(102) TAM - IMRO plan Burgersterrein Eerbeek inclusief bijlagen
Tekst van het document
43
8.2.2
Situatie plangebied
Door Ecogroen is een natuurtoets uitgevoerd. Het onderzoek staat in Bijlage 10. Hieronder wordt op de conclusie ingegaan. Onderzoek natuurwaarden In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes en onmisbaar foerageergebied van vleermuizen. Wel vormen de bomenrijen langs de Loubergweg mogelijk een vliegroute voor vleermuizen. Om negatieve effecten op langsvliegende vleermuizen te voorkomen, worden voorwaarden meegegeven. In het plangebied zijn nesten van enkele algemeen voorkomende broedvogels te verwachten zoals ekster, roodborst, merel, tjiftjaf, houtduif, Turkse tortel en merel. De werkzaamheden leiden niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van flora, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden, uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van vergunningplicht geldt in de provincie Gelderland. Mits voorkomen wordt dat exemplaren opzettelijk worden gedood, geldt dat er voor deze soorten geen vervolgstappen aan de orde zijn. Wel is altijd de specifieke zorgplicht van toepassing. De bomen in het plangebied maken geen onderdeel uit van een houtopstand zoals beschermd onder de Omgevingswet. Voor de kap van bomen binnen het plangebied gelden alleen de (kap)regels van de gemeente Brummen.
In voorliggende situatie is het niet noodzakelijk om een kapvergunning bij de gemeente aan te vragen omdat de bomen geen deel uitmaken van het Wilhelminapark in Eerbeek, niet behoren tot een tuin van een historisch pand en niet op de landelijke lijst staan van monumentale bomen van de Bomenstichting Amsterdam.
8.3
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
44
Hoofdstuk 9 9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Door Greenhouse Advies is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek staat in Bijlage 11. Hieronder staat de conclusie. Archeologisch onderzoek Op basis van de resultaten van de vooronderzoeken en het thans uitgevoerde inventariserende veldonderzoek door middel van verkennende boringen, wordt geadviseerd om in de zones met de (restanten van) esdekken geen bodemingrepen uit te voeren die dieper reiken dan dat esdek. Op die plekken geen graafwerkzaamheden tot in het gele zand uit te voeren omdat daarmee een mogelijk aanwezig bodemarchief kan worden verstoord of vernietigd. Dit komt overeen met een wisselende diepte van zo’n 80 cm -mv (boring 20) tot 170 cm -mv (boring 14).
Langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat ligt het esdek op een diepte variërend van 90 tot 120 cm -mv13 (of +17,0 m tot +18,0 m NAP) en in het zuidwestelijk deel ligt dit niveau dieper op 115 tot 170 cm -mv (of +16,7 m tot +18,5 m NAP).14 Het strekt tot de aanbeveling om een buffer van 30 cm boven dat niveau aan te houden. Wanneer hier toch diepe bodemingrepen tot in het ‘gele zand’ (C-horizont) en onder(in) het esdek moeten plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van het beoogde ruimtelijke plan, dan wordt geadviseerd dit vooraf te laten gaan door een archeologisch vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Doel daarvan is het opsporen en zo mogelijk afbakenen en het waarderen van het eventueel aanwezige bodemarchief. Op basis daarvan kunnen de vervolgstappen (= vrijgave, opgraven of planaanpassing) worden bepaald.
45
Afbeelding 9.1: Advieskaart op basis van verkennend booronderzoek (Bron: Greenhouse Advies) De groene advieszone op afbeelding 9.1 wordt vrijgegeven voor ontwikkeling. Indien de bodemingrepen in de bruine advieszone op figuur 1 beperkt blijven tot 17,30-18,40 m NAP langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat, alsook tot 17,00-18,80 m NAP in het zuidwestelijk deel, is verder onderzoek hier niet noodzakelijk in het kader van de omgevingsvergunning. Indien deze grenzen alsnog overschreden worden, is een proefsleuvenonderzoek benodigd, waarvoor een door de gemeente Brummen goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) opgesteld dient te worden alvorens het onderzoek kan plaatsvinden. Dit is verwerkt als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan door onderzoek verplicht te stellen bij bodemingrepen als de bodemingrepen de genoemde dieptes overschrijdt.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Situatie plangebied In en om het plangebied liggen geen Rijksmonumenten. In het plangebied bevinden zich ook geen gemeentelijke monumenten. Aan de Stationstraat 2 bevindt zich het station van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij. Dit pand is aangewezen als gemeentelijk monument. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor dit monument.
