(092) Planmotivering
Tekst van het document
Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).
26
6.2
Wateraspecten
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.3
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl). De uitkomst hiervan is opgenomen in Bijlage 7. Hiermee is bepaald dat het voornemen behandeld wordt middels de 'normale procedure'. Middels het indienen van de watertoets is het waterschap eveneens om een reactie op het plan gevraagd. Het waterschap heeft hierop gereageerd door te stellen dat op basis van de landschappelijke inrichtingstekening geen belemmeringen in het waterbelang worden voorzien. 6.3.1
Behandeling wateraspecten
Het waterschap vraagt initiatieven om in ieder geval rekening te houden met de volgende maatregelen: Watercompensatie: Voor het waterschap leidt een toename van verharding alleen tot een watercompensatieopgave (noodzaak tot waterberging) als er een toename is van 1500 m 2 of meer. Een groot aantal gemeenten stelt ook eisen bij de realisatie van nieuw verhard oppervlak of bij herontwikkeling van bestaand verhard gebied. Waterinclusieve bebouwde omgeving: Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het aspect water(waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting. Vasthouden - bergen - afvoeren: Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.
Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen: Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken: Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan hiermee verder helpen. 27
Toetsing van het initiatief aan de wateraspecten van de 'normale procedure' In voorliggend plan is sprake van een afname van de hoeveelheid verharding door het verwijderen van de voormalig agrarische bebouwing. Van een compensatie opgave is daarom geen sprake. Daarnaast is binnen het plangebied voldoende ruimte voor het vasthouden bergen en afvoeren van water. Door de afgenomen verharding in het plangebied is het plangebied beter in staat om hemelwater op te vangen en het plaatselijk te infiltreren. Verwacht wordt dat minder water door de sloten afgevoerd hoeft te worden. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in een versterking van de bestaande (eiken) bomenrij langs de sloot in het plangebied. Het onderhoud aan de watergang zal hierbij niet gehinderd worden. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluiting vindt bij de plaatselijke wateraspecten.
6.4
Conclusie
Vanuit het aspect water is er sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
28
Hoofdstuk 7
Beschermen van de gezondheid en het milieu
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid en klimaatadaptatie' behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
29
7.1.2
Situatie plangebied
Met het voornemen wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt naast de bestaande woning. Bij deze ontwikkeling is daarom sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige ruimten. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidsgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 7.1.2.1 Wegverkeerslawaai In het gemeentelijk omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden vanuit het Bkl voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. De nieuwe woning komt op ongeveer 170 meter afstand te liggen van de Weg over 't Hontsveld. De maximale snelheid op deze weg bedraagt 60 km/u. De nieuw te bouwen woning ligt hiermee binnen het geluidsaandachtsgebied van deze weg. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de Weg over 't Hontsveld. Het plangebied is met rode ster weergegeven.
Afbeelding 7.1: Ligging plangebied ten opzichte van de Weg over 't Hontsveld (Bron: Atlas van de leefomgeving) In het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. Uitgangspunt is dat aan de standaardwaarde voor geluid moet worden voldaan (artikel 5.78t lid 1 Bkl). Voor gemeentelijke wegen is de standaardwaarde 53
30
dB. Zoals in afbeelding 7.1 te zien is heeft de Weg over 't Hontsveld een beperkte geluidsuitstraling. Voor de woningen geldt dan ook dat het geluid op de buitengevel naar verwachting minder is dan 45 dB. De Atlas Leefomgeving verwacht een maximale geluidsbelasting van 33 dB. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluid uit het Bkl. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig. 7.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai Het plangebied ligt op ongeveer 2,2 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Hiermee wordt ruim voldaan aan de afstandsnormen uit het Bkl. Onderzoek naar railverkeerslawaai is niet nodig. Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig. 7.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' (mei 2019). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast.
In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied en ligt niet nabij een drukke weg. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 Situatie plangebied
Richtafstanden 'rustige woonwijk' 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden 'gemengd gebied' 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
31
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave Bedrijven' en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking). Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Een woning wordt niet gezien als een geluidsbelastende activiteit. Van een nieuwe externe werking zal daarom geen sprake zijn. Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Wat betreft de interne werking zijn in de omgeving van het plangebied enkele agrarische bedrijfsfuncties aanwezig. Onderstaande tabel geeft de omliggende milieubelastende functies weer met de daarbij behorende richtafstanden voor geluid. Voor de werkelijke afstand is gemeten vanaf de milieubelastende inrichting tot het plangebied.
