CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(102) TAM - IMRO plan Burgersterrein Eerbeek inclusief bijlagen

Besluitvormende raadsvergadering 23 april 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplan (TAM-IMRO) Burgersterrein Eerbeek30.606 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

24

bedrijventerreinen. Het streven is een optimale toedeling van functies, waarbij de ruimtelijke en planologische mogelijkheden goed worden benut. 4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan het 'Programma economie gemeente Brummen 2030' Het voornemen is om in het plangebied naast woningen maximaal 4.500 m2 aan bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toe te staan. Dit past binnen de lokale behoefte aan ruimte voor bedrijven. De bedrijfskavels liggen als het ware tussen het naastgelegen bedrijventerrein en de woningen in het plangebied in. Daarmee vormen de kavels een overgang. In Hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de effecten van de beoogde bedrijven. Hieruit blijkt dat sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het 'Programma economie gemeente Brummen 2030'. 4.4.4

Nota Ligt op Groen!

4.4.4.1 Algemeen Het doel van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie is sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Brummen. Er zijn vele kwaliteiten in de gemeente die gezamenlijk de kwaliteit van de gemeente Brummen bepalen. Dé identiteitsdrager van de gemeente is echter de groene kwaliteit; het is wat inwoners bindt aan de gemeente. De stedelijke regio’s Stedendriehoek en KAN liggen weliswaar op korte afstand, maar de gemeente Brummen heeft een duidelijke eigen identiteit en imago. Het Veluwemassief, het aantrekkelijke kleinschalige (agrarische) landschap, de IJssel, de beken, de rust en de ruimte zijn structuurdragers die in belangrijke mate de identiteit van de gemeente bepalen. De gemeente wil in de toekomst een eigen gemeenschap blijven vormen, fysiek en mentaal op afstand van de steden. Vanuit dat perspectief kiest de gemeente ervoor geen stedelijke band te vormen met de steden (en Zutphen in het bijzonder), en zowel ruimtelijk als functioneel onderscheidend te zijn ten opzichte van deze steden. De gemeente kiest er nadrukkelijk voor de bestaande ‘groene’ kwaliteiten als maatstaf te nemen voor toekomstige ontwikkelingen. Niet de programmatische wensen, maar de ruimtelijke kwaliteiten worden als vertrekpunt gezien. Nieuwe ontwikkelingen worden ingezet ter versterking van deze groene kwaliteiten.

Kiezen voor een groen imago is immers zeker niet hetzelfde als een behoudstrategie. 4.4.4.2 Strategische beleidsuitspraken Deze hoofdkeuzes zijn vertaald naar strategische beleidsuitspraken. Deze uitspraken zijn voor langere tijd leidend voor het gemeentebestuur. Herziening c.q. afwijking van één van deze uitspraken zal altijd in een gemotiveerd besluit dienen plaats te vinden. Je identiteit is immers wat je bent, dat kan je niet zomaar veranderen. Hieronder wordt op de voor het initiatief relevante aspecten ingegaan. Natuur en landschap Ook in de kernen zijn groene kwaliteiten van groot belang. Intensivering van het ruimtegebruik mag dan ook niet ten koste gaan van de groene identiteit en nieuwe ontwikkelingen versterken het groene karakter. De bijdrage kan bestaan uit een directe fysieke bijdrage, bijvoorbeeld door een landschappelijke inpassing van een project met bos/natuur, dan wel een financiële bijdrage in een gemeentelijk natuur- en landschapsfonds (financieel afromen van stedelijke bouwprojecten ter uitvoering van landschapsbeleidsplan en groenstructuurplan). Cultuurhistorische kwaliteiten worden benut als ruimtelijke dragers. Te denken valt aan oude linten, de beeldkwaliteit van bebouwing en openbare ruimte, landgoederen, het versterken van landschapstypen, het Apeldoorns kanaal als ontginningsbasis en de sprengen.

Water Het zeer interessante watersysteem in de gemeente (IJsselvallei, beken en het Apeldoorns kanaal) is een natuurlijke kwaliteit die de gemeente zichtbaar wil maken en benutten. In nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt water een belangrijk en zichtbaar onderdeel. Ook in het landschap wordt het watersysteem zichtbaar, waardoor de contrasten in het landschap toenemen. Nieuwe ruimte voor waterberging en ruimte voor rivier worden benut als kans om de groen-blauwe identiteit te versterken. Deze ontwikkelingen worden gecombineerd met andere functies, zoals 25

agrarisch gebruik, recreatie, woningbouw of natuurontwikkeling. Sociaal-maatschappelijk De strategische visie is er op gericht de gemeente Brummen te maken tot een gemeente waarin het goed leven is. De gemeente wil de inwoners een duurzame omgeving bieden die betekenisvol is en die kansen biedt voor een rijk, pluriform sociaal-maatschappelijk leven. We bevinden ons in een overgangsfase waarbij een veroudering van de bevolking optreedt. De gemeente zoekt naar een duurzaam evenwicht. Het gaat daarbij om het verkrijgen van de juiste woningen en woonomgeving, het juiste werk en de juiste voorzieningen voor de toekomstige bevolking. Wonen De gemeente kiest er voor om voldoende woningbouw voor de lokale woningbehoefte te realiseren en concentreren deze woningbouw bij de kernen Brummen en Eerbeek. Dit draagt bij aan het draagvlak van de voorzieningen. De kernen Brummen en Eerbeek blijven eigen gemeenschappen met een eigen karakter. Nieuwe woningbouw versterkt de groene kwaliteiten c.q. het groene karakter. De bijdrage kan bestaan uit een directe fysieke bijdrage, bijvoorbeeld door een landschappelijke inpassing van een project met bos/natuur, dan wel een financiële bijdrage in een gemeentelijk natuur- en landschapsfonds (financieel afromen van stedelijke bouwprojecten ter uitvoering van landschapsbeleidsplan en groenstructuurplan). Werken De economie is van groot belang.

De gemeente kiest, behoudens de reeds geplande uitbreiding van Kollergang en Hazenberg, niet voor forse groei van het areaal bedrijventerrein. Daarvoor biedt de regio ruimte. De beschikbare ruimte in de gemeente wordt gereserveerd voor bedrijven. Zo lost de gemeente knelpunten in de kernen en/of het landelijk gebied op en wordt doorontwikkeling van bestaande bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Indien de huidige milieuruimte van bedrijven uitbreiding binnen de gemeente onmogelijk maakt, kan een nieuwe locatie op een regionaal bedrijventerrein gevonden worden. De gemeente zet in op het verbeteren en beter benutten van de bestaande terreinen. 4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Nota Ligt op groen! Het voornemen is passend bij de stedelijke en landschappelijke waarden. Dit is beschreven in paragraaf 3.3 en in het Beeldkwaliteitsplan is aandacht besteed aan een groene inpassing (zie Bijlage 1). Daarbij is ook aandacht voor voldoende waterberging (zie paragraaf 6.3). Het woonprogramma bestaat uit een mix van woningtypen. Daarbij worden ook appartementen gerealiseerd. Deze zijn levensloopbestendig. Daarnaast is betaalbaarheid een belangrijk vertrekpunt. Uit paragraaf 4.4.2 blijkt al dat wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen in de gemeente. Tot slot blijkt uit paragraaf 4.4.3 dat ook behoefte is aan ruimte voor bedrijven.

Hoewel de voormalige papierfabriek in het plangebied al enige tijd niet meer actief is, blijft een deel van de (voormalige) bedrijfsfunctie in het plangebied behouden. Geconcludeerd wordt dat de verschillende strategische beleidsuitspraken uit de Nota Ligt op groen! een plaats hebben in het plan. Het voornemen is dan ook in overeenstemming met de Nota Ligt op groen!. 4.4.5

Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid

Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid zoals verwoord in de 'Toekomstvisie Brummen 2030', de 'Routekaart Wonen 2.0', het 'Programma economie gemeente Brummen 2030' en de 'Nota Ligt op groen!'.

