CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(102) TAM - IMRO plan Burgersterrein Eerbeek inclusief bijlagen

Besluitvormende raadsvergadering 23 april 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplan (TAM-IMRO) Burgersterrein Eerbeek30.606 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

478231

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Eerbeek, Burgersterrein

Inhoudsopgave

Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Huidig planologisch regime 1.4 Leeswijzer

4 4 4 4 7

Hoofdstuk 2 Huidige en gewenste situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Het voornemen 2.3 Infrastructuur en openbare ruimte

8 8 9 11

Hoofdstuk 3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 3.1 Wettelijk kader 3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.3 Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden

15 15 15 16

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid

18 18 19 21 22

Hoofdstuk 5 Omgevingsveiligheid 5.1 Algemeen 5.2 Situatie in en bij het plangebied 5.3 Conclusie

27 27 27 28

Hoofdstuk 6 Beschermen van de waterbelangen 6.1 Beleid waterschap 6.2 Wateraspecten 6.3 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied 6.4 Conclusie

29 29 30 30 30

Hoofdstuk 7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1 Geluid door activiteiten 7.2 Bodemkwaliteit 7.3 Luchtkwaliteit 7.4 Geur 7.5 Trillingshinder 7.6 Gezondheid 7.7 Duurzaamheid

31 31 35 36 37 39 39 41

Hoofdstuk 8 Bescherming van de natuur 8.1 Gebiedsbescherming 8.2 Soortenbescherming 8.3 Conclusie

42 42 43 44

Hoofdstuk 9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1 Wettelijk kader 9.2 Archeologie 9.3 Cultuurhistorie 9.4 Conclusie

45 45 45 46 47

Hoofdstuk 10

48

M.e.r.-beoordeling

2

10.1 10.2 10.3

Algemeen Situatie plangebied Conclusie

48 48 48

Hoofdstuk 11 Economische uitvoerbaarheid 11.1 Algemeen 11.2 Kostenverhaal 11.3 Situatie plangebied

49 49 49 49

Hoofdstuk 12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1 Participatie 12.2 Vooroverleg instanties 12.3 Zienswijzen

50 50 50 50

Hoofdstuk 13 Juridische verantwoording 13.1 Inleiding 13.2 Opzet van de regels 13.3 Verantwoording van de regels

51 51 51 53

3

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan heeft betrekking op het voormalig Burgersterrein in Eerbeek (hierna: plangebied). Het terrein van het voormalig transportbedrijf Burgers is braakliggend. De gemeente Brummen wil in het plangebied maximaal 108 woningen en maximaal 4.500 m2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo) aan bedrijfsfuncties realiseren. In de huidige planologische situatie heeft het plangebied een bedrijfsfunctie. Het voornemen is dan ook in strijd met de bouw- en gebruiksregels uit het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Om dit voornemen te kunnen realiseren, moet het omgevingsplan worden gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Hall, sectie E, nummers 3289, 5918, 5919 en 6103. Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: OpenStreetMap)

1.3

Huidig planologisch regime

1.3.1

Geldend omgevingsplan

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen (in werking vanaf 1 januari 2024). Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten: Bestemmingsplan Eerbeek Zuid 1971; Bestemmingsplan "Mantelzorgwoning" (vastgesteld: 15 oktober 2015); "Paraplubestemmingsplan Parkeren" (vastgesteld: 18 oktober 2018); Bestemmingsplan "Eerbeek" (vastgesteld: 3 september 2020); "Paraplubestemmingsplan Archeologie" (vastgesteld: 15 oktober 2020); Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.

4

Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Eerbeek" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangegeven.

Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket) Hieronder worden de ter plaatse geldende bestemmingen verder beschreven. Bestemmingsplan "Mantelzorgwoning" Een gebruik van woningen voor inwoning ten behoeve van mantelzorg is toegestaan overeenkomstig de inwoonregeling gemeente Brummen (2014). Een bewoning van bijgebouwen of een tijdelijke mantelzorgunit als afhankelijke woonruimte wordt aangemerkt als gebruik in strijd met de bestemming. Onder voorwaarden kan door middel van een omgevingsvergunning worden afgeweken van deze laatste regel. "Paraplubestemmingsplan Parkeren" In dit bestemmingsplan staan regels opgenomen over het berekenen van en voorzien in de parkeerbehoefte. Bestemmingsplan "Eerbeek" 'overige zone - vernietiging plandeel' Ter plaatse van de aanduiding 'vernietiging plandeel' heeft de Raad van State bij einduitspraak, het vaststellingsbesluit, voorzover betrekking hebbende op de aangeduide bestemmingen en aanduidingen, vernietigd: het plandeel met de bestemming 'Bedrijventerrein' voor het zogenoemde Burgersterrein. Daarmee zijn alle regels in het paars gekleurde deel van het plangebied (de bestemming 'Bedrijventerrein') komen te vervallen. Wel gelden er nog regels voor de geur- en geluidzone. 'Cultuur en ontspanning' De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn met name bestemd voor maatschappelijke en culturele voorzieningen.

Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven. 'milieuzone - geurzone 2' 5

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – geurzone 2' zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de aanwezigheid van geurhinderveroorzakende inrichtingen. In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen, mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten van categorie A worden opgericht. 'geluidzone - te verwijderen' De regels uit artikel 24.2.1 van het bestemmingsplan "Kom Eerbeek" zijn komen te vervallen. "Paraplubestemmingsplan Archeologie" 'Waarde - Archeologie hoog' De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 250 m2. 'Waarde - Archeologie waardevol' De voor 'Waarde - Archeologie waardevol' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. 1.3.2

Opheffen strijdigheid

Het voornemen is om maximaal 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijvigheid mogelijk te maken (milieucategorie 1 en 2). Dit is niet in overeenstemming met de geldende bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan "Eerbeek". Het is daarom nodig de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de gewenste situatie, door het omgevingsplan te wijzigen. Dit gebeurt door middel van een TAM-omgevingsplan. Dit staat hieronder verder beschreven. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.

Hier wordt in Hoofdstuk 13 nader op ingegaan.

6

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 bevatten de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 13 ingegaan op de juridische planverantwoording van het TAM-omgevingsplan.

7

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en gewenste situatie

Huidige situatie

Zoals eerder genoemd bestaat het plangebied uit het terrein van het voormalig transportbedrijf Burgers in Eerbeek. Het plangebied ligt naast het centrum van Eerbeek. Het plangebied zelf is geheel braakliggend. De omgeving van het plangebied kan als volgt worden getypeerd: Aan de noordzijde van het plangebied zijn woningen gelegen aan de Stuijvenburchstraat, met daarachter een woonwijk. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrenst door de Loubergweg, met daarachter verspreide woningen en groen. Aan de zuidwestzijde van het plangebied ligt het museumspoor Apeldoorn-Dieren. Ten zuidwesten van het plangebied liggen enkele grote bedrijven, zoals een machinefabriek. Tot slot is ten noordwesten van het plangebied het centrum van Eerbeek met diverse functies gesitueerd, zoals een supermarkt. In afbeelding 2.1 staat een luchtfoto van het plangebied (rood kader). Afbeelding 2.2 laat het straatbeeld zien vanaf de spoorwegovergang op de Loubergweg.

Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK)

8

Afbeelding 2.2: Straatfoto plangebied vanaf de Loubergweg (Bron: Google Maps, september 2023)

2.2

Het voornemen

Achtergrond De voorbereiding van de herinrichting van het Burgersterrein is in het najaar 2022 gestart. Het participatietraject is in september 2023 van start gegaan. Ruim 100 belangstellenden bezochten de eerste interactieve participatieavond. Tijdens die avond werd uitgelegd wat de stand van zaken is rond het Burgersterrein en welke plannen de gemeente maakt. Centraal daarin stonden drie varianten waarop woningbouw, groen en eventueel bedrijfsruimte waren ingepast. In december 2023 is door de gemeenteraad ingestemd met de variant waarbij circa 100 woningen in een groene omgeving worden gebouwd. Er is beperkt ruimte voor bedrijvigheid. Dit is ook de uitwerking die tijdens het participatieproces op de meeste steun kon rekenen. Deze variant is in 2024 verder uitgewerkt tot een Voorlopig Ontwerp en Beeldkwaliteitsplan. Na een verdere participatieronde heeft het college op 19 november 2024 een besluit genomen over het Voorlopig Ontwerp en een eerste versie van het Beeldkwaliteitsplan. De raad ging unaniem akkoord met deze beide documenten. In 2025 wordt het ontwerp definitief gemaakt en het Beeldkwaliteitsplan aangescherpt. Daarnaast is begonnen met het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Hieronder staat het voornemen verder in detail uitgewerkt. Voor een verdere toelichting op het participatieproces wordt verwezen naar paragraaf 12.1.

Programma Het voornemen is om in het plangebied maximaal 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijfsfuncties mogelijk te maken (milieucategorie 1 en 2). Het woningbouwprogramma ziet er als volgt uit: 6 vrijstaande woningen (koop) 12 twee-onder-één-kapwoningen (koop) 14 rijwoningen (koop) 20 rijwoningen (sociale huur) In totaal worden er 56 appartementen gerealiseerd, verdeeld over 6 appartementengebouwen. Er zijn 12 koopappartementen, 28 appartementen middeldure huurwoningen en 16 appartementen in de sociale huursector. De appartementengebouwen liggen verspreid in het plangebied. De maximale bouwhoogte verschilt per gebouw en bedraagt voor het ene gebouw 13,5 en voor het andere gebouw 15 meter. Dit staat voor elk gebouw aangegeven op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan. 9

Naast de woningen komen er drie tot vijf kavels voor lichte bedrijven (milieucategorie 1 en 2). Niet alle bedrijven in deze milieucategorieën zijn wenselijk. Productiegerichte bedrijven zijn niet wenselijk. Perifere detailhandel, een bouwmarkt, tuincentrum en dergelijke zijn wel passend, met uitzondering van een auto-/caravanhandel. Het maximale totale bvo is vastgelegd op 4.500 m2. Voor de bedrijfskavels is de maximale bouwhoogte 10 meter. Het plangebied wordt groen ingericht met bosstroken. Naast dat de bosstroken dienen als waterberging, is er ook ruimte voor een speelterrein. Op deze manier wordt concreet uitwerking gegeven aan de voorkeur van gemeente én bewoners om een groene woonomgeving te realiseren. Daarnaast worden er enkele paden aangelegd. Indeling plangebied In het plangebied zijn twee woonvelden. Het noordelijke woonveld bestaat uit 20 woningen en 28 appartementen. Het zuidelijke woonveld bestaat uit 28 woningen en 32 appartementen. Beide woonvelden worden begrenst door straten. Parkeren gebeurt bij het noordelijke woonveld aan de noordzijde. In het zuidelijke woonveld is er een parkeerhofje in het midden van het woonveld. Aan de straten aan de west- en oostzijde van beide woonvelden is ruimte gereserveerd voor parkeervakken, mocht in de toekomst blijken dat de gerealiseerde parkeerterreinen niet voldoen (qua capaciteit).

