CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(123.4) Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Bestemmingplan Energietransitie Servicestation en appartementencomplex22.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

van Hogendorpstraat noemt een aantal kwaliteiten en randvoorwaarden voor de nieuwbouw: • Architectuur van de bebouwing moet inspelen op de ‘hoeksituatie’ • Géén ‘open’ hoek (met terugliggende bebouwing) • • •

Het toepassen van een kapvorm is uitgangspunt voor het bouwplan. Bebouwing parallel aan de straat; in lijn met de bestaande bebouwing De bestaande strook (3,5m breed) aan de Zutphensestraat doortrekken;

•

Nieuwe bebouwing zal in harmonie met de bestaande bebouwing ontworpen moeten worden

De beeldkwaliteitsplannen vormen beleidskaders voor de ruimtelijke kwaliteit om meerwaarde op te leveren voor de omgeving. Ze hebben daarmee een directe relatie met het bestemmingsplan. De beeldkwaliteitsplannen zullen gelijktijdig meelopen in de bestemmingsplanprocedure maar vormen wel een apart beslispunt in het raadsvoorstel/besluit. De beeldkwaliteitsplannen worden na vaststelling onderdeel van de welstandsnota.

27/88

4 Haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de inpasbaarheid van het Energietransitie Servicestation en de wijziging van het oude tankstation naar woonfunctie voor de verschillende milieuaspecten onderzocht. Elke paragraaf start met de wettelijke kaders voor dat milieuaspect. Daarna wordt de impact van het initiatief op de betreffende milieuaspecten beschreven. Hiervoor wordt onder meer gebruikt gemaakt van een aantal achterliggende onderzoeken. De rapportages van de onderzoeken zijn als bijlage bijgevoegd. De paragrafen sluiten af met een conclusie of het plan inpasbaar is voor het betreffende milieuaspect. De milieuaspecten die aan bod komen zijn: 1. Bedrijven en milieuzonering 2. Spuitzones 3. 4. 5.

Externe veiligheid Landschappelijke en maatschappelijke inpassing Verkeer en parkeren

6. 7. 8.

Bodem Geluid Waterhuishouding

9. Flora en fauna 10. Luchtkwaliteit 11. Cultuurhistorie en archeologie 12. Lichthinder 13. Vormvrije mer-beoordeling Het laatste aspect benoemt of voor de geplande activiteiten een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader De Wet milieubeheer benoemt dat in nieuwe situaties rekening gehouden moet worden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) van de VNG is een richtafstandenlijst opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten ‘milieubelastende activiteiten’ aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van ‘milieugevoelige activiteiten’. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Het is mogelijk met maatregelen overlast te beperken en daardoor af te wijken van de afstanden. In dit geval moet aangetoond worden welke maatregelen worden genomen om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan dan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard adviesafstanden.

28/88

In de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën met richtafstanden (zie tabel 2). Deze richtafstanden geven een indicatie van de afstand die er moet zijn tussen milieubelastende functies (bedrijven) en milieugevoelige functies. Tabel 2 Richtafstanden per milieucategorie Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Gebieden kunnen op twee manieren getypeerd worden. Afhankelijk van de functies waaraan het gebied plaats biedt, wordt een gebied getypeerd als een rustige woonwijk/ rustig buitengebied of een gemengd gebied. Een gemengd gebied is bijvoorbeeld een gebied waar woon- en werkfuncties gemengd aanwezig zijn. In het algemeen geldt bij een gemengd gebied, dat de richtafstand tussen ‘milieubelastende’ en ‘milieugevoelige’ inrichtingen met één afstandstrap verlaagd mag worden. In tabel 3 zijn de omschrijvingen te vinden van de twee gebiedstyperingen. De eerste stap van een milieuzoneringsonderzoek is het bepalen van de gebiedstypering: ‘gemengd gebied’ of ‘rustige woonwijk’/ ‘rustig buitengebied’. Tabel 3 Verschil gebiedstypering volgens de VNG-publicatie Rustige woonwijk en rustig buitengebied

Omgevingstype gemengd gebied

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot

volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van

sterke functiemening. Direct naast woningen komen

wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen

andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine

andere functies voor. Langs de randen (in de overgang

bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met

naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring

overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als

door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua

gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die

aanvaardbare milieubelasting is een rustig

direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren

buitengebied, stiltegebied of een natuurgebied

eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal van belang

29/88

Rotonde N348 Het plangebied wordt omringd door een gebied dat te typeren is als een gemengd gebied. Dit komt doordat het plangebied langs de hoofdinfrastructuur (N348) ligt. Het plangebied is qua omgevingstype niet te vergelijken met de milieubelasting van een rustig buitengebied, stiltegebied of een natuurgebied. Doordat het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied mogen de gehanteerde richtafstanden met één afstandstap verlaagd worden. Het realiseren van een tankstation is aan te merken als een milieubelastende inrichting. Er moet daarom gekeken worden naar de afstanden tussen het Energietransitie Servicestation en in de omgeving gelegen milieugevoelige functies. De dichtstbij gelegen gevoelige functie is de woning bij een agrarisch bedrijf aan de Zutphensestraat 350. Deze woning ligt op circa 100 meter van het Energietransitie Servicestation. Daarnaast ligt een woning op ongeveer 140 meter afstand van het plangebied (Hogenenk 17). Overige milieugevoelige functies bevinden zich op meer dan 300 meter vanaf het plangebied. Voor de aspecten geur, stof en geluid kan de gemeente zoals aangegeven in de Leidraad inpassing waterstoftankstations (H2Platform, 2021) aansluiten bij de richtafstanden voor benzinetankstations. Voor gevaar is een aanvullende onderbouwing nodig voor een veilige afstand.

Het Energietransitie Servicestation valt volgens de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzoenring (VNG, 2009) onder milieucategorie 2 (SBI 2008 473-3). Voor geur en geluid wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd. Voor het aspect stof geldt een richtafstand van nul meter. Door de ligging in gemengd gebied worden de richtafstanden verlaagd. Dit betekent dat de richtafstanden voor geur en geluid worden verlaagd tot 10 meter. In paragraaf 4.2 wordt ‘externe veiligheid’ als onderdeel van het aspect gevaar nader toegelicht. Doordat het Energietransitie Servicestation bemand is, betreft het een geurgevoelige functie. Ten noorden van de planlocatie ligt op circa 65 meter afstand een agrarisch bedrijf aan de Zutphensestraat 350. Hiervoor is een melding op grond van het Besluit landbouwbedrijven milieubeheer ingediend op 20 januari 2011 (thans het Activiteitenbesluit Milieubeheer). Het aantal dieren dat destijds is gemeld met betrekking tot het kleinschalig houden van melkrundvee en vleesstieren is nog steeds van toepassing. Op basis van het Activiteitenbesluit dient ten aanzien van geur buiten de bebouwde kom een afstand van minimaal 50 m tot een geurgevoelig object te worden aangehouden. Verder moet de afstand tussen de gevel van de stal en gevel van het geurgevoelig object minimaal 25 m bedragen.

