(092) Planmotivering
Tekst van het document
467729
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Weg over 't Hontsveld 24 Empe
Motivering
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Huidig planologisch regime 1.4 Leeswijzer
4 4 4 4 6
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Het voornemen 2.3 Infrastructuur en openbare ruimte
7 7 8 8
Hoofdstuk 3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 3.1 Wettelijk kader 3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.3 Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden
10 10 10 11
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
15 15 16 18 19
Hoofdstuk 5 Omgevingsveiligheid 5.1 Algemeen 5.2 Situatie in en bij het plangebied 5.3 Conclusie
24 24 24 25
Hoofdstuk 6 Beschermen van waterbelangen 6.1 Beleid waterschap 6.2 Wateraspecten 6.3 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied 6.4 Conclusie
26 26 27 27 28
Hoofdstuk 7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1 Geluid door activiteiten 7.2 Bodemkwaliteit 7.3 Luchtkwaliteit 7.4 Geur 7.5 Trillingshinder 7.6 Gezondheid 7.7 Duurzaamheid en klimaatadaptatie
29 29 33 34 35 36 36 38
Hoofdstuk 8 Bescherming van de natuur 8.1 Gebiedsbescherming 8.2 Soortenbescherming 8.3 Conclusie
39 39 40 41
Hoofdstuk 9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1 Wettelijk kader 9.2 Archeologie 9.3 Cultuurhistorie 9.4 Conclusie
42 42 42 42 43
Hoofdstuk 10 M.e.r.-beoordeling 10.1 Algemeen 10.2 Situatie plangebied 10.3 Conclusie
44 44 44 44
Hoofdstuk 11 Economische uitvoerbaarheid 11.1 Algemeen 11.2 Kostenverhaal 11.3 Situatie plangebied
45 45 45 45 2
Hoofdstuk 12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1 Participatie 12.2 Vooroverleg instanties 12.3 Zienswijzen
46 46 46 46
Hoofdstuk 13 Juridische verantwoording 13.1 Inleiding 13.2 Opzet van de regels 13.3 Verantwoording van de regels
47 47 47 49
Bijlagen bij motivering
50
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
50
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
50
Bijlage 3
AERIUS-berekening
50
Bijlage 4
Quickscan ecologie
50
Bijlage 5
Nader onderzoek huismussen
50
Bijlage 6
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
50
Bijlage 7
Watertoetsresultaat
50
3
Motivering Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggend TAM- omgevingsplan betreft de wijziging van de functie van de gronden ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Weg over 't Hontsveld 24 in Empe, gemeente Brummen (hierna plangebied). Binnen het plangebied is een boerderijwoning aanwezig en enkele stallen die ten dienste hebben gestaan van de veehouderij. Met voorliggend TAM-omgevingsplan wordt met gebruik van de Rood voor Rood regeling een herontwikkeling van het agrarische erf naar een woonerf met twee reguliere woningen mogelijk gemaakt. De bestaande boerderijwoning blijft staan, de rest van de voormalig agrarische bebouwing wordt verwijderd. Op basis van het Rood voor Rood beleid van de gemeente Brummen wordt door de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen een bouwrecht voor een nieuwe vrijstaande woning verkregen. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Brummen, sectie K, nummers 913, 918 en 919. Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: openstreetmap.org)
1.3
Huidig planologisch regime
1.3.1
Geldend omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten:
"Buitengebied 2008" (vastgesteld: 17 december 2009); "Beschermingszone bestrijdingsmiddelen" (vastgesteld: 25 oktober 2012); "Paraplubestemmingsplan Parkeren" (vastgesteld: 18 oktober 2018); "Paraplubestemmingsplan Archeologie" (vastgesteld: 15 oktober 2020); "Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen" (vastgesteld: 13 oktober 2022); "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" (vastgesteld: 23 maart 2023);
4
"Omgevingsplan gemeente Brummen" (in werking vanaf 1 januari 2024). Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'. Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Buitengebied 2008" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangegeven.
Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket) Hieronder worden de ter plaatse geldende functies en bestemmingen verder beschreven. 'Agrarisch met landschapswaarden' De voor 'Agrarisch met landschapswaarden' aangewezen grond is met name bestemd voor agrarische doeleinden, agrarische bouwpercelen met bijbehorende erven alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden. Hieraan ondergeschikt zijn ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf en het op hobbymatige basis houden van dieren toegestaan. Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bestaand aantal dienstwoningen geldt als maximum. Maximaal 50 m² van de oppervlakte van bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf mits deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben. Ter plaatse van de aanduiding 'Beslotenheid/Houtopstanden' is vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen tengevolge kunnen hebben verboden zonder aanlegvergunning. 'Bos' De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud, herstel, ontwikkeling en bescherming van de aan natte omstandigheden gebonden landschapplijke en natuurlijke waarden, en daaraan ondergeschikt de houtproductie. 5
'Waarde - Archeologie laag' De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer den 2.500 m 2. 'Overige zone - landgoederenzone' Bij het "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" is op het plangebied de aanduiding 'overige zone - landgoederenzone' van toepassing. Ter aanvulling op de regels die bij de agrarische bestemming gelden zijn diverse landschapselementen toegestaan. Voor de aanleg van deze landschapselementen is in afwijking van de regels uit bestemmingsplan "Buitengebied 2008" geen (omgevings)vergunning nodig. 1.3.2
Opheffen strijdigheid
In het plangebied is de bebouwing van een veehouderij aanwezig. De agrarische werkzaamheden van het bedrijf zijn beëindigd. Van een agrarisch bedrijf is geen sprake meer. Het woongebruik van de woning is daarmee niet langer in overeenstemming met de gebruiksregels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008', en daarmee het omgevingsplan. De initiatiefnemer heeft de gemeente middels een principeverzoek verzocht mee te werken aan een Rood voor Rood ontwikkeling. De gemeente heeft medewerking toegezegd aan een Rood voor Rood ontwikkeling waarin het agrarisch bedrijfsperceel wordt gesaneerd waarvoor ter compensatie een bouwrecht voor de bouw van een extra woning met bijgebouw aangeboden wordt. Om de nieuwe bouw en gebruiksmogelijkheden toe te voegen is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Dit gebeurd middels voorliggend TAMomgevingsplan. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.
Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie.
6
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Zoals eerder benoemd ligt het plangebied aan de Weg over 't Hontsveld 24 in Empe. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Brummen. In de omgeving van het plangebied komen meerdere (voormalige) agrarische erven voor. Het omliggende landschap bestaat uit voornamelijk agrarische cultuurgronden, onderbroken door houtsingels. Daarnaast zijn in het landschap verschillende bospercelen aanwezig. Het plangebied bestaat uit een agrarische bedrijfswoning en bebouwing behorende bij de voormalige veehouderij. Dit betreffen twee sleufsilo's, twee veestallen een kapschuur en een bovengrondse mestsilo. Naast de woning is een paardenbak aanwezig. Deze zal behouden blijven en wordt onderdeel van de nieuwe erf situatie. Afbeelding 2.1 toont een luchtfoto van het voormalig agrarische bedrijf, afbeelding 2.2 geeft de verschillende gebouwen die gesloopt worden weer.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied (bron: PDOK)
7
Afbeelding 2.2 Overzicht erf en te slopen gebouwen (bron: H.A. Ten Have, Tuin- en landschapsadviseur)
2.2
Het voornemen
Onderhavig plan betreft het realiseren van een nieuwe planologisch-juridische situatie middels een wijziging van het omgevingsplan. Deze procedure is benodigd om ter plaatse van het plangebied een agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning, een woning te bouwen, nieuwe bijgebouwen te bouwen en het geheel landschappelijk in te passen. In voorliggend TAMomgevingsplan wordt aangesloten op de bouw- en gebruiksregels behorende bij de functies 'Wonen', 'Agrarisch met landschapswaarden' en 'Bos' uit het paraplubestemmingsplan Bos-, natuur- en waterbestemmingen. Ten behoeve van een goede situering van de bebouwing worden bouwvlakken opgenomen en wordt de locatie van de bijgebouwen aangeduid met een functieaanduiding. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet ten slotte in een passende inpassing van het nieuwe perceel in het landschap. Zo wordt voorzien in een nieuw bosperceel en wordt de woonfunctie omheind met groene hagen en beplanting. langs de paardenbak wordt een struweelhaag aangelegd. Verder worden op het erf een erfboom, hoogstam fruitbomen, een struikensingel en een drietal erfbosjes toegevoegd. Het plangebied behoud de huidige ontsluiting, via de bestaande oprit. Het uitvoeren van de maatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan uit Bijlage 1 is in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan opgenomen als voorwaardelijke verplichting.
2.3
Infrastructuur en openbare ruimte
2.3.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behouden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Van het aanleggen of veranderen van openbare ruimte is geen sprake bij dit voornemen. Dit aspect wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.
