CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(162) TAM-omgevingsplan en bijlagen

Besluitvormende raadsvergadering 18 december 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Elzenbos fase 331.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

20

Artikel 8 8.1

Waarde - Archeologie hoog Gebiedsomschrijving a De gronden binnen het gebied ‘Waarde - Archeologie hoog’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden; b In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de gebiedsaanwijzing ‘Waarde - Archeologie hoog’ voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

8.2 8.2.1

Vergunningplichtige activiteiten Toepassingsbereik Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 8.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm.

8.2.2

Toegestane bouwactiviteiten Het in artikel 8.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de bouwactiviteiten betrekking hebben op: a vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 250 m2; of c een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.

8.2.3

Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

8.2.4

Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 8.2.3 genoegzaam blijkt dat: a er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften.

8.2.5

Maatwerkvoorschriften In de situatie als bedoeld in artikel 8.2.4, onderdeel b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

21

b de verplichting tot het doen van opgravingen; of c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 8.2.6

Toepassing maatwerkvoorschrift Indien het bepaalde in artikel 8.2.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

8.2.7

Eerder verleende omgevingsvergunning Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 8.2.4, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 8.2.5, is het bepaalde in artikel 8.2.1 aanhef voor wat betreft de diepte van de bodemingrepen en het bepaalde in artikel 8.2.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 8.2.4, 8.2.5 en 8.2.6 is van overeenkomstige toepassing.

8.2.8 a Het bepaalde in artikel 8.2.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld; b in een situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 8.2.5. 8.3 8.3.1

Vergunningplichtige overige activiteiten Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 8.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm; b het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d verlagen of verhogen van het waterpeil; e aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f

aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

g het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.

22

8.3.2

Uitzonderingen op de vergunningplicht Het in lid 8.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 8.2 van toepassing is; b een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m 2; c reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan; d worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of

g ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 8.3.3

Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

8.3.4

Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 8.3.3 genoegzaam blijkt dat: a er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften.

8.3.5

Maatwerkvoorschriften In de situatie als bedoeld in artikel 8.3.4, onderdeel b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; of c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

8.3.6

Toepassing maatwerkvoorschriften Indien het bepaalde in artikel 8.3.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

23

8.3.7

Eerder verleende omgevingsvergunning Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 8.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 8.3.5, is het bepaalde in artikel 8.3.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 8.3.4, 8.3.5 en 8.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

8.3.8 a Het bepaalde in artikel 8.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b In een situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 8.3.5.

24

Artikel 9 9.1

Waarde - Archeologie laag Gebiedsomschrijving a De gronden binnen het gebied ‘Waarde - Archeologie laag’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden; b In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de gebiedsaanwijzing ‘Waarde - Archeologie laag’ voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

9.2 9.2.1

Vergunningplichtige activiteiten Toepassingsbereik Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 9.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm.

9.2.2

Toegestane bouwactiviteiten Het in artikel 9.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de bouwactiviteiten betrekking hebben op: a vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2; of c een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.

9.2.3

Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

9.2.4

Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 9.2.3 genoegzaam blijkt dat: a er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften.

9.2.5

Maatwerkvoorschriften In de situatie als bedoeld in artikel 9.2.4, onderdeel b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

25

b de verplichting tot het doen van opgravingen; of c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 9.2.6

Toepassing maatwerkvoorschrift Indien het bepaalde in artikel 9.2.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

9.2.7

Eerder verleende omgevingsvergunning Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 9.2.4, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 9.2.5, is het bepaalde in artikel 9.2.1 aanhef voor wat betreft de diepte van de bodemingrepen en het bepaalde in artikel 9.2.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 9.2.4, 9.2.5 en 9.2.6 is van overeenkomstige toepassing.

9.2.8 a Het bepaalde in artikel 9.2.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b In een situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 9.2.5. 9.3 9.3.1

Vergunningplichtige overige activiteiten Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 9.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm; b het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d verlagen of verhogen van het waterpeil; e aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f

aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

g het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.

26

9.3.2

Uitzonderingen op de vergunningplicht Het in artikel 9.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 9.2 van toepassing is; b een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m 2; c reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan; d worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of

g ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 9.3.3

Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

9.3.4

Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 9.3.3 genoegzaam blijkt dat: a er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften.

9.3.5

Maatwerkvoorschriften In de situatie als bedoeld in artikel 9.3.4, onderdeel b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; of c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.3.6

Toepassing maatwerkvoorschriften Indien het bepaalde in artikel 9.3.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

27

9.3.7

Eerder verleende omgevingsvergunning Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 9.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 9.3.5, is het bepaalde in artikel 9.3.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 9.3.4, 9.3.5 en 9.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

9.3.8 a Het bepaalde in artikel 9.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b In een situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 9.3.5.

28

Artikel 10 10.1

Waarde - Archeologie middelmatig Gebiedsomschrijving a De gronden binnen het gebied ‘Waarde - Archeologie middelmatig’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden; b In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de gebiedsaanwijzing ‘Waarde - Archeologie middelmatig’ voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

10.2 10.2.1

Vergunningplichtige activiteiten Toepassingsbereik Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 10.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm.

10.2.2

Toegestane bouwactiviteiten Het in artikel 10.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de bouwactiviteiten betrekking hebben op: a vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b een of meer bouwwerken waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 1.000 m2; of c een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.

10.2.3

Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

10.2.4

Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 10.2.3 genoegzaam blijkt dat: a er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften.

10.2.5

Maatwerkvoorschriften In de situatie als bedoeld in artikel 10.2.4, onderdeel b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

29

b de verplichting tot het doen van opgravingen; of c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 10.2.6

Toepassing maatwerkvoorschrift Indien het bepaalde in artikel 10.2.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

10.2.7

Eerder verleende omgevingsvergunning Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 10.2.4, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 10.2.5, is het bepaalde in artikel 10.2.1 aanhef voor wat betreft de diepte van de bodemingrepen en het bepaalde in artikel 10.2.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 10.2.4, 10.2.5 en 10.2.6 is van overeenkomstige toepassing.

10.2.8 a Het bepaalde in artikel 10.2.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b In een situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 10.2.5. 10.3 10.3.1

Vergunningplichtige overige activiteiten Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 10.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: a afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm; b het ophogen van gronden met meer dan 50 cm; c heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; d verlagen of verhogen van het waterpeil; e aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f

aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

g het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.

30

10.3.2

Uitzonderingen op de vergunningplicht Het in artikel 10.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien de werken of werkzaamheden: a worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 10.2 van toepassing is; b een oppervlakte beslaan van ten hoogste 1.000 m 2; c reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan; d worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud; e worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik; f

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning, of

g ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 10.3.3

Aanvraagvereisten De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.3.1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

10.3.4

Beoordelingsregels Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 10.3.3 genoegzaam blijkt dat: a er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden voorschriften.

10.3.5

Maatwerkvoorschriften In de situatie als bedoeld in artikel 10.3.4, onderdeel b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het doen van opgravingen; of c de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

10.3.6

Toepassing maatwerkvoorschriften Indien het bepaalde in artikel 10.3.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

31

10.3.7

Eerder verleende omgevingsvergunning Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, bedoeld in artikel 10.3.1, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in artikel 10.3.5, is het bepaalde in artikel 10.3.2, aanhef en onderdeel b, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Het bepaalde in de artikelen 10.3.4, 10.3.5 en 10.3.6 is van overeenkomstige toepassing.

10.3.8 a Het bepaalde in artikel 10.3.3 is niet van toepassing indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. b In een situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden als bedoeld in artikel 10.3.5.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16280755/2