Beide woonvelden hebben één ontsluiting op de Loubergweg. Er zijn verschillende categorieën woningen, zowel grondgebonden en/of gestapeld. Op de plankaart bij dit TAM-omgevingsplan is de rooilijn op de kaart aangegeven, omdat de plek van de rooilijn van belang is indien er erkers ontworpen worden. Er zijn twee galerij-ontsloten woongebouwen met 16 woningen. Voor deze woningen wordt een collectieve fietsenstalling gerealiseerd. Daarnaast zijn er vier portiek-ontsloten woongebouwen met ieder zes woningen. Bij gestapelde woningen is de plaats van de buitenruimten bepaald, om inkijk bij naastgelegen nieuwe of bestaande woningen te voorkomen. In de toekomst is het voornemen de kruising tussen de Loubergweg en het Soerense Zand Noord opnieuw in te richten. De kruising wordt iets verbreed om een vluchtheuvel te realiseren. Een deel van deze kruising komt dan binnen het plangebied. Vanaf deze kruising komt een fietspad dat aansluit op de Stationstraat. Dit fietspad is geschikt voor hulpdiensten om in een geval van een calamiteit overheen te rijden. Ten zuiden van dit fietspad liggen de bedrijfskavels. Deze kavels krijgen een eigen ontsluiting op de Loubergweg. De bedrijfskavels zijn geörienteerd richting de bosstroken. Het parkeren voor de bedrijven vindt plaats op de kavels zelf. Beeldkwaliteitsplan Een en ander is verder uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan.

Dit document is in de toelichting als Bijlage 1 toegevoegd aan voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Het beeldkwaliteitsplan is ook toegevoegd aan de regels van dit plan en wordt daarmee door de gemeenteraad vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste verschijningsvorm van de bebouwing en het openbaar gebied. Denk hierbij aan richtlijnen voor architectuur, materiaalgebruik, gevelopbouw en aansluiting op het omliggende landschap en het bestaande dorp Eerbeek. Het beeldkwaliteitsplan waarborgt een samenhangende en herkenbare identiteit van de nieuwe wijk. Waar het beeldkwaliteitsplan nadere eisen stelt aan de uitstraling van gebouwen, zijn deze gekoppeld aan de regels middels beoordelingscriteria, en vindt borging plaats via het reguliere welstandstoezicht in de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. Op de onderstaande afbeelding is een plankaart uit het beeldkwaliteitsplan te zien.

10

Afbeelding 2.3: Beeldkwaliteitsplan (Bron: Gemeente Brummen)

2.3

Infrastructuur en openbare ruimte

2.3.1

Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Daarna wordt ingegaan op het aspect infrastructuur en openbare ruimte. 2.3.2

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Voor de berekening van de parkeerbehoefte moeten de normen uit het "Paraplubestemmingsplan parkeren" worden gebruikt. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering', publicatie 744 (augustus 2024) van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 11

Verkeersgeneratie en ontsluiting De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: het plangebied ligt naast het centrum van Eerbeek. Voor het doen van boodschappen en het bezoeken van andere voorzieningen in het centrum gebruiken de bewoners niet de auto. Daarom kan worden gerekend met de getallen van 'schil centrum'; Functie: voor de woningen is uitgegaan van de uitgangspunten zoals ook in paragraaf 2.2 is beschreven. Voor de bedrijven is uitgegaan van een tuincentrum en twee bedrijfsverzamelgebouwen. Dit betreft een hypothetische situatie, omdat niet exact bekend is welk aantal en type bedrijven zich zullen vestigen. Gekozen is voor een functie met een lagere verkeersgeneratie en een functie met een hogere verkeersgeneratie. In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het plan het volgende beeld: Functie

Verkeersgeneratie

Aantal eenheden

Totale verkeersgeneratie 48,6 92,4

Koop, huis, vrijstaand 8,1 per woning 6 woningen Koop, huis, 7,7 per woning 12 woningen twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek 7,3 per woning 14 woningen 102,2 Huur, huis, sociale huur 4,6 per woning 20 woningen 92 Koop, appartement, 5,9 per woning 12 woningen 70,8 75-100 m2 bvo Huur, appartement, vrije 3,7 per woning 28 woningen 103,6 sector, 75-100 m2 bvo Huur, appartement, 3,4 per woning 16 woningen 54,4 sociale huur, 75-100 m2 bvo Tuincentrum 13,7 per 100 m2 bvo 1.800 m2 bvo 246,6 Bedrijfsverzamelgebouw 7 per 100 m2 bvo 2.700 m2 bvo 189 Totale verkeersgeneratie (naar boven afgerond) 1.000 De totale verkeersgeneratie in de gebruiksfase komt neer op afgerond 1.000 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Zoals eerder is genoemd hebben de woningen en de bedrijfskavels elk een eigen ontsluiting op de Loubergweg. In een eerder stadium is door Bono Traffics de ontsluiting van het Burgersterrein onderzocht. Het onderzoek staat in Bijlage 2. In dit advies is uitgegaan van een hogere verkeersgeneratie (hoger aantal woningen en meer bvo). Uit het advies blijkt dat de Loubergweg de verkeersgeneratie vlot en veilig kan afwikkelen. De ontsluiting op de Loubergweg is vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid, oversteekbaarheid en leefbaarheid goed inpasbaar.