2.3.2
Verkeer en parkeren
8
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk; Stedelijke zone: buitengebied; Functie: koop, huis, vrijstaand. Verkeersgeneratie Voor de verkeersgeneratie van het plangebied wordt uitgegaan van één nieuwe woning, naast de bestaande woning. Voor een vrijstaande woning wordt in de CROW publicatie aangehouden van 8,2 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. In de toekomstige situatie van het plangebied is er sprake van twee woningen. De woningen zullen samen 16,4 verkeersbewegingen op de Weg over 't Hontsveld ontsluiten. Deze weg is van ruim voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen verkeersveilig te ontsluiten.
Daarnaast kan worden opgemerkt dat het planvoornemen voorziet in het verwijderen van bebouwing die gebruikt werd ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Het komen te vervallen van de agrarische activiteiten en het verwijderen van de agrarische gebruiksactiviteit uit het omgevingsplan vormt een afname naar ratio van de verkeersbewegingen die voorheen ontstonden door de agrarische bedrijfsactiviteiten in vergelijking met de toekomstige woonfunctie. Parkeren In voorliggend plan wordt uitgegaan van het oplossen van de parkeerbehoefte van de woningen op het eigen terrein. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten wordt een parkeerbehoefte van 2,4 auto's per woning verwacht. Op het eigen erf van de woningen is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te faciliteren.
2.3.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9
Hoofdstuk 3 3.1
Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden
Wettelijk kader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over: Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking; De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
3.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'. Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
10
3.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921); 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m 2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De woning aan de Weg over 't Hontsveld 24 ondergaat een functiewijziging naar een reguliere woning, daarnaast wordt een tweede woning toegevoegd als onderdeel van de Rood voor Rood ontwikkeling. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Naar ratio neemt de verharding en de bebouwing binnen het plangebied af als gevolg van de ontwikkeling. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
3.3
Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden
De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt in deelgebied 15: Landgoederen zone. Hieronder staan de landschapskenmerken van dit deelgebied. Hoewel typische landschapselementen beduidend minder aanwezig zijn dan in de huidige landgoederenzone, zijn er toch diverse belangrijke elementen te vinden in het gebied. Oude houtwallen, bomenlanen en hier en daar een boomgaard kleden het verder vrij open gebied aan. Poelen liggen verspreid door het gebied en enkele beken stromen tussen de landbouwpercelen door richting de IJssel. Bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit boerderijen, waarbij de inrichting van de boerenerven varieert van volledig ingericht op een bedrijfsfunctie, met geen of weinig ruimte voor groen, tot groene parels tussen de open landbouwgronden. Toetsing van het initiatief Voorliggend initiatief voorziet in het slopen van de landschapsontsierende agrarische bebouwing en het behoud van de kenmerkende boerderij. De boerderij is een wederopbouw boerderij, gebouwd in de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Cultuurhistorisch is het belangrijk dat de boerderij behouden blijft. Met voorliggende ontwikkeling wordt de boerderij een nieuwe toekomst gegeven.
Het erf ligt in het kleinschalig hoeven- en kampenlandschap. Tot 1900 was dit een bosgebied. Vanaf 1900 heeft zich de kleinschalige melkveehouderij ontwikkeld en is het huidige landschap met bospercelen, houtwallen en weilanden ontstaan. Langs kavelgrenzen in het plangebied staan nog eikenbomen van het oude landschap. In de omgeving van het plangebied zijn ook nog kleine bospercelen aanwezig. Het geheel is een fraai coulisselandschap met een zeer hoge belevingswaarde. Aansluitend op het bestaande landschap is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt voor de nieuwe situatie. Een groot deel van de huidige bestaande bomen en beplanting blijft behouden. Het landschap is van oudsher een kleinschalig landschap met akkers en bospercelen. De noordelijke percelen zijn langdurig in gebruik voor de landbouw. Dit blijft behouden waardoor het erf 'vrijliggend' blijft en openheid naar het omringende landschap behouden blijft. Enkel worden voor de ecologische verbindingen van de bospercelen twee houtsingels en twee solitaire bomen toegevoegd. Eveneens wordt het bestaande bosperceel aan de noordzijde van het erf vergroot. Er wordt 1.340 m 2 bos toegevoegd. Aan dit nieuwe bos wordt tevens de functie 'Bos' toegevoegd. Inpassing van het erf
11
Bij de situering van de nieuwe woning en twee schuren is zorgvuldig rekening gehouden met het behouden van de bestaande bomenrij en een solitaire kastanje boom. Eveneens is zorgvuldig rekening gehouden met het behouden en versterken van de kenmerkende boerderij en de regels omtrent een compacte erfopbouw. Door het behoud van de bomenrij en de solitaire kastanje kan niet volledig worden voldaan aan een regulier bestemmingsvlak met de functie 'Wonen' met een maximale oppervlakte van 1.500 m2. Voor het voornemen is een landschapsplan opgesteld waarin is gekomen tot een compacte erfindeling met bijbehorende bijgebouwen. Hiervoor zijn tevens gronden meegenomen die in de toekomstige situatie gebruikt kunnen worden als tuinen of erf. Aangezien rekening gehouden diende te worden met de bestaande boerderij, bestaande waardevolle groenstructuren en toekomstige bijgebouwen is gekomen tot voorliggende erfinrichting. Deze erfinrichting is doorvertaald naar een planverbeelding waarin de passende functies zijn opgenomen. Om te komen tot een kwalitatief goed plan waarbij nadrukkelijk rekening is gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische aspecten is gekozen voor een woonfunctie van circa 3.000 m2. Opgemerkt wordt dat dit uitgaat van beide percelen gezamenlijk.