26

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsveiligheid

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen.

In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

5.2

Situatie in en bij het plangebied

5.2.1

Risicobronnen

Aan de hand van de kaart 'Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten' van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en de directe omgeving weergegeven.

27

Afbeelding 5.1: Uitsnede kaart veiligheidsinformatie (Bron: Atlas van de leefomgeving) Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand van risicobronnen in de omgeving. 5.2.2

Onontplofte oorlogsresten

Bij de ontwikkeling van het plangebied zullen bodemingrepen worden verricht. Daarmee is een risico op het aantreffen van onontplofte oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Door Expload is daarom een onderzoek verricht naar de mogelijke aanwezigheid van onontplofte oorlogsresten in de bodem ter plaatse van het plangebied. Het onderzoek staat in Bijlage 3. Hieronder staat de conclusie. Onderzoek onontplofte oorlogsresten Uit een inventarisatie en analyse van historisch bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er in het plangebied geen sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van explosieven.

5.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

28

Hoofdstuk 6

Beschermen van de waterbelangen

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.1

Beleid waterschap

6.1.1

Blauwe Omgevingsvisie 2050

Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema ‘Robuust beekdal' van belang.

Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken. 6.1.2

Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027

Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).

29

6.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.3

Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl). De uitkomst hiervan is opgenomen in Bijlage 4. Hieruit volgt dat sprake is van de normale procedure. Hieronder wordt ingegaan op de van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten voor het plangebied. Grondwater Binnen het projectgebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Bij het bouwplan wordt rekening gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op grondwateroverlast minimaal is. Hemelwater In het plangebied wordt in de bosstroken waterberging aangelegd. Afstromend hemelwater wordt in deze waterberging opgevangen, zodat het water kan infiltreren in de bodem. Door Van Reden Advies is een notitie gemaakt voor de waterberging in het plangebied. De notitie staat in Bijlage 5. Met het huidig ontwerp is een bui van 80 mm op te vangen. De wadi’s krijgen een diepte van 30 + 10 cm. Voor het IT-riool is op dit moment een doorsnede van 100 cm aangehouden. De buffercapaciteit is daarmee kleiner dan de wens om de capaciteit gelijk te hebben aan de neerslag 80 mm op de aangesloten verharding. De capaciteit van de wadi’s vangen dit tekort op. In de bestekfase wordt berekend welke definitieve diameter het riool krijgt. Afvalwater Ten behoeve van het afvoeren van afvalwater wordt riolering aangelegd in het plangebied.

Het afvalwater is gescheiden van het hemelwaterriool. Oppervlaktewater In de huidige situatie is in het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig en het voornemen voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater.

6.4

Conclusie

Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

30

Hoofdstuk 7

Beschermen van de gezondheid en het milieu

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid' behandeld.

7.1

Geluid door activiteiten

7.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

31

7.1.2

Situatie plangebied

De beoogde woningen in het plangebied worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 7.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Loubergweg. Door BJZ.nu is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport staat in Bijlage 6. Hieronder staan de conclusies. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Het geluid ten gevolge van de gemeentewegen bedraagt hoogstens 59 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. van 53 dB Lden, maar wel aan de grenswaarde van 70 dB Lden. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 59 dB Lden. Er is een gevelwering van minimaal 59-33 = 26 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen.