Beide functies zijn op ruime afstand gelegen van de toekomstige woonfunctie. Adres Weg over 't Hontsveld 26 Hommelstraat 1
Functie Richtafstand Werkelijke afstand Agrarische 30 meter 200 meter bedrijfsbestemming Agrarische 30 meter 230 meter bedrijfsfunctie Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de omgeving de functie wonen toelaat. 7.1.3
Conclusie
Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De nieuwe woonfunctie zorgt niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
32
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 7.2.2
Situatie plangebied
Dumea BV heeft een verkennend bodemonderzoek en een asbest onderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707. Het volledige verkennende bodemonderzoek is aan deze motivering toegevoegd in Bijlage 2. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de resultaten hieruit wordt geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven voor het uitvoeren van een nader onderzoek. De bodemkwaliteit is voldoende om de gewenste woonfunctie van het plangebied te ondersteunen. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
33
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2
Situatie plangebied
Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool gaat uit van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van een ontwikkeling. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.
Afbeelding 7.2: Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool) Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.
34
7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden
7.4.2
Situatie plangebied
Voor diersoorten waarvoor geen emisiefactor is vastgesteld geldt vanuit de bruidsschat een vaste afstandsnorm van 50 meter. In paragraaf 7.1.2.3 is een tabel opgenomen met de meest nabijgelegen milieubelastende functies. Hiervan zijn twee agrarische bedrijven die rundvee houden. De afstand tussen deze bedrijven en het plangebied is ruim meer dan 50 meter. Bij het agrarisch bedrijf aan de Weg over 't Hontsveld 26 mag rundvee worden gehouden. De afstand tussen het bedrijf en het plangebied is circa 200 meter. Hiermee wordt dus ruim voldaan aan de benodigde minimale afstand. Ter plaatse van het agrarische bedrijfsperceel aan de Hommelstraat 1 wordt 230 meter aangehouden. 7.4.3
Conclusie 35
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillingshinder
7.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 7.5.2
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op ongeveer 2,2 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Van trillingshinder is dan ook geen sprake. 7.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse
36
omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2
Situatie plangebied
Wat betreft de voorgenomen ontwikkeling wordt vermeld dat deze bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van de bewoners van het plangebied. Door de sloop van de schuren zal de hoeveelheid verharding in het plangebied afnemen, waardoor er meer ruimte ontstaat voor groen. Groenvoorzieningen en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Met het slopen van de schuren wordt ook asbest verwijderd. Dit is een positieve ontwikkeling in het kader van bescherming van de gezondheid. De agrarische bedrijfsactiviteiten op de locatie zijn gestaakt, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse verbeterd. Ook zullen bewoners en omwonenden in de toekomst geen hinder ondervinden van bedrijfsmatige activiteiten op deze plek. De woonfunctie heeft geen negatieve impact op de omgeving. Op basis hiervan wordt benadrukt dat de beoogde ontwikkeling een positief effect zal hebben op de gezondheid van zowel de bewoners als de omwonenden. Paardenbak In de directe nabijheid van de beoogde woning (circa 35 meter) bevindt zich een bestaande paardenbak. Volgens de door de omgevingsdienst gehanteerde richtafstanden geldt voor een paardenbak een afstand van 50 meter tot een gevoelige functie, zoals een woning.
Deze richtafstand is gebaseerd op het voorkomen van mogelijke hinder in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Hoewel in dit geval deze afstand niet wordt gehaald, is gemotiveerd sprake van een uitzonderingssituatie waarin, gelet op het feitelijke gebruik en de mitigerende maatregelen, niettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning. Aard en gebruik paardenbak De paardenbak is uitsluitend bestemd voor hobbymatig gebruik. De eigenaar beschikt over één paard, waarmee gemiddeld tweemaal per week gedurende circa 30 minuten in de bak wordt gereden. Er vinden geen commerciële activiteiten plaats, zoals manegelessen, wedstrijden of pensionstalling. Daarmee is sprake van een zeer beperkt en incidenteel gebruik. Uit jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat de feitelijke situatie en het daadwerkelijke gebruik zwaarder wegen dan enkel de theoretische richtafstanden (vgl. ABRvS 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3524 en ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3625). De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in dergelijke zaken dat richtafstanden indicatief zijn en kunnen worden verlaten indien met een nadere motivering aannemelijk wordt gemaakt dat hinder in de praktijk niet of nauwelijks voorkomt. Geurhinder Om geurhinder te beperken wordt de paardenbak na elk gebruik direct ontdaan van mest.
