Voor onder andere droogtebestrijding dient bij alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten, ook in het buitengebied, water vastgehouden en geïnfiltreerd te worden.
6.2
Wateraspecten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze
31
waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.3
Watertoetsproces en waterhuishouding besluitgebied In de huidige situatie is het besluitgebied grotendeels ingericht met verharding/bebouwing. Aan de randen van het perceel zijn wel delen onverhard. Waterveiligheid In of in de directe nabijheid van het besluitgebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. Op de waterkaart zijn daarom zogenaamde dijkringgebieden vastgelegd. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De wettelijke norm voor een dijkring is een overschrijdingskans van 1:1250 per jaar. Het besluitgebied bevindt zich niet binnen de grenzen van een dijkringgebied. Oppervlaktewater In en rondom het besluitgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Dit vormt daarom geen belemmering voor voorliggende herontwikkeling. Verharding Voorliggend project voorziet in de herontwikkeling van een woongebied. In de huidige situatie is een groot gedeelte van de gronden verhard. Als gevolg van de herontwikkeling zal het verhard oppervlak binnen het besluitgebied afnemen. Waterschap Vallei en Veluwe gaat uit van het realiseren van waterberging van 60 mm per m2 nieuw verhard oppervlak. Omdat per saldo sprake is van een afname aan verharding is er geen waterbergingseis vanuit het waterschap.
Toch is bij de herontwikkeling rekening gehouden met waterberging. Regenwater wordt afgekoppeld en opgevangen op eigen terrein. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 90 centimeter ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. In gebieden
32
waar grondwateroverlast op kan treden, adviseren het waterschap de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het besluitgebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en particulier terrein. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Voorliggende herontwikkeling maakt geen gebruik van materialen die negatieve effecten van de waterkwaliteit teweeg kunnen brengen. Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. Aansluiting van de nieuwbouw op de riolering uit het besluitgebied moet in een later stadium, daar waar nodig in overleg met de gemeente, worden uitgewerkt.
6.4
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
33
7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1
Geluid
7.1.1
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Grenswaarde in Lden (dB)
Geluidbronsoorten
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en
Standaardwaarde in Lden (dB)
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen
aanpassing bron
50
60
65
53
70
70
55
65
70
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Aanleg of
waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd
34
gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. 7.1.2
Motivering Geluid door wegen In het besluitgebied worden geluidgevoelige gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Om de geluidbelasting vanwege wegverkeer op deze woningen te bepalen, is een akoestisch onderzoek naar geluid wegverkeer 4 uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat de standaardwaarden 53 dB Lden van gemeente- en waterschapswegen tezamen niet wordt overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 44 dB aan de oostgevel van de beoogde ontwikkeling. Ten gevolge van geluid van wegen wordt voldaan aan het Bkl. Met de minimale gevelwering conform het Bbl wordt ook voldaan aan de binnenwaarde uit het Bbl. Vanuit het aspect geluid van wegen zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door spoorwegen Op circa 600 m afstand van het besluitgebied ligt de spoorlijn tussen Arnhem en Zutphen. Het plangebied ligt buiten het geluidaandachtgebied van deze spoorlijn en er is daarom geen nader onderzoek voor spoorgeluid noodzakelijk. Geluid door activiteiten Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een gebied dat hoofdzakelijk bestaat uit de woonfunctie. De dichtstbijzijnde hinderveroorzakende functie betreft een supermarkt (Dekamarkt, Zutphensestraat 3a). Deze ligt op circa 40 meter afstand van het besluitgebied. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 meter, waardoor geen geluidhinder door activiteiten verwacht hoeft te worden. Overige 4
SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Graaf van Limburg Stirumplein 1, Brummen. Projectnummer: 240231. 30 juni 2025.