Ten tijde van de toetsing van het voornemen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Ter plaatse van de woningen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. 7.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt naast de historische spoorlijn Apeldoorn-Dieren. Spoorlijnen welke niet tot het hoofdspoornet behoren hebben geen geluidproductieplafonds en vastgestelde aandachtsgebieden, maar vallen onder het lokale wegennet, waarvoor de gemeente het aandachtsgebied moet bepalen. Het historische spoorlijntje wordt geëxploiteerd door de Veluwse Stoomtrammaatschappij met een zeer beperkt gebruik. De gemeente Brummen heeft voor deze spoorlijn geen aandachtsgebied vastgesteld. Omdat over de spoorlijn slechts incidenteel treinen rijden wordt gesteld dat ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen het geluidaandachtsgebied van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig.

7.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (oktober 2024). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het

32

omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 Situatie plangebied

Richtafstanden 'rustige woonwijk' 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden 'gemengd gebied' 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking). Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt bedrijven tot en met milieucategorie 2 mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In het omgevingstype geldt 'gemengd gebied' een kleinere richtafstand (10 meter). De beoogde woningen in het plangebied liggen in ruimte groenstroken en op enige afstand van doorgaande wegen. Daarom kan voor de woningen worden gesteld dat sprake is van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Gemeten vanaf de bouwvlakken van de bedrijfskavels ligt het bouwvlak van de meest nabij gelegen woning op ongeveer 40 meter afstand. Daarmee zorgen de bedrijven voor het aspect geluid niet voor negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen.

Buiten het plangebied zijn woningen aanwezig. De meest nabijgelegen woning is de Stationstraat 4. Deze woning ligt in het omgevingstype 'gemengd': ten westen van de woning is het centrum van Eerbeek met diverse functies. Aan de overzijde van het spoor Apeldoorn-Dieren ligt bovendien een transportbedrijf. Gemeten vanaf het meest nabijgelegen bouwvlak van de bedrijfskavels ten opzichte van de perceelsgrens van de woning, is sprake van een afstand van ongeveer 15 meter. Daarmee zorgen de bedrijven voor het aspect geluid niet voor negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de woning aan de Stationstraat 4. Andere woningen liggen op meer dan 30 meter afstand van de bedrijfskavels. Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies 33

in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Onderstaande tabel geeft de omliggende milieubelastende functies weer met de daarbij behorende richtafstanden voor geluid. Voor de werkelijke afstand is telkens gemeten vanaf de milieubelastende inrichting tot de bouwvlakken van de woningen in het plangebied. Adres Stationsstraat 2a Stationsstraat 3

Functie Richtafstand Station 100 meter Detailhandel voor zover 10 meter n.e.g. Stationsstraat 1 Bouwmarkten, 30 meter tuincentra, hypermarkten Parkeerterrein t.b.v. Autoparkeerterreinen, 30 meter supermarkt parkeergarages Stuijvenburchstraat 27 Kleine drukkerijen en 30 meter kopieerinrichtingen Stuijvenburchstraat 9-11 Detailhandel voor zover 10 meter n.e.g. Coldenhovenseweg 77 Transportbedrijf - zone 200 meter categorie 4.1 Transportbedrijf - zone 100 meter categorie 3.2 Transportbedrijf - zone 50 meter categorie 3.1 Loubergweg 21-23 Drukkerij - zone 200 meter categorie 4.1 Drukkerij - zone 100 meter categorie 3.2 Drukkerij - zone 50 meter categorie 3.1 Stationsstraat 2a

Werkelijke afstand 65 meter 60 meter 70 meter 40 meter 35 meter 15 meter 140 meter 100 meter 90 meter 200 meter 160 meter 150 meter