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Gelderland is een deel van de Loubergweg aangewezen als bijzonder lijnelement (Hanzeweg). Het plan heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde en verstoort het lijnelement niet.
46
Voor het overige zijn er geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig.
9.4
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
47
Hoofdstuk 10 10.1
M .e.r.-beoordeling
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
10.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Gezien de omvang betreft het een ontwikkeling die ruim beneden de gevallen/drempelwaarden van de plan m.e.r.-plicht blijft. Door BJZ.nu is een notitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. De notitie staat in Bijlage 12. De m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.
10.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de kenmerken van de ontwikkeling en de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
48
Hoofdstuk 11 11.1
Economische uitvoerbaarheid
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie plangebied
In dit geval is de gemeente Brummen de initiatiefnemer van het plan. Voor voorliggende wijziging van het omgevingsplan en bouwproject is een grondcomplex ingesteld met bijbehorende grondexploitatie. Hierin is de verantwoording van de kosten en opbrengsten opgenomen. De exploitatie is sluitend. Het plan is dan ook economisch uitvoerbaar. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
49
Hoofdstuk 12 12.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Zoals in paragraaf 2.2 is beschreven is voorliggend plan een onderdeel van het traject om het voormalige Burgersterrein te herontwikkelen. Een overzicht en beschrijving van het participatietraject staat in Bijlage 13.
12.2
Vooroverleg instanties
Provincie Gelderland: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt het plan aan de Provincie Gelderland toegestuurd. Wanneer deze met een reactie komt wordt dit hier vermeld. Waterschap Vallei en Veluwe: uit de digitale watertoets komt de 'normale' procedure. Met het waterschap vindt afstemming plaats. Het resultaat hiervan wordt hier vermeld. Veiligheidsregio: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt het plan aan de Veiligheidsregio toegestuurd. Wanneer deze met een reactie komt wordt dit hier vermeld.
12.3
Zienswijzen
De wijziging van het omgevingsplan is voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. In deze periode is één zienswijze ingediend. De opgestelde nota beantwoording zienswijze is toegevoegd in Bijlage 14. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze is er een onderzoek uitgevoerd naar inschijnende koplampen. Voor het onderzoek wordt eveneens verwezen naar Bijlage 14. Aan het ontwerp wijziging van het omgevingsplan zijn enkele ambtelijke wijzigingen aangebracht. Hieronder volgt een korte beschrijving per onderdeel. Motivering: sinds de ontwerp wijziging van het omgevingsplan is een nieuwe AERIUS-berekening uitgevoerd en is op basis van deze berekening een voortoets stikstofeffecten uitgevoerd. Regels: in de regels zijn enkele wijzigingen van ondergeschikte aard aangebracht. Enkele voorbeelden zijn het verduidelijken van de regels over balkons en een begripsbepaling toevoegen van een tuincentrum. Verbeelding: op de verbeelding zijn enkele omissies hersteld. Enkele voorbeelden zijn het corrigeren van de bouwhoogte van enkele appartementengebouwen, de uitrit van de toegangsweg van de bedrijven de missende aanduiding 'Verkeer - Verblijfsgebied' herstellen en het fietspad tussen de twee woonvelden met een aanduiding aangeven.
50
Hoofdstuk 13 13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht en slotbepalingen. 13.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Burgersterrein, Eerbeek en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22l) van het omgevingsplan 51
van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22l.’ gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 13.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen.
Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgersterrein Eerbeek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMEEKOM3004-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 13.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied.
Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 10): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 11): Dit artikel bevat algemene regels omtrent het bouwen van bouwwerken. Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 12): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten. Parkeeractiviteiten (Artikel 13): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen en regels over laden en lossen. De normen zijn niet als zodanig in een tabel opgenomen, maar zijn toegevoegd als bijlage bij de regels. Overige regels (Artikel 14): Wanneer het aanvragen van een omgevingsvergunning nodig is, op basis van de regels uit hoofdstuk 2, zijn de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van toepassing.
52
13.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan. NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in een TAM-omgevingsplan opgenomen.
13.3
Verantwoording van de regels
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Eerbeek”. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe. In bestemmingsplan "Eerbeek" is de aanduiding 'geluidzone - te verwijderen' opgenomen. Aangezien deze geluidzone niet langer van toepassing is, is ervoor gekozen om deze niet over te nemen in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Bedrijf (Artikel 4) Het is nog niet bekend welke bedrijven exact zich zullen vestigen. Daarom is gekozen voor het toevoegen van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit bestemmingsplan "Kom Eerbeek" (vastgesteld 28 januari 2010). Uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn in het plangebied toegestaan. Er zijn geen bouwvlakken opgenomen. In plaats daarvan zijn regels opgenomen over de ligging van de bedrijfsgebouwen en het maximale bebouwingspercentage per perceel. Tot slot mag uitsluitend gebouwd worden volgens het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als bijlage bij de regels. Groen (Artikel 5) De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.
In tegenstelling tot de regels uit bestemingsplan "Eerbeek" is ervoor gekozen om parkeerplaatsen en ontsluitingen onder te brengen in de functie Verkeer - Verblijfsgebied. Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 6) De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime. Wonen (Artikel 7) De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime. Hiervan afwijkend zijn de regels over het bouwen van een mantelzorgunit. In paragraaf 22.2.7.3 in het omgevingsplan (onderdeel van de 'bruidsschat') staat immers al geregeld onder welke voorwaarden een mantelzorgwoning vergunningvrij gebouwd mag worden. Daarnaast mag binnen de functie Wonen uitslutiend gebouwd worden volgens het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als bijlage bij de regels. Milieuzone - geurzone 2 (Artikel 8) De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime. Overige zone - voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek (Artikel 9) Uit het selectiebesluit volgt dat een deel van het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde heeft (zie paragraaf 9.2). Voor een ander deel van het plangebied geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 17,30-18,40 m NAP langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat, alsook tot 17,00-18,80 m NAP in het zuidwestelijk deel proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is.
In dit geval is al verkennend archeologisch onderzoek gedaan waarin de (verwachtings)waarden vastgesteld zijn. Daarom is ervoor gekozen om geen reguliere archeolgische functie op te nemen, maar een voorwaardelijke verplichting.
53
478229
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Eerbeek, Burgersterrein
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
(H. 22a paragraaf 1) Inleidende regels Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen
4 4 5 11
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
(H. 22a paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen Bedrijf Groen Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Milieuzone - geurzone 2 Overige zone - voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek
13 13 15 17 18 21 22
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
(H. 22a paragraaf 3) Algemene regels voor activiteiten Anti-dubbeltelregel Algemene ruimtelijke bouwregels Planologische gebruiksactiviteiten Parkeeractiviteiten Overige regels
23 23 24 25 26 27
Hoofdstuk 4 Artikel 15
(H. 22a paragraaf 4) Overgangsregels Overgangsrecht
28 28
2
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Burgersterrein, Eerbeek en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22l) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22l.’ gelezen worden.
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
(H. 22a paragraaf 1) Inleidende regels
Toepassingsbereik
1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgersterrein, Eerbeek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMEEKOM3004-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
4
Artikel 2
Begripsbepalingen
1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in het eerste lid de volgende begripsbepalingen: 2.1 plan het TAM-omgevingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Eerbeek, Burgersterrein", met identificatienummer NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01 van de gemeente Brummen; 2.2 aan-huis-gebonden bedrijf het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of een daaraan verbonden bijbehorend bouwwerk, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een bed en breakfast (B&B), schoenmakerij, computerreparatiebedrijf etc.; 2.3 aan-huis-gebonden beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, niet zijnde een seksinrichting, een escortbedrijf of detailhandel, uitgeoefend in een woning en/of een daaraan verbonden bijbehorend bouwwerk en als functie ondergeschikt aan de
woonfunctie; 2.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.6 achtererfgebied het gebied zoals bepaald in Bijlage 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; 2.7 ambulante handel elke verkoop, te koop aanbieding of uitstalling met het oog op de verkoop van producten aan de consument, door een handelaar buiten de vestigingen vermeld in zijn inschrijving in het handelsregister of door een persoon die niet over een dergelijke vestiging beschikt; 2.8 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meerdere techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie; 2.9 antennedrager antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne; 2.10 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 2.11 bebouwingsgebied achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; 5
2.12 bebouwingspercentage het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, dat mag worden bebouwd; 2.13 bed- en breakfast een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de woonfunctie. Onder een bed- en breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; 2.14 bedrijf elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze planregels eveneens als bedrijf aangemerkt; 2.15 bedrijfsgebouw een gebouw dat noodzakelijk is voor de uitoefening van ter plaatse toegestane (bedrijfs)activiteiten, hieronder wordt geen bedrijfswoning verstaan; 2.16 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 2.17 bedrijfsmatige activiteiten bedrijfsmatige activiteiten - geen dienstverlening zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheden, geheel of
overwegend door middel van handwerk; 2.18 bestaand bij bouwwerken: bestaande bouwwerken, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig waren of krachtens een verleende bouwvergunning en/of omgevingsvergunning worden of mogen worden gebouwd; bij gebruik: bestaand gebruik dat bestond op het tijdstip ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan; 2.19 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 2.20 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, niet zijnde een overkapping. Binnen aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij een woning is eveneens gebruik ten behoeve van de woonfunctie inbegrepen; 2.21 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen; 2.22 bouwlaag een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitzondering van onderbouw en kapverdieping;
6
2.23 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.24 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 2.25 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.26 bouwwerken, geen gebouw en bijbehorend bouwwerk zijnde een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of bijbehorend bouwwerk is; 2.27 bruto vloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van gebouwen ten dienste van de bedrijfsactiviteiten, buitenwerks gemeten, met inbegrip van de daartoe behorende opslag en overige dienstruimten; 2.28 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 2.29 daknok hoogste punt van een schuin dak; 2.30 dakvoet laagste punt van een schuin dak; 2.31 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of (af)leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, dit met uitzondering van perifere detailhandel en de verkoop van lpg; 2.32
dienstverlening onder dienstverlening wordt verstaan:publieksgerichte dienstverlening en zakelijke dienstverlening; 2.33 druiplijn onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft; 2.34 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt; 2.35 gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
7
2.36 geurgevoelig object van categorie A een woning, school, ziekenhuis of een vergelijkbaar geurgevoelig object, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, niet zijnde bedrijven, kantoren of vergelijkbare objecten; 2.37 gestapelde woningen boven elkaar of nagenoeg boven elkaar gebouwde woningen; 2.38 hoofdgebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en dat, indien op het perceel meerdere gebouwen aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is; 2.39 huishouden: persoon of groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuiteit in de samenstelling ervan; 2.40 kantoor gebouw gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen; 2.41 kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis de in Bijlage 1 genoemde aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die door de beperkte omvang in of bij een woning met
behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend door uitsluitend de bewoner; 2.42 kunstwerk een civiel technisch bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van wegen en waterlopen, zoals een brug, duiker of viaduct, alsmede: creatieve voortbrengselen van de beeldende kunst zoals beeldhouwwerken, schilderen en andere kunstzinnige objecten; 2.43 luifel een uitstekend afdak aan een gebouw; 2.44 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning aan een hulpbehoevende ten behoeve van zelfredzaamheid en/of participatie, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden, maar rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 2.45 mantelzorgunit een (tijdelijke) woning bedoeld voor de huisvesting van een huishouden van maximaal twee personen van wie tenminste één persoon zorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de hoofdwoning; 2.46 nutsvoorziening een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten;
8
2.47
overkapping
een bouwwerk met een dak met ten hoogste twee wanden, al dan niet tot de constructie zelf behorend; 2.48 peil voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de gemiddelde hoogte van het direct aansluitend terrein; 2.49 perifere detailhandel een vorm van detailhandel die gericht is op het verhandelen van volumineuze of brand- en explosiegevaarlijke stoffen en van ABC-goederen (auto's, boten en caravans), tuincentra, bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van het productassortiment een groot oppervlak van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlakte per detailhandelsvestiging, nodig hebben voor de uitstalling en goed bereikbaar moeten zijn; 2.50 permanente bewoning het gebruik van een ruimte, daaronder begrepen kampeermiddelen, chalets, stacaravans en recreatiewoningen, als hoofdverblijf; 2.51 prostitutie het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten; 2.52 recreatief medegebruik die vormen van openluchtrecreatie, waarbij vooral het landschap of bepaalde aspecten daarvan worden beleefd, zoals wandelen en fietsen, waarbij relatief weinig recreanten aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid.
Deze functie is ondergeschikt aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 2.53 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 2.54 staat van bedrijfsactiviteiten de in Bijlage 2 bij deze planregels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij dit plan; 2.55 standplaats een ruimte op of aan de openbare weg of aan openbaar water, dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, waar het toegestaan is ambulante handel uit te oefenen; 2.56 tuin een gedeelte van het erf dat geheel of gedeeltelijk is ingericht met gazons, planten en/of bomen;
9
2.57 tuincentrum een bedrijf dat binnen een ruimte of op een terrein, al dan niet overdekt, planten en een volledig assortiment aan tuinartikelen en producten uit vooraad aan particulieren aanbied alsmede daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen. Tuinartikelen zijn artikelen die dienen voor de aanleg, de inrichting en het onderhoud van en het verblijf in tuinen. Onder volledig assortiment wordt begrepen: Hoofdassortiment: direct voor de aanleg, inrichting en onderhoud van tuinen benodigde artikelen; Bijassortiment: indirect voor de aanleg, inrichting en onderhoud van huis en tuinen benodigde artikelen, alsmede dieren, dierbenodigdheden en -voeding, decoratie en woonaccessoires binnenshuis, tuin en wazkleding, buitenspeelgoed, (buiten)koken en accessoires, verkoop van streekproducten.
2.58 twee-onder-één-kap woning een woning waarvan het hoofdgebouw aan één zijde is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning; 2.59 voorgevel de naar de openbare ruimte (weg, voet-/fietspad) gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan de openbare ruimte grenst, de als zodanig door het bevoegd gezag aan te wijzen gevel(s); 2.60 voorgevellijn de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 2.61 vrijstaande woning een woning die niet verbonden is met een andere woning; 2.62 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit; 2.63 wonen het houden van verblijf, het huren en tevens (laten) bewonen van kamers of het gehuisvest zijn in een huis/woning, evenwel met uitzondering van woonvormen met een maatschappelijk karakter met intensieve begeleiding, met dien verstande dat kamerhuur in een pand beperkt is en blijft tot maximaal vier personen; 2.64 woning of wooneenheid een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en/of bestemd voor de huisvesting van één huishouden.
10
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend: 3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de kortste afstand van het gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens; 3.2 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen; 3.3 het bebouwingspercentage een aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak en/of bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de planregels anders is bepaald; 3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.5 de breedte, diepte, c.q. lengte van gebouwen tussen de buitenwerkse (hoofd)gevelvlakken en/of harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren; 3.6 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 3.7 de diepte van een (ondergronds) bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk; 3.8 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.
de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, wolfseinden en ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend; 3.9 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 3.10 de oppervlakte van een bouwwerk: a. tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; b. voor bouwwerken zonder wanden het overdekte en/of bebouwde grondoppervlakte, gemeten loodrecht onder het dakoppervlak en/of bouwwerk; 3.11 maatvoering parkeerruimte De ruimte voor het parkeren van auto's is afgestemd op gangbare personenauto's waaraan wordt voldaan indien de afmetingen van: a. bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5 meter in geval van kops parkeren en 2 x 6 meter bij langsparkeren bedragen; b. een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3, 5 x 6 meter bedragen.