Parkeerbehoefte Voor het berekenen van de parkeerbehoefte moeten de parkeernormen uit het "Paraplubestemmingsplan Parkeren" worden gebruikt. Voor het plangebied wordt uitgegaan voor de parkeernormen van het centrum, daarom worden de normen uit artikel 3.5 van het parapluplan aangehouden. Voor appartementen zijn deze normen niet ingedeeld naar oppervlakte klasse, maar naar prijsklasse. Omdat de prijs voor de appartementen niet bekend zijn wordt uitgegaan van dure koop/huur appartementen. Gelet op de verplichting tot betaalbare woningen is dit voor parkeren een conservatief uitgangspunt. Er zijn geen parkeernormen beschikbaar voor sociale huurappartementen. Daarom is aangesloten bij de normen voor goedkope appartementen. Op basis van de parkeernormen is sprake van de volgende parkeerbehoefte: Functie

Parkeerbehoefte

Aantal eenheden

Koop, vrijstaand

1,8 per woning

6 woningen

Totale parkeerbehoefte 10,8

12

Koop, 1,7 per woning 12 woningen 20,4 twee-onder-een-kap Koop, tussen/hoek 1,5 per woning 14 woningen 21 Huurhuis, sociale huur 1,3 per woning 20 woningen 26 Koop, etage, duur 1,6 per woning 12 woningen 19,2 Huur, etage, duur 1,4 per woning 28 woningen 39,2 Huur, etage, 1,1 per woning 16 woningen 17,6 midden/goedkoop Totale parkeerbehoefte woningen (naar boven afgerond) 155 Tuincentrum 2,65 per 100 m2 bvo 1.800 m2 bvo 47,7 Bedrijfsverzamelgebouw 1,35 per 100 m2 bvo 2.700 m2 bvo 36,45 Totale parkeerbehoefte bedrijven (naar boven afgerond) 85 Voor de beide woonvelden geldt een totale parkeerbehoefte van afgerond 155 parkeerplaatsen. In totaal worden er 129 parkeerplaatsen aangelegd, om overmatige verharding zoveel als mogelijk te voorkomen. De onderbouwing hiervoor is dat de vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen op eigen terrein ruimte krijgen voor parkeerplaatsen (28 plekken). Mocht in de toekomst blijken dat sprake is van overmatige parkeerdruk en dus een tekort aan parkeerplaatsen (omdat in het kader van een groene inrichting minder parkeerplaatsen worden aangelegd) is in voorliggende wijziging van het omgevingsplan voldoende ruimte gereserveerd voor het aanleggen van extra parkeervakken. De parkeervakken komen langs de straten aan de west- en oostzijde van de woonvelden in het plangebied.

Daarnaast is nu op het parkeerterrein aan de Wasacker voldoende ruimte beschikbaar om te parkeren. Voor de bedrijfskavels is sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 85 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte kan volledig op eigen terrein worden ingevuld. Het plan voorziet voldoende in de eigen parkeerbehoefte. 2.3.3

Infrastructuur en buitenruimte

Zoals eerder is genoemd worden beide woonvelden ontsloten op de Loubergweg. Ook de bedrijfskavels krijgen een eigen ontsluiting op de Loubergweg. Parkeren gebeurt hoofdzakelijk in parkeerhofjes ten noorden van het noordelijke woonveld en in het midden van het zuidelijke woonveld. Parkeren voor de bedrijven gebeurt op de bedrijfskavels. Aan de straten aan de west- en oostzijde van beide woonvelden is ruimte gereserveerd voor parkeervakken. In de toekomst wordt de kruising tussen de Loubergweg en het Soerense Zand Noord opnieuw ingericht. De kruising wordt iets verbreed om een vluchtheuvel te realiseren. Een stukje van deze kruising komt dan binnen het plangebied. Vanaf deze kruising komt een fietspad die aansluit op de Stationstraat. Dit fietspad is geschikt voor hulpdiensten om in een geval van een calamiteit overheen te rijden. Ook komt er een doorgang voor fietsers en voetgangers naar de Wasacker. Verder worden er diverse wandelpaden en een speeltuin aangelegd in het plangebied. Op onderstaande afbeelding is de infrastructuur in het plangebied zichtbaar.

13

Afbeelding 2.4: Infrastructuur plangebied (Bron: Gemeente Brummen)

2.3.4

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

14

Hoofdstuk 3 waarden 3.1

Landschappelijke en stedenbouwkundige

Wettelijk kader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over: Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking; De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1

Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'. Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

15

3.2.2

Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921); 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Het initiatief is om maximaal 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 aan lichte bedrijfsfuncties mogelijk te maken. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? De Ladder bepaalt verder niet voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied het gebied te bepalen. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepalen op welk niveau de afweging wordt gemaakt. De woningen zijn met name bedoeld voor de lokale behoefte in de gemeente Brummen.

Gelet op de omvang van het plan wordt hieronder getoetst aan de regionale behoefte. Voor de bedrijven geldt dat het beleid hiervoor van de gemeente Brummen nauw is verbonden met regionale afspraken. Daarom is het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de bedrijven de regio Stedendriehoek. Beschrijving behoefte aan voorgenomen ontwikkeling Uit de Woondeal regio Stedendriehoek blijkt dat sprake is van een grote behoefte aan woningen in de regio Apeldoorn-Deventer-Zutphen. Zo ook in de gemeente Brummen. In paragraaf 4.3.1 wordt verder ingegaan op de Woondeal regio Stedendriehoek. Het Burgersterrein is daarin aangewezen als een woningbouwlocatie. De te realiseren woningen voldoen aan de eis van 73% betaalbare woningen. Daarmee voorziet het plan in de behoefte aan betaalbare woningen. In paragraaf 4.3.2 staat het Regionaal Programma Werklocaties voor de regio Stedendriehoek. Daaruit blijkt dat in de regio en op lokaal niveau sprake is van een grote behoefte aan locaties voor bedrijven. Als het gaat om reguliere bedrijven is er in de gemeente Brummen geen aanbod om in de groei van lokale bedrijven te voorzien van voldoende ruimte. Het plan voorziet dus in een behoefte aan bedrijfslocaties. Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is dat wordt gestreefd naar een optimale benutting van de ruimte in stedelijk gebied.

De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich in bestaand stedelijk gebied van de kern Eerbeek. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een voormalig braakliggend bedrijventerrein (deels) gewijzigd naar een meer passende woonfunctie in een groene omgeving. Hiermee is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, wat het doel is van de Ladder. 3.2.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder van duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.

3.3

Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden

Landschappelijke waarden De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is

16

de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt in deelgebied 6: Bedrijventerrein Eerbeek. Hieronder staan de landschapskenmerken van dit deelgebied. De bedrijventerreinen zijn gelegen op de flank van de Veluwe. Voor 2009 lag aan de Loubergseweg het transportbedrijf Burgers. Na het faillissement is het gebouw gesloopt en nu is het terrein al enige tijd braakliggend. Het terrein is waardevol voor planten en dieren. Zoals eerder genoemd ligt ten oosten van het plangebied een bosrijk gebied. De aan te leggen bosstroken in het plangebied sluiten qua beeld en ecologisch aan op de bosrijke 'lob' naast het plangebied. De bosstroken worden ingeplant met een variëteit aan inheemse boomsoorten refererend aan de Veluwe en met heesters en ondergroei. De bosstroken dienen tevens als waterberging en als recreatievoorziening (wandelen, spelen, ontmoeten). Stedenbouwkundige waarden In het beeldkwaliteitsplan (zie Bijlage 1) zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten voor het plan verder uitgewerkt. Het gebied dient van meerwaarde te zijn voor het dorp. Zijn ligging tussen het centrum en de Veluwe en het IJssellandschap maakt dat het opgevat is als schakelgebied. Aan deze zijde van het dorp ligt de kans om het Veluwse Groen ('bosrijke lob') tot diep in het centrum te laten doordringen.

Wat ruimtelijk, ecologisch en recreatief waardevol is. Aan de noordzijde (richting centrum en Spoorzone) en aan de zuidzijde (Loubergweg) wordt het gebied stevig aangehecht aan het bestaande dorp. De maat en schaal van bebouwing is afgestemd op de bestaande dorpse variatie: gevariëerd en kleinschalig, gebaseerd op individualiteit van de panden. Daarmee is het in harmonie met de bestaande bebouwing van onder andere de Stuijvenburchstraat en Coldenhovenseweg. Tegenover de gevariëerde bebouwing (in woningtype, rooilijn en architectuur) staat een eenduidige samenhangende openbare ruimte inrichting. Voor de functionele aspecten betreft de ontwikkeling een verweving van wonen, bosstroken en extensieve recreatie. Waterberging vormt een stevig onderdeel van de groenstroken en wordt geïntegreerd opgenomen. Lange langzaamverkeers- verbindingen verankeren het plangebied in zijn omgeving. De auto is 'te gast' in het gebied, mengen van verkeer waar mogelijk. Langzaam verkeer heeft prioriteit (volgens het zogenaamde STOMP- principe). Het parkeren wordt nagenoeg geheel aan het zicht onttrokken. Voor de gebouwen en voor de inrichting van de buitenruimte geldt: ingetogen en verzorgd. Het algemene beeld wordt bepaald door de ruimtelijke drager (bosstroken). Woningen worden 'eigentijds dorps'. Er is extra aandacht (oa. middels het beeldkwaliteitsplan voor (kwetsbare) erfscheidingen.

Door het mengen van de diverse woningtypen (appartementenblokken, rijwoningen , vrijstaand etc.) ontstaat er een dorpse menging. De kleinschalige bedrijfsbebouwing wordt opgenomen in het plan. Het ligt straks tussen bestaande industriële bebouwing en de toekomstige woonvelden. Het terrein is ooit een es en daarna deels een papierfabriek geweest. Naar het laatste wordt teruggebracht in details (tramrails en kunstwerk). De bosstroken gaan de herkenbaarheid vormen, naast een eenduidige inrichting van de rijwegen met gebakken klinkers. Door de weelderige aanplant en de extensieve beheervorm zullen flora en fauna (met name vogels) zich kunnen ontwikkelen. De woningen en bedrijven worden natuurinclusief. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in de bijlagen van de regels. Zodoende is geborgd dat de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden worden betrokken bij de realisatie van het voornemen.

17

Hoofdstuk 4

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het Europees, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.

Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.2

Instructieregels Rijk (Amvb's)

Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van

18

woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 4.1.3

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid

Bij voorliggende ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Deze wijziging van het omgevingsplan maakt de bouw van 108 woningen mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een actuele behoefte aan nieuwe woningen en is sprake van duurzame verstedelijking. Daarnaast wordt ook ruimte gemaakt voor maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijfsfuncties. Hiermee wordt op planniveau enige mate van functiemenging bereikt. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de NOVI. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 is reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.

4.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 4.2.1

Omgevingsvisie

4.2.1.1 Algemeen De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

19

4.2.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Zoals eerder gezegd is het voornemen om 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijfsfuncties te realiseren. Het plangebied wordt daarbij groen ingericht. In het plangebied is sprake van een aantrekkelijk woon- en werkklimaat dankzij de groene inrichting. De groene inrichting zorgt er ook voor dat het voornemen klimaatadaptief is. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie. 4.2.2

Omgevingsverordening

4.2.2.1 Algemeen De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 4.2.2.2 Situatie plangebied Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe', 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'Gelderse streek IJsselvallei' relevant, samen met regels over woon- en werklocaties. Het gaat om artikel 5.38, 5.64 en 5.70.

Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland. Artikel 5.64 - Doorwerking regionale woonafspraken (lid 1) Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken. Artikel 5.70 - Doorwerking regionaal programma werklocaties (lid 1) Een omgevingsplan laat een uitbreiding of wijziging van een bestaande werklocatie of een nieuwe werklocatie alleen toe als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties.

4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening Zoals beschreven in paragraaf 3.3 wordt het plangebied groen ingericht met bosstroken. Daarbij wordt met name aansluiting gezocht bij de landschappelijke kwaliteiten van de Veluwe. Met oog voor de groene ruimten tussen dorpen is verstedelijking langs de oostflank van de Veluwe ('dorpenweg') passend. Het voornemen gaat niet over bouwen buiten bestaand stedelijk gebied. Het plan tast daarmee de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streek IJsselvallei niet aan. In de volgende paragraaf worden de regionale woon- en werkprogramma's toegelicht. Op deze plaats wordt gesteld dat het voornemen in overeenstemming is met deze programma's.

20

Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening. 4.2.3

Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

4.3

Regionaal beleid

Vanuit de provinciale omgevingsverordening moet het voornemen worden getoetst aan het regionaal beleid over woon- en werkgebieden. In dit geval zijn de 'Woondeal regio Stedendriehoek' en het 'Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek'. In de rest van deze paragraaf worden deze beleidsstukken behandeld. 4.3.1

Woondeal regio Stedendriehoek

4.3.1.1 Algemeen Regio Stedendriehoek bestaat uit de Gelderse gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen en de Overijsselse gemeente Deventer. Gezamenlijk heeft de regio Stedendriehoek een woningbouwopgave van 24.000 woningen tot en met 2030. De gemeenten van Regio Stedendriehoek hebben in 2020 met de provincie Gelderland in het kader van de regionale woonagenda afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwprogrammering en het aantal te realiseren woningen. De gemaakte afspraken in deze regionale woondeal sluiten hier op aan. De gemeenten Brummen, Epe en Heerde nemen een extra inspanning op de woningbouw voor hun rekening ten opzichte van de eerder gemaakte afspraken in het kader van de regionale woonagenda. In de gemeente Brummen moeten de komende jaren 1.058 woningen worden gebouwd. Van deze woningen moet 73% uit betaalbare woningen bestaan. Dit gaat verder dan alleen sociale huurwoningen en betreft ook middenhuur en betaalbare koop. De herontwikkeling van het Burgersterrein is aangewezen als sleutelproject. In de regionale Woondeal is rekening gehouden met de bouw van 105 woningen. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de 'Woondeal regio Stedendriehoek' Voor het aandeel woningen in voorliggend initiatief geldt dat deze passend is binnen de regionale afspraken voor woningbouw.

Gelet op de actuele behoefte is er genoeg behoefte voor het realiseren tot maximaal drie woningen meer dan in de regionale woondeal staat opgenomen. Daarbij worden in totaal 36 sociale huurwoningen gerealiseerd en 28 middeldure huurwoningen. Van de koopwoningen is 28% vrije sector, de overige koopwoningen zijn goedkope en middeldure koopwoningen. In totaal is dus sprake van 73% betaalbare woningen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Woondeal regio Stedendriehoek. 4.3.2

Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek

4.3.2.1 Algemeen In april 2025 is het RPW voor de regio Stedendriehoek vastgesteld. De programmeringsafspraken hebben betrekking op de periode 2025-2028. Uit de nota Ruimtelijk-economische Bouwstenen komen de volgende ambities naar voren: De focus leggen op maakindustrie met ruimte voor hoogwaardige kenniseconomie Werk maken van het doorlopen van transities Primair richten op de lokale en regionale economie Faciliteren van grootschalige ruimtevraag op goed bereikbare plekken Beschermen van ruimte voor werk, economie en inkomen: economische ontwikkeling moet minimaal gelijk opgaan met de groei van het aantal inwoners Extra ruimte voor economie biedt kans voor kwaliteit en betere leefbaarheid 21