Aan de Stationsstraat 2a ligt het station van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij. Het betreft geen regulier station. De meeste dagen van het jaar is het station niet in gebruik. Op het station is daarnaast geen versterkte omroepinstallatie aanwezig. Gesteld wordt dat de richtafstand van 100 meter dan ook niet aansluit bij de feitelijke situatie en dat het station geen negatieve gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied. Coldenhovenseweg 77 Het transportbedrijf aan de Coldenhovenseweg 77 is in bestemmingsplan "Eerbeek" voorzien van meerdere milieuzones. De zwaarste milieucategorie betreft 4.1 met een richtafstand van 200 meter. Binnen deze richtafstand liggen meerdere woningen in het plangebied. De milieuzone bestaat uit een deel van het bedrijfsgebouw en een kleine parkeerplaats aan de zijde van de Loubergweg. De geluidproducerende activiteiten vinden dan ook redelijkerwijs plaats in de bedrijfsbebouwing. Binnen een straal van 200 meter vanaf de milieuzone categorie 4.1 liggen meerdere woningen. De meest nabijgelegen woning ligt op ongeveer 95 meter. Gesteld wordt dat het transportbedrijf de nodige maatregelen heeft genomen om de geluidsuitstraling van de bedrijfsbebouwing dusdanig te verminderen dat het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen in de omgeving niet wordt aangetast.

De beoogde woningen in het plangebied leiden dus niet tot een beperking in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van het transportbedrijf. Daarbij wordt de conclusie getrokken dat het transportbedrijf niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied. Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor de overige functies aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de omgeving de functie wonen toelaat.

34

7.1.3

Conclusie

Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De milieubelastende functies (bedrijven van milieucategorie 2) zorgen niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies. Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

7.2

Bodemkwaliteit

7.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2

Situatie plangebied

Door Greenhouse Advies is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het rapport staat in Bijlage 7. Hieronder staan de conclusies uit het rapport. Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek In de recente geschiedenis is de locatie diverse keren onderzocht en zijn twee beperkte bodemsaneringen uitgevoerd. Uit de analyseresultaten van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Uit de toetsing van de analyseresultaten aan het Bal blijkt dat alle onderzochte parameters in zowel de boven- als de ondergrond voldoen aan de interventiewaarden, en niet boven de tussenwaarden 35

zijn aangetoond. Uit de toetsing van de analyseresultaten aan het Bbk blijkt dat de bodemkwaliteit varieert van Landbouw/Natuur tot Matig verontreinigd. Dit betreft een indicatief oordeel. Uit de toetsing van de analyseresultaten van het grondwater aan het Bkl blijkt dat geen van de onderzochte parameters de signaleringsparameter voor beoordeling van grondwatersanering overschrijdt. Uit het vergelijken van de bodemkwaliteit op de locatie van de opslag van gronddepots blijkt dat alle exotische parameters in zowel 2022 als in 2024 onder de detectielimiet zijn aangetoond. Het individuele gehalte van kwik was in 2022 hoger dan de achtergrondwaarde, en is in 2024 lager dan de achtergrondwaarde. Daar staat tegenover dat het gehalte van PAK in 2022 lager was dan de Achtergrondwaarde, en in 2024 hoger is dan de achtergrondwaarde. Desondanks wordt geconcludeerd dat er geen significante verandering is van de bodemkwaliteit, aangezien dit milieuhygiënisch geen enkele gevolgen heeft. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. 7.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.

Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.

36

7.3.2

Situatie plangebied

Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool gaat uit van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van een ontwikkeling. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2. Voor het vrachtverkeer is daarnaast uitgegaan van een toename van 5% (worst-case). Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.

Afbeelding 7.2: Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool) Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging. 7.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4

Geur

7.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); 37

Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden 7.4.2

Situatie plangebied

Veehouderijen De veehouderij die het dichtst bij het plangebied ligt, bevindt zich op ongeveer 1,2 kilometer afstand. Het betreft een rundveehouderij. Hiervoor geldt vanuit de Bruidsschat een vaste afstand van 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Daar wordt in dit geval ruimschoots aan voldaan. Op een vergelijkbare afstand ligt een schapenhouderij. Voor schapen is een geuremissiefactor bepaald en kunnen geen vaste afstanden worden aangehouden. Voor deze veehouderij (en andere veehouderijen) geldt dat op kortere afstand al bestaande woningen liggen, waarmee vanuit het oogpunt van geurhinder rekening mee moet worden gehouden. De beoogde woningen in het plangebied zorgen dus niet voor een belemmering in de agrarische bedrijfsvoering. Gesteld wordt dat in het plangebied ten aanzien van geur door veehouderijen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Solitaire bedrijven Zoals in paragraaf 7.1.2.3 is toegelicht bevinden zich rond het plangebied enkele milieubelastende functies. In onderstaande tabel staan de functies die een richtafstand hebben voor het aspect geur. Adres Parkeerterrein t.b.v. supermarkt Stuijvenburchstraat 27