Met de afstand van ongeveer 65 meter van dit agrarisch bedrijf tot het Energietransitie Servicestation, wordt aan de norm (van het Activiteitenbesluit) voldaan. Het is niet aannemelijk dat in de toekomst de veestapel dusdanig zal wijzigen dat er andere geurnormen zullen gaan gelden waar niet aan kan worden voldaan. Verder is het niet aannemelijk dat er in de toekomst een binnen de bebouwde kom situatie met een afstandsnorm van 100 meter zal ontstaan. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat dit aspect geur (inwaartse zonering) geen belemmering zal vormen.

30/88

Gezien de korte richtafstanden voor geur en geluid en de grote afstanden tot omliggende milieugevoelige functies, is het Energietransitie Servicestation inpasbaar vanuit milieuzonering. De hindercontouren van het Energietransitie Servicestation overlappen ook de gronden van het naastgelegen biologisch dynamisch landbouwbedrijf niet. G.K. van Hogendorpstraat 7 Op de locatie G.K. van Hogendorpstraat 7 verdwijnen het tankstation en bijbehorende gebouwen. De appartementen die hiervoor in de plaats komen, zijn geen milieubelastende functies en hoeven daarom niet vanaf een bepaalde afstand tot milieugevoelige functies te worden gebouwd. Ook zijn er direct rondom het terrein geen andere milieubelastende functies die invloed op de appartementen hebben. Conclusie Vanuit het thema milieuzonering bezien is het bestemmingsplan voor beide locaties uitvoerbaar.

4.2

Spuitzones

Op de gronden ten noorden, westen en zuiden van het tankstation is volgens het bestemmingsplan teelt toegestaan Daardoor kan er sprake zijn van gebruik / aanwezig met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor een spuitzone geldt (vuistregel 50 meter). De gronden aan de westkant betreft de gronden van Stichting Het Anker. Daar is nog nooit kunstmest of een chemisch bestrijdingsmiddel gebruikt en daar worden al 73 jaar lang biologischdynamische groenten geteeld. Het is aannemelijk, dat die gronden in de toekomst ook niet worden gebruik voor inzet van gewasbeschermingsmiddelen. De gronden aan de noordkant liggen op meer dan 50 meter, zodat voldoende aftand geldt. Gronden aan de zuidkant waren in gebruik als akkerland en zijn inmiddels eigendom geworden van de provincie. Die gronden zijn door de provincie in gebruik gegeven aan een agrariër die de gronden de afgelopen jaren gebruikt voor de teelt van mais. Hierbij worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Er zijn ook geen gronden om aan te nemen dat het gebruik verandert. Mocht de agrariër gewasbeschermingsmiddelen willen toepassen in de toekomst dan is het tankstation beschermd via het paraplubestemmingsplan Buitengebied Beschermingszone bestrijdingsmiddelen.

4.3

Externe veiligheid

Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

31/88

worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

32/88

Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Rotonde N348 De aanwezigheid van waterstof maakt het nodig om het thema externe veiligheid te beschouwen. Royal Haskoning heeft hiervoor een Kwantitatieve risicoanalyse opgesteld (rapport BG7281IBRP1906121049, juni 2019, zie bijlage 8). Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour ligt tot circa 30 meter over de inrichtingsgrens. Binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar bevinden zich echter geen kwetsbare objecten. Binnen de 10-6/jaar contour (buiten het tankstation) gelden de bestemmingen ‘agrarisch’ en ‘verkeer’. Het bestemmingsplan laat hier dus geen nieuwe kwetsbare objecten toe. Het plaatsgebonden risico legt hiermee geen beperkingen op. Voor de spoorlijn is toetsing aan het plaatsgebonden risico niet vereist (afstand van plangebied ten opzichte van de spoorlijn is groter dan 200 meter). Het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen vormt hiermee dus geen belemmering voor het mogelijk maken van het Energietransitie Servicestation.

Groepsrisico Het groepsrisico wordt berekend op basis van de faalscenario’s en het aantal aanwezige personen in de directe omgeving. Het gebied tot waar personen dodelijk getroffen kunnen worden heet het zogenaamde invloedsgebied. Binnen het invloedsgebied bevinden zich geen objecten waar zich structureel personen bevinden. Op basis van het bestemmingsplan (verkeer en agrarisch) zijn deze objecten ook niet te verwachten. Er kan daarom geen groepsrisico worden berekend. Het groepsrisico ligt dus ruim onder de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N348 vormt geen belemmering voor de aanleg van het Energietransitie Servicestation. Voor de spoorlijn Zutphen – Arnhem is toetsing aan het groepsrisico niet vereist (afstand van het plangebied t.o.v. de spoorlijn is groter dan 200 meter). Voor de spoorlijn, de N345 en de N348 stelt het Bevi dat in de verantwoording van het groepsrisico alleen ingegaan moet worden op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Figuur 4.1 toont de risicobronnen rondom de locatie van het Energietransitie Servicestation.

33/88

Figuur 4-1. Uitsnede risicokaart rondom rotonde N348 (bron: Risicokaart Nederland)

Royal Haskoning heeft in 2019 een notitie (zie bijlage 9) opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico bij het Energietransitie servicestation. Hierin staan mogelijkheden beschreven voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid in relatie tot het opslaan en verladen van waterstof. De Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland heeft hiervoor advies gegeven aan het college van B&W van Brummen. Dit advies is door het college overgenomen. Door het advies op te volgen: • Wordt voldaan aan de wettelijke eisen die gesteld worden aan externe veiligheid voor het • •

opstellen van een bestemmingsplan; Wordt geborgd dat de risico’s van het verladen en produceren van waterstofgas tot een minimum beperkt worden voor de omgeving van, en de aanwezigen op het tankstation; Accepteert het bevoegd gezag dat de laadpalen voor elektrische voertuigen moeten voldoen aan de geldende richtlijnen en normen voor: explosieveiligheid, brandbestrijding en veiligheidsafstanden.

•

Accepteert het bevoegd gezag de risico’s ten gevolge van waterstof voor de externe veiligheid.

In het kader van externe veiligheid is aanvullend beoordeeld of er voldoende afstand wordt gerealiseerd tussen het waterstofafgiftepunt, de laadpunten en de afgiftepunten voor fossiele brandstoffen. Daartoe is o.a. het rapport Veiligheidsaspecten van multifueltankstations van het

34/88

Ministerie van I & W (12 januari 2021) beschouwd (zie bijlage 21). Daaruit komt naar voren dat over het algemeen een minimale afstand wordt gehanteerd tussen snellaadpalen en afleverpunten van benzine en diesel van 10-15 meter en 20-35 meter tot aan een waterstofinstallatie. Deze maximale afstanden zijn inpasbaar op de locatie en geborgd in de regels. G.K. van Hogendorpstraat 7 Het plangebied aan de G.K van Hogendorpstraat 7 is geen BEVI-inrichting. De inrichting ter plaatse is wel aan te merken als een kwetsbaar object. Het plangebied ligt echter niet binnen het invloedgebied van een inrichting die onder het BEVI valt. Ook vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over weg of via buisleidingen. Wel ligt het plangebied op circa 280 meter van de spoorlijn Zutphen – Arnhem, over dit spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour, het plasbrandaandachtsgebied en de 200 meter zone maar wel binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Figuur 4.2 toont de risicobronnen rondom de G.K. van Hogendorpstraat.

Figuur 4-2. Uitsnede risicokaart rondom G.K. Van Hogendorpstraat (bron: Risicokaart Nederland)

De spoorlijn Zutphen – Pesse wordt mede gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en maakt onderdeel uit van het basisnet. Het aantal wagons wat in 2017 daadwerkelijk over dit spoor gereden heeft, is beduidend lager uitgevallen dat het maximale aantal zoals vermeld in Basisnet Spoor staat.

35/88

Het spoor bevindt zich op ongeveer 280 meter van de G.K. van Hogendorpstraat. Voor het plangebied zijn twee situaties relevant, te weten een explosie van een ketelwagon met brandbaar gas en uitstroom van toxisch stof (Advies veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland 2019). Het scenario van een ontploffing van een brandbaar gas is denkbaar. Tussen het plangebied en het spoor bevindt zich bebouwing. Deze bebouwing zal een groot deel van de te verwachte effecten opvangen. Extra maatregelen aan de nieuwbouw is niet noodzakelijk. In de omgeving van het plangebied is voldoende bluswater aanwezig. Over het spoor gaan giftige stoffen die bij een calamiteit van invloed zijn op het plangebied. Een mogelijke maatregel is het sluiten van ramen en deuren en het (mogelijk op afstand) afsluiten van de luchtbehandeling. De toevoeging van appartementen binnen het invloedsgebied leidt echter maar tot een beperkte toename van de populatie en daarmee tot een beperkte toename van het groepsrisico. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen wordt op het gebied van waarschuwingsmechanismen gedaan door het gebruik van NL-alert en het waarschuwings- en Alarmeringsstelsel (WAS). Voor wat betreft de bereikbaarheid geldt dat de locatie vanuit twee verschillende routes vanuit tegengestelde windstreken bereikbaar moet zijn. De eerste route is de ontsluitingsweg.

Ten aanzien van een tweede route heeft de brandweer te kennen gegeven, dat de lichthinderbelemmeringsvoorziening tussen de rijbaan en de nieuwe ventweg voor de brandweer geen obstakel is en doorrijdbaar is. Conclusie Vanuit het thema externe veiligheid bezien is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.4

Landschappelijke inpassing

Wettelijk kader Vanuit het criterium van de goede ruimtelijke ordening moet rekening gehouden worden met de inpassing van nieuwe initiatieven in landschap. Belangrijk gegeven hierbij is dat het plangebied gelegen is binnen Nationaal Landschap De Veluwe. Rotonde N348 Voor de landschappelijke inpassing is een landschapsplan opgesteld (zie bijlage 10). Het bestaande landschap is hierbij als uitgangspunt gehanteerd. In het landschapsplan is rekening gehouden met de kernkwaliteiten die vastgelegd zijn voor Nationaal Landschap De Veluwe, daarnaast worden in deze paragraaf ook de Analyse N348 en gemeentelijke nota ‘Ligt op groen’ op groen aangehaald. Nationaal Landschap De Veluwe Binnen Nationaal Landschap De Veluwe is een onderverdeling gemaakt in deelgebieden. Het plangebied voor het tankstation ligt in het deelgebied ‘Zuidelijke IJsselvallei’. Dit is een kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap en hiermee samenhangend een grote afwisseling van talrijke landgoederen, grondgebonden

36/88

landbouw (met name weidebouw), bos, heggen en beken die van de flank afstromen. Er is blokverkaveling maar ook grote afwisseling in perceelsvormen. Het ruimtelijk beleid voor de Nationale landschappen is erop gericht om de kernkwaliteiten van nationale landschappen te behouden en verder te ontwikkelen. Voor nationale landschappen geldt een ‘ja-mits’ principe. Alleen activiteiten die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap behouden of versterken zijn toegestaan. Bij het opstellen van de plannen voor het Energietransitie Servicestation is rekening gehouden met de kernkwaliteiten die het gebied heeft. Zo worden aanwezige heggen en bosschages intact gehouden en worden en er nieuwe heggen en bosschages in de vorm van een hakhoutsingel en een meidoornhaag toegevoegd. Daarnaast worden ook doorzichten in het gebied intact gelaten om de kernkwaliteit ‘afwisseling tussen open en gesloten landschap’ eer aan te doen. Ten slotte is bij de kavelindeling ook rekening gehouden met het plaatselijk kenmerkende mozaïeklandschap. Analyse N348 Het ontwikkelen van het Energietransitie Servicestation op deze locatie sluit ook aan bij de Analyse N348 waarin onder andere staat omschreven: Nieuwe ontwikkelingen kunnen hier het kleinschalige landschap versterken door het toevoegen van nieuwe of het versterken van bestaande landschapselementen.