35
hinderveroorzakende functies liggen tevens op voldoende afstand van het besluitgebied. Geconcludeerd wordt dat de akoestische situatie ter plaatse niet zal verslechteren als gevolg van de herontwikkeling en ook milieubelastende activiteiten in de omgeving worden niet negatief beïnvloedt in hun bedrijfsvoering. Installaties voor warmte- of koudeopslag (zoals warmtepompen) bij de toekomstige appartementen kunnen voor geluidhinder zorgen bij omliggende gevoelige objecten. Indien in de toekomstige situatie installaties voor warmte- of koudeopslag worden toegepast, zal in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de geluidseisen uit het Besluit bouwen leefomgeving (Bbl). 7.1.3
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; − beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; − evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; − duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: − Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. 36
− Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. − Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. − Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2
Motivering Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek5 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de bodem vanaf het maaiveld tot circa 2 meter onder het maaiveld hoofdzakelijk bestaat uit zeer fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuigelijke afwijkingen in de bodem waargenomen. Verder komt naar voren dat de bovengrond van het plangebied licht verontreinigd is met lood en plaatselijk zink. De ondergrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood en PAK. In het grondwater ter plaatse zijn geen verhoogde waardes aangetroffen. De hypothese onderverdacht dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Er hoeft geen nadere beschouwing plaats te vinden.
7.2.3
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: − er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; − het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; − het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te 5
De Klinker (2024). Verkennend bodemonderzoek. Graaf van Limburg Stirumplein 1 Brummen. Rapportnummer K2420195. 28 oktober 2024.
37
vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1 Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2 Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2
Motivering De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen project zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het project (meetpunt IJsselgouw) sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
EU-Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
14,9 µg/m3
11,1 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
15,9 µg/m3
12,6 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
8,7 µg/m3
6,6 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 38
7.3.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: − Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); − Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); − Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); − Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par.
22.3.6.5 Bruidsschat). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen
39
voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: − Geurnormen in het omgevingsplan; − Rekenen; − Afstandseisen; − Randvoorwaarden. In het Bkl worden twee soorten dieren onderscheiden. Dieren met een geuremissiefactor en dieren zonder een geuremissiefactor. − Dieren met een geuremissiefactor noemen we Odour Unit-dieren (ou-dieren). Met behulp van de geuremissiefactor kan de geurbelasting van deze dieren op een geurgevoelig object worden berekend. Het totaal aantal dieren en het stalsysteem bepaalt de emissie. − Dieren zonder een geuremissiefactor noemen we vaste afstand dieren (va-dieren). Voor deze dieren geldt een vaste afstand vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object. Deze vaste afstand staat los van het dierenaantal. Een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor toelaat, bevat als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw de standaardwaarde. Het omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde. In navolgende tabel zijn de standaardwaarde en grenswaarde weergegeven voor een standaard geurgevoelig gebouw (afgeleid uit artikel 5.109 Bkl). Bebouwingscontour en concentratiegebied
Standaardwaarde
Grenswaarde
Binnen bebouwingscontour en buiten concentratiegebied Binnen bebouwingscontour en binnen concentratiegebied Buiten bebouwingscontour en buiten concentratiegebied Buiten bebouwingscontour en binnen concentratiegebied
2,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
35,0 ouE/m3
Standaard- en grenswaarde toelaatbare ouE/m3 als 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissie op een standaard geurgevoelig gebouw
In een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor toelaat, wordt tot een geurgevoelig gebouw ten minste een vaste afstand aangehouden. In het omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de vaste afstand. De ruimte-voor-ruimte-woning is hierop een uitzondering. De afstanden zijn weergegeven in navolgende tabel (afgeleid uit artikelen 5.112 en 5.115 Bkl).
40
Soort gebouw
Afstand
Ondergrens afstand
Geurgevoelig gebouw gelegen binnen bebouwingscontour Geurgevoelig gebouw gelegen buiten bebouwingscontour Ruimte-voor-ruimte-woning binnen bebouwingscontour Ruimte-voor-ruimte-woning buiten bebouwingscontour
100 m
50 m
50 m
25 m
100 m
n.v.t.
50 m
n.v.t.