Functie Richtafstand Werkelijke afstand Autoparkeerterreinen, 10 meter 40 meter parkeergarages Kleine drukkerijen en 10 meter 35 meter kopieerinrichtingen Coldenhovenseweg 77 Transportbedrijf maximaal 30 meter minimaal 90 meter Loubergweg 21-23 Drukkerij maximaal 30 meter minimaal 150 meter Uit bovenstaande tabel blijkt dat in alle gevallen aan de richtafstanden wordt voldaan. Daarnaast is een deel van het plangebied aangeduid met 'milieuzone - geurzone 2' (zie paragraaf 1.3.1). Er worden geen woningen gebouwd binnen deze zone. De zone loopt langs de gevels die niet in het achtererfgebied vallen. Hierbij zijn geen vergunningsvrije mogelijkheden voor uitbouw aan het hoofdgebouw. Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het woon- en leefklimaat in het plangebied.

38

7.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5

Trillingshinder

7.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 7.5.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt naast een spoorlijn. Dit betreft echter de museumlijn Apeldoorn-Dieren. Er is geen sprake van regulier treinverkeer en er rijden geen goederentreinen over de spoorlijn. De dichtstbijzijnde reguliere spoorlijn ligt op circa 5,5 kilometer afstand. Van trillingshinder is dan ook geen sprake. 7.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.6

Gezondheid

7.6.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. 39

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2

Spuitzonering

Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek.

Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. 7.6.3

Situatie plangebied

Agrarische gronden waarop gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan liggen op minimaal 60 meter van het plangebied. De afstand tussen de woningen in het plangebied en de gronden is groter. Vanuit het oogpunt van spuitzonering zijn er geen belemmeringen tegen de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van de bescherming van de gezondheid geldt dat binnen het plangebied en de directe omgeving géén sprake is van bijzondere of belastende milieufactoren (zoals intensieve veehouderij, zware industrie of grootschalige verkeersinfrastructuur) die kunnen leiden tot ernstige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de volksgezondheid. Uit akoestisch- en bodemonderzoek (zoals worden beschreven in dit hoofdstuk) is gebleken dat aan de geldende normen wordt voldaan en het plan geen onaanvaardbare risico's voor de gezondheid met zich meebrengt. Tegelijkertijd draagt het plan in belangrijke mate bij aan het bevorderen van een gezonde leefstijl (positieve gezondheid). Zo wordt de wijk gekenmerkt door veel groen, wandel- en verblijfsruimte, en goede verbindingen naar de omliggende natuur- en woongebieden. Dit stimuleert bewegen, ontmoeting en ontspanning in de openbare ruimte. Daarnaast is het plan levensloopbestendig van opzet, met ruimte voor verschillende doelgroepen en een rustige, groene woonomgeving, die het mentale en sociale welzijn bevordert. 7.6.4