11
3.12 uitzondering bij wijze van meten a. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, koelinstallaties, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,50 meter bedraagt; b. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden liftinstallaties buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 2.00 meter bedraagt.
12
Hoofdstuk 2 (H. 22a paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen Artikel 4
4.1
Bedrijf
Functieomschrijving
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen worden benut voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage 2, met uitzondering van zoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen en vuurwerkopslag; met de daarbij behorende: b. c. d. e. f. g.
tuinen, erven en terreinen; nutsvoorzieningen; gebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen.
4.2
Beoordelingsregels
4.2.1
Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels. 4.2.2
Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bebouwing ten behoeve van de onder artikel 4.1 onder a tot en met g genoemde functies mag uitsluitend worden gerealiseerd en in stand worden gehouden conform het bepaalde in het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als Bijlage 3 bij deze regels; b. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 3 meter te bedragen; c. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven hoogte, ondergeschikte bouwdelen niet meegerekend; d. de maximale bruto vloeroppervlakte (bvo) voor bedrijven binnen deze functie mag niet meer bedragen dan 4.500 m2, waarbij de bebouwde oppervlakte mag per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 80%. 4.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a. de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, inclusief overkappingen zoals genoemd in artikel 4.2.4, niet zijnde erf- en terreinafscheidingen en masten, bedraagt per bouwperceel maximaal 40 m2, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceelgedeelte achter de voorgevellijn niet meer bedraagt dan 60%; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; c. in afwijking van het bepaalde onder b mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen; d. in afwijking van het bepaalde onder b mag de bouwhoogte van antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en andere vergelijkbare bouwwerken niet meer dan 8 meter bedragen. 13
4.2.4
Overkappingen
Voor overkappingen geldt het volgende: a. overkappingen mogen uitsluitend vanaf 3 meter achter de voorgevellijn gebouwd worden; b. het bepaalde in artikel 4.2.3 onder a is van overeenkomstige toepassing; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter.
4.3
Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
14
Artikel 5
5.1
Groen
Functieomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden mogen worden benut voor: a. groenvoorzieningen; b. bermen en beplanting; c. waterlopen en waterpartijen; met daaraan ondergeschikt: d. voet- en fietspaden; e. recreatief medegebruik; f. straatmeubilair; g. speelvoorzieningen, met uitzondering van jongerenontmoetingsplaatsen; h. kunstwerken; i. nutsvoorzieningen, geen gebouwen zijnde; j. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen; en de daarbij behorende: k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2
Beoordelingsregels
5.2.1
Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 5.2 opgenomen beoordelingsregels. 5.2.2
Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de in artikel 5.1 omschreven functies. 5.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 meter bedragen; b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen; c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten niet meer dan 12 meter bedragen. 5.2.4
Overkappingen
Overkappingen zijn niet toegestaan.
5.3
Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: d. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; e. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; f. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; g. ter waarborging van de verkeersveiligheid; h. ter waarborging van de sociale veiligheid; 15
i.
ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
16
Artikel 6
6.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Functieomschrijving
Gronden binnen de functie 'Verkeer - Verblijfsgebied' mogen worden benut voor: a. wegen, straten en paden; b. parkeervoorzieningen; c. voet- en fietspaden; met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i. j.
nutsvoorzieningen; gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; groenvoorzieningen; kunstwerken; speelvoorzieningen, met uitzondering van een jongerenontmoetingsplaats; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen; straatmeubilair.
6.2
Beoordelingsregels
6.2.1
Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 6.2 opgenomen beoordelingsregels. 6.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen zijn toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter en de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 30 m2. 6.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag 5 meter bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in onder a mag de maximale bouwhoogte van een antenne-installatie 15 meter bedragen; c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen; d. in afwijking van het bepaalde in onder a mag de maximale bouwhoogte van lichtmasten 12 meter bedragen. 6.2.4
Overkappingen
Overkappingen zijn niet toegestaan.
17
Artikel 7
7.1
Wonen
Functieomschrijving
Gronden binnen de functie 'Wonen' mogen worden benut voor: a. wonen; b. grondgebonden en gestapelde woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor: 1. kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis conform Bijlage 1; 2. bed & breakfast; met de daaraan ondergeschikt c. inwoning zoals bedoeld in de inwoonregeling gemeente Brummen (2014); met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i.
gebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; voet- en fietspaden; openbare nutsvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.2
Beoordelingsregels
7.2.1
Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 7.2 opgenomen beoordelingsregels. 7.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bebouwing voor de onder artikel 7.1 onder a tot en met h genoemde functies mag uitsluitend worden gerealiseerd en in stand worden gehouden conform het bepaalde in het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als Bijlage 3 bij deze regels; b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' de voorgevel van een hoofdgebouw geplaatst dient te worden in deze opgenomen gevellijn; 2. in afwijking van het bepaalde onder 1, mag de voorgevel overschreden worden door een erker of balkon, met dien verstande dat de diepte daarvan maximaal 1,2 m bedraagt en dat de breedte niet meer bedraagt dan 2/3e van de breedte van de voorgevel van de wooneenheid met een maximum van 4 m; c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen per bouwvlak ten hoogste het in de aanduiding aangegeven aantal bedragen; e. gestapelde woningen zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' toegestaan; f. de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' aangegeven hoogte. 7.2.3
Bijbehorende bouwwerken
In het achtererfgebied mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
18
1. 5 meter; 2. 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en; 3. het hoofdgebouw; b. voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1. indien hoger dan 3 meter: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [meter] x 0,47) + 3; 2. voor zover gelegen op twee perceelsgrenzen of op niet meer dan 2 meter van een perceelsgrens en indien hoger dan 3 meter: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens die evenwijdig loopt aan de daknok [meter] x 0,47) + 3; 3. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft dat gelegen is binnen het ter plaatse opgenomen bouwvlak; c.
de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken, inclusief overkappingen zoals genoemd in artikel 7.2.5, in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied, met dien verstande dat er minimaal 40 m2 mag worden gebouwd; 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.
7.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen, geen bijbehorende bouwwerken en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn ten hoogste 1 meter en achter de voorgevellijn ten hoogste 2 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen bijbehorende bouwwerken zijnde, bedraagt ten hoogste 3 meter met uitzondering van vlaggenmasten, hiervan bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 6 meter. 7.2.5
Overkappingen
Voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels: a. overkappingen mogen uitsluitend achter de voorgevellijn worden gebouwd; b. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 meter; c. het bepaalde in artikel 7.2.3 onder c is van overeenkomstige toepassing.
7.3
Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: d. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; e. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; f. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; g. ter waarborging van de verkeersveiligheid; h. ter waarborging van de sociale veiligheid; 19
i.
7.4
ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
Verboden gebruiksactiviteiten
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, indien: 1. de kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning; 2. de kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit een onevenredige parkeerdruk met zich meebrengt, casu qua niet onevenredig veel extra verkeer wordt aangetrokken en casu quo primair op eigen terrein moet worden geparkeerd door bezoekers en gebruikers; 3. de kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van de buurt; 4. de bruto vloeroppervlak voor beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 30%; 5. de bruto vloeroppervlak voor beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 50 m2; 6. een reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel groter is dan 0,2 m2; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en/of kappersbedrijven. c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bed- en breakfast, indien: 1. de bed- en breakfast niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning; 2.
de bed- en breakfast een onevenredige parkeerdruk met zich meebrengt; 3. de bed- en breakfast afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van de buurt; 4. het oppervlak ten behoeve van de bed- en breakfast in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 30%; 5. het oppervlak ten behoeve van de bed- en breakfast in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 50 m2; 6. per bedrijfsuitoefening meer dan één reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel voorkomt; 7. een reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel groter is dan 0,5 m2; 8. er meer dan vier personen op een kamer verblijven; 9. per kamer niet 1 extra parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd kan worden; 10. de woonfunctie niet in ruimtelijke en visuele zin primair blijft.
20
Artikel 8
8.1
Milieuzone - geurzone 2