Deze maatregel voorkomt ophoping van meststoffen en draagt bij aan het voorkomen van geurverspreiding richting de woning. In de praktijk leidt het incidentele gebruik en de directe reiniging tot een verwaarloosbare geurbelasting. In lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1130) wordt het treffen van mitigerende maatregelen, zoals het tijdig verwijderen van mest, meegewogen in de beoordeling van hinder. Indien blijkt dat hinder in de praktijk feitelijk niet optreedt, is een afwijking van de richtafstand gerechtvaardigd. Stofhinder In droge perioden wordt gebruik gemaakt van een aanwezige sproei-installatie, waarmee stofvorming effectief wordt onderdrukt. Daarnaast wordt de paardenbak voor het overgrote deel ingepast door een struweelhaag die het eventuele verspreiden van stof tegengaat. In combinatie met het beperkte gebruiksregime is het risico op stofhinder uiterst gering. De Afdeling overwoog in haar uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:899) dat met het treffen van doelmatige maatregelen, zoals beregening, stofhinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Lichthinder
37
De paardenbak wordt uitsluitend overdag gebruikt. Aanwezige verlichting is verwijderd en zal niet worden teruggeplaatst. Daarmee is lichthinder volledig uitgesloten. In lijn met jurisprudentie (o.a. ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2367) kan het uitsluiten van verlichting bijdragen aan het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen. Landschappelijke inpassing Ter afscherming en verzachting van het ruimtelijk beeld wordt de paardenbak landschappelijk ingepast met de aanplant van twee struweelhagen. Hiermee wordt tevens visuele hinder beperkt en wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van het erf. Conclusie Nemen we het voorgaande in samenhang in ogenschouw, dan kan worden geconcludeerd dat ondanks het feit dat de richtafstand van 50 meter tussen een paardenbak en een gevoelige functie niet wordt gehaald, in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning. Het betreft een paardenbak die enkel hobbymatig wordt gebruikt, met een zeer beperkte frequentie en duur. Van structurele milieubelasting is geen sprake. Bovendien zijn maatregelen getroffen om eventuele hinder te voorkomen, waaronder het direct verwijderen van mest na gebruik, het inzetten van een sproei-installatie tegen stofvorming en het volledig uitsluiten van verlichting.
Daarnaast wordt de bak landschappelijk ingepast, wat bijdraagt aan de visuele afscherming en de ruimtelijke kwaliteit van het erf. In lijn met geldende jurisprudentie kan bij een dergelijke feitelijke situatie gemotiveerd worden afgeweken van de standaardrichtafstand, mits voldoende aannemelijk is gemaakt dat hinder in de praktijk niet of nauwelijks optreedt. Daarvan is in dit geval sprake. De functies zijn hiermee op evenwichtige wijze toegekend aan de locatie en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning is voldoende gewaarborgd. Gewasbeschermingsmiddelen Ten slotte is om de (nieuwe) woonfuncties van het plangebied een zone opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vergunningplichtig maakt binnen 50 meter van de woonfuncties. Door deze zone kunnen gewasbeschermingsmiddelen enkel worden toegepast wanneer uit onderzoek blijkt dat het gebruik van deze middelen in overeenstemming is met een gezond woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonfuncties binnen het plangebied.
7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
7.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen
Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart. 7.7.2
Situatie plangebied
Naast het gegeven dat het plangebied een verbetering vormt voor de biodiversiteit door de te leveren inspanningen die zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, worden de nieuwe gebouwen binnen het plangebied gebouwd volgens de laatste duurzaamheidsnormen. Tevens zal het regenwater dat op de verharding valt geïnfiltreerd worden binnen het plangebied. 7.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
38
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
8.1.2
Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking. 8.1.3
Situatie plangebied
Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen'. Dit betreft een stikstofgevoelig gebied. Tussen het erf en het Natura 2000-gebied ligt een weiland. Mogelijke directe effecten op het Natura 2000-gebied bestaan uit stikstofdepositie. Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de verwachte depositie op dit Natura 2000gebied te berekenen. Het volledige rapport is toegevoegd aan deze motivering in Bijlage 3. AERIUS-berekening Uit de berekening van de aanlegfase en de gebruiksfase van het voornemen volgt dat per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. 39
De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. GNN-gebieden Het plangebied bevindt zich op 800 meter afstand van het dichtstbijzijnde GNN-gebied. Gezien het feit dat een GNN gebied geen externe werking kent heeft voorliggende ontwikkeling dan ook geen invloed op het GNN en kan worden geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
Om de invloed van voorliggend plan op de soortenbescherming te onderzoeken is door Bureau Bleijerveld een Quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bij deze motivering toegevoegd als Bijlage 4. De quickscan concludeert dat wat betreft zoogdieren geen aanvullende maatregelen benodigd zijn. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor alle verwachte soorten. Wat betreft de broedvogels zonder vaste nestplaatsen kunnen broedsels in de toekomst in de aanwezige gebouwen niet worden uitgesloten. Om verstoring van deze soorten te voorkomen wordt geadviseerd de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Binnen de bebouwing van het voormalig agrarisch bedrijf zijn enkele vaste nestplaatsen van de huismus aanwezig. Door de sloop van de bebouwing gaan deze nestplaatsen verloren. Dit is verboden volgens de Omgevingswet. Het plan voorziet niet in het verwijderen of kappen van houtopstanden. Aanvullend onderzoek huismussen Naar aanleiding van de quickscan ecologie is een nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd (Bijlage 5). Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat onder het dak van de woning (gebouw 1) één tot enkele nestplaatsen aanwezig zijn. Dit gebouw blijft behouden. In de te slopen bijgebouwen komen geen nestplaatsen voor. Dit betekent dat door het plan geen nestplaatsen van huismus verloren gaan.