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

7.7

Duurzaamheid

7.7.1

Algemeen

Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart. 7.7.2

Situatie plangebied

Door middel van de Klimaateffectatlas is een inventarisatie gedaan van het plangebied voor de volgende aspecten: Wateroverlast In het plangebied ligt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) op ongeveer 5 meter beneden NAP. Hoewel in de komende decennia de verwachting is dat het GHG met ongeveer 33 centimeter stijgt, zal dit niet leiden tot overlast. Bij extreme regenval (140 mm/ 2 uur) is op lokale plekken in het plangebied sprake van wateroverlast. In het plangebied wordt op verschillende plekken waterberging aangelegd. Deze waterberging wordt aangelegd met het oog op het voorkomen danwel zoveel mogelijk beperken van wateroverlast bij extreme regenval. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan klimaatadaptatie. Droogte Het plangebied ligt niet in een zone met een hoog risico op natuurbranden. Door droogte kan sprake zijn van bodemdaling, maar in het plangebied is geen sprake van significante bodemdaling. Hitte Door het stedelijk hitte eiland effect kan de temperatuur ten opzichte van het platteland in steden verder oplopen, wat zorgt voor hittestress. In de huidige situatie blijft het stedelijk hitte eiland effect beperkt tot +0,7°C. Door het toevoegen van verharding (bebouwing, wegen) neemt het stedelijk hitte eiland effect toe. In het plangebied wordt echter ook veel groen aangelegd. De afstand tot koele plekken is daarmee minimaal.

Het vele groen zorgt ook voor voldoende schaduw. Daarmee wordt het plangebied klimaatadaptief ingericht. Overstroming In het plangebied is geen risico op overstroming. Geconcludeerd wordt dat met het plan voorziet in goede klimaatadaptatie. 7.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

41

Hoofdstuk 8

Bescherming van de natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

8.1

Gebiedsbescherming

8.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 8.1.2

Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking. 8.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 1,1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Veluwe'. Het Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen' ligt op ongeveer 1,9 kilometer afstand. Gezien de afstand van het plangebied tot Natura 2000 en de aard en omvang van voorliggend initiatief wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder. Naast de directe effecten is ook de mogelijke depositie van stikstof van belang. Hiervoor heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening (stikstofberekening) uitgevoerd. Het rapport staat in Bijlage 8. Hieronder staat de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening

42

Geconcludeerd wordt dat voor de aanlegfase en gebruiksfase sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen is daarmee niet uit te sluiten. Geadviseerd wordt door middel van een ecologische beoordeling (voortoets stikstof) te onderzoeken of de berekende depositie tot significante negatieve gevolgen leidt voor de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Door Kleijberg Ecologie is een voortoets stikstofeffecten uitgevoerd op basis van de uitgevoerde stikstofberekening. Het rapport staat in Bijlage 9. Hieronder staat de conclusie opgenomen. Voortoets stikstofeffecten De stikstofemissie als gevolg van de bouw en gebruik van de woningen en lichte bedrijven op het Burgersterrein in Eerbeek leidt tot een geringe toename van de stikstofdepositie in twee Natura 2000-gebieden (Veluwe en Landgoederen Brummen) van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar. De toename van de stikstofdepositie als gevolg van de bouw en het gebruik van de woningen en lichte bedrijven in Eerbeek leidt niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen in deze Natura 2000-gebieden.

De hoeveelheid stikstof die als gevolg van het project aan de habitats wordt toegevoegd, is dermate gering dat meetbare veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. De soortensamenstelling en structuur van habitattypen zal daardoor niet wijzigen. Daarom zullen er geen veranderingen optreden in de oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden, en voor de daarvan afhankelijke soorten. Gezien het bovenstaande is uitgesloten dat de bouw en het gebruik van de woningen en lichte bedrijven op het Burgersterrein in Eerbeek leidt tot significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen, ook niet in cumulatie met andere projecten. Het project kan zonder natuurvergunning worden uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet. GNN-gebieden De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als GNN zijn gelegen op 70 meter afstand ten oosten van het plangebied. Het GNN kent geen externe werking. Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het GNN en gezien de aard en omvang van het initiatief wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Houtopstanden In de volgende paragraaf wordt het natuuronderzoek beschreven.

Daarin wordt ook het aspect houtopstanden behandeld.

8.2

Soortenbescherming

8.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16778489/2