Afstand door houden landbouwhuisdieren zonder geuremissie op geurgevoelige gebouwen
7.4.2
Motivering In de omgeving van het besluitgebied zijn veehouderijen gelegen. Daarom dient in het kader van de Omgevingswet en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties onderzocht te worden of veehouderijen door het plan niet in hun rechten worden geschaad en of er ter plaatse van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Adres
Dieren met geuremissie
Gemeten afstand (m)
Knoevenoordstraat 16, Brummen
ja
± 1400 m
Elzenbosweg 4, Brummen
nee
± 1800 m
Elzenbosweg 10, Brummen
ja
± 1800 m
Elzenbosweg 18, Brummen
nee
± 1500 m
Elzenbosweg 16, Brummen
ja
± 1600 m
Zutphensestraat 296, Brummen
ja
± 1700 m
Oude Eerbeekseweg 29, Brummen
nee
± 950 m
Hazenberg 5 Brummen
nee
± 850 m
Oudeweg 27, Leuvenheim
nee
± 1500 m
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat omliggende veehouderijen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering: − De veehouderijen met dieren waarvoor een vaste afstand van 100 m geldt, liggen allemaal op meer dan 100 m van het besluitgebied; − Tussen alle omliggende veehouderijen en het besluitgebied zijn reeds bestaande woningen aanwezig. De veehouderijen moeten bij hun bedrijfsvoering al rekening houden met deze woningen. Ter plaatse van het plangebied is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat: − de veehouderijen met dieren waarvoor een vaste afstand van 100 m geldt, liggen allemaal op meer dan 100 m van het besluitgebied; − de bedrijven met dieren met een geuremissiefactor zijn allemaal op meer dan 700 m van het plangebied gelegen. Deze bedrijven zijn op zodanige afstand van het besluitgebied gelegen, dat er met de beperkte geuremissiefactoren vanuit kan worden gegaan dat de geurbelasting ter plaatse van het besluitgebied
41
acceptabel is. Ook gezien de geurbelasting op bestaande woningen die op kleinere afstand tot de veehouderij liggen in de huidige situatie ook acceptabel wordt gevonden. 7.4.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
7.5.2
Motivering In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om die reden is een nadere beschouwing van dit aspect niet aan de orde.
7.5.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect trillingen.
42
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigingsbesluit is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
7.6.2
Motivering In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Verder is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk bestaand groen in het besluitgebied behouden blijft. Dit zorgt ervoor dat de toekomstige bewoners kunnen verblijven in een prettige omgeving. Dit draagt op een positieve manier bij aan de mentale gezondheid van de bewoners en het tegengaan van hittestress. Daarnaast wordt het gebied goed ontsloten middels prettige en veilige wandelpaden die aansluiten op het bestaande netwerk. Op deze manier wordt bewegen gestimuleerd en wordt ook een bijdrage geleverd aan gezondheidsbevordering.
7.6.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
7.7
Klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). 43
Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris.
Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen.
Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid.
44
Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
− In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1 Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: b waterveiligheid; c wateroverlast; d droogte; en e hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.
45
7.7.2
Motivering In voorliggende situatie wordt een in onbruik geraakte locatie in de kern Brummen herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. De woningen worden aardgasloos ontwikkeld en er worden zoveel mogelijk duurzame materialen gebruikt. Er is ruimte gereserveerd voor groen en verharding wordt alleen toegepast waar dat nodig is. Dit heeft een positief effect op het bestrijden van hitte en het bieden van extra mogelijkheden voor hemelwaterinfiltratie. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met klimaatadaptie.
7.7.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.
46
8 Bescherming van de natuur 8.1
Algemeen
8.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
8.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied 47
plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
8.2
Toetsing Voor de ontwikkeling is een quick scan natuur6 uitgevoerd. Er is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat de Natura 2000-gebieden Veluwe, Landgoederen Brummen en Rijntakken in de buurt van het besluitgebied liggen. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen, behalve een toename van verzuring en vermesting van het Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie7 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat er voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol stikstof/hectare/jaar. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Vervolgacties, zoals een vergunning Natura 2000-activiteit, zijn dan ook niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is.
De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van de ontwikkeling dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Uit de quick scan blijkt dat de volgende streng beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn of niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere
6
7
SAB (2025). Quick scan natuur. Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein 1. Projectnummer: 240231. 29 oktober 2025. SAB (2025). Onderzoek stikstofdepositie. Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein 1. Projectnummer: 240231. 28 oktober 2025.
48
soorten’ in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen: Vleermuizen. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van vleermuizen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of andere essentiële elementen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied, maar kan bouwterreinen wel makkelijk koloniseren. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen. Uit de quick scan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Hiervoor moeten preventieve maatregelen worden getroffen om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Uit de quick scan blijkt verder dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Deze vallen binnen de volgende soortgroepen: − Vogels − Grondgebonden zoogdieren Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstemming plaats te vinden met een deskundig ecoloog.
Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Wel kan voor de kap van individuele bomen een kapvergunning noodzakelijk zijn in het kader van de gemeentelijke bomenverordening. Nader natuuronderzoek In het besluitgebied is nader natuuronderzoek 8 verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van vleermuizen. In het besluitgebied is één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig welke dienstdoet als paarverblijfplaats. Met de geplande werkzaamheden zou de kraam/paarverblijfplaats verloren gaan door sloop. Verder is de kans aanwezig dat werkzaamheden zouden leiden tot het doden of verwonden van vleermuizen. In dat geval is sprake van een niettoegestane handeling. Het gaat om deze redenen om een vergunningsplichtig geval. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig in combinatie met het treffen van mitigerende 8
SAB (2025). Nader onderzoek Omgevingswet. Brummen. Graaf van Limburg Stirumplein 1. Projectnummer 240231. 17 juni 2025.
49
maatregelen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Een dergelijke omgevingsvergunning dient voor dit project aangevraagd te worden bij de provincie Gelderland. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het besluitgebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan het leefgebied van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de specifieke zorgplicht.
Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen voor verblijfplaatsen van vleermuizen houden vooral in dat in de omgeving tijdelijke kasten worden geplaatst, waarbij rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. Hierna wordt de bebouwing ongeschikt gemaakt voor vleermuizen. Als vervolgens de bebouwing vleermuisvrij is verklaard, kunnen de geplande ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Tenslotte worden nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw gerealiseerd. Het mitigeren van essentieel foerageergebied is maatwerk. Dit dient uitgewerkt te worden in een mitigatieplan in samenspraak met een ecoloog. Broedperiode en specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht van de Omgevingswet is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren.
Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Omgevingswet. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige
50
verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen.
8.3
Conclusie In het kader van voorliggende ontwikkeling wordt een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit aangevraagd. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen niet eerder wordt verleend dan nadat aangetoond kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de Omgevingswet danwel dat er een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit kan worden verleend. Op deze manier is juridisch-planologisch geborgd dat het benodigde projectplan wordt opgesteld en een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit wordt aangevraagd. Met inachtneming hiervan vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
51
9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1
Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het besluitgebied kent de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’. Voor deze archeologische waarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek benodigd is. Voor de waardevolle archeologische waarde geldt dat bij elke ingreep dieper dan 40 centimeter onder maaiveld onderzoek benodigd is. De verwachting is dat deze grens wordt overschreden. Daarom zijn een archeologisch bureauonderzoek9 en een verkennend booronderzoek10 uitgevoerd.
9
10
Bureau voor archeologie (2025). Wilhelminaschool, Graaf van Limburg Stirumplein 1, Brummen (gemeente Brummen): bureauonderzoek. ISNN: 2214-6687. Projectnummer 2024081901, 12 augustus 2025. Bureau voor archeologie (2025). Wilhelminaschool, Graaf van Limburg Stirumplein 1, Brummen (gemeente Brummen): verkennend booronderzoek. ISNN: 2214-6687. Projectnummer 2024081901, 4 november 2025 (Definitief).
52
Toetsing Archeologisch bureauonderzoek Uit het archeologisch bureauonderzoek volgt dat het besluitgebied zich bevindt in een reliëfrijk dekzandlandschap met in de ondergrond Pleistocene afzettingen. In de top van het dekzand heeft zich mogelijk een podzolgrond gevormd, die afgedekt wordt door een plaggendek van minimaal 30 cm dik. Ter hoogte van de bebouwing is de bodem tot ongeveer 108 cm -mv verstoord. Ter hoogte van de aanbouw uit 1986 is de bodem tot minimaal 85 cm -mv verstoord. Langs de west-, noord- en oostrand van het plangebied zijn hoogteverschillen tot maximaal 20 cm zichtbaar. Dit wijst op menselijk ingrijpen (ophoging, afgraving, egalisatie). Het dekzandlandschap kan bewoond zijn geweest vanaf het Laat-Paleolithicum. Het plangebied ligt nabij de historische kern van Brummen. De eerste vermeldingen van Brummen dateren uit de 8e tot 10e eeuw. In de 17e eeuw ligt ter hoogte van het plangebied mogelijk een legerkamp. Aan het begin van de 19e eeuw ligt het plangebied in een tuin. De voorganger van het huidige gebouw van de Wilhelminaschool is rond 1906 gebouwd. Dit pand is in 1952 verbouwd en in 1986 wordt het schoolgebouw uitgebreid aan de noordoostkant. Hierna vinden weinig tot geen veranderingen meer plaats. 40 m ten oosten van het plangebied zijn nederzetttingsresten uit de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen aangetroffen.
