(162) TAM-omgevingsplan en bijlagen
Tekst van het document
Daarnaast moet voor de egel en haas gelet worden op de aanwezigheid bij het bouwrijp maken. Verder wordt sterk aangeraden om tuinen toegankelijk gemaakt en te verbinden voor de egel.
53
Er dient voor elke woondeel/ elke fase een Ecologisch werkprotocol (EWP) opgesteld te worden hoe om te gaan met de aanwezige soorten (Rode lijst, maar ook vrijgestelde soorten en dergelijke). Mogelijk dat het verstandig is om voor specifieke soorten een veldbezoek af te leggen om aan- of afwezigheid aan te tonen (bijvoorbeeld patrijs), daar het nog ruim 10 jaar duurt voordat de laatste huizen staan. Mogelijk vallen enkele woondelen/ fases samen in een EWP. Het betreft maatwerk en dient per fase beoordeeld te worden. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Wel kan voor de kap van individuele bomen een kapvergunning noodzakelijk zijn in het kader van de gemeentelijke bomenverordening.
8.3
Conclusie De omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteit voor kleine marterachtigen en steenuilen wordt aangevraagd. Daarnaast zullen de mitigerende maatregelen die in het nadere onderzoek worden beschreven worden genomen. Indien de omgevingsvergunning wordt verkregen, voldoet het besluit aan de kaders voor de bescherming van de natuur.
54
9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1
Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het besluitgebied kent grotendeels de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Voor deze archeologische verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 20 m2 en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek benodigd is. Het besluitgebied is in 2006 onderzocht middels een booronderzoek (Elzenbos fase II). Hierbij zijn twee vindplaatsen aangetroffen; een IJzertijd vindplaats in het noorden van het plangebied; en een laatmiddeleeuwse vindplaats in het zuiden. In 2010 heeft in het gebied vervolgens een grootschalig proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek bevestigde de aanwezigheid van de vindplaatsen. Het aanvullend archeologisch inventariserend veldonderzoek 9 is uitgevoerd in de bouwvlakken aan de randen van het plangebied en dient ter begrenzing van deze IJzertijd vindplaats, die in het centraal noordelijke deel (bouwvlak C) van het terrein is aangetroffen.
Het doel is het toetsen en aanvullen van de 9
Transect (2025). Brummen, Elzenbos, fase III. Gemeente Brummen (GD). Een aanvullend inventariserend veldonderzoek, middels proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase. Transectrapport 5826. 11 april 2025.
55
archeologische waardering uit het in 2010 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek door het opsporen en het waarderen van verder aanwezige archeologische resten. De resultaten hiervan worden navolgend beschreven. Uit het aanvullende proefsleuvenonderzoek volgt dat de bodemopbouw in het besluitgebied in grote mate vergelijkbaar is met de bodem zoals aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek in 2010. In het noorden van het besluitgebied bestaat de ondergrond uit de afspoelingswaaier. In de putten in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied is een kleiige, blauwgrijze beekdalafzetting met een lichtelijke gereduceerd uiterlijk aangetroffen. In dit deel van het besluitgebied zijn geen IJzertijd sporen aangetroffen. De klaarblijkelijke natte omstandigheden van dit lager gelegen stuk land, vormden waarschijnlijk geen gunstige bewoningslocatie. In het noorden en noordwesten van het onderzoeksgebied, in werkputten 4, 5, 6 en 7, zijn meerdere akker- of cultuurlagen aangetroffen. Deze bevatten over het algemeen kleine scherven (<3 cm) IJzertijd aardewerk. De IJzertijd sporen bevinden zich ook in deze lagen. De bodem wordt in het hele besluitgebied afgedekt door een (sub)recente bouwvoor. In totaal zijn 59 sporen aangetroffen. De vondsten bestaan voornamelijk uit aardewerk. Het grootste deel van de scherven zijn wandfragmenten van aardewerk dat in de IJzertijd gedateerd kan worden.
In één van de kuilen werd ook een stuk maalsteen (tefriet) aangetroffen. Ook deze is te duiden als nederzettingsafval. Deze resultaten duiden erop dat de structuur die in bouwvlak C is aangetroffen in 2010 niet op zichzelf stond, maar deel uitmaakte van een nederzetting. De aanwezigheid van meerdere akkerlagen met sporen wijzen uit dat er waarschijnlijk sprake is van een lange bewoningsgeschiedenis, met meerdere bewonings- of gebruiksfasen. Deze IJzertijd vindplaats loopt door in de bouwvlakken D en E in het noorden en noordoosten van het onderzoeksgebied. In het zuiden van het onderzoeksgebied zijn geen archeologische resten uit deze periode meer aangetroffen. Op basis van voorgaande resultaten is een selectieadvies opgesteld. Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: 1 het vrijgeven van het plangebied; 2 het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of 3 het behoud van ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven). De resten die wel in dit deel van het terrein zijn aangetroffen, een greppel en paalkuilen, kunnen worden geïnterpreteerd als sporen van landinrichting uit de Nieuwe Tijd. Deze zijn volgens de KNA-waarderingssystematiek niet behoudenswaardig. Het advies luidt dan ook om geen vervolgonderzoek uit te voeren in de bouwvlakken A, B en F, en deze vrij te geven voor de toekomstige ontwikkeling.