Ten aanzien van huismus is geen vergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist. In de bijgebouwen wordt hoogstwaarschijnlijk wel gebroed door soorten zonder vaste nestplaats. Er waren indicaties voor nestplaatsen van vink en witte kwikstaart. Dergelijke broedsels zijn beschermd zolang zij in gebruik zijn. De sloop dient daarom buiten het broedseizoen plaats te vinden, dat wil zeggen in de periode 15 augustus – 15 maart.
40
8.3
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
41
Hoofdstuk 9 9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Archeologie' van kracht. Dit bestemmingsplan geeft aan dat ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie laag' geldig is. In de bouwregels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat het verboden is om op of in gronden met deze bestemming bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uit te voeren met een grotere diepte dan 40 cm, tenzij de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2.500 m2. Door Laagland Archeologie is een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, om eventuele aanwezige archeologische waarden in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is bij deze motivering gevoegd als Bijlage 6. Onderdeel van het onderzoek maakt uit een bureauonderzoek en een het plaatsen van een 9-tal boringen binnen het plangebied. In alle boringen is gebleken dat sprake is van een diep verstoord bodemprofiel. De oorspronkelijke deklaag is verdwenen.
Ter hoogte van de historische bouwlanden is geen plaggendek aangetroffen. Conform het verwachtingsmodel wijzen de resultaten van het booronderzoek op zeer vochtige omstandigheden. De kans dat in het plangebied nog archeologische resten aanwezig zijn wordt daarmee laag geacht. Het onderzoek adviseert geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
42
Het voornemen heeft zoals gezegd geen invloed op de fysieke ruimte (geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen). Daarnaast zijn er geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent. Van de agrarische bedrijfswoning is bekend dat dit een woning betreft uit de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Omdat de boerderijwoning om deze reden enige cultuurhistorische waarde heeft en de woning in goede originele staat verkeerd, is besloten deze woning te behouden.
9.4
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
43
Hoofdstuk 10 10.1
M.e.r.-beoordeling
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
10.2
Situatie plangebied
Zoals eerder beschreven zijn er voor het voornemen geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte nodig. Voorliggende wijziging op het omgevingsplan voorziet in de sloop van voormalig agrarische bebouwing en in de nieuwbouw van een vrijstaande woning met twee bijgebouwen en een landschappelijke inpassing van het geheel. Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieugevolgen als gevolg van het voornemen zijn in voorgaande hoofdstukken beschreven. Er zijn geen negatieve gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van vaststelling van voorliggende wijziging op het omgevingsplan.
10.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
44
Hoofdstuk 11 11.1
Economische uitvoerbaarheid
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie plangebied
In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemers komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
45
Hoofdstuk 12 12.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Initiatiefnemers voor voorliggende ontwikkeling hebben op 26 september 2024 gesprekken gevoerd met omwonenden van het plangebied. Het gaat om de adressen Breestraat 42 en 42A, Weg over 't Hontsveld 22 en 22A en Weg over 't Hontsveld 26 en 26A. Het doel van de gesprekken was om de buren te informeren over de geplande sloop van de oude schuren en de nieuwbouw die hiervoor in de plaats zou komen. Gekozen is voor persoonlijke gesprekken met de buren zodat zij vrij hun mening kunnen geven over het initiatief. Andere omwonenden (die als belanghebbende kunnen worden aangemerkt) zijn tevens geïnformeerd tijdens de jaarlijkse buurtborrel. Door alle buren is met een positief geluid gereageerd op het voornemen. Het verwijderen van de oude bebouwing en de kwalitatieve inspanningen die geleverd worden worden gewaardeerd. De buren hebben geen bezwaren of negatieve reacties laten horen. Uit het participatietraject zijn geen verdere aandachtspunten naar voren gekomen.
12.2
Vooroverleg instanties
Provincie Gelderland: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging op het omgevingsplan is het plan aan de Provincie Gelderland toegestuurd. De provincie Gelderland heeft een positieve houding ten opzichte van de ontwikkeling. Waterschap Vallei en Veluwe: uit de digitale watertoets volgt de 'normale procedure' als de te volgen procedure. Het waterschap heeft daarnaast gereageerd op het voornemen met een positieve houding ten opzichte van de ontwikkeling.
12.3
Zienswijzen
De wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen over het voornemen.
46
Hoofdstuk 13 13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAMOmgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht en slotbepalingen.
13.2.2 Preambule voor hoofdstukken artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Weg over 't hontsveld 24 in Empe en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit
47
elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22c.’ gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 13.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden.