(162) TAM-omgevingsplan en bijlagen
Tekst van het document
6.4
Conclusie Het besluit voldoet aan de kades voor het aspect water.
29
7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1
Geluid
7.1.1
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Grenswaarde in Lden (dB)
Geluidbronsoorten
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en
Standaardwaarde in Lden (dB)
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen
aanpassing bron
50
60
65
53
70
70
55
65
70
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Aanleg of
waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd
30
gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. 7.1.2
Motivering Geluid door wegen Met voorliggend project is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de onderzoekszone van verschillende wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer3 verricht. Hierin zijn de Provinciale weg N348 en de omliggende gemeentewegen beoordeeld. Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Provinciale wegen Om aan de grenswaarde te kunnen voldoen zijn reeds maatregelen in de vorm van een grondwal met scherm en ‘niet-geluidgevoelige gevels’ opgenomen in de berekening. De grondwal dient minimaal 3 meter hoog te zijn. Het scherm is minimaal 2 meter hoog en dient ten minste 100 meter lang te zijn. Het scherm moet conform de Omgevingsregeling artikel 3.3.7 voldoende geluidsisolatie hebben, (een massa van 10 kg/m2) en er bevinden zich geen grote kieren en openingen in het object. Dit dient opgenomen te worden in de verbeelding en regels bij het omgevingsplan. Verder is gekozen om de noord en oostgevels van het meest oostelijke bouwvlak ‘niet-geluidgevoelig te maken’. Dat wil zeggen dat hier geen openslaande ramen of deuren in mogen komen tenzij dit een gemeenschappelijke ingang betreft. De oostgevel dient vanaf de tweede bouwlaag niet-geluidgevoelig te zijn. De noordgevel dient vanaf de derde bouwlaag niet-geluidgevoelig te zijn.
Dit dient eveneens te 3
SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Brummen, Elzenbos fase 3. Projectnummer: 230359. 24 september 2025.
31
worden geregeld in het omgevingsplan. Het voornemen is om niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen toe te passen. De maximale geluidbelastingen per bouwvlak zijn hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de woningen direct grenzend aan de N348. De hoogste geluidbelasting bedraagt 60 dB Lden. Op basis van het stedenbouwkundigplan zullen alle woningen ook een geluidbelasting hebben die voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB Lden. Ook het blok met niet-geluidgevoelige gevels zullen een geluidluwe gevel aan het hofje krijgen. Zo is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Bronmaatregelen aan de N348 zijn financieel doelmatig en dienen overlegd te worden met bevoegd gezag. Echter, deze brengen de geluidbelasting niet terug tot de standaardwaarde. Bij afschaling naar 80 km/uur en toepassing van akoestisch geoptimaliseerd SMA over het relevante traject zal de hoogste geluidbelasting nog steeds 58 dB L den bedragen. Daarnaast zou er een afwaardering van de geluidproductieplafonds plaats moeten vinden om deze reductie formeel vast te leggen. Vooralsnog heeft de provincie geen dergelijke afwaardering voorgenomen.
Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden overschreden voor twee bouwvlakken, welke aan De Leeuwentand, Het Grasland en Elzenbosweg liggen. Uit onderzoek is gebleken dat de Elzenbosweg en Leeuwentand op stedenbouwkundigniveau ook overschrijdingen veroorzaken, dus deze wegen zijn nader onderzocht. De grenswaarde wordt niet overschreden. Leeuwentand De maximale geluidbelastingen zijn hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de (beoogde) woningen direct grenzend aan De Leeuwentand. Voor het relevante bouwvlak zijn echter ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die die standaardwaarde van 53 dB Lden niet overschrijden. Dit is ook met het stedenbouwkundigplan aangetoond. Het vervangen van de wegdekverharding voor DAB zal overschrijdingen wegnemen. Dit is een relatief eenvoudige maatregel voor een weg die hoe dan ook drukker zal worden. Andere maatregelen zijn landschappelijk, stedenbouwkundig of financieel niet wenselijk dan wel doelmatig. Elzenbosweg De maximale geluidbelastingen zijn hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de (beoogde) woningen direct grenzend aan de Elzenbos.