Er is voor het onderzoeksgebied al vastgesteld dat behoud in situ van de vindplaats niet mogelijk is. Het onderzoeksgebied zal worden opgegraven ten behoeve van behoud van de vindplaats ex situ. Voor het vervolgonderzoek in Bouwvlak C is reeds een puttenplan opgesteld. Wij adviseren om bouwvlakken D en E toe te
56
voegen aan het op te graven areaal. In het westelijke deel van bouwvlak E (werkput 11) is slechts één spoor aangetroffen. Toch zouden wij adviseren om het hele bouwvlak bij de opgraving te betrekken, omdat de zones tussen de verschillende structuren wel degelijk deel uit hebben gemaakt van de nederzetting. In deze zones met een lage spoordichtheid valt kenniswinst te behalen over het landgebruik, de ligging van de akkers ten opzichte van de structuren, de bemesting en erfgrenzen in de vorm van staken- of palenrijen en greppels. De opgraving zal worden uitgevoerd. Hiervoor is een plan van aanpak opgesteld.
9.3
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid van het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: − ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; − verplaatsing van beschermde monumenten; − gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; − aantasting van de omgeving van een beschermend monument; − aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; − conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. In en rondom het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig met een monumentale status en/of cultuurhistorische waarde. Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het besluitgebied behoort, zoals beschreven in paragraaf 2.2.
Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden.
9.4
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
57
10 M.e.r.-beoordeling 10.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
10.2
Motivering Onderhavig plan betreft de ontwikkeling van een onbebouwde gronden aan de noordoostzijde van de kern Brummen ten behoeve van woningbouw. De ontwikkeling voorziet in totaal in maximaal 279 woningen. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie J11, kolom 3 in samenhang met kolom 1, in bijlage 5 van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Voor dit type project gelden geen drempelwaarden voor een m.e.r.plicht, maar geldt wel dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk project sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarom is een m.e.r.-
58
beoordeling uitgevoerd10. Hierin is beoordeeld of als gevolg van de beoogde woningbouw-ontwikkeling nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer.
Aspect
Beoordeling milieueffecten
Natuur (gebiedsbescherming)
Op grond van uitgevoerde stikstofonderzoek zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof uitgesloten. De aanleg- en gebruiksfasen leiden niet tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Negatieve gevolgen worden uitgesloten.
Natuur (soortenbescherming)
Uit de verkennende fase (quickscan) bleek dat het projectgebied potentiële verblijfplaatsen voor de steenuil, kleine marterachtigen, steenmarter, ringslang, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, teunisbloempijlstaart en essentiële vliegroutes van vleermuizen kan bevatten. Een nader onderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat de steenmarter, boommarter, wezel, hermelijn, das, steenuil, sleedoornpage, ringslang en diverse rode lijstsoorten in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. De verschillende in het natuuronderzoek benoemde maatregelen zullen worden getroffen om deze soorten te beschermen. Ten aanzien van de kleine marterachtigen en de steenuil dient een vergunningaanvraag voor een fauna-activiteit te worden ingediend. Ervan uitgaande dat de eventuele benodigde maatregelen worden toegepast en dat de vergunning verkregen wordt, zal er ten hoogste sprake zijn van een beperkt negatief effect. Op basis van voorgaande worden significant negatieve milieueffecten op het gebied van natuur in ieder geval uitgesloten.
Verkeer
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. Een verkeersonderzoek is uitgevoerd. Dit onderzoek toont aan dat de omliggende wegenstructuur deze ontwikkeling aan kan. Er is geen nadelig milieueffect te verwachten.
Geluid
Als gevolg van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeers-aantrekkende werking. De verkeerstoename is dusdanig groot over de ontsluitingswegen dat een merkbare toename van 1,5 dB waargenomen is. Een memo over de indirecte akoestische effecten is opgesteld, waaruit blijkt dat er afnames van de geluidbelasting te zien zijn op bepaalde gevels en dat het gecumuleerde geluid van 55 dB als gevolg van de gemeentewegen en de provinciale weg nooit wordt overschreden. Daarmee is een goed akoestisch klimaat gewaarborgd op de omliggende geluidgevoelige gebouwen. Er is geen significant nadelig milieueffect.
10
SAB (2025). Mer-beoordeling Woningbouwontwikkeling Elzenbos fase III, Brummen. Projectnummer 230359. 5 november 2025.
59
Luchtkwaliteit
Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.
Archeologie
Op basis van de geldende dubbelbestemming ‘Archeologie’ zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd op de plaats van de ontwikellocatie. Daaruit blijkt dat opgravingen nodig waren op een gedeelte van het besluitgebied. De vondsten bestaan voornamelijk uit aardewerk. Het grootste deel van de scherven zijn wandfragmenten van aardewerk dat in de IJzertijd gedateerd kan worden. In één van de kuilen werd ook een stuk maalsteen (tefriet) aangetroffen. Er is voor het onderzoeksgebied al vastgesteld dat behoud in situ van de vindplaats niet mogelijk is. Het onderzoeksgebied zal worden opgegraven ten behoeve van behoud van de vindplaats ex situ. Voor het vervolgonderzoek in Bouwvlak C is reeds een puttenplan opgesteld. Er wordt geadviseerd om bouwvlakken D en E toe te voegen aan het op te graven areaal. In het westelijke deel van bouwvlak E (werkput 11) is slechts één spoor aangetroffen. Toch wordt geadviseerd om het hele bouwvlak bij de opgraving te betrekken, omdat de zones tussen de verschillende structuren wel degelijk deel uit hebben gemaakt van de nederzetting. Ervan uitgaande dat de maatregelen opgevolgd zullen zijn, wordt geen significant negatief milieueffect verwacht.
Water
De verharding neemt toe als gevolg van de ontwikkeling. Adviezen van het Waterschap over peil, grondwater en waterberging worden opgevolgd. Ervan uitgaande dat de adviezen opgevolgd zullen zijn, zijn er geen nadelige milieueffecten te verwachten.