30 m ten noordwesten van het plangebied zijn middeleeuwse sporen en vondsten aangetroffen. In het besluitgebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd, gerelateerd aan bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Tevens kunnen archeologische resten aanwezig gerelateerd aan het legerkamp uit de 17e eeuw. Vanwege de aanleg van funderingen die vermoedelijk tot onder het potentiële archeologische sporenniveau reiken, worden onder de huidige bebouwing geen archeologische resten verwacht. De geplande ingrepen zijn nog niet bekend. Ter hoogte van de bebouwing is het archeologische niveau waarschijnlijk verstoord. Buiten de bestaande bebouwing kunnen archeologische resten aanwezig zijn. De exacte diepteligging van het potentiele archeologische niveau is niet bekend. Uitgaande van nabijgelegen onderzoeken ligt de top van het archeologische sporenniveau op ongeveer 70 cm -mv. Een ondiepere ligging kan niet uitgesloten worden. Aanbevolen wordt om nader te bepalen wat de aard en intactheid van het bodemprofiel is, indien graafwerkzaamheden buiten de bestaande bebouwing voorzien zijn. De meest geschikte wijze voor het nader bepalen van aard en intactheid van het bodemprofiel is het uitvoeren van een verkennend archeologisch booronderzoek.
53
Verkennend booronderzoek De ondergrond in het plangebied bestaat uit grofzandige fluvioperiglaciale afzettingen met leemlagen. In het noordwesten van het plangebied ligt hierop een mogelijke oude akkerlaag met bouwlanddek. In de rest van het plangebied is de bodem verstoord tot in de C-horizont. In de top van de natuurlijke afzettingen in het westen en noordoosten van het plangebied kunnen archeologische sporen uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen aanwezig zijn. De top van dit niveau ligt tussen 115 en 125 cm -mv (843 en 861 cm NAP). Mogelijk zijn onder de bebouwing de natuurlijke afzettingen nog deels intact. De bouwput ten behoeve van de nieuwe bebouwing zal niet dieper zijn dan 100 cm -mv. Dit is ondieper dan de bestaande funderingen en de top van de natuurlijke afzettingen. Hierdoor is de kans klein dat archeologische resten in de top van de natuurlijke afzettingen vergraven gaan worden. In de potentiële akkerlaag in het noordwesten van het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen. De top van dit niveau ligt op ongeveer 80 cm -mv. In deze akkerlaag en het bovenliggende bouwlanddek kunnen tevens resten van het 17e eeuwse legerkamp aanwezig zijn.
Gezien de ondiepe ligging van dit potentiële archeologische niveau, is het vermoedelijk grotendeels verploegd en is de kans klein dat archeologische sporen aanwezig zijn. In de akkerlaag en het bouwlanddek kunnen wel nog losse (metaal)vondsten aanwezig zijn. Gezien de aanwezigheid van ondergrondse infrastructuur is dit niveau waarschijnlijk gefragmenteerd. Hierdoor is de kans klein is dat behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, die met de gangbare prospectiemethoden op te sporen zijn. Het advies op basis van het archeologisch booronderzoek is om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente Brummen neemt dit advies als besluit over. Het plangebied kan vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling.
9.3
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: − ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
54
− verplaatsing van beschermde monumenten; − gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; − aantasting van de omgeving van een beschermend monument; − aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; − conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Toetsing De ontwikkeling op het perceel van de Wilhelminaschool is passend omdat het deelgebied met klassieke uitstraling – Zutphensestraat – met de rug naar het plangebied toe ligt. Gekozen is het plangebied aan te laten sluiten op het deelgebied met een moderne uitstraling dat ten westen van dit plangebied ligt. De gemaakte keuze heeft geen/geen noemenswaardige ruimtelijke impact op het deelgebied met klassieke uitstraling en de daar aanwezige gemeentelijke- en rijksmonumenten. In de Structuurvisie centrum Brummen wordt een onderscheid gemaakt tussen de karakteristieke, statige panden met monumentale bomen aan de Zutphensestraat en de omgeving van het Graaf van Limburg Stirumplein waar de bebouwing en de openbare ruimte een grotere maat en schaal heeft als de historische omgeving. De Wilhelminaschool is bij het laatste gebied in gedeeld. Dit sluit ook aan bij de historische ontwikkeling waarbij de Wilhelminaschool ruimtelijk gekoppeld werd met de nieuwe schoolbebouwing aan het Graaf van Limburg Stirumplein.