Voor het relevante bouwvlak zijn echter ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die die standaardwaarde van 53 dB Lden niet overschrijden. De overschrijding kan worden weggenomen door de rijsnelheid te verlagen van 60 km/uur naar 30 km/uur. Het gaat in deze situatie om een
32
erftoegangsweg dus de rijsnelheid naar 50 km/uur veranderen zou verkeerskundig niet logisch zijn. Indien de maatregel niet toegepast wordt moet er hoger gezamenlijk geluid voor het betreffende bouwvlak worden opgenomen Hoger gezamenlijk geluid Indien geen verdere maatregelen worden genomen dan de grondwal met scherm is er voor een groot aantal bouwvlakken hoger gezamenlijk geluid aanwezig dat moet worden opgenomen in het omgevingsplan. Navolgende tabel geeft per bouwvlak dit hoger gezamenlijk geluid weer. Hogere gezamenlijk geluid per bouwvlak met overschrijdingen Kenmerk
Benodigde hogere waarde in dB Lden vanwege
toetspunt
Geluidbelasting
Maatgevende wegen
1
1.09
64*
Provinciale weg
2
2.06
57
Provinciale weg
3
3.05
57
Provinciale weg
4
4.09
53
Provinciale weg
5
5.07
55
Provinciale weg
6
6.01
58
Provinciale weg
7
7.04-7.06
58
Provinciale weg
8
8.05, 8.06
58
Provinciale weg
bouwvlak
9
9.03, 9.04
58
Provinciale weg
10
10.08-10.10
62
Gemeentewegen
12
12.05, 12.06
55
Gemeentewegen
13
13.04-
56
Gemeentewegen
14
14.06
56
Provinciale weg
15
15.03
58
Provinciale weg
*het gezamenlijk geluid is voor de geluidisolatie benodigd. Deze gevel zal niet-geluidgevoelig worden. Geluid door activiteiten Het besluitgebied grenst aan de west- en zuidzijde aan een gebied dat hoofdzakelijk bestaat uit de woonfunctie. Aan de noord- en oostzijde bevinden zich hoofdzakelijk agrarische gronden. In de omgeving van het besluitgebied zijn ook enkele andere functies aanwezig, zoals een zonnepark en een woonzorgcluster. Daarom is inzichtelijk gemaakt in hoeverre de omliggende functies van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling in het besluitgebied. Voor het woonzorgcluster geldt op basis van de publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 30 m. De afstand tussen de bestemming ‘Maatschappelijk’ (ter plaatse van het woonzorgcluster) en de functie ‘Woongebied’ waar nieuwe woningen gerealiseerd kunnen wonen bedraagt 30 m. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.
33
Voor het zonnepark geldt een richtafstand van 30 meter waar niet overal aan voldaan kan worden. Beargumenteerd wordt echter dat het zonnepark in de praktijk bijna geen geluid produceert. Het transformatorhuisje van de het zonnepark, waar het meeste geluid geproduceerd wordt, bevindt zich aan de noordoostzijde van het zonnepark. Dit is op ruime afstand van de beoogde woningen, waardoor hier geen geluidhinder verwacht hoeft te worden. Ten westen van het besluitgebied ligt het bedrijventerrein Rhienderen-Noord. Hier kunnen zich bedrijven tot en met categorie 4.2 vestigen, waarvoor op basis van de publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ en richtafstand van 300 m geldt. Het bedrijventerrein ligt op 300 m van de dichtstbijzijnde functie ‘Woongebied’ waar op basis van dit TAM-omgevingsplan nieuwe woningen gerealiseerd kunnen worden. Aan deze richtafstand wordt hiermee voldaan. Het besluitgebied ligt niet binnen de richtafstand voor geluid van andere milieubelastende activiteiten. Daarom wordt geconcludeerd dat de akoestische situatie ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van acceptabel geluidniveau als gevolg van activiteiten en ook milieubelastende activiteiten in de omgeving worden niet negatief beïnvloedt in hun bedrijfsvoering. 7.1.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; − beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; − evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; − duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De 34
toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: − Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. − Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. − Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. − Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2
Motivering Ter plaatse van het besluitgebied is een verkennend en nader bodemonderzoek volgens NEN 5740 en asbestonderzoek volgens NEN 5707 5 uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven. Algemeen − binnen het onderzoeksgebied is het wegvak Meentgatstraat met asfalt. De dikte van het asfalt varieert van 90 en 278 mm; − de asfaltverharding bevat plaatselijk een teerhoudende penetratielaag; − de bodem op de onderzoekslocatie bestaat afwisselend uit zand en kleilagen. Het zand is overwegend zeer fijn tot matig grof zand, zwak tot sterk siltig, zwak tot matig humeus; − de klei is variërend zwak tot sterk zandig, zwak humeus; − de bodem is plaatselijk zwak roesthoudend; − tijdens de veldwerkzaamheden is visueel geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld en/of in de bodem waargenomen. Boomgaard Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: − in de toplaag (tot 0,3 m-mv) geen gehalten aan chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse landbouw/natuur; − de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen’ kan daarmee verworpen worden. Gehele terrein
5
De Klinker (2025). Verkennend en nader bodemonderzoek volgens NEN 5740 en asbestonderzoek volgens NEN 5707 incl. verhardingsonderzoek, plangebied Elzenbos III Brummen. Rapportnummer: K2320239. 14 augustus 2025.