De kwantitatieve regionale behoefte aan nieuwe bedrijfslocaties bedraagt tot 2040 tussen de 89 en 196 hectare. Het bestaande aanbod in de regio bedraagt 26,2 hectare. De kwantitatieve behoefte in de gemeente Brummen ligt in deze periode tussen de 2 en 11 hectare. Op het moment van vaststellen van het RPW zijn er in de gemeente Brummen geen plannen voor het toevoegen van bedrijfslocaties. Het bestaande aanbod (bedrijventerrein Hazenberg) bedraagt 0,3 hectare. In kwalitatieve zin is gelet op het planvoornemen de behoefte aan reguliere bedrijven het meest relevant. Het reguliere werkmilieu bestaat veelal uit mkb bedrijvigheid met een (boven)lokale oriëntatie. Dit zijn bedrijven die veelal gebonden zijn aan eigen kern en/of gemeente. Kwantitatief voorziet het aanbod in een deel van de vraag in het lage scenario. Echter, dit aanbod is geconcentreerd op een beperkt aantal locaties (en die locaties zijn veelal in optie/ reservering). Er is sprake van een geografische mismatch: gemeenten als Brummen, Lochem, Epe en Voorst beschikken niet of nauwelijks over hard planaanbod om lokale bedrijven in hun groei te voorzien van ruimte. 4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan het 'Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek' Er is een groot tekort aan ruimte om de behoefte aan werklocaties op te vangen. Dit geldt zowel op regionaal niveau als in de gemeente Brummen.

Het voornemen is om lichte bedrijvigheid toe te staan (milieucategorie 1 en 2), het gaat om reguliere bedrijven. Daarmee wordt voorzien in een regionale en lokale behoefte. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek.

4.4

Gemeentelijk beleid

Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de 'Toekomstvisie Brummen 2030', de 'Routekaart Wonen 2.0', het 'Programma economie gemeente Brummen 2030' en de 'Nota Ligt op Groen!'. 4.4.1

Toekomstvisie Brummen 2030

4.4.1.1 Algemeen De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen. 4.4.1.2 Samen gezond wonen, werken en leven De gemeente zet in op goede voorzieningen in Eerbeek en Brummen. We gemeente zet energie en middelen vooral in op deze twee dorpskernen, om deze kernen vitaal houden. Een centrum is het hart van een dorp. En dat hart moet kloppen. Levendige centra in Eerbeek en Brummen zijn essentieel voor de levensvatbaarheid van voorzieningen als winkels, restaurants, dienstverlenende bedrijven en instellingen. De gemeente kiest voor een groene en ruime woon- en leefomgeving. Woonwijken zijn ruim opgezet met grote groenstroken die letterlijk en figuurlijk speelruimte geven aan bewoners. Een groene omgeving draagt bij aan het algemene welbevinden en daarmee aan een gezond en gelukkig leven in Brummen.

De gemeente kiest voor inbreiding op locaties die al bebouwd zijn in plaats van uitbreiding. Bestaande woonwijken worden geherstructureerd, vernieuwd en levensloopbestendig gemaakt. Daarbij maakt de gemeente de openbare ruimte toegankelijk voor ouderen, door bijvoorbeeld trottoirs te verbreden.

22

4.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Toekomstvisie Brummen 2030' Bij voorliggende ontwikkeling wordt gebouwd op een locatie binnen de bebouwde kom van Eerbeek. Met deze ontwikkeling wordt een passend vervolg gegeven aan het braakliggende terrein. In het beeldkwaliteitsplan is bepaald dat het plangebied groen wordt ingericht met ruimte voor wandel- en fietspaden en speelvoorzieningen. Ook is er ruimte voor lichte bedrijvigheid. Omdat het plangebied naast het centrum van Eerbeek ligt wordt gesteld dat de nieuwe woningen zorgen voor een toenemende vraag voor de winkels, restaurants en andere voorzieningen in het centrum. Het voornemen levert dus ook een bijdrage aan de levendigheid in het centrum. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Toekomstvisie Brummen 2030'. 4.4.2

Routekaart Wonen 2.0

4.4.2.1 Algemeen Brummen staat voor een grote opgave voor woningbouw en versnelling is nodig. Het laatste woningbehoefteonderzoek uit 2018 (geactualiseerd in 2020) liet een opgave zien voor het toevoegen van 900 woningen tussen 2020 en 2030 (dit is ook vastgelegd in de regionale woonagenda). De woningbehoefte is afhankelijk van meerdere factoren en is een dynamisch gegeven. Omdat de woningbehoefte voorlopig niet zal afnemen, heeft het college in september 2022 aan de provincie Gelderland de ambitie uitgesproken om te streven naar de realisatie van 1.250 woningen tot en met 2030. Dit betekent vanaf 2023 dus nog een toevoeging van zo’n 1.050 woningen. Dit aantal is ook opgenomen in de regionale woondeal. De routekaart is ingedeeld in vijf uitvoeringsprogramma’s die acties worden genoemd: 1. versnellen en stroomlijnen; 2. inzetten sturingsinstrumenten; 3. toepassen nieuw Toetsingskader Woningbouw; 4. zoeken naar nieuwe locaties; 5. actief monitoren en bijsturen. Het Toetsingskader Woningbouw is met name relevant voor de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. 4.4.2.2 Toetsingskader Woningbouw In het Toetsingskader gelden de volgende algemene richtlijnen: Focus op binnenstedelijke verdichting, met name in Brummen (dorp) en Eerbeek. Inbreiding gaat voor uitbreiding, maar prioritering en urgentie maakt een andere volgorde mogelijk.

Bij nieuwe ontwikkelingen voor wonen wordt gestreefd naar versterking van de groen-blauwe dooradering. Streven naar een basiskwaliteit natuur bij zowel in- als uitbreiding, zoveel mogelijk gebruik makend van bestaande natuur-en landschapskwaliteiten De bodem- en waterkwaliteiten zijn sturende factoren bij de nieuwe ontwikkeling Focus op de woonvraag van de doelgroep die de druk het meest voelt. Prioriteren op plannen die de grootste bijdrage leveren aan de beleidsdoelen die die de gemeente wil realiseren. Voor de kernen Brummen en Eerbeek gelden de volgende richtlijnen: Prijsklassen bij ontwikkelingen vanaf 10 woningen: 1. afgerond 30% sociale huurwoningen; 2. afgerond 35% mix van goedkope koop, betaalbare koop en middenhuur (met als streven dat minimaal 20% in de categorie goedkope koop moet vallen); 3. afgerond 35% overige koopwoningen Vanwege inbreidingsvoorkeur en woonopgave en strategisch behoud van groene buitenruimtes is een bepaalde mate van hoogbouw mogelijk. In centrum-dorpse omgevingen kan daarbij sprake zijn van een extra bouwlaag ten opzichte van het heersende stedenbouwkundige beeld behouden en versterken van structurele groenstructuur; het plan heeft een groen inpassingsvoorstel. 23

4.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Routekaart Wonen 2.0' In paragraaf 2.2 staat het woonprogramma beschreven van het initiatief. De woningen zijn verdeeld over verschillende segmenten. 34% sociale huurwoningen; 39% mix van goedkope koop, betaalbare koop en middenhuur (met als streven dat minimaal 20% in de categorie goedkope koop moet vallen); 28% overige koopwoningen. Hiermee wordt voldaan aan de eisen voor betaalbare woningen. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Eerbeek, waarmee sprake is van inbreiding. Daarbij wordt het plangebied groen ingericht en wordt aangesloten bij de landschappelijke waarden uit de omgeving (zie paragraaf 3.3). Daarbij is voldoende ruimte voor waterberging. In het plangebied worden zes appartementengebouwen gerealiseerd. De bouwhoogte is echter beperkt (13,5 tot 15 meter). De gebouwen bestaan uit drie bouwlagen en een kap, óf uit vier bouwlagen met een plat dak. Dit sluit aan op de bebouwing ten noordwesten van het plangebied (Wasacker) en is één bouwlaag hoger dan de overige woningen in het plangebied (zie ook Bijlage 1). Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Routekaart Wonen 2.0'. 4.4.3

Programma economie gemeente Brummen 2030

4.4.3.1 Algemeen Het Programma Economie is een beleidsinstrument onder de Omgevingswet. Het helpt economische doelen en ambities te realiseren binnen de kaders van de fysieke leefomgeving. Het Programma Economie van de gemeente Brummen richt zich op het versterken en toekomstbestendig maken van de lokale economie. Dit draagt bij aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de gemeente. Economie speelt namelijk een centrale rol in de samenleving. Het biedt werk en inkomen, houdt de leefbaarheid en het voorzieningenniveau op peil en geeft gestalte aan maatschappelijke doelstellingen zoals de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. Dit Programma Economie bevat de inhoudelijke ambities en maatregelen waar de gemeente de komende jaren samen met belanghebbenden mee aan de slag gaat. 4.4.3.2 Ambities In kwantitatieve zin is er de komen de jaren een uitbreidingsvraag van 2,5 tot 10,8 hectare. Dat gaat voornamelijk over de autonome1 groei van Brummense bedrijven en reguliere verhuisbewegingen, zoals dat in de afgelopen jaren plaatsvond. Er wordt in deze cijfers al vanuit gegaan dat enkele bedrijven op enig moment Brummen verlaten. Tegelijkertijd beschikt Brummen op dit moment over onvoldoende aanbod om de ruimtevraag te accommoderen.

Er is geen uitgeefbaar areaal meer beschikbaar en ook andere belangrijke maatschappelijke thema's zoals wonen, energie en recreëren hebben een ruimtevraag. Dat betekent dat er een opgave ligt in de gemeente. In het licht van voorgenomen ontwikkeling is met name het thema 'Ruimte voor ondernemerschap op bedrijventerreinen: bestaand en nieuw' relevant. Door voldoende ruimte aan ondernemerschap te bieden, behoudt de gemeente werkgelegenheid en economische waarde. De gemeente zet in op vier sporen: beschermen van ruimte op bedrijventerreinen; beter benutten van de bedrijventerreinen; verplaatsen van lichte bedrijfsactiviteiten en; uitbreiden van de bedrijventerreinen. Met name het derde spoor is relevant: het verplaatsen van lichte bedrijfsactiviteiten. In samenwerking met de regio onderzoekt de gemeente de mogelijkheden voor het verplaatsen van lichte bedrijfsactiviteiten (milieucategorie 1 en 2) naar de randen van de centra. De bedrijventerreinen zijn in de basis een geschikte huisvestingslocatie voor bedrijven die (enige) hinder (geur en geluid) veroorzaken. Deze activiteiten kunnen niet elders in de gemeente landen. De praktijk leert dat bedrijventerreinen ook bedrijven huisvesten die geen hinder veroorzaken. Dit biedt kansen. Dergelijke bedrijven zijn goed in te passen in het stedelijk weefsel, bijvoorbeeld nabij de centrumgebieden, maar buiten de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16778489/2