De uitkomst van de uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het opstellen van een MER is daarom niet nodig.
10.3
Conclusie Het opstellen van een MER is niet nodig.
60
11 Economische uitvoerbaarheid 11.1
Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie besluitgebied Voorliggend plan wordt door de gemeente Brummen uitgevoerd, welke haar eigen grondexploitatie voert. Het verhaal van kosten is derhalve verzekerd via de uitgifte van grond. In deze grondexploitatie is rekening gehouden met de diverse kosten voor de ontwikkeling alsmede de opbrengsten. De economische uitvoerbaarheid van dit plan is hiermee voldoende aangetoond.
61
12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1
Participatie en overlegpartners Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Het overleg met bestuursorganen kan beperkt blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Participatie Rond december 2022 is het stedenbouwkundig plan voor het eerst gepresenteerd aan alle bewoners. Met name de vrijwilligers van het voedselbos en vertegenwoordigers van Philadelphia hebben hier hun wensen en ideeën gedeeld. Aansluitend hierop is er een werksessie georganiseerd met beide partijen. Als input voor de sessie is inmeting gemaakt van de bomen van het voedselbos en is inzichtelijk gemaakt welke bomen echt behouden moesten worden in het stedenbouwkundig plan. Met Philadelphia is overlegd over het programma direct naast hen (rug-aan-rug woningen) en de afstand.
Vanuit de zorgvraag van de cliënten is er binnen het stedenbouwkundig plan geschoven met het programma en is de afstand tot het perceel van Philadelphia vergroot. Vervolgens zijn er met de vrijwilligers van het voedselbos meerdere sessies geweest om gezamenlijk tot een consensus te komen. In februari 2024 heeft de gemeente samen met de vrijwilligers in het gebied rondgelopen en de belangrijke bomen en elementen aangewezen die behouden moesten blijven. De kaart hiernaast is daarvan een opname. Alle opmerkingen zijn meegenomen in het stedenbouwkundig plan. Met instemming van beide partijen is het voorlopig stedenbouwkundig plan in maart 2024 teruggekoppeld aan de omwonenden.
12.2
Zienswijzen De wijziging van het omgevingsplan heeft vanaf zaterdag 21 juni 2025 tot en met vrijdag 1 augustus 2025 voor een periode van zes weken voor één ieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn 15 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de zienswijzennota (zie bijlage 10).
62
63
Plas
k
Weg door de
n ne ge Ho
8A
471528
E 3807
LEGENDA I 783
I 1048
wijzigingsgebied
E 3696 E 3804
66B
2 29
294
Groen Oude
Brumm
G
ense B
eek
22
E 3805
I 930
I 931
Verkeer - Verblijfsgebied
Oude Brummense Beek
I 1088
Rh
ien
V-VB
de
re
ns
e
4F
4E
4D
Woongebied
Be
ek
4C-4 K 4 B
WG
I 1047
4A 4 H
k nen oge
ek e Be
Leiding - Gas
rens
nde Rhie
20
L-G Waarde - Archeologie hoog
E 4080
WR-AH
E 4079
Waarde - Archeologie laag
I 780
I 781
E 4081 E 4082
Elze nb
I 1825
E 3882
Waarde - Archeologie middelmatig
osw eg
I 1826
6
I 1824
WR-AM
I 1142
I 1141
I 1822
Waarde - Archeologie zeer hoog
E 4084
I 476
10
I 1050
45-77
WR-AZ geluidwal
44
I 1823
171
WR-AL
42
(gw)
40
I 1687
(sw-ngg) 18
E 3883
I 1688
32
34
I 1785
specifieke vorm van wonen - geluid (sw-gl)
36
38
I 1828 28
26
24
e Eg
37-39
I 1830
I 1829
tie lan
specifieke bouwaanduiding - berging
d ebe ekp a
I 1051
[sba-brg]
I 1690
14
r
[sba-alv]
I 1767
I 77
22
I 1689
I 1827
eB
30
I 1782
specifieke bouwaanduiding - afwijkende ligging voorgevel
19
Oud
3
Oud eB
-4
gestapeld [gs]
rum m
1-3 5
14
I 1049
ens
rum men se B
eek
E 4083
41
specifieke bouwaanduiding - gezamenlijk geluid
16 18
Elze
I 1397
20
[sba-gg] nbo
swe
g
maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)
7
I 1691
12
14
I 1770
16
I 2379
Mor g
I 2386
18
ens
43
16
ter
I 2431
14
12
Brum
I 1705
G G
2
7
28
WR-AZ
Poelruit
I 1733
21
I 1716
G
G
I 2332 G
[sba-brg]
20
19
18
8
10
12
14
16
I 1730 36
4
G
I 1729
I 1740I 1741 I 1739 I 1738 I 1737 I 1736 I 1735 I 1734 6
I 413
32 34
I 1794
23
WR-AH
G
[gs]
I 2424
13 13
WG
G
I 1718
E 2743
I 1728
I 1725I 1726 I 1724 I 1723 I 1721I 1722 I 1719I 1720
25
2742
I 1727
2
eekpa d
17
19
27
9
11
13
15
30
3
5
7
8-10K/
Brumm enseb
29
G
I 2330
31
12
G
I 1706
Oude
Kamille
33
WG
[sba-alv] [sba-gg]
12
I 1704
lokje Spiegelk
E 2843
ad
7
35
I 1715
ingsp
G
12-14K /6
I 1073
I 2335
WG
6
37
E 2842
26
I 1707 4
Ereprijs
[sba-alv] [sba-gg]
G
17
I 1072
I 2074
I 1743 8
39
artje
I 1744
10
2084
Kandela
I 2337
I 1708
41
I 2382
4-6K/2
G
20
45
24
G
22
I 1070
G
12
I 1699 I 1713 I 1712 I 1700 I 1711 I 1710 I 1701 I 1709
I 949
I 1071
[sba-gg] 7
G
24
eek
I 1693
6
26
ense B
I 2380
28
47
22
Brumm
8
20
de Plas
I 103
I 2087 I 1698
30
BGT- en kadastrale gegevens
G
49
G
I 1697
I 1714
Weg door
WG
Oude
I 2378
Poe lrui t
51
hartlijn leiding - gas
37
17
18
I 1696
10
I 2351 2
Het Stroomdal
12
Gra sla nd
6
I 1769
I 2381
7 12
Oude
10
I 1695
I 422
Het
14
4
G
35
[sba-gg]
men se
8
asland
Giete l
I 1692 2
I 1694
G
WG
beek
6
I 2384 I 2383
I 2338
Het Gr
WR-AL
4
2429 16
8 pad
I 2385
10
16
G
I 2082
18
12
12
12
G
Het
Het Str oom dal
specifieke vorm van wonen - niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen
15 G
7
13
L-G
G
11 G
3269
I 1772
7
I 2331
17
19
21
I 1755
I 1778
I 2032
I 1835
73
I 2339 De Leeu
wentan d
G
Zilvers
I 1226 45
23
15
I 1309 I 1311
18
13
11
7
20
12
I 1310 16 14
3
1
I 1216 I 1217
I 1218
6
I 1163
I 1211
7
G
3
2
5 I 2291 3 I 2292
I 1210
I 1167 I 1168
9
I 2533 I 2534 I 2532 I 2530I 2531
I 2407
I 1179
I 2098
4
3
11 I 2529
I 1595
6
33
I 1314
Meen
WR-AH
gats
traat
I 1790 I 213
WR-AM
I 1181
Meengatstraat
I 1406
50
E 2976
I 1315
I 814
48
19 42
44
17
I 1296
I 810
I 811
I 812
I 813
I 815
2 4
I 1269 I 816 I 1270
56
68
58 64
I 1278
I 825 I 1375 I 1376
I 1275
traa Haviks
t
74
109
I 835
I 829 I 830
I 831
I98671
107
I 832
I 833
I 834
I 1377 105
I 1403 I 1404 103 I 1796
Meengats tr
aat
I 1279
66
I 827 I 828
I 1274 6
72 70
30
40
50m
I 2092
I 1858
62
0 10 20 schaal 1:1000
37
29
2
46
15
g
Dwarswe
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Brummen, Elzenbos fase 3
Patrijsstraat
I 1313
35
I 2372 I 2495 I 2498
I 1298
traat Haviks
36
E 2336
7
I 424
23 I 2523 21 I 2524 19 I 2525 17 I 2526 15 I 2527 13 I 2528
23-25A
I 1178
5
E 4239
E 3577
E 2335
WR-AM
I 2496
8
I 2093
30
L-G
12
Zaagblad
Korte Zand
I 1176
60
24
I 2520 3 1 I 2521
I 1277
17
22
I 423
I 2522 25
t Meengatstraa
32
WG
G
E 3943
21
34
I 145
[sba-gg]
I 2369
1
E 3942
15
I 25195
I 2293
I 1177
I 1169
E 3581
I 25187
I 2499
10
7
E 3945
26 28
I 2290 7
I 2312
E 2970 E 3723
I 2286
I 2497
I 1166
E 3580
15
I 2289 9
I 1180
19
G
G
I 2314
I 2285
27
I 1207
E 2969
4
13
I 1165
5
E 3576 3724
5
I 1175
I 1164
E 3944
I 1204
I 2309
9
I 2517
I 2433
I 1208 E 1747
I 2284
I 1174
12 3
I 1209 I 1206
6
I 108
11 I 2516
1
15
11
11
17
7
t
I 1212
2
9
I 1205
I 2313
11
I 2288
14
I 1203 13
I 2283
V-VB
13 I 2515
Het Veengat
I 1162
Sleutelb loem
15
8
1
I 1172
16
4 19
Margrie
10 8
9
I 1173
5
1
I 1215
I 2311
18
17
I 1183 I 1214
10
I 1171
I 1160
2
I 1161
9
I 1213
21
I 1202
1970
21
11
G
4
I 1170
22
19
I 1308 20
24
I 1158
10 6
I 1389
25
I 1159 8
22
3867
12
17
I 1307
I 1201
14
19
23
I 1157
I 1232I 1305 I 1304
I 1194 16
26 27
I 251415
I 2484 I 2485 I 2486 I 2487 I 2488 I 2489 I 2490 I 2491 I 2492
13
Zwanenbloem
lblo em
ute
Sle
24
I 1156
I 2287
I 2282
G
I 1230 I 1231
29
I 2483 I 2315
G
31
G
I 1851 I 1852
I 1390
28
35 33
I 1850
I 1219
weide
G
t
37
I 1849
21
I 1306
12
G
39
23
I 1800 I 1799
I 1302
De Veld
41
I 1856 I 1855
7
I 2535
G
grie
13
41A
18
I 1857
9
I 2508
I 2452
G
Mar
15
11
I 2536
I 144
17
I 1228
I 1220
WG [sba-gg]
G
em
lblo
I 1221
I 2537
G
I 1227
I 2538
11
I 2507
43
22
20
I 2468
I 2506
3
5 7
I 2512 I 2511 I 2510 9 I 2509
I 2055
weide
ute
24
I 2505
13
26A
5
7
31
I 2479 I 2513
G
I 1223
3
33
I 2480
1
15 I 2056
I 2054
1
I 1684
25
I 1424
De Veld
Sle
37
I 1303
47
I 2481
I 2504
I 2057 17
15
I 2478
I 2467
19
I 2053
7 12
G
I 1225
26
p Kam De
13
30
I 1224 28
35
I 2052
Overzichtskaart
I 2482 I 2477
I 2503
Korte Zan d
22
I 1222 Pin
I 2051
32
I 2542
I 2502
G (gw)
[sba-gg]
V-VB
I 2539 I 2540 I 2541
21
11
m bloe
49
m loe er b kst
I 2059
I 2050
WG
I 2501
I 146
7 12
12
I 2465
I 2058
24
26
28
I 206023
7
9
Sleutelb loem
I 2417
18
I 2500
Hooimate
I 1652
I 2416 30
20
34
I 1485
1
16
I 1422
r ste Pink
WG
[sba-alv] [sba-gg] (sw-ngg) (sw-gl)
7
[sba-gg]
I 2062 27
I 2049
5
De Zomp
choon
ide
36
I 1423
I 1189 I 1188 I 1187 I 1186 I 1185 12 4
32 18-
Gat van Cortenoever
G
WG
engat
I 206125
A
WG
[gs]
7
Het Ve
Hoornbloem
eldwe
I 1190
I 2048
I 1421
I 1486 0 2-1
11
12
De Lee uwenta nd
I 2063 29
3
De V
I 1960
6 2-1
I 2047
1
38 53
WG
[sba-gg] 11
[sba-gg]
Hooimat e
I 1235
WR-AL
G
G
I 1420
E 4104
G
12
I 2334
I 2034
I 1199
G
G
Hooimate
75
eelster Akkerg
I 2392
1-51
I 107
7
71
69
65
WG [sba-gg]
I 1776
I 1777 67
[gs]
11
I 2336
I 1797
2033
11
12
77
I 1751 I 1773 I 1775 I 1754I 1753 I 1752 I 1780 I 1779
[sba-gg]
Het Giete
E 4217 23
9
11
13
44
I 1774
3
5
7
WG
7
G
1
[sba-gg] G
ring Goudzu
ing Goudzur
I 2333
WG Het Stroomdal
3
I 1748
2
Poelruit
5
196B
G
I 201742
I 1749
4
G
I 1717
6
G
9
11
lingspad
Helmkruid
11 198
I 1750
88
90
96 94 9I2695 I 669 I 670 90
92 94
I 672
I 1280 I 658 I 659
98
96
I 675 I 673 I 674
I 660
I 661
100
I 676
102
104
I 603 37
I 677 I 602 I 678 I 1379 35 I 1380 I 1381 I 601 3 I 1286 3 I 1382 I 1287 I 1288 I 600
projectnummer:
230359
datum:
05-11-2025
papierformaat:
A0
datum ondergrond:
10-09-2024
bladnummer:
1/1
ontwerp:
19-06-2025
gemeente:
Brummen
vaststelling:
-
identificatiecode:
NL.IMRO.0213.TAMBRELZ12000-va01
I 1283 10 3I7694 A 6 108 37B 3I7693 C 3I 7692 D I 690 3I7691 E I 689
110
112
I 1431 straat
E 1796
WR-AM
[gs]
40
delaar
200
38 G
Kamille
I 1771
12
sab advs ieursn i rum i tejik leontwk iken il g Arnhem&Amsterdam 026-3576911 www.sab.nl
471550
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Brummen, Elzenbos fase 3 Regels TAM-omgevingsplan Gemeente Brummen NL.IMRO. 0213.TAMBRELZ12000-va01
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
10 november 2025, projectnummer 230359
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave Regels
3
1 (H. 22m paragraaf 1) Inleidende regels
4
Artikel 1
Toepassingsbereik
4
Artikel 2
Begripsbepalingen
4
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
10
2 (H. 22m paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen 11 Artikel 4
Groen
11
Artikel 5
Verkeer - Verblijfsgebied
13
Artikel 6
Woongebied
14
Artikel 7
Leiding - Gas
19
Artikel 8
Waarde - Archeologie hoog
21
Artikel 9
Waarde - Archeologie laag
25
Artikel 10 Waarde - Archeologie middelmatig
29
Artikel 11 Waarde - Archeologie zeer hoog
33
3 (H. 22m paragraaf 3) Algemene regels voor activiteiten 37 Artikel 12 Anti-dubbeltelregel
37
Artikel 13 Planologische gebruiksactiviteiten
37
Artikel 14 Parkeeractiviteiten
37
Artikel 15 Overige regels
40
4 (H. 22m paragraaf 4) Overgangsregels Artikel 16 Overgangsrecht
41 41
Bijlagen − Bijlage 1: Nummering bouwvlakken − Bijlage 2: Locatie geluidsscherm − Bijlage 3: Niet-geluidgevoelige gevels − Bijlage 4: Lijst van aan-huis-gebonden bedrijfsactiviteiten bij de functie Wonen
De verbeelding Verbeelding met legenda
Regels Dit TAM-omgevingsplan beoogt de planologische borging van de realisatie van 279 woningen op de locatie ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Brummen, Elzenbos fase 3. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22m van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22m' gelezen worden. De bijlagen bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22m bij het omgevingsplan van de gemeente Brummen.
3
1 (H. 22m paragraaf 1) Inleidende regels Artikel 1
Toepassingsbereik 1 De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2 De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3 De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie “Brummen, Elzenbos fase 3” waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0213.TAMBRELZ12000-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2
Begripsbepalingen 1
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
2
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in het eerste lid de volgende begripsbepalingen:
2.1
plan het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Brummen, Elzenbos fase 3 met identificatienummer NL.IMRO.0213.TAMBRELZ12000-va01 van de gemeente Brummen met de daarbij behorende geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;
2.2
aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt;
2.3
aaneengebouwde woningen twee of meer woningen met de hoofdgebouwen aaneengebouwd;
2.4
aan huis gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door een bewoner van die woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft, die met de
4
woonfunctie in overeenstemming is, zoals arts, notaris of advocaat; evenwel met uitzondering van prostitutie; 2.5
aan huis gebonden bedrijf bedrijfsmatige activiteit voorkomend in milieucategorie 1 of 2, dan wel een naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een kapsalon, schoonheidssalon of bed and breakfast; evenwel met uitzondering van prostitutie;
2.6
aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
2.7
aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
2.8
archeologisch deskundige de regio-archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;
2.9
archeologisch onderzoek het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;
2.10
archeologische waarde de aan een gebied toegekende bekende of te verwachten waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten;
2.11
antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
2.12
bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
2.13
bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
2.14
bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het
5
bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen; 2.15
bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
2.16
bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
2.17
bijgebouw een met het hoofdgebouw verbonden (wel of niet vanuit het hoofdgebouw te bereiken) of daarvan vrijstaand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw, in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in functioneel opzicht ten dienste staat van het hoofdgebouw;
2.18
bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
2.19
bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van zolder en kelder;
2.20
bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten;
2.21
bouwvlak een vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
2.22
bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
2.23
detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
2.24
dienstverlening het bedrijfsmatig aanbieden van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;
6
2.25
evenement een één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak;
2.26
functie doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan, is toegestaan;
2.27
gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
2.28
gestapelde woning een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat al dan niet met daarbij behorende bergingen waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is;
2.29
hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn architectonische verschijningsvorm en functie als het belangrijkste gebouw valt aan te merken;
2.30
huishouden een persoon of een groep personen die op hetzelfde adres woont en/of wonen en in vast verband, waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid (bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van binding), duurzaam samenleven;
2.31
jongerenontmoetingsplaats een door het gemeentebestuur als zodanig aangewezen of ingerichte voor jongeren bedoelde openbare locatie, al dan niet met bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
2.32
kunstwerken creatieve voortbrengselen van de beeldende kunst zoals beeldhouwwerken, schilderijen en andere kunstzinnige objecten;
2.33
mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
2.34
niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen niet-geluidgevoelige gevel die met toepassing van artikel 5.78y, tweede lid Bkl als zodanig is aangemerkt;
7
2.35
ondergronds bouwwerk (een gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil;
2.36
overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak;
2.37
peil a voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; c voor een bouwwerk ten behoeve van spoorwegdoeleinden: de bovenkant van de spoorstaaf;
2.38
perceelsgrens een grenslijn tussen percelen onderling;
2.39
rug-aan-rug woning een woning waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een andere woning;
2.40
seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of op een kennelijk bedrijfsmatige wijze seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
2.41
prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
2.42
standplaats een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
2.43
straatmeubilair de op of bij de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halte aanduidingen, parkeer- en verkeersregulerende constructies, brandkranen, informatie- en reclameconstructies, rijwielstandaards, papierbakken, zitbanken, plantenbakken, communicatievoorzieningen, gedenktekens en speelplekvoorzieningen en abri's;
8
2.44
terras een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- en/of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken en/of spijzen kunnen worden genuttigd;
2.45
twee-onder-één-kap woning een woning waarvan het hoofdgebouw aan één zijde is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning;
2.46
uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt;
2.47
vloeroppervlakte de oppervlakte, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen;
2.48
voorgevellijn de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan;
2.49
voorgevelrooilijn de naar de openbare weg gekeerde grens van het bouwvlak of bestemmingsvlak, of indien het een bouwvlak of bestemmingsvlak betreft met meer dan één naar de weg gekeerde grenzen, die grens die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
2.50
voorzieningen van algemeen nut voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, waterbeheer, afvalinzameling, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
2.51
vrijstaande woning een woning waarvan het hoofdgebouw niet aan het hoofdgebouw van een andere woning is gebouwd;
2.52
woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden.
9
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
3.1
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de kortste afstand van het gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens.
3.2
bebouwd oppervlak van een bouwperceel de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken samen.
3.3
bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.4
breedte, diepte c.q. lengte van gebouwen tussen de buitenwerkse (hoofd)gevelvlakken en/of harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
3.5
goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van een risaliet tot 2,5 meter breed, dakkapellen en wolfeinden.
3.6
inhoud van een gebouw tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.7
oppervlakte van gebouwen en bouwwerken − voor gebouwen: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of het overkapte gedeelte, neerwaarts geprojecteerd tot op peil; − voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: het overdekte en/of bebouwde grondoppervlakte (gemeten loodrecht onder het dakoppervlak en/of bouwwerk).
3.8
uitzonderingen bij wijze van meten Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,50 meter bedraagt.
10
2 (H. 22m paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen Artikel 4 4.1
Groen Functieomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden mogen worden benut voor: a groenvoorzieningen; b voet en rijwielpaden; c ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' is een geluidwerende voorziening toegestaan; en de daarbij behorende: d parkeervoorzieningen; e bermen en beplanting; f
gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
g paden; h speelvoorzieningen, met uitzondering van jongerenontmoetingsplaatsen; i
hondenuitlaatplaatsen;
j
kunstwerken;
k evenementen; l
waterlopen en waterpartijen;
m boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2
Beoordelingsregels
4.2.1
Toepassingsbereik In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels.
4.2.2
Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3 meter; b de maximale oppervlakte van gebouwen bedraagt 15 m²; c in afwijking van het bepaalde onder b mag de maximale oppervlakte ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - berging’ 35 m2 bedragen.
4.2.3
Bouwwerken, geen gebouw zijnde Binnen deze functie zijn, met uitzondering van het bepaalde in artikel 4.2.2, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen, toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen;
11
b in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 12 meter bedragen. 4.3
Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften opnemen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; c om de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving te waarborgen; d om de verkeersveiligheid te waarborgen; e om de sociale veiligheid te waarborgen; f
om de brandveiligheid en rampenbestrijding te waarborgen.
12
Artikel 5 5.1
Verkeer - Verblijfsgebied Functieomschrijving De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden mogen worden benut voor: a wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; b voet- en rijwielpaden; met de daarbij behorende: c gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d parkeervoorzieningen; e groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting; f
speelvoorzieningen, met uitzondering van een jongerenontmoetingsplaats;
g hondenuitlaatplaatsen; h voorzieningen van algemeen nut; i
kunstwerken;
j
terrassen;
k evenementen; l
straatmeubilair;
m ondergrondse afvalcontainers; n waterlopen en waterpartijen; o boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.2
Beoordelingsregels
5.2.1
Toepassingsbereik In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 5.2 opgenomen beoordelingsregels.
5.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag 5 meter bedragen; b in afwijking van het bepaalde onder a mag de maximale bouwhoogte van lichtmasten en portalen 12 meter bedragen; c in afwijking van het bepaalde onder a mag de maximale bouwhoogte van een antenne-installatie 15 meter bedragen.
13
Artikel 6 6.1
Woongebied Functieomschrijving Gronden binnen de functie 'Woongebied' mogen worden benut voor: a wonen in een woning; b een ontsluitingsweg; c groenvoorzieningen; d waterlopen, waterpartijen en andere waterhuishoudkundige voorzieningen; e het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep of bedrijf; met de daarbij behorende: f
tuinen en erven;
g voet- en rijwielpaden; h wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; i
kunstwerken;
j
parkeervoorzieningen;
k speelvoorzieningen; l
waterberging.
6.2
Beoordelingsregels
6.2.1
Toepassingsbereik In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 6.2 opgenomen beoordelingsregels.
6.2.2
Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a het aantal woningen binnen de voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden bedraagt maximaal 279; b de voorgevel van een hoofdgebouw dient minimaal 3 meter uit de voorste bouwperceelsgrens te worden gebouwd; c in afwijking van het bepaalde onder b dient de voorgevel van een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - afwijkende ligging voorgevel’ minimaal 1,5 meter uit de voorste bouwperceelsgrens te worden gebouwd; d gestapelde woningen zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ toegestaan; e de maximale diepte van grondgebonden woningen bedraagt: woningtype
Maximale diepte
Vrijstaande woningen
13 m
Twee-onder-één-kap woningen
13 m
Aaneengebouwde woningen
9m
Rug-aan-rug woningen
9m
14
f
de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt: Minimale afstand hoofdgebouw tot woningtype
zijdelingse perceelsgrens
Vrijstaande woningen
3 m aan één zijde en 1,5 m aan de andere zijde
Twee-onder-één-kap woningen
3 m aan één zijde
Aaneengebouwde woningen
niet van toepassing
Rug-aan-rug woningen
niet van toepassing
g de maximale breedte van het hoofdgebouw bedraagt: woningtype
Maximale breedte
Vrijstaande woningen
13 m
Twee-onder-één-kap woningen
10 m
Aaneengebouwde woningen
8m
Rug-aan-rug woningen
8m
h de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goothoogte; i
de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
j
onder het peil gelegen kelders en verblijfsruimten mogen de bebouwingscontour van de woning niet overschrijden.
6.2.3
Aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen Voor het bouwen van aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a de gezamenlijke oppervlakte aan aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen mag maximaal 70 m² per woning bedragen, mits de bebouwde oppervlakte van het bouwperceelgedeelte achter de voorgevellijn niet meer bedraagt dan 60%; b een aan- en/of uitbouw dan wel een bijgebouw mag uitsluitend vanaf 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gebouwd; c het bepaalde in artikel 6.2.3 onder lid b geldt niet voor rug-aan-rug woningen; d de maximale goot- en bouwhoogte van aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen bedragen respectievelijk 3,5 en 5 meter; e aan- en/of uitbouwen mogen tevens gebruikt worden ten behoeve van de woonfunctie.
6.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels: a de maximale bouwhoogte van zwembaden bedraagt 0,6 meter; b de maximale bouwhoogte van overkappingen bedraagt 3 meter; c de maximale bouwhoogte van verlichtings- en vlaggenmasten bedraagt 8 meter; d de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 75 m2 bedragen;
15
e de gezamenlijke oppervlakte van de bij woningen behorende overkappingen mag per woning maximaal 30 m2 bedragen; f
de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 3 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 meter mag bedragen.
6.2.5
Gezamenlijk geluid a Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gezamenlijk geluid' mag het gezamenlijk geluid op de gevels niet meer bedragen dan is aangegeven in de volgende tabel: bestemmingsvlak
Gezamenlijk geluid (in dB Lden)
1
64
2
57
3
57
4
53
5
55
6
58
7
58
8
58
9
58
10
62
12
55
13
56
14
56
15
58
De locatie van de in de tabel genoemde bestemmingsvlakken is grafisch weergegeven in bijlage 1 van deze regels; b bij toepassing van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen dient het gezamenlijk geluid zoals opgenomen onder a met 3 dB te worden verhoogd. 6.3 6.3.1
Toegestane gebruiksactiviteiten Algemene regels aan-huis-gebonden beroep of bedrijf Het is toegestaan om een aan-huis-gebonden- beroep of bedrijf uit te oefenen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a maximaal 50 m2 van de oppervlakte van de bebouwing mag worden gebruikt voor een aan huis-gebonden beroep of bedrijf; b deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben.
6.3.2
niet-geluidgevoelige gevel en geluidwerende voorziening Het is toegestaan om woningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - geluid’ in gebruik te nemen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
16
a er wordt een grondwal aangelegd en instandgehouden ter plaatse van de aanduiding ‘geluidwal’ welke voldoet aan de volgende voorwaarden: 1 een minimale hoogte van 3 m; 2 een minimale lengte van 100 m. b er wordt een geluidsscherm aangelegd en instandgehouden ter plaatse van de aanduiding ‘geluidwal’ welke voldoet aan de volgende voorwaarden: 1 gebouwd bovenop de onder a bedoelde grondwal; 2 een minimale hoogte van 2 m; 3 gebouwd op de locatie en over de lengte die grafisch is weergegeven in bijlage 2; 4 het geluidsscherm dient conform artikel 6.5 van de Omgevingsregeling een massa per eenheid van oppervlakte te hebben van tenminste 10 kg/m 2 en er mogen zich geen grote kieren of openingen in bevinden. c de gevels ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’ welke in bijlage 3 zijn aangegeven met een rode lijn: 1 te realiseren op de locatie zoals opgenomen in bijlage 3, 2 vanaf de tweede bouwlaag uit te voeren als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen.
d de gevels ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’ welke in bijlage 3 zijn aangegeven met een blauwe lijn: 1 te realiseren op de locatie zoals opgenomen in bijlage 3, 2 vanaf de derde bouwlaag uit te voeren als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen 6.4 6.4.1
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten De uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aan huis gebonden bedrijf exploiteren.
6.4.2
Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden en de ruimtelijke uitwerking is in overeenstemming met de woonfunctie, dan wel geen ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt. Dit betekent dat: 1 het medegebruik van ondergeschikte betekenis moet zijn en maximaal 40% van het totale vloeroppervlakte van de woning voor dat doel mag worden gebruikt, met een maximum van 50 m2 per woning; 2 de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven; 3 de woning moet blijven voldoen aan het Bouwbesluit en de bouwverordening; 4 degene die het aan huis gebonden bedrijf uitoefent ook de gebruiker is van de woning;
17
5 slechts beroepen of bedrijven toelaatbaar zijn, die behoren tot de categorie 1 en 2 van de als bijlage 4 bijgevoegde Lijst van aan-huis-gebonden bedrijfsactiviteiten bij de functie Wonen; 6 geen onevenredige verstoring mag plaatsvinden van de voorzieningenstructuur; 7 geen detailhandel mag plaatsvinden, behoudens een beperkte verkoop –als ondergeschikte nevenactiviteit- van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het aan huis gebonden beroep of bedrijf; 8 het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling, casu quo niet onevenredig veel extra verkeer wordt aangetrokken; 9 het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de parkeerbalans, casu quo primair op eigen terrein moet worden geparkeerd door gebruiker en bezoekers; 10 reclame- uitingen beperkt moeten blijven een en ander conform de wettelijke bepalingen; 11 het bij de woning behorende bouwperceel niet mag worden gebruikt voor werkzaamheden en opslag ten behoeve van het aan huis gebonden bedrijf; 12 vrijstaande bijgebouwen niet mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf. 6.4.3
Niet-geluidgevoelige gevel en geluidwerende voorziening Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de woningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - geluid’ in gebruik te nemen zonder te voldoen aan de in artikel 6.3.2 genoemde voorwaarden.
6.4.4
Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.3 kan worden verleend, indien: a middels een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat de geluidbelasting op de gevels van de woning en/of op delen van de gevel van de woning minder bedraagt dan 60 dB Lden; b maatregelen worden uitgevoerd, indien deze op basis van het in lid a genoemde akoestisch onderzoek noodzakelijk worden geacht.
18
Artikel 7 7.1
Leiding - Gas Gebiedsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, overeenkomstig de aanduidingen tevens bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een gastransportleiding.
7.2 7.2.1
Vergunningplichtige activiteiten Toepassingsbereik Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 7.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag te bouwen.
7.2.2
Toegestane bouwactiviteiten Het in artikel 7.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de bouwactiviteiten betrekking hebben op bouwwerken ten behoeve van de functie ‘Leiding Gas’, met dien verstande dat: a op of in deze gronden geen gebouwen mogen worden gebouwd; b de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 2,5 m mag bedragen.
7.2.3
Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien: a geen onevenredige aantasting plaatsvindt of kan plaatsvinden van het doelmatig functioneren van de leiding respectievelijk geen onevenredig risico ontstaat of kan ontstaan voor mensen en/of gebouwen; b daartoe vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding.
7.3 7.3.1
Vergunningplichtige overige activiteiten Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 7.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e diepploegen; f
het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven, en daarmee verband houdende constructies;
g het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
19
7.3.2
Uitzonderingen op de vergunningplicht Het in artikel 7.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
7.3.3
Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
7.3.4
Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien: a geen onevenredige aantasting plaatsvindt of kan plaatsvinden van het doelmatig functioneren van de leiding; b vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.