35
Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: − de bovengrond bevat plaatselijk een verhoogd gehalte aan molybdeen, nikkel en PCB. − de puinhoudende bovengrond ter plaatse van boring 9 bevat een verhoogd gehalte aan kobalt en nikkel. Desondanks wordt de grond geclassificeerd als bodemklasse landbouw/natuur; − de ondergrond bevat plaatselijk een verhoogd gehalte aan arseen, nikkel en kobalt. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse landbouw/natuur tot industrie; − in het ondergrondmengmonster OG03 is een verontreiniging met nikkel aangetroffen. Na uitsplitsing van het mengmonster is ter plaatse van boring 21 (bodemlaag 1,10-1,50 m-mv) een verontreiniging met nikkel gemeten; − plaatselijk is in de bodem ondefinieerbaar puin aangetroffen (boring 9 en 13). Zowel visueel als analytisch is geen asbest in deze puinhoudende grond aangetroffen; − PFAS is zowel in de bovengrond als ondergrond niet boven de achtergrondwaarde aangetoond; − in het grondwater is plaatselijk een verhoogd gehalte aan barium gemeten. De gehalten overschrijden daarbij de streefwaarde; − in 2025 heeft een aanvullend onderzoek plaatsgevonden waarbij extra boringen zijn uitgevoerd en peilbuizen zijn geplaatst alsmede extra monsters zijn geanalyseerd; − tijdens het aanvullend onderzoek is in de bovengrond plaatselijk een verhoogd gehalte aan nikkel, kwik en PAK (10 VROM) gemeten.
Desondanks wordt de grond geclassificeerd als bodemklasse landbouw/natuur; − in de ondergrond is plaatselijk een verhoogd gehalte aan kobalt en nikkel gemeten. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse landbouw/natuur; − in het grondwater is plaatselijk een verhoogd gehalte aan barium aangetoond boven de streefwaarde; − in het grondwater uit peilbuis Pb205 is naast barium eveneens een verhoogd gehalte aan vinylchloride boven de streefwaarde gemeten; − de hypothese ‘de locatie is onverdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ dient formeel verworpen te worden. Nikkelverontreiniging Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: − in het ondergrondmengmonster OG03 is een verontreiniging met nikkel aangetroffen. Na uitsplitsing van het mengmonster is ter plaatse van boring 21 (bodemlaag 1,10-1,50 m-mv) een verontreiniging met nikkel gemeten; − tijdens het onderzoek in 2025 heeft een afperking van de nikkelverontreiniging plaatsgevonden; − in verticale richting is in de onderliggende zintuiglijk schone) bodemlaag geen nikkel boven de toetsingswaarde voor landbouw/natuur aangetroffen; − in de horizontaal afperkende boringen is plaatselijk een bijmenging met sporen kooldeeltjes waargenomen. De meest verdachte bodemlagen zijn geanalyseerd op nikkel.