Inpassing paardenbak De bestaande paardenbak wordt landschappelijk ingepast door een struweelhaag aan de zuid- en noordzijde van de bak toe te voegen. Op het erf wordt een erfboom, hoogstam fruitbomen, een struiksingel en een drietal erfbosjes toegevoegd. Ontsluiting van het erf Het erf heeft een toegangsweg die ontsluit op de Weg over 't Hontsveld. Deze weg blijft behouden en wordt eveneens de ontsluiting voor de nieuwe woning. Nieuwe gebouwen Het nieuwbouw gedeelte van voorliggend project bestaat uit het realiseren van een woning op het achtererf met twee schuren. Onderstaande plattegronden en doorsneden geven een beeld van de volumes van de bestaande en de nieuwe gebouwen. In het erf- en landschapsplan zijn de nieuwe gebouwen gesitueerd. Een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan wordt weergeven in afbeelding 3.2. Het volledige landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd aan de Bijlagen bij de motivering als Bijlage 1.
12
Afbeelding 3.1
Aanzicht voorgevel en linker zijgevel (Bron: Bueau BAS)
13
Afbeelding 3.2 Uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan (Bron: H.A.Ten Have Tuin- en landschapsadviseur)
14
Hoofdstuk 4
Beleidskader
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing Voorliggend initiatief betreft een plan waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen herziening van het omgevingsplan. 4.1.2
Instructieregel Rijk (AMvB's)
4.1.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; 15
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Toetsing In voorliggend plan wordt ingegaan op de bovengenoemde instructieregels in de volgende paragrafen:
waarborgen van veiligheid: Hoofdstuk 5; beschermen van waterbelangen: Hoofdstuk 6; wat betreft het aspect gezondheid en milieu worden de volgende onderdelen afgewogen: kwaliteit buitenlucht (7.3), trillingen (7.5), geluid (7.1), geur (7.4) en bodemkwaliteit (7.2); beschermen van de landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden en het cultureel erfgoed (Hoofdstuk 9), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (3.2). Geconcludeerd kan worden dat in de volgende paragrafen van deze motivering aangesloten wordt bij de uitgangspunten van het Bkl. 4.1.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het Rijksbeleid. Vanuit relevante beleidsdocumenten en regelgeving werken geen randvoorwaarden of uitgangspunten rechtstreeks door op het voorgenomen plan.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie
4.2.1.1 Algemeen De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennisen onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
16
4.2.1.2 Situatie plangebied Met de realisatie van voorliggend initiatief wordt een duurzaam vervolg gegeven aan de gronden van een voormalig agrarisch bedrijf. Door de verouderde bedrijfsgebouwen te slopen en het erf te herstructureren met oog voor het landschap en de cultuurhistorische waarden wordt niet alleen verharding verwijderd uit het buitengebied maar wordt ook een kwaliteitsimpuls gegeven aan het perceel, en daarmee tevens het omliggende landschap. Het initiatief vindt hiermee aansluiting bij de provinciale omgevingsvisie op het gebied van het behoud van historische en landschappelijke waarden. Door de inspanning die wordt geleverd ten behoeve van de landschappelijke inpassing kan de provincie medewerking verlenen aan voorliggend initiatief. 4.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Het voornemen vindt aansluiting bij de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie.
4.2.2
Omgevingsverordening
4.2.2.1 Algemeen De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 4.2.2.2 Situatie plangebied Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied', 'nationale landschappen' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'Nationaal landschap', 'Gelderse streek IJsselvallei' en 'Oude Bosgroeiplaats' relevant. Het gaat om artikel 5.33, 5.82 en 7.27.
Artikel 5.33 - Beschermen landschap algemeen: Nationale landschappen Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. Artikel 7.27 - beoordelingsregel maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond 17
Gedeputeerde Staten staan herbeplanting op andere grond niet toe als: g. de gevelde of tenietgegane houtopstand op een locatie stond waar: 1. een oude bosgroeiplaats ligt; en 2. het landgebruik sinds 1832 zonder onderbrekingen uit bos heeft bestaan. Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland. 4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening Zoals eerder beschreven vindt er als gevolg van dit plan een substantiële bijdrage aan de omliggende landschappelijke waarden plaats. Zo wordt het bestaande oppervlakte aan bos uitgebreid met 1.340 m2. De bestaande bomenrij binnen het plangebied blijft behouden en wordt verder aangevuld. Daarnaast wordt een verdere bijdrage geleverd aan de natuurwaarden en het versterken van de biodiversiteit door het nieuw te vormen erf aanvullende beplanting toe te voegen die gebiedseigen is en past bij de structuur van het coulisselandschap. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening. 4.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1
Regionale structuurvisie Stedendriehoek 2030
4.3.1.1 Algemeen De gemeente Brummen heeft samen met gemeente Apeldoorn, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 (RSS 2030) opgesteld. Het is op 26 november 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van Brummen. Met de visie geeft de regio op lange termijn gezamenlijk sturing aan ruimtelijke ontwikkelingen in het bundelingsgebied, met als doel meerwaarde te creëren. Zorgvuldig ruimtegebruik, toename aan ruimtelijke kwaliteit en economische ontplooiing staan hierin centraal. De regio Stedendriehoek heeft vijf strategische keuzes benoemd. Dit zijn: Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; Natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; Regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; Stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; Toevoegen van centrumstedelijke en landelijke woonmilieus. Opgaven behorend tot deze strategische keuzes zijn onder meer: (landschappelijke) identiteit verder ontwikkelen en streven naar duurzaam waterbeheer. In de visie is tevens ingegaan op de toenemende ruimtevraag voor wonen en werken. De Stedendriehoek verwacht een toenemende behoefte naar woningen. Daarin richt zij zich voornamelijk op de regionale woningbehoefte en een diversiteit aan woonmilieus.
Voor de periode 2014-2029 gaat de regio uit van 18.100- 21.400 nieuwbouwwoningen. Voor de uitbreiding van de wooncapaciteit binnen de regio wordt nadrukkelijk gekozen voor een bundeling van verstedelijking met daarbij de nadruk op binnenstedelijke (her)ontwikkeling. Nieuwe woningen sluiten aan op de regionale vraag en dragen bij aan het vergroten van keuzevrijheid. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de regionale structuurvisie Voorliggend initiatief voorziet in het vitaal gebruik van het buitengebied en in een bijdrage aan de waarde van het plangebied voor de plaatselijke natuurlijke waarden en biodiversiteit. Doordat verouderde agrarische bebouwing plaats maakt voor een woning en een bijgebouw voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in stadsuitbreiding, maar in het toevoegen van een enkele woning. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een kleine bijdrage aan de regionale woningbehoefte. 4.3.2
Regionale woonagenda
18
4.3.2.1 Algemeen In de Gelderse Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening is voor het provinciale woonbeleid opgenomen dat de regiogemeenten in Gelderland als onderdeel van de regionale woonagenda komen tot afspraken over de kwantitatieve opgave voor woningbouwprogrammering. In 2018 heeft de Cleantech regio (Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen) in samenwerking met de provincies Gelderland en Overijssel de Woonagenda Cleantech Regio 20182023 opgesteld. In 2020 heeft met een addendum een evaluatie en herijking van deze woonagenda plaatsgevonden. De Woonagenda Cleantech Regio richt zich op drie thema's: Sterke steden, dynamische kernen en een vitaal platteland; Huisvesting arbeidsmigranten; Betaalbaar bouwen. De thema's Wonen & Zorg en Verduurzaming uit de voormalige woonagenda hebben een plek gekregen in samenwerking van de Cleantech regio en de transformatieagenda. 4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan de regionale woonagenda Voorliggend initiatief past binnen de ambities van de regionale woonagenda. Het voornemen levert een beperkte bijdrage aan de leefbaarheid en de kleine voorzieningen in het landelijk gebied, zonder te voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Met de inspanningen uit het landschappelijk inpassingsplan heeft de ontwikkeling een goede balans tussen het bevorderen van de landschappelijke waarden en wonen.
De nieuwe woning wordt gebouwd binnen de kaders van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en voorziet daarmee in de ambities ten aanzien van verduurzaming van de woningvoorraad. 4.3.3
Conclusie regionaal beleid
Voorliggend initiatief past binnen de uitgangspunten ambities en doelstellingen van het regionaal beleid van de Cleantech Regio (Stedendriehoek).
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Toekomstvisie Brummen 2030
4.4.1.1 Algemeen De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen.
19
4.4.1.2 Buitengebied versterken door vernieuwing De omgeving van Brummen bestaat uit een veelzijdig landschap dat voorzien van veel groen, natuur en landgoederen. Een voorbeeld zijn de Natura 2000-gebieden en ecologische verbindingszones. De gemeente hecht veel waarde aan deze kernkwaliteiten en wil deze dan ook behouden en versterken. Er wordt ruimte gegeven aan initiatieven die bijdragen aan de plattelandsstructuur, landschappelijkeen natuurwaarden. 4.4.1.3 Flexibel en toekomstgericht bouwen Gemeente Brummen zet in op flexibel bouwen, een gevarieerder woningaanbod en meer levensloopbestendige woningen. Nieuwe woningen worden gebouwd met oog op het toekomstige gebruik, zodat mensen voor een langere duur in dezelfde omgeving kunnen blijven wonen. De gemeente staat open voor woonvormen waarbij meerdere generaties bij elkaar wonen, zoals grootouders en kinderen. 4.4.1.4 Klimaatneutraal Brummen De 'voetafdruk' van de gemeente Brummen is de afgelopen eeuwen toegenomen door onder meer het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van CO2. Brummen stuurt aan op het verkleinen van deze voetafdruk. Een van de methoden is door alle verbruikte energie duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrenzen. De gemeente zet onder meer in op nieuwe technieken van energieopwekking en energie neutraal bouwen. De tweede manier is door meer ruimte in te richten voor opvang en berging van hemelwater.
Tuinen krijgen een groener karakter en regenwater wordt hierop afgekoppeld, zodat water kan infiltreren in de grond en niet afgevoerd wordt naar het riool. Als laatst stuurt de gemeente aan op een vergroting van de biodiversiteit, die in Nederland de afgelopen tientallen jaren flink is afgenomen. De gemeente handhaaft en onderhoud bestaand groen en stimuleert aanleg van inheemse (planten)soorten, zoals hagen, bloemrijke bermen en houtwallen. Daarbij is een natuurlijkere inrichting ook gewenst. 4.4.1.5 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie Brummen 2030 Het plangebied betreft een voormalig agrarisch erf. Met voorliggend plan worden de landschapsontsierende schuren gesloopt. Ter compensatie wordt de bouwmogelijkheid voor het bouwen van een woning met bijgebouw toegevoegd aan het plangebied. Het geheel wordt landschappelijk ingepast volgens het erfinpassingsplan. Het ontwerp stuurt aan op het herstel van de voormalige landschapsstructuur die kenmerkend is voor het kampenlandschap en het coulisselandschap, zoals de kleinschaligheid en de traditionele erfopbouw. De natuurlijke inrichting met een diversiteit aan inheemse beplanting binnen het plangebied versterkt de biodiversiteit en daarmee de plaatselijke natuurwaarden. Het uitgangspunt is dat hemelwater wordt geïnfiltreerd op het eigen terrein.
Het voornemen vindt hiermee aansluiting bij de uitgangspunten van de Toekomstvisie Brummen 2030. 4.4.2
Beleidsregel functieverandering in het buitengebied
4.4.2.1 Algemeen De beleidsregel ‘Functieverandering in het buitengebied’ is een aanvulling op het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Brummen en biedt een toetsingskader voor functieverandering van vrijkomende (agrarische) gebouwen in het buitengebied naar wonen en woon-werkcombinaties. Functieverandering naar wonen De maatvoering voor functieverandering naar wonen is gebaseerd op de regionale nota ‘Waar de stallen verdwijnen'. De gemeente Brummen hanteert hierbij oppervlaktematen in plaats van inhoudsmaten. Op basis van een inventarisatie van de oppervlakte van bestaande burgerwoningen in het buitengebied is voor de gemeente Brummen een oppervlaktemaat van maximaal 150 m 2 voor een woning reëel en hanteerbaar. Deze maatvoering wordt gehanteerd als maximum voor een nieuw te bouwen woning(en) in het kader van functieveranderingen en komt overeen met de maatvoering uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2008'. Het maximum oppervlakte aan bijgebouwen per woning bedraagt maximaal 75 m2.
20
De systematiek en maatvoering voor sloop is vastgesteld in de vorm van een staffel. Om in aanmerking te komen voor een woning moet minimaal 500 m 2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt worden. Bij toepassing van functieverandering dient voldaan te worden aan de algemene voorwaarden voor functieverandering. 4.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan het Beleidskader functieverandering van vrijkomende agrarische gebouwen Het plan voldoet aan de algemene voorwaarden voor functieverandering zoals opgenomen in het beleidsregel 'Functieverandering in het buitengebied'. Op de locatie wordt minimaal 500 m 2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt, het totale oppervlakte aan sloopmeters zal 792 m 2 bedragen. Het initiatief past in het functieveranderingsbeleid. In de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan is het slopen van de agrarische bebouwing voorwaardelijk verplicht gesteld voordat aan de bouw van de nieuwe woning mag worden begonnen.
4.4.3
Nota Ruimtelijke kwaliteit Brummen
4.4.3.1 Algemeen De Nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat handvatten voor verbouwingen en beschrijft hoe om te gaan met verbouwingen aan huizen, bedrijven, landgoederen en monumenten. Ook worden suggesties gegeven over duurzaamheid en worden oplossingsrichtingen gegeven voor de herindeling van boerenerven. Het beleidsdocument is een vervolg op de Welstandsnota. Het plangebied behoort in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit tot het welstandsgebied 'Landelijk gebied'. De kenmerken van het landelijk gebied van Brummen bestaan uit een afwisselend landschap. De Veluwse stuwwal in het westen van de gemeente (met daarop bossen) loopt over in een dekzandlandschap (met bossen, hagen, houtwallen, akkers, weilanden en waterlopen) naar het rivierenlandschap aan de IJssel. In het deklandschap zijn de rechte lange wegen met daaraan verspreidde boerderijen en bebouwingsclusters typerend. Op de oeverwallen nabij de IJssel volgt het landschap de kronkelige contouren van de rivier. Hier is meer bebouwing aanwezig. De boerenerven in de gemeente zijn divers opgebouwd. Historische erven bestaan voornamelijk uit een fors hoofdgebouw met woning en schuur in één pand. In samenhang met bijgebouwen en beplanting vormt dit een erf ensemble met een traditionele voor- en achtererf opbouw. De gemeente streeft het karakter van de erven te behouden.
Centraal staat de samenhang en continuïteit tussen de bebouwing en het omliggende gebied. 4.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit Brummen De boerderij binnen het plangebied betreft een boerderij uit de wederopbouwperiode en is om deze reden ook van cultuurhistorische waarde. De boerderij zal dan ook behouden blijven. De stallen zijn van mindere bouwkundige kwaliteit en kunnen niet behouden blijven. Het ontwerp van de nieuwe woning staat nog niet vast. Bij de bouwaanvraag zal het ontwerp van de nieuwe woning opnieuw getoetst worden aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit. Door de situering van de twee woningen en bijgebouwen wordt een nieuw erf gecreëerd dat gebaseerd is op de erfsituatie van andere klassieke erf situaties in het buitengebied. Een nadere toelichting kan worden gelezen in paragraaf 2.2. Het plan wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Nota ruimtelijke kwaliteit.
21
4.4.4
Landschapsbeleidsplan Brummen 2008
4.4.4.1 Algemeen De gemeente Brummen heeft in 2008 het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 vastgesteld. Het plan geeft sturing aan de ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het toetst aan de wenselijkheid van de ontwikkeling, maar is geen juridisch bindend document. In het Landschapsbeleidsplan is uitgegaan van zes deelgebieden met ieders hun eigen kenmerken. Het plangebied is onderdeel van het deelgebied 'Landgoederen'. Initiatieven binnen dit deelgebied dragen bij aan de doelen. De doelen voor dit deelgebied zijn:
de bospercelen versterken in hoeveelheid of structuur; de natuurwaarden van de bossen versterken; de cultuurhistorische betekenis van de landgoederen benadrukken; verdroging van natuur en beken tegen gaan; gebiedseigen water helpen vasthouden; ruimte bieden aan natte natuur; combinatie van melkveehouderij en natuur mogelijk maken; invulling geven aan de ecologische verbindingszones (nu NNN); het patroon van laan-, erf en kavelbeplantingen versterken; extensieve vormen van recreatie stimuleren; hergebruik van vrijkomende bebouwing recreatief benutten; de bereikbaarheid van het gebied voor langzaam verkeer vergroten.
4.4.4.2 Toetsing van het initiatief aan het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 De herontwikkeling van het plangebied maakt het mogelijk de landschapswaarden, die voor een groot deel bestonden uit bos en weilanden, te herstellen. Met het aanplanten van nieuw bos en de beplanting aan de randen van de weilanden wordt een bijdrage aan geleverd het herstellen van de houtwallen van het oude, kleinschalige, landschap. De uitvoering van de maatregelen opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan zijn opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels behorende bij dit TAM-omgevingsplan. 4.4.5
Woonagenda, routekaart woningbouw
4.4.5.1 Algemeen In de Routekaart Wonen staat hoe de gemeente Brummen in de komende jaren de woningbouw willen aansturen en versnellen. De Routekaart Wonen bevat ook het Toetsingskader Woningbouw. Met de routekaart zet de gemeente vijf concrete acties in gang:
versnellen en stroomlijnen van processen Inzetten van instrumenten om te sturen op woningbouw Toetsingskader voor woningbouw Zoeken naar nieuwe locaties Monitoren en bijsturen
4.4.5.2 Kern specifieke richtlijnen buurtschappen en buitengebied Uitgangspunten (vanuit de Omgevingsvisie):
In principe geen nieuwbouw toegestaan in het buitengebied, afgezien van het Oeverwallenlandschap en de Veluweflank. In het Oeverwallenlandschap gaat het om maatwerk. In de Veluweflank is ruimte voor stedelijke en recreatieve ontwikkelingen met bijzondere aandacht voor de landschappelijke inpassing. Splitsen van bestaande woningen is mogelijk. Waar we echt op sturen:
Doelgroep: woningen aantrekkelijk voor huishoudens op zoek naar landschappelijk wonen (inclusief vestigers). Kleinschalige woonvormen/erfdelen. Innovatieve voorstellen voor functieverandering (woongemeenschap/doelgroep).
22
Onderbouwt via ladder duurzame verstedelijking (bij substantiële plannen). Behoud c.q. versterking landelijke omgeving. Realiseren voldoende parkeerplekken op eigen terrein. Waar dagen we initiatiefnemers op uit (meerwaarde):
Innovatie: prioriteit voor kleinschalige woonzorgconcepten (bijvoorbeeld zorgboerderijen). Splitsing van grotere boerderijen c.q. ééngezinswoningen.
4.4.5.3 Conclusie Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van de Routekaart Wonen van de gemeente Brummen. Door de sloop van landschapsontsierende bebouwing wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd, wat aansluit bij de beleidsdoelstellingen voor het buitengebied. Daarnaast voldoet het initiatief aan de geldende sloopnorm, wat een belangrijke voorwaarde is voor herontwikkeling.De nieuw te realiseren schuurwoning past binnen de karakteristieken van het landelijke gebied en draagt bij aan het behoud en de versterking van de landschappelijke waarden. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit verder verbeterd. Dit is in lijn met de doelstellingen van de Routekaart Wonen, waarin innovatieve en duurzame woonvormen worden gestimuleerd, mits deze bijdragen aan de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit.Bovendien wordt met dit initiatief voorzien in de vraag naar landschappelijk wonen, wat aansluit bij de behoefte aan diverse woonvormen in het buitengebied.
Het initiatief draagt bij aan het realiseren van kleinschalige woonvormen en past binnen de ambities van de gemeente om ruimte te bieden aan huishoudens die zich willen vestigen in een landelijke omgeving.Door te voldoen aan de kernspecifieke richtlijnen en de beleidsuitgangspunten van de Routekaart Wonen, kan worden geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid voor wonen in het buitengebied. 4.4.6
Conclusie gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
23
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsveiligheid
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
5.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de EV-Signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en de directe omgeving weergegeven.
24
Afbeelding 5.1
Uitsnede kaart EV-Signaleringskaart (Bron: ev-signaleringskaart.nl)
Het plangebied ligt op circa 375 meter van een buisleiding. Hiermee valt het plangebied ruim buiten het brandaandachtsgebied en de personen-risicocontour. Een verantwoording van het personenrisico is niet nodig. De buisleiding heeft een diameter van 8,6 inch en een werkdruk van 80 bar. De 1%letaliteitsgrens ligt daarmee op 30 meter vanaf het hart van de buisleiding. Het plangebied ligt op meer dan 300 meter afstand van de buisleiding, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is
5.3
Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
25
Hoofdstuk 6
Beschermen van waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Beleid waterschap
6.1.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema 'Robuust beekdal' van belang.
Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken. 6.1.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027