Dit met als doel het landschap verder te verdichten en de kleinschaligheid te benadrukken. Het perceel waarop het tankstation moet komen is nu in gebruik als akkerland. De ontwikkeling van het Energietransitie Servicestation op deze locatie vindt plaats tussen karakteristieke landschapsbepalende elementen. Het is aan drie zijden omsloten door groen: langs de Kwazenboschweg is een grondlichaam met daarop een meidoornhaag, langs de N348 groeien bomen en struiken in een brede strook en op de perceelgrens ten zuidwesten bevindt zich een volwassen houtwal. Uitgangspunt in het landschapsplan is dat deze elementen behouden blijven, deze passen bij het groene uiterlijk van het tankstation. De uiterlijke verschijningsvorm van het Energietransitie Servicestation bestaat bij voorkeur uit een koepelvormig groen dak, waarmee het gebouw opgaat in het omringende landschap. De ronde en organische vormen stimuleren de inpassing in het natuurlijke landschap. Rond het gebouw komt een brede plantstrook met een groene invulling die aansluit bij de sfeer van het dak. Zo wordt het dak met het maaiveld verbonden. Elementen van een tankstation die minder benaderbaar (mogen) zijn, krijgen een plek in de groene hoeken van het terrein. Er is niet veel ruimte voor groepsgewijze aanplant van bomen. Een aantal bomen zal zorgvuldig gepositioneerd worden op het terrein.

De soortkeus van bomen wordt afgestemd op beschikbare ruimte en de groeiomstandigheden. De voorkeur gaat uit naar inheemse beplanting die ook qua vormgeving en sfeer aansluit op de omgeving. Bestaande groenelementen worden zo veel mogelijk behouden op/ rond het terrein. Een juist geplaatste haag of houtwal ontneemt ook nog het zicht op verharding en auto’s.

37/88

Aan de Kwazenboschweg wordt de aanwezige wal iets ingekort om het zicht op de in-/uitrit te verbeteren, in plaats daarvan komen er een nieuwe bomen. Op de terreingrens en tussen de rijbanen kan een haag komen om het zicht op het verharding weg te nemen en de overgang van berm naar verharding te duiden. De berm kan ruig blijven. Aan de zijde van rotonde stellen we grassen of opgaande losse beplanting voor die aansluit bij de berm aan die zijde. Rondom het tankstation komt een inheemse bloemen weide. Met losse bomen in eilanden. In aansluiting op de kap zijn vaste plantstroken bedacht met ook bloemen en grassen. Waar de breedte toelaat komen een (meerstammige) bomen of heesters.

Figuur 4-3. Schets bovenaanzicht tankstation (uit Landschapsplan NL Greenlabel 04-2023)

Het gebouw is, voor zover zichtbaar vanaf De Hogenenk, herkenbaar als een soort heuvel. Het dak loopt dan bij voorkeur gedeeltelijk tot op het maaiveld, waardoor deze zijde een gesloten wand vormt met een groene uitstraling. Vanaf de rotonde is het Energietransitie Servicestation zichtbaar ter hoogte van het “venster” in de beplanting. Gesprekken met het Gelders Genootschap in 2015 gaven aan dat deze uitstraling goed past bij het door het Genootschap gewenste landschapsbeeld. Ligt op groen Situering van het Energietransitie Servicestation op deze locatie sluit goed aan bij de gemeentelijke visie zoals onder andere verwoord in de nota ‘Ligt op Groen’: Wij zetten in op het herkenbaar maken van de oeverwal als een eenheid. Hier hoort een duidelijk ruimtelijk streefbeeld bij. We willen bestaande landschappelijke kenmerken benadrukken en versterken. Ook is het goed mogelijk om nieuwe stedelijke ontwikkelingen in dit gebied een plek te geven, juist ter versterking van het landschap. Het gewenste beeld kan als volgt gekenschetst worden. We leggen de nadruk op behoud van openheid op akkercomplexen en het verdichten van het overige landschap door toevoeging van lanen, kavelbeplantingen en bebouwing. Uiteindelijk

38/88

doel is verdichting van het landschap, waarmee de huidige doorsnijdingen ruimtelijk worden afgezwakt en het gebied beter ruimtelijke veranderingen kan opnemen. Met behulp van extra beplantingen willen we bovendien de karakteristiek van kronkelende wegen en onregelmatige kavels, in contrast met de aangrenzende deelgebieden, benadrukken. Met name de randen van oeverwal zijn kansrijk. Hier kan de overgang tussen twee landschapstypen duidelijk worden ervaren. De overgangen zijn ook de interessante locaties voor nieuwe bebouwing. Dit sluit aan op de historische ontwikkeling, waarbij juist op deze op deze overgangen bebouwing is gesitueerd. Het Energietransitie Servicestation kan samen met het bestaande agrarische bedrijf, aan de overzijde van de Kwazenboschweg, als een poort worden gezien die toegang geeft tot de kern Brummen. Daarbij wordt het Energietransitie Servicestation dusdanig vormgegeven dat een aantrekkelijke entree voor Brummen via de N345 ontstaat. De verdichting die ontstaat door de komst van het Energietransitie Servicestation sluit aan op de wens om doorsnijdingen van het landschap af te zwakken en het gebied beter in staat te stellen veranderingen op te nemen. De keuze voor inheemse beplanting vergroot de natuurwaarde en versterkt de relatie met het omliggende landschap (figuur 4.4).

Figuur 4-4. Referentiebeelden beplanting

Op basis van het landschapsplan, de Analyse N348 en de nota ‘Ligt op Groen’ is een inrichtingstekening (zie bijlage 3) opgesteld. De exacte inrichting is nog verder vormgegeven in een beeldkwaliteitsplan (bijlage 4). Op basis van het beeldkwaliteitsplan wordt gesteld dat de beoogde uitstraling van het Energietransitie Servicestation zodanig is dat het de overgang verzacht tussen de bebouwing, met name vanwege het groene dak en materiaalkeuze, en het omringende landschap. De omliggende ruimte zorgt door toepassing van beplanting voor de gewenste verdichting van het landschap.

39/88

G.K. van Hogendorpstraat 7 Bij de G.K. van Hogendorpstraat verandert de situatie doordat het tankstation en de overige bebouwing verdwijnen en er een complex van 14 appartementen wordt gebouwd. Bij de bouw van de appartementen wordt aangesloten op de uitgangspunten uit de gemeentelijke Nota Ruimtelijke Kwaliteit die voorschrijft hoe de oriëntatie, positionering, bouwhoogte, materiaal en kleurgebruik kan aansluiten bij de huidige bebouwing. Hiervoor is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin aandacht is voor ruimtelijke kwaliteit en vormgeving van het gebouw (bijlage 1). Conclusie Vanuit het thema landschap bezien is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.5

Verkeer en parkeren

N348 Als gevolg van de verplaatsing verandert de verkeerssituatie ter plaatse enigszins. Uitgangspunt is dat dagelijks gemiddeld 245 auto’s het tankstation aandoen. Dit betekent 490 vervoersbewegingen per dag (heen- en terugreis van 245 auto’s). Op jaarbasis zijn dit (245 x 365) ongeveer 90.000 auto’s. Deze verkeersbewegingen worden deels veroorzaakt door auto’s uit het dorp die niet meer in het dorp tanken maar onderweg naar het noorden bij het Energietransitie Servicestation. Vanwege mogelijkheid tot laden van elektrische auto’s, zal er een lichte toename van elektrisch verkeer zijn naar het Energietransitie Servicestation onder gelijktijdige afname van voertuigen met brandstofmotoren. Voor het tankstation wordt een lichte toename van overig autoverkeer verwacht. Hiertegenover staat een afname van verkeer binnen de bebouwde kom door het verplaatsen van het tankstation. Het Energietransitie Servicestation wordt voor het grootste deel bezocht door auto’s die in de huidige situatie al gebruik maken van de N345 en de N348. De ontsluiting van het Energietransitie Servicestation op de Kwazenboschweg is gesitueerd aan de westkant op circa 200 meter uit het hart van de rotonde N345/N348. Het verkeer dat nu gebruik maakt van het tankstation aan de G.K. van Hogendorpstraat 7 gaat in de toekomst deels gebruik maken van het andere tankstation in het dorp.

De mensen die richting het zuiden Brummen verlaten, zullen geen gebruik meer maken van het tankstation en de mensen die richting het noorden Brummen verlaten komen toch al langs dit Energietransitie Servicestation. Een beperkt aantal klanten dat richting het zuiden moet, zal een omweg maken via het noorden om gebruik te maken van het Energietransitie Servicestation. Daar staat tegenover dat de verkeersbewegingen van mensen die incidenteel vanaf de N345 en N348 aan de noordzijde Brummen in gingen om te tanken, wegvallen. Deze kunnen nu direct aan de N345 en N348 tanken. Uit verkeersveiligheidsoverwegingen is er - mede gelet op de directe nabijheid van de rotonde van de N348 - in overleg met verkeerskundigen van de provincie voor gekozen om het Energietransitie Servicestation aan de noordwestzijde via de bestaande Kwazenboschweg te ontsluiten. Deze ontsluiting en de hiermee direct samenhangende terreininrichting is volgens de eisen van de provincie dusdanig vormgegeven, dat voor zowel de bezoekers van het Energietransitie Servicestation als voor de bevoorrading ervan, de verkeersafwikkeling op een veilige en logische

40/88

manier kan plaatsvinden. Tijdens de overleggen met de provincie is ook vastgesteld dat de oploop van afslaand en wachtend verkeer zo beperkt is dat er geen aanvullende maatregelen nodig zijn op de openbare weg. Wel moet de ‘fysieke rijbaanscheiding middels een band’ op de Kwazenboschweg ter hoogte van de ontsluiting van het Energietransitie Servicestation onderbroken worden om zo vanuit beide richtingen het tankstation te kunnen bereiken. Voor het aspect parkeren wordt opgemerkt, dat de benodigde parkeervoorzieningen op eigen terrein van het Energietransitie Servicestation gerealiseerd worden. Het Energietransitie Servicestation is hoofdzakelijk gericht op passantenverkeer. Met 27 parkeerplaatsen is echter ook rekening gehouden met bezoekers van ondermeer de tankshop en de educatieruimte. G.K. van Hogendorpstraat 7 De verkeerssituatie op en rondom locatie G.K. van Hogendorpstraat 7 verbetert met het verdwijnen van het tankstation omdat er minder verkeersbewegingen zullen zijn. Een deel van de eerdere bezoekers van het tankstation zal de G.K. van Hogendorpstraat 7 nog steeds passeren, echter een deel verlaat Brummen aan de noord- en zuidzijde zonder het voormalige tankstation te passeren. De nieuwbouw van appartementen leidt ertoe dat er wel nieuwe verkeersbewegingen bij komen.

De verkeersaantrekkende werking van deze woningen is echter beduidend lager dan die van het tankstation. Voor de te realiseren parkeerruimte wordt aangesloten bij de Parkeernota 2007 (inclusief aanpassing 2018) van gemeente Brummen en het paraplubestemmingsplan Parkeren 2018. De parkeernorm voor de 7 koopwoningen is 2,1 per woning en voor de 7 huurwoningen 1,4 per woning. Dat levert 24,5 parkeerplaatsen op, waarvan er 16 in de kelder komen, 8 langs de beide straten aan de appartementzijde en 1 aan de Zutphensestraat aan de overzijde. Conclusie Vanuit de thema’s verkeer en parkeren bezien is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.6

Bodem

Wettelijk kader In het kader van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. In de Wet bodembescherming is bepaald dat als de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Rotonde N348 In februari 2015 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door RoyalHaskoningDHV, waarbij Poelsema Veldwerkbureau, onder certificaat van de BRL SIKB 2000 het veldwerk heeft gedaan (zie bijlage 11). Uit een bureaustudie bleek een gedempte sloot aanwezig te zijn op de planlocatie, welke als ‘verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging’ is

41/88

aangeduid. De rest van het plangebied is geclassificeerd als onverdachte locatie. Daarom is voor de locatie de onderzoeksstrategie voor een ‘onverdachte locatie’ (ONV) en een ‘verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern’ (VEP) aangehouden. Op basis van de analyseresultaten van de bodemmonsters zijn geen verhoogde gehalten aan geanalyseerde componenten aangetoond ter plaatse van de gedempte sloot. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium en xylenen. Dezelfde resultaten volgden uit de analyse van de bodem- en grondwatermonsters van de onverdachte locatie. Aangenomen wordt dat de verhoogde concentraties van barium en xylenen veroorzaakt zijn door natuurlijke bodemprocessen. Gezien de geringe overschrijdingen van de streefwaarden voor de aangetoonde componenten, het ontbreken van een zintuigelijke aanwijzing voor de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en omdat geen van onderzochte componenten in concentraties boven de betreffende tussen-/interventiewaarde(n) zijn aangetoond geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Indien grond van de locatie wordt afgevoerd volstaat het onderhavige onderzoek niet en dient formeel een onderzoek conform Besluit Bodemkwaliteit te worden uitgevoerd.

Voorafgaand aan de ingebruikname van het tankstation zal een nulsituatieonderzoek moeten worden uitgevoerd. De milieuhygiënische bodemkwaliteit geeft geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. G.K. van Hogendorpstraat 7 In maart 2019 heeft Tauw een historisch bodemonderzoek uitgevoerd voor de G.K. van Hogendorpstraat 7 om de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen (zie bijlage 13). Daaruit blijkt dat de bodem asbestverdacht is. De bebouwing op de locatie is gerealiseerd in de periode 1945-1993 waarin asbest veelvuldig toegepast in bebouwing. Daarnaast zijn tijdens eerdere bodemonderzoeken visueel bijmengingen met puin aangetroffen. De herkomst of de samenstelling van dit puin is niet bekend. Door de aanwezigheid van ondefinieerbaar puin dient de locatie formeel als asbestverdacht te worden beschouwd. Op de locatie zijn potentiële bronnen van bodemverontreiniging aanwezig. Op basis van het vooronderzoek wordt geadviseerd voorafgaand aan de sanering van de tanks en toebehoren een actualiserend onderzoek uit te voeren. Na sanering kan een eindsituatie bodemonderzoek op de gehele locatie worden uitgevoerd waarbij naast grond en grondwater onderzoek naar asbest in de bodem dient te worden uitgevoerd. Hierover is afgesproken dat de huidige exploitant verantwoordelijk is voor de sanering van het tankstation.

De overige (sloop-) kosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Conclusie Voor de locatie bij de N348 geeft de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Indien grond van de locatie wordt afgevoerd, dient formeel een onderzoek conform Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de ingebruikname van het tankstation zal een nulsituatieonderzoek moeten worden uitgevoerd. De locatie bij de G.K. van Hogendorpstraat is momenteel asbestverdacht. In het kader van de omgevingsvergunning activiteit ‘bouwen is te zijner tijd een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.

42/88

4.7

Geluid

Wettelijk kader Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening dient te worden gehouden, namelijk: • Wegverkeerslawaai • Railverkeerslawaai • Industrielawaai In de Wet geluidhinder zijn geluidshindernormen voor toelaatbare equivalente geluidsniveaus opgenomen. De geluidshindernormen gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidszone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein. Een geluidszone is een aandachtsgebied aan weerszijden van een (spoor)weg en rondom een industrieterrein waarbinnen de geluidshindernormen van de Wet geluidshinder van toepassing zijn. Rotonde N348 Het Energietransitie Servicestation is geen nieuwe geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Wel is er sprake van geluidsuitstraling vanuit het tankstation. Voor de geluidsuitstraling vanuit het Energietransitie Servicestation geldt dat deze minimaal is en dat er geen geluidsgevoelige bestemmingen in de directe nabijheid van het plangebied liggen (zie paragraaf 4.1 milieuzonering). Het plangebied Kwazenboschweg ligt aan een doorgaande autoweg. Naar verwachting zal het tankstation wel een verkeersaantrekkende werking hebben (SAB 2021, Quisckscan Flora en Fauna). Daarmee neemt de geluidsbelasting op de omgeving licht toe. G.K.

van Hogendorpstraat 7 Tauw heeft in januari 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuwbouw van appartementen aan de G.K van Hogendorpstraat 7 te Brummen (zie bijlage 13). Het doel van het akoestisch onderzoek was om de geluidbelasting ten gevolge van de omliggende geluidbronnen inzichtelijk te maken. Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein maar wel in de zone van een spoorlijn. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt echter niet overschreden door het spoorwegverkeer. Uit het onderzoek blijkt daarnaast dat voor de Zutphensestraat en voor de G.K. van Hogendorpstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximaal toelaatbare waarde is volgens de Wet geluidhinder 63 dB. Brummen heeft eigen geluidbeleid vastgesteld. Daarin staat dat voor de betreffende weg de grenswaarde 53 dB is. De maximaal te verlenen grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden maar de grenswaarde van 53dB wel. Voor de Zutphensestraat moet daarom een hogere waarden procedure worden doorlopen. Daarvoor is een besluit hogere waarden nodig. Echter, sinds maart 2022 geldt voor de (meeste) wegen binnen de bebouwde kom van de kern Brummen een maximum snelheid van 30km per uur. Dat betekent, dat er geen hogere grenswaarde procedure hoeft te worden gevolg. Voor 30 km/u wegen is de Wet geluidhinder immers niet van toepassing. In het kader van een goede

43/88

ruimtelijke ordening is voor 30 km/h wegen wel inzicht nodig in de geluidsbelasting. Dat is met het bijgevoegde onderzoek al verkregen. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting bij 50 km/u lager is dan de maximale ontheffingswaarde, waarmee er sprake van een aanvaardbare situatie. Wanneer de Zutphensestraat een 30 km/u weg wordt zal de geluidsbelasting lager worden dan berekend. Wel moet bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen te worden aangetoond, dat aan de eisen uit het Bouwbesluit voor de binnenwaarde wordt voldaan. De G.K. van Hogendorpstraat is een 30 km/h weg waarvoor geen hogere waarden aangevraagd kunnen worden. Gevelmaatregelen zijn wel mogelijk om de binnenwaarde van maximaal 33 dB te waarborgen. De voorkeursgrenswaarden van 48 dB worden niet overschreden door de overige wegen in de nabijheid van het plangebied. De gecumuleerde geluidbelasting is maximaal 67 dB. In het geluidbeleid zijn hier geen eisen aan gesteld, bevoegd gezag dient te motiveren of deze gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar is. De geluidbelasting ten gevolge van omliggende bronnen is hoger dan de streef- en grenswaarden uit het gemeentelijk beleid, maar lager dan de plafondwaarden. Tegelijk met het in procedure brengen van het ontwerp bestemmingsplan wordt een ontwerp hogere waardenbesluit ter visie gelegd.

Warmtepompen De gebouwen worden conform de Gaswet gasloos uitgevoerd. Daarom wordt gewerkt met warmtepompen. Er zijn verschillende soorten warmtepompen. Zo zijn er warmtepompen die warmte halen uit de grond, uit het water uit de grond of uit de lucht. Bij deze laatste variant worden binnen- en buitenunits geplaatst. Bij een lucht-lucht warmtepomp trekt de buitenunit de lucht aan met een ventilator. Deze wordt volgens door de binnenunit op de juiste temperatuur gebracht. Vervolgens kan er warme of koude lucht in de woning worden geblazen. Bij een lucht-water warmtepomp bevindt zich in de buitenunit een warmtepomp die de warmte uit de omgevingslucht haalt. In de binnenunit wordt hiermee het water opgewarmd. Juist de buitenunits zorgen voor geluidsoverlast. Om de geluidsoverlast als gevolg van warmtepompen met een buitenunit tegen te gaan, gelden er vanaf 1 april 2021 in Nederland maximale geluidsnormen. Artikel 3.8 lid 2 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt dat een buitenunit maximaal 40 dB(A) mag veroorzaken op de perceelgrens met het aangrenzend perceel waar een woonbestemming geldt. Belangrijk is dat deze norm geldt voor nieuwbouw én bestaande woningen. Van belang is dat deze norm geldt op de perceelgrens. In de praktijk levert dit nog wel eens de nodige problemen op. Daarbij gaat het vooral om woningen die dicht op elkaar gebouwd staan.

Denk bijvoorbeeld aan smalle rijtjeswoningen. De afstand tot het naastgelegen perceel is dan dusdanig klein dat gepuzzeld moet worden waar de buitenunit geplaatst kan worden om te voldoen aan de norm van 40 dB(A). Ook bij appartementen is het (soms) problematisch. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk hoe de term ‘perceelsgrens’ van artikel 3.8 lid 2 van het Bouwbesluit 2012 moet worden uitgelegd. Onduidelijk is of het alleen gaat om het aangrenzende perceel of ook om de omliggende appartementen. Als alleen het eerste van toepassing is, worden omliggende appartementen niet beschermd door deze norm.

44/88

De bestemmingen die in een bestemmingsplan aan gronden worden gegeven, mogen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Als een bestemmingsplan warmtepompen bij woningen mogelijk maakt, zoals in voorliggend plan gebeurt, moet er een afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de omgeving na realisatie van warmtepompen en moet worden beoordeeld of een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat zal bestaan. Alleen verwijzen naar de norm van 3.8 lid 2 van het Bouwbesluit 2012 is onvoldoende. Ook het doorschuiven van de toets naar de omgevingsvergunning voor het bouwen is geen oplossing. Om te voorkomen dat er geluidsoverlast van warmtepompen ontstaat zijn in de planregels voor de appartementen (artikel 7) warmtepompen toegestaan, maar uitsluitend zonder buitenunit. Warmtepompen met een buitenunit worden in artikel 7 beschouwd als in strijd met de bestemming. Hiermee is in het kader van een goede ruimtelijke ordening geborgd, dat het gebruik van warmtepompen niet leidt tot geluidoverlast op omliggende woningen of op de appartementen in het plangebied. Conclusie Vanuit het thema geluid bezien is het bestemmingsplan uitvoerbaar. Wel dienen hogere waarden aangevraagd te worden.

4.8

Waterhuishouding

Wettelijk kader Het beleid van de (rijks) overheid is de laatste jaren vooral gericht om risico’s op wateroverlast of als tegenhanger watertekort tot een minimum te beperken. Om dit te bereiken kennen ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan een zogenaamde watertoets. In deze watertoets worden de belangen van het watersysteem bij de ruimtelijke planvorming gewaarborgd. Zo is de gemeente gehouden om bij ruimtelijke plannen - en dus ook dit bestemmingsplan - de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium hierbij te betrekken. Dit vindt zijn nadere concretisering in de in het Besluit ruimtelijke ordening neergelegde verplichting tot overleg met het waterschap. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Rotonde N348 In april 2019 is de watertoetsprocedure doorlopen voor de nieuwe locatie Kwazenboschweg. In het kader van de zorgvuldigheid is dat in februari 2023 opnieuw gedaan (zie bijlage 14 voor het toetsresultaat).

Daaruit blijkt dat binnen het plangebied een of meerdere belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat daarmee mogelijk primaire waterbelangen worden geraakt. De uitkomsten van de watertoets zijn afgestemd met waterschap Vallei en Veluwe die positief

45/88

adviseerde op het plan mits de waterberging in het gebied geregeld is. Dit is een aandachtspunt omdat er meer dan 1.500 m2 toename van verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Uitgangspunt voor de inrichting is dat afgezien van rioolwater geen hemelwater vanaf het terrein wordt geloosd. Het hemelwater wordt op locatie opgevangen. In het plan is op verschillende manieren rekening gehouden met deze wateropvang. Ten eerste door toepassing van het groene dak boven het Energietransitie Servicestation. Het dak is zo ontworpen dat ze het meeste regenwater opvangt. Het weinige water dat op de bodem valt, wordt via een olie- en slibvang afgevoerd naar het riool. De verharding van de toe- en afvoerroutes van het tankstation bestaat uit een waterdoorlatende constructie. De parkeerplaatsen kunnen eventueel een doorgroeibare verharding krijgen waarmee de afstroom van regenwater op de greppel naast het terrein beperkt blijft. De greppel houdt zijn waterbergende capaciteit. Doordat er al een dam over de greppel naar het perceel loopt, is het niet nodig een deel van de greppel te dempen voor een oprit naar het tankstation. Uit het bodemonderzoek van Royal Haskoning DHV uit 2015 blijkt dat de gemiddelde (freatische) grondwaterstand 1,0 meter beneden maaiveld is waarmee het risico op wateroverlast op het perceel kleiner is dan een gebied met een hoge grondwaterstand.

Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, moet rekening gehouden worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. G.K. van Hogendorpstraat 7 In april 2019 is ook voor de G.K. van Hogendorpstraat 7 de watertoetsprocedure doorlopen. In het kader van de zorgvuldigheid is dat in februari 2023 opnieuw gedaan (zie bijlage 15 voor het toetsresultaat). De hoeveelheid verhard oppervlak op deze locatie blijft gelijk. Uit de watertoets

46/88

blijkt dat in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen) liggen. Ook zijn er geen waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Bij de nieuwbouw van appartementen is rekening gehouden met wateropvang door de geplande aanleg van groen rondom de bebouwing. Het regenwater wordt niet via het riool afgevoerd. Voor de verdere uitwerking en concretisering van nieuwbouw moet rekening gehouden worden met de aandachtspunten vasthouden-bergen-afvoeren en grondwaterneutraal bouwen zoals hierboven staan beschreven. Conclusie Vanuit het thema water bezien is het bestemmingplan uitvoerbaar.

4.9

Flora en fauna

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het wettelijke stelsel voor natuurbescherming. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming gaat over beschermde Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen schaden. Ook het effect van

stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen hoort bij het onderdeel gebiedsbescherming. Het Natuurnetwerk Nederland De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal. Bij het onderdeel soortenbescherming is voor een aantal soorten door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Tot slot regelt de Wet Natuurbescherming ook de

bescherming van houtopstanden. Het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming gaat uit van het “nee, tenzij-principe “. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

47/88

Rotonde N348 Gebiedsbescherming Bureau SAB heeft in 2021 een quickscan natuur uitgevoerd voor de bouw van het Energietransitie Servicestation (bijlage 16). Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie afbeelding 4.5). Wel liggen er Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied. Dit zijn de Natura2000-gebieden Rijntakken en Landgoederen Brummen die respectievelijk 1,35 en 2,5 kilometer van het plangebied verwijderd liggen.

Figuur 4-5. Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: SAB.

Natura2000 gebieden kunnen gevoelig zijn voor de neerslag van stiksof. De uitstoot van stikstof heeft een verzurende en vermestende werking en kan neerslaan op grote afstand van de bron. Wanneer het neerslaat op habitattypen die hiervoor gevoelig zijn kan dit een negatief effect hebben op de natuurwaarden in een dergelijk gebied. Om na te gaan of dit het geval is, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Om de stikstofdepositie te berekenen zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. Van dit stikstofonderzoek is door bureau SAB een rapportage opgesteld (bijlage 17). Met de invoer van verkeersgegevens en de te gebruiken werktuigen blijkt uit het model dat zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j optreedt op de omliggende Natura 2000-gebieden. De gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j wordt daarmee niet overschreden en leidt niet tot een vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming. Negatieve effecten op Natura 2000 als gevolg van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Andere verstoringen zoals verstoring door licht,

48/88

geluid of andere effecten zijn op een afstand van minimaal 1,35 kilometer uitgesloten. De Omgevingsdienst Veluwe IJssel heeft 16 maart 2023 ingestemd met het stikstofonderzoek en heeft geadviseerd het rapport en de berekeningen als bijlage toe te voegen aan het bestemmingsplan,. Hieraan is voldaan. Het advies van de Omgevingsdienst is voor de volledigheid als bijlage bij het stikstofonderzoek gevoegd. Provinciale bescherming Aangezien het plangebied niet in de GNN of andere provinciaal beschermde natuur ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming Voor het onderzoek naar soorten werd een bureaustudie uitgevoerd en werden foto’s van het plangebied beoordeeld, ook de eerder opgestelde quickscan door Ecologisch Adviesbureau Mulder (2016) en het recent door SAB uitgevoerde onderzoek werden gebruikt bij de beoordeling. Vanuit de soortenbescherming geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Bij de uitvoering moet geprobeerd worden zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden en dient men de verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is.

De meidoornhaag aan de noordzijde is in het verleden aangeplant ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de Kwazenboschweg. Het inkorten van deze haag leidt tot een zeer klein verlies van een mogelijk foerageergebied voor de steenuil. In de omgeving van het tankstation zijn echter nog genoeg andere foerageerplekken aanwezig waardoor het effect op de steenuil miniem is. Uit de quickscan blijkt dat de aanwezigheid van steenmarter, eekhoorn, bever, otter en das worden uitgesloten. Geschikt biotoop voor reptielen is niet aanwezig. Algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bruine kikker en gewone pad kunnen niet volledig worden uitgesloten in het projectgebied. Deze soorten zijn weinig veeleisend aan hun leefomgeving en komen wijdverspreid voor. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling van de verboden in de Wet natuurbescherming bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Wel kunnen er vleermuizen voorkomen. Het is echter niet te verwachten dat het plangebied essentieel foerageergebied vormt voor een populatie vleermuizen. Het plangebied heeft namelijk maar een beperkte oppervlakte en het plangebied ligt in het buitengebied waar voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Een nader onderzoek naar deze functie is niet nodig.

Vanwege de mogelijke aanwezigheid van broedvogels, dient buiten het broedseizoen (maart-juli) gewerkt te worden. Als de voorschriften uit de zorgplicht worden nageleefd zijn negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten.

49/88

Houtopstanden Om de in- en oprit te realiseren wordt de aanwezige houtwal doorbroken. Hiervoor worden struiken gerooid die onderdeel zijn van een houtopstand die groter is dan 10 are. Deze houtwal ligt buiten de bebouwde kom beschermde houtopstanden en valt daarom onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Derhalve dient van de velling melding te worden gedaan en dient herplant op dezelfde locatie plaats te vinden. Herbeplanting kan mogelijk ook plaats vinden op andere grond dan de locatie waar de houtopstand wordt geveld. Hiervoor is een ontheffing van de provincie noodzakelijk. Gezien de realisatie van een op- en afrit is herplant op dezelfde locatie niet mogelijk. Wel is herplant mogelijk rond het nieuwe tankstation. G.K. van Hogendorpstraat 7 Voor de G.K. van Hogendorpstraat is ook een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (bijlage 16). Hieruit blijkt dat negatieve effecten op Natura2000-gebieden vanwege de beperkte ingreep en de afstand tot Natura2000-gebied uitgesloten is. Nader onderzoek in de vorm van een Voortoets Wet natuurbescherming is daarom niet nodig. De beoogde locatie voor de appartementen ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk of andere provinciaal beschermde natuur. De bescherming van deze gebieden staat uitvoering van het plan niet in de weg. Ook worden er geen beschermde plant of diersoorten in het plangebied verwacht.

Verblijfplaatsen van o.a. vleermuizen, reptielen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en insecten worden niet verwacht. Wanneer uitvoering buiten het broedseizoen plaatsvindt zijn ook effecten op broedvogels uit te sluiten. Aan werkzaamheden binnen het broedseizoen dient een broedvogelcheck vooraf te gaan om te voorkomen dat eventuele nesten worden vernield. Er worden geen houtopstanden geveld. Voor het onderdeel stikstofdepositie is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 17). Hieruit blijkt dat zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase van de appartementen geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j optreedt op de omliggende Natura 2000-gebieden Conclusie Van het aspect ecologie bezien is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.10

Luchtkwaliteit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12790531/3