36
− In de horizontaal afperkende boringen (21-2 en 21-3) is een verhoogd gehalte aan nikkel gemeten. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse industrie; − in de overig afperkende grondmonsters is nikkel niet boven de toetsingswaarde voor landbouw/natuur gemeten; − de verontreiniging met nikkel is daarmee in kaart gebracht. Een directe oorzaak van het verhoogd aantreffen van nikkel is niet bekend. De interventiewaarde uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) wordt niet overschreden. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. 7.2.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect bodemkwaliteit.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: − er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; − het plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; − het plan draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBMgrens blijft: 1 Motiveren dat het plan binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
37
2 Op een andere manier aannemelijk maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een plan in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2
Motivering De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan (meetpunt Harderwijkerweg) sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
EU-Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
15,2 µg/m3
11,0 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
16,1 µg/m3
12,8 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
8,8 µg/m3
6,6 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 7.3.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
38
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: − Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); − Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); − Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); − Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: − Geurnormen in het omgevingsplan; − Rekenen; − Afstandseisen; − Randvoorwaarden. 7.4.2
Motivering In de omgeving van het besluitgebied zijn veehouderijen gelegen. Daarom dient in het kader van de Omgevingswet en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties onderzocht te worden of veehouderijen door het plan niet in hun rechten worden geschaad en of er ter plaatse van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
39
Adres
Dieren met geuremissie
Gemeten afstand (m)
Elzenbosweg 4, Brummen
nee
± 340 m
Elzenbosweg 10, Brummen
ja
± 320 m
Zutphensestraat 296, Brummen
ja
± 300 m
Oude Eerbeekseweg 29, Brummen
nee
± 1600m
Hazenberg 5 Brummen
nee
± 1200 m
Cortenoeverseweg 121, Brummen
nee
± 1700 m
Cortenoeverseweg 125, Brummen
nee
± 1800 m
Cortenoeverseweg 133, Brummen
nee
± 1700 m
Cortenoerverseweg 105, Brummen
nee
± 900 m
Zutphensestraat 370, Brummen
nee
± 1100 m
Zutphensestraat 380, Brummen
nee
± 1500 m
Zutphensestraat 187, Brummen
nee
± 1200 m
Voorsterweg 62, Brummen
nee
± 1000 m
Den Broekweg 2, Brummen
nee
± 1600 m
Den Broekweg 5, Brummen
nee
± 1800 m
Knoevenoordstraat 16, Brummen
ja
± 1100 m
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat omliggende veehouderijen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering: − De veehouderijen met dieren waarvoor een vaste afstand van 100 m geldt, liggen allemaal op meer dan 100 m van het besluitgebied; − Tussen alle omliggende veehouderijen en het besluitgebied zijn reeds bestaande woningen aanwezig. De veehouderijen moeten bij hun bedrijfsvoering al rekening houden met deze woningen. − Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn in het plangebied reeds woningen toegestaan. Hier moet al rekening mee worden gehouden in de bedrijfsvoering. Ter plaatse van het plangebied is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat: − de veehouderijen met dieren waarvoor een vaste afstand van 100 m geldt, liggen allemaal op meer dan 100 m van het besluitgebied; − de geuremissie van de veehouderij Elzenbos 10 bedraagt 213,6 ouE/s. Deze geuremissie is zo beperkt, dat dit op een afstand van circa 300 m niet zal leiden tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. − de geuremissie van de veehouderij Zutphensestraat 296 bedraagt 34 ouE/s. Deze geuremissie is zo beperkt, dat dit op een afstand van circa 300 m niet zal leiden tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. − de overige bedrijven met dieren met een geuremissiefactor zijn op meer dan 1000 m van het plangebied gelegen.
Deze bedrijven zijn op zodanige afstand van het besluitgebied gelegen, dat er met de beperkte geuremissiefactoren vanuit kan worden gegaan dat de geurbelasting ter plaatse van het besluitgebied acceptabel is. Ook gezien de geurbelasting op bestaande woningen
40
die op kleinere afstand tot de veehouderij liggen in de huidige situatie ook acceptabel wordt gevonden; − op basis van het geldende bestemmingsplan zijn in het plangebied reeds woningen toegestaan. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is in de huidige situatie dus reeds acceptabel bevonden voor de bouw van woningen. 7.4.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
7.5.2
Motivering In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om die reden is een nadere beschouwing van dit aspect niet aan de orde.
7.5.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect trillingen.
41
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigingsbesluit is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het plan gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
7.6.2
Motivering In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Verder is in de ontwikkeling ruimschoots ruimte gereserveerd voor het inpassen en realiseren van nieuw openbaar groen. Dit zorgt ervoor dat de toekomstige bewoners en bezoekers kunnen verblijven in een prettige omgeving. Dit draagt op een positieve manier bij aan de mentale gezondheid van de bewoners en bezoekers en het tegengaan van hittestress. Daarnaast wordt het gebied goed toegankelijk voor wandelaars middels prettige en veilige wandelpaden die aansluiten op het bestaande netwerk. Op deze manier wordt bewegen gestimuleerd en wordt ook een bijdrage geleverd aan gezondheidsbevordering.
7.6.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
7.7
Klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). 42
Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris.
Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten.
43
Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd.
Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. − In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen.
44
In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1 Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a waterveiligheid; b wateroverlast; c droogte; en d hitte. 3 De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. 7.7.2
Motivering In voorliggende situatie worden onbebouwde veelal agrarische gronden in de rand van de kern Brummen ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. De woningen worden aardgasloos ontwikkeld en er worden zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Er is ruimte gereserveerd voor openbaar groen en verharding wordt alleen toegepast waar dat nodig is. Dit heeft een positief effect op het bestrijden van hitte en het bieden van extra mogelijkheden voor hemelwaterinfiltratie. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met klimaatadaptie.
7.7.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.
7.8
Spuitzonering
7.8.1
Algemeen Bij ontwikkelingen in de buurt van de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone, gebaseerd op jurisprudentie van de Raad van State, die moet worden aangehouden tussen gevoelige functies (zoals wonen) en de gronden waarop gewassen worden gehouden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Regelgeving Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen woningen. Over het algemeen wordt een afstand 45
van 50 meter aanvaardbaar geacht. Echter, deze afstand is niet in regelgeving vastgelegd. Het blootstellingsrisico is afhankelijk van meerdere factoren zoals gebruikte middelen, gebruikte spuittechniek, windsnelheid en windrichting. Daardoor kan er geen globale (of specifieke) richtlijn worden gegeven die wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Voor elk geval moet een locatiespecifieke afweging plaatsvinden. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. 7.8.2
Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn agrarische gronden aanwezig. Op basis van het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Brummen is het gebruik van gronden voor fruit-, druiven-, bollenteelt en/of boomteelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet binnen een zone van 50 m tot de bestemming Wonen op deze gronden niet toegestaan. Op deze wijze is geregeld dat voldoende afstand wordt aangehouden tot de nieuwe gevoelige functies (woningen) in het besluitgebied.
7.8.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect spuitzonering.
46
8 Bescherming van de natuur 8.1
Algemeen
8.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
8.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied 47
plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
8.2
Toetsing Voor de ontwikkeling is een quick scan natuur6 uitgevoerd. Er is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen in de buurt van het besluitgebied liggen. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen, behalve een toename van verzuring en vermesting van het Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie7 uitgevoerd. Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen voor rekenjaar 2027 een grootste afname van 0,03 mol stikstof/ha/j op 34,59 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de Omgevingswet relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie.
Daarmee is sprake van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Dezelfde conclusies kunnen worden getrokken de daarop volgende rekenjaren. In ieder geval tot en met 2035 zal er sprake zijn van een afname in stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De
6
7
EcoTierra (2025). Quickscan flora en fauna. Brummen, Elzenbos fase 3. Kenmerk: QS2023-JMW4049. 22 september 2025. SAB (2025). Onderzoek stikstofdepositie, Brummen, Elzenbos fase III. Projectnummer: 230359. 22 oktober 2025.
48
provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van de ontwikkeling dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om schadelijke handelingen te voorkomen, wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Mogelijk is een jaarrond beschermd nest en functioneel leefgebied aanwezig van de steenuil. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van de steenmarter en verblijfplaatsen of significant functioneel leefgebied van kleine marterachtigen aanwezig. Ook zijn mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Ten slotte zijn mogelijk ook de ringslang, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart in het besluitgebied te vinden.
Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van bovengenoemde soorten is een nader soortgericht onderzoek8 uitgevoerd. Onderstaand zijn per soort de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Vleermuizen Er is geen essentiële vliegroute aangetoond van watervleermuis of andere vleermuis soorten. De groenstructuren blijven qua lijnvormige structuur onaangetast in de nieuwe situatie, waardoor vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger deze structuren kunnen blijven gebruiken voor oriëntatie en foerageren. Het verlichte fietspad wordt nu ook gebuikt door gewone dwergvleermuis. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Er wordt aangeraden om in het nieuwe inrichtingsontwerp rekening te houden met (straat)verlichting. Vleermuizen zijn lichtgevoelig en door de realisatie van de nieuw te bouwen wijk kan straatverlichting verstorend werken, vooral wanner deze nabij groenstructuren zijn geplaatst. Door in de wijk amberkleurig licht te gebruiken zal dit minder verstorend werken. Ook kunnen bestaande armaturen worden aangepast zodat er geen lichtverstoring optreedt. Steenmarter De steenmarter is aangetoond in een groot deel van het plangebied. Er worden geen verblijven verwacht. De groenstructuren blijven tevens gehandhaafd, waardoor een eventueel verblijf waarschijnlijk ook blijft bestaan.
8
EcoTierra (2025). Nader onderzoek Brummen, Elzenbos fase 3. Kenmerk: N2024-JMW-40009. 19 september 2025.
49
Een steenmarter heeft een groot territorium (80-700 hectare, bron: Zoogdiervereniging) waardoor het plangebied geen essentieel foerageergebied zal betreffen. Tevens kan de soort in de toekomstige situatie blijven foerageren in het plangebied, er blijft een aanzienlijk deel geschikt. Echter, om juridisch volledig ingedekt te zijn is het advies om toch een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Het is in theorie mogelijk dat er ergens een konijnenhol of iets dergelijks is gemist waar een exemplaar een dagrustplaats heeft. Er hoeft geen Ov voor leefgebied aangevraagd te worden, dat is en blijft voldoende aanwezig in het plangebied en de omgeving. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is noodzakelijk. In dit kader dient een activiteitenplan te worden opgesteld en dienen er mitigerende maatregelen genomen te worden. Boommarter Er zullen door de realisatie van woningen geen verblijven van boommarter verloren gaan. Ook zal er geen significante aantasting van leefgebied/ foerageergebied zijn. Boommarters hebben een groot gebied om te foerageren dat kan oplopen tot 1000 hectare (bron: Zoogdiervereniging). Op een avond kan een boommater een afstand afleggen van 7 kilometer. Boommarter gebruikt het plangebied om te foerageren. In de toekomst kan deze soort ook blijven foerageren binnen het plangebied.
Tevens zal er, door behoud van de lijnvormige groenstructuren en de aanleg van nieuwe structuren geen barrière ontstaan naar bijvoorbeeld een belangrijk foerageergebied ten noorden van het plangebied. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Bunzing De bunzing is eenmalig aangetoond in de zuidelijke groenstrook. Er worden geen verblijven verwacht. De groenstructuren blijven tevens gehandhaafd, waardoor een eventueel verblijf waarschijnlijk ook blijft bestaan. Een bunzing heeft een groot territorium (8-1000 hectare, bron: Zoogdiervereniging) waardoor het plangebied geen essentieel foerageergebied zal betreffen. Tevens kan de soort in de toekomstige situatie blijven foerageren in het plangebied, er blijft een aanzienlijk deel geschikt. Echter, om juridisch volledig ingedekt te zijn is het advies om toch een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Het is in theorie mogelijk dat er ergens een konijnenhol of iets dergelijks is gemist waar een exemplaar een verblijf heeft. Er hoeft geen Ov voor leefgebied aangevraagd te worden, dat is en blijft voldoende aanwezig in het plangebied en de omgeving. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is noodzakelijk. In dit kader dient een activiteitenplan te worden opgesteld en dienen er mitigerende maatregelen genomen te worden.
Wezel en hermelijn Er zijn geen waarnemingen gedaan van wezel of hermelijn. De onderzoeksopzet was ook niet zoals het Kennisdocument Kleine marterachtigen voorschrijft. Op
50
voorhand is er met de gemeente afgesproken dat er een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit wordt aangevraagd voor kleine marterachtigen. In onderhavig geval dus wezel en hermelijn. In dit kader dient een activiteitenplan te worden opgesteld en dienen er mitigerende maatregelen genomen te worden. Das Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het foerageergebied van de das of fungeert als verbinding tussen verschillende leefgebieden. Het aantal waarneming op de camera wijst er echter op dat de das er maar sporadisch gebruik van maakt (in ieder geval de periode dat de camera’s hebben gestaan). De aanwezigheid van verblijfplaatsen is volledig uit te sluiten binnen het plangebied. Daarbij heeft de das een groot leefgebied (30 tot 150 hectare. bron: Zoogdiervereniging). De realisatie van de woningen zal naar verwachting geen barrière vormen voor de das om het gebied ten noorden van het plangebied of andere leefgebieden te bereiken. Aan de oostzijde van het zonnepark is ruimte om te lopen. In overleg met de gemeente is tevens afgesproken dat er, naast de reeds bestaande groenstructuren (corridors), een nieuwe corridor van noord naar zuid zal worden ingericht, waarschijnlijk aan de westzijde van het zonnepark. Deze corridor zal er voor kunnen gaan zorgen dat de das en andere soorten zich gemakkelijker van noord naar zuid kunnen verplaatsen.
De corridor wordt meegenomen in het inrichtingsplan. Er gaan geen verblijfplaatsen, corridors of significant foerageergebied verloren voor de das. Het oostelijke deel wordt zo ingericht dat das zich van noord naar zuid, en andersom, kan verplaatsen. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Steenuil Verder zijn ook steenuilen aanwezig binnen het besluitgebied. De verwachting is dat het besluitgebied ongeveer verdeeld is over een noordelijk en een zuidelijk territorium. De woningen die in het noordelijke deel worden gebouwd zullen mogelijk een deel van het foerageergebied voor de “noordelijke” steenuil verloren doen gaan. Echter, voor deze uil is in de directe omgeving voldoende foerageergebied aanwezig, onder andere in de vorm van de boomgaard en het voedselbos, maar ook de agrarische percelen die grenzen aan de nestlocatie. Het leefgebied van de noordelijke territoria is op informatie van de steenuilenwerkgroep gebaseerd. Het te bebouwen deel wordt kort gehouden door de gemeente i.v.m. de woningbouw. Op die plekken is maar beperkt voedsel aanwezig. De verwachting is dan ook dat het verlies van het foerageergebied niet zal leiden tot het niet meer kunnen functioneren van de nestlocatie. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit wordt niet noodzakelijk geacht. Voor de “zuidelijke” steenuil is er minder alternatief foerageergebied nabij.
Deze locatie grenst al snel aan woonwijken en is gelegen naast een N-weg die als
51
barrière/gevaar kan dienen naar foerageergebied aan de overzijde van de weg. Het erf waar de steenuilenkast hangt is al een goed foerageergebied voor de uil, met onder andere boomgaarden en dergelijke. Echter, er zal een redelijk deel van het foerageergebied voor dit exemplaar verloren gaan. Er wordt vanuit gegaan dat een deel van het te bebouwen deel (met name woonveld G en H) onderdeel is van essentieel leefgebied. Mogelijk kan er door het realiseren van woningen een voedseltekort komen voor de aanwezige exemplaren in het zuidelijke deel waardoor de nestlocatie niet om minder functioneel wordt. Dit is niet toegestaan bij de Omgevingswet. Er dient een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. In het kader hiervan wordt ook een activiteitenplan. Onderdeel van het activiteitenplan is een compensatieplan voor de steenuil. In dit plan dient bepaald te worden hoeveel functioneel leefgebied er verloren gaat en op welke wijze dat verlies wordt gecompenseerd. Tevens dient, onder andere, bepaald te worden op welke wijze de bouw van woningen het minst verstorend werkt op de nestlocatie Kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart Tijdens het onderzoek zijn de kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaart niet waargenomen.
Ondanks de aanwezigheid van geschikte waardplanten zoals teunisbloemen, kattenstaart en wilgenroosje voor de teunisbloempijlstaart en wilde kamperfoelie voor de kleine ijsvogelvlinder zijn hier ook geen rupsen waargenomen. De waardplanten van de teunisbloempijlstaart bevinden zich voornamelijk rond het voedselbos en langs groenstructuren in het westen van het gebied. Deze gebieden blijven in het nieuwe inrichtingsplan onaangetast. Hierdoor zal er genoeg geschikt leefgebied aanwezig blijven na de ingrepen. Kamperfoelie bevindt zich in de groenstructuren, deze structuren blijven behouden. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Sleedoornpage Op diverse sleedoornstruiken in de lijnvormige groenstructuren zijn eitjes van de sleedoornpage aangetroffen. Niet alle sleedoornstruiken binnen het besluitgebied zijn onderzocht, maar de eitjes zijn zowel in het noordelijke als in het zuidelijke deel aangetroffen. Er wordt derhalve vanuit gegaan dat elke sleedoornstruik eitjes kan hebben. Er is geen pruim waargenomen tijdens de extra flora check. De gemeente heeft aangegeven dat er geen sleedoornstruiken gerooid zullen worden. Daarmee zal er ook geen aantasting van de sleedoornpage zijn. Er dient bij alle partijen die betrokken gaan zijn bij werkzaamheden in de omgeving van de sleedoornstruiken bekend te zijn dat deze struiken niet mogen worden aangetast.
De gemeente heeft de sleedoornstruiken laten inmeten zodat bekend is of er aantasting plaats gaat vinden. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit is daarom niet noodzakelijk, mits er geen sleedoornstruiken direct of indirect aangetast worden. Indien er toch sleedoorn gerooid gaat worden dient er gekeken te worden of er eitjes aanwezig zijn. Wanneer er eitjes aanwezig zijn kan een Omgevingsvergunning alsnog noodzakelijk zijn. Aantasting van de structuren met sleedoorn vindt echter de komende jaren nog niet plaats.
52
Ringslang De ringslang is niet waargenomen tijdens de vele veldbezoeken. Tevens zijn er geen geschikte broeihopen waargenomen binnen het te bebouwen terrein. In juni 2024 is volgens de NDFF een zonnende ringslang waargenomen binnen het plangebied. Juveniele ringslangen zijn niet waargenomen. Volgens de NDFF komt de soort op meer plekken voor in de omgeving, ook in woonwijken. De locatie van de ringslang is in december 2024 bezocht. Er blijkt een kleine composthoop aanwezig te zijn. De composthoop wordt, in deze vorm, niet geschikt geacht als broeihoop voor ringslang. Het is een lage hoop met weinig materiaal. Er zal geen geschikte temperatuur ontstaan voor de eitjes van ringslang. Ondanks het feit dat de composthoop niet geschikt lijkt is er, ter controle, op 8 januari 2025 een onderzoek naar eischalen conform protocol (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie nov 2023), NGB) uitgevoerd om vast te stellen dat de composthoop daadwerkelijk niet in gebruik is geweest als voortplantingsplek. Er zijn bij die controle geen eierschalen aangetroffen. Met name zal de ringslang de omgeving van het oppervlaktewater ten westen van Fase 1 gebruiken. Hier zijn water, ruigte, wegkruipplekken (winter), zonplekken en dergelijke aanwezig. Op het te bebouwen terrein zal de soort minder aanwezig zijn, dat wordt kort gehouden door de gemeente.
De aanname is dat de composthoop niet voldoende warmte zal genereren voor ringslang. De verwachting is tevens dat er geen significant terrein verloren gaat voor deze soort. De composthoop ligt bijna op de grens waar gebouwd gaat worden. Het te bebouwen deel wordt zo goed als mogelijk kaal gehouden waardoor er weinig schuilplekken zijn. Verblijfplaatsen/ leefgebied worden met name in het voedselbos en langs het water verwacht. Bij het bouwrijp maken dient er voorafgaande aan het bouwrijp maken een controle op de aanwezigheid van ringslang plaats te vinden. Een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit wordt niet noodzakelijk geacht. Er wordt geadviseerd om twee broeihopen te (laten) plaatsen langs het oppervlaktewater. Tevens wordt geadviseerd winterhabitat te creëren door steenhopen neer te leggen. Rode lijst Tijdens de veldbezoeken is gelet op aanwezigheid van Rode-lijst soorten. Hiervoor is ook de NDFF geraadpleegd. Er heeft geen uitputtend onderzoek plaatsgevonden, daar nog niet bekend is hoe provincies omgaan met Rode-Lijstsoorten (zorgplicht). De volgende soorten zijn tijdens de veldbezoeken aangetroffen of hiervan staan waarnemingen op de NDFF: patrijs, kerkuil, egel, haas, bruin blauwtje. Voor deze soorten is minimaal de zorgplicht van toepassing. Voor de egel, huis en het bruin blauwtje geldt dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode.