CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(075) Bijlagen motivering

Besluitvormende raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: TAM Omgevingsplan Oud Eerbeek21.388 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wettelijk kader Algemeen Onder artikel 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen: 1. In een omgevingsplan wordt voor risico’s van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van: a.

het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; en

b.

de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en

c.

de geneeskundige hulpverlening.

Aandachtsgebieden en brand- en explosievoorschriftengebieden 1. Een brandvoorschriftengebied en een explosievoorschriftengebied zijn de locaties: a.

die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied, respectievelijk een explosieaandachtsgebied is toegelaten; en

b.

waar voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt.

2. In een omgevingsplan wordt: a.

een brandaandachtsgebied aangewezen als brandvoorschriftengebied; en

b.

een explosieaandachtsgebied aangewezen als explosievoorschriftengebied. 15 / 32

3. In afwijking van het tweede lid kan in een omgevingsplan worden afgezien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Dit geldt niet voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. 4. In een omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van een brandvoorschriftengebied en van een explosievoorschriftengebied. 5. Het tweede lid, aanhef en onder a, derde en vierde lid zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: groepsrisico 1. In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. 2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied: a.

geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of b. waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt: 1°. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of 2°. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

16 / 32

Gemeentelijk beleid Gemeente Brummen kent geen sturend beleid op het gebied van omgevingsveiligheid.

Scenario’s In het navolgende worden de calamiteitenscenario’s beschreven die, gezien de afstand tot de ontwikkellocatie het meest relevant zijn. Overige scenario’s kunnen voor transport van gevaarlijke stoffen eveneens van belang zijn, maar zijn slechts in mindere mate relevant voor de beoogde ontwikkeling. Giftige wolk In een PGS 15 loods met gevaarlijke stoffen ontstaat een brand. De brand veroorzaakt rook met giftige verbrandingsproducten. Bij een beginnende- of zuurstof beperkte brand is er weinig hitte waardoor er geen pluimstijging plaatsvindt. De rookwolk wordt door de wind meegevoerd.

Scenario giftige wolk (Bron: https://scenarioboeken.nipv.nl/)

Brand Uitgegaan is van directe ontsteking van het uitstromende gas door statische of kinetische energie. Hierdoor ontstaat een fakkelbrand. Direct na de breuk is het uitstroomdebiet en daarmee de omvang van de fakkel het grootst. De eerste fase is berekend over de eerste 20 seconden na de breuk. Het uitstroomdebiet loopt 17 / 32

binnen enkele minuten na de breuk terug totdat een stabiel uitstroomdebiet wordt bereikt. Dit stabiele uitstroomdebiet blijft aanwezig totdat de leidingbeheerder het getroffen leidingdeel met afsluiters inblokt.

Scenario brand (Bron: https://scenarioboeken.nipv.nl/)

Afstand houden van het aandachtsgebied Om financiële redenen en vanuit de afweging van belangen is het onmogelijk om dit voornemen buiten het gifwolk- en/of brandaandachtsgebied te realiseren. Het gaat in voorliggende situatie immers om een bestaande woonwijk. Afstand houden is derhalve geen optie. Waarderen al bestaande bescherming Er is geen bestaande bescherming bekend. Overwegen aanvullende bescherming Het bevoegde gezag heeft binnen het stelsel van de Omgevingswet diverse maatregelen tot haar beschikking om mensen te beschermen die binnen aandachtsgebieden verblijven. Deze zogenoemde gereedschapskist kan worden gebruikt om te komen tot een combinatie van maatregelen die zorgen dat de veiligheid voldoende is gewaarborgd en milieu en gezondheid voldoende zijn beschermd. De gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen: •

afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied;

•

aanvullende risicocommunicatie; 18 / 32

•

beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron;

•

vlucht- en schuilmogelijkheden;

•

omgevingsmaatregelen;

•

aanvullende bouwmaatregelen.

Afstand houden binnen het aandachtsgebied Er kan vanwege grondeigendom en stedenbouwkundige redenen geen afstand worden gehouden binnen het aandachtsgebied. Aanvullende risicocommunicatie Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen of brand kan ontstaan, is het belangrijk dat de aanwezigen in het besluitgebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van gifwolk of brand. Daarom is het nodig dat binnen aandachtsgebieden aanvullende risico- en crisiscommunicatie wordt georganiseerd. Deze aanvullende communicatie is nodig om ervoor te zorgen dat reeds bestaande beschermingsmaatregelen en/of nieuw te treffen beschermingsmaatregelen (beperken personendichtheid, vlucht- en schuilmogelijkheden, omgevingsmaatregelen en aanvullende bouwkundige maatregelen) ook toegepast kunnen worden. Met andere woorden, aanvullende beschermingsmaatregelen kunnen alleen bescherming bieden als mensen ook geïnformeerd zijn over de optredende gevaren binnen het aandachtsgebied, de maatregelen die getroffen zijn en hun handelingsperspectieven in geval van een ongeval.

Er moet daarbij zowel aandacht zijn voor communicatie voorafgaand aan een mogelijk ongeval (risicocommunicatie), alsook voor communicatie tijdens een ongeval (crisiscommunicatie). Beperken personendichtheden Aangezien het woningen betreft wordt de realisatie van kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. De personendichtheid zal nauwelijks wijzigen als gevolg van de ontwikkeling. Er zijn reeds woningen gelegen in de beschouwde aandachtsgebieden. Aanwijzing voorschriftengebied Op basis van artikel 5.14 Bkl besluit de gemeente of een (deel van het) brand- of explosieaandachtsgebied in het omgevingsplan wordt aangewezen als brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen voorschriftengebieden gelden aanvullende 19 / 32

brand- of explosiewerende bouweisen (of daaraan gelijkwaardige maatregelen) voor nieuw te bouwen (zeer kwetsbare) gebouwen. Dit geldt ook wanneer het aandachtsgebied in een risicogebied ligt. De aanvullende bouweisen die toegepast moeten worden bij nieuwbouw binnen het voorschriftengebied zijn opgenomen in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl. Voor kwetsbare gebouwen geldt geen verplichting om een voorschriftengebied aan te wijzen. Wel kunnen gelijkwaardige maatregelen worden getroffen vanuit het Bbl. Voor gifwolken gelden generieke eisen die onafhankelijk zijn van een aandachtsgebied voor nieuw te bouwen gebouwen.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Navolgende figuur geeft het handelingsperspectief weer bij de twee relevante scenario’s.

Handelingsperspectief giftige wolk (Bron: https://scenarioboeken.nipv.nl/)

20 / 32

Handelingsperspectief fakkelbrand (Bron: https://scenarioboeken.nipv.nl/)

Vlucht- en schuilmogelijkheden Vanwege de ligging van de beoogde ontwikkeling binnen een gifwolkaandachtsgebied en deels binnen een brandaandachtsgebied worden in het navolgende de factoren die de zelfredzaamheid beïnvloeden besproken. Het betreffen de mogelijkheden tot schuilen, vluchten en het zelfredzame vermogen van de aanwezigen binnen het besluitgebied. Bij schuilen is er een onderscheid tussen schuilen op een langdurig veilige plaats (safe haven) of het snel kunnen schuilen/dekking zoeken op een tijdelijke veilige plaats (shelter in place). Schuilen In dit geval ligt het besluitgebied binnen het gifwolkaandachtsgebied waardoor langdurig schuilen een van de beste handelingsperspectief behoort. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Hiertoe dient het ventilatiesysteem handmatig uit te schakelen en af te sluiten te zijn. Daarnaast dient het gebouw ‘lekdicht’ te zijn. Schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen.

21 / 32

Voor het brandscenario is vluchten de beste optie nabij de brand en voor de verder gelegen gebouwen is dekking zoeken of schuilen binnenshuis het beste handelingsperspectief. Vluchten Bij vluchten is er een onderscheid tussen vluchten, ontruimen en evacueren. In alle gevallen is van belang dat er voldoende, bereikbare vluchtwegen zijn om er gebruik van te kunnen maken. Onder deze begrippen wordt het volgende verstaan: •

Vluchten: aanwezige mensen kunnen op eigen initiatief een veilige plek bereiken; die veilige plek kan ook een schuilplaats zijn in het getroffen (aandachts)gebied. Dit advies is ook van toepassing op het brandbare scenario.

•

Ontruimen: aanwezige mensen verlaten (zelfstandig) het gebied via veilige vluchtwegen na een advies van de parate diensten (vaak brandweer of politie).

•

Evacueren: aanwezige mensen verlaten (al dan niet gedwongen en meestal onder begeleiding) het gebied via veilige vluchtwegen op last van de overheid.

Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het besluitgebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Gelet op de reeds aanwezige woonwijk mag worden uitgegaan van het bestaan van vluchtwegen in de huidige situatie. Vluchtwegen van de risicobron af is het belangrijkste. Voor het brandscenario is het oftewel naar het noorden (Jan Mankesstraat en omgeving) oftewel naar het zuiden (Coldenhovenseweg en omgeving) toe. Indien het toxische scenario zich voordoet, is vluchten naar het oosten het beste handelingsperpectief, in de tegenovergestelde richting van de seveso-inrichting. Welke eisen worden gesteld aan een vluchtweg is afhankelijk van het moment en de duur dat bescherming nodig is. Dit hangt samen met het type aandachtsgebied en het aantal mensen dat van de vluchtweg gebruik moet maken. Als het gevaar in 15 tot 20 minuten ontstaat, zijn er andere vluchtmogelijkheden nodig dan wanneer het gevaar vrijwel direct aanwezig is. Hetzelfde geldt voor de tijdsduur; als er sprake is van een kortdurende piek, kan wellicht gebruik worden gemaakt van een tijdelijk veilige plaats om het gebied daarna te ontvluchten.

Omgevingsmaatregelen Omgevingsmaatregelen zijn maatregelen die in het gebied tussen de risicobron en de (bebouwde) omgeving kunnen worden getroffen ter bescherming van gebouwen of locaties, zoals woningen, kantoren en recreatieterreinen of vitale infrastructuur, zoals waterwingebieden. Een omgevingsmaatregel kan heel concreet en fysiek 22 / 32

zichtbaar zijn, zoals een watergang, een aarden wal of een verhoogd talud, maar ook organisatorisch van aard zijn zoals voorbereiding van hulpdiensten, heldere risicocommunicatie en het onderhoud van schuilplaatsen en vluchtwegen. Omgevingsmaatregelen kunnen zowel binnen als buiten een aandachtsgebied worden genomen en hebben een collectief karakter. De omgevingsmaatregelen hebben een dempend effect op de mate waarin een omgeving wordt blootgesteld aan een gevaar. Doordat omgevingsmaatregelen de hoeveelheid warmtestraling (brand), overdruk (explosie) of concentraties (gifwolk) waaraan gebouwen en locaties worden blootgesteld verminderen, vergroten de vluchtmogelijkheden en kan (soms) afgezien worden van het treffen van aanvullende bouwkundige maatregelen. Het realiseren van vlucht- en of schuilmogelijkheden kan onder meer door omgevingsmaatregelen. Aanvullende bouweisen Aanvullende bouweisen zijn niet van toepassing. Vanuit het Bbl geldt al basisbescherming voor gebouwen tegen een calamiteit met giftige stoffen of met brand. Daarboven op zijn geen aanvullende eisen.

Beheersbaarheid/ bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het besluitgebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Eerbeek is de locatie heel goed bereikbaar in ieder geval binnen 5 minuten. Vanuit de brandweerkazerne in Loenen is de ontwikkellocatie binnen circa 8 minuten te bereiken. Geconcludeerd wordt dat het besluitgebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door te proberen de toxische wolk neer te slaan. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het besluitgebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

23 / 32

Ten aanzien van het brandscenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door de brand onder controle te brengen. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het besluitgebied.

Verloop bij grootschalig brandweer optreden (Bron: https://scenarioboeken.nipv.nl/)

24 / 32

Conclusie Er bestaat vanuit omgevingsveiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de geldende beleidsdocumenten en besluiten met betrekking tot omgevingsveiligheid en de daarin gemaakte keuzes.

Advies Veiligheidsregio Op 5 augustus 2025 heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland advies verstrekt over het plan (Bijlage II). De Veiligheidsregio adviseert om nieuwe woningen niet binnen het brandaandachtsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding te realiseren. De gemeente is zich bewust van de aanwezigheid van deze aardgastransportleiding. Op dit moment liggen er rondom de leiding al veel woningen, het niet bebouwen van de kavels is niet aan de orde, hierdoor komen lege plekken in de wijk. Stedenbouwkundig, landschappelijk en financieel is dit niet acceptabel. Gewezen wordt op de volgende stappen bij grondwerkzaamheden: Als een KLIC-melding bij het Kadaster wordt gedaan waarbij Gasunie als betrokken partij vermeld staat, heeft u te maken met een Eis Voorzorgsmaatregel (EV). Dit houdt in dat u minimaal 3 dagen voor aanvang van de werkzaamheden verplicht contact moet opnemen met Gasunie. Indien noodzakelijk, kan de coördinator beslissen dat de werkzaamheden onder begeleiding van een toezichthouder van Gasunie worden uitgevoerd. De toezichthouder komt dan op locatie om fysieke en specifieke afspraken te maken, of om de werkzaamheden te begeleiden. Door de nieuwbouw van de woningen kunnen de woningen ook voorzien worden door de modernste (gevel)maatregelen.

25 / 32

Bijlage I: gevoelige gebouwen en locaties Hieronder worden de verschillende categorieën van gevoelige gebouwen en locaties toegelicht. A. Beperkt kwetsbare gebouwen Een gebouw met een van de volgende gebruiksfuncties, alleen voor zover het gaat om die gebruiksfunctie: a. een woonfunctie, met uitzondering van een woonfunctie in een woongebouw en een woonfunctie voor 24-uurszorg, als het gaat om een woonfunctie: 1°. op een locatie met een dichtheid van ten hoogste twee woningen, woonschepen of woonwagens per ha; 2°. om te worden gebruikt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf; of 3°. die onderdeel is van lintbebouwing die loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit; b. een bijeenkomstfunctie, met uitzondering van een bijeenkomstfunctie: 1°. voor kinderopvang; 2°. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking; 3°. waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of 4°. die een nevengebruiksfunctie is van een gebruiksfunctie als bedoeld onder E; c.

een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van gebouwen waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; d. een kantoorfunctie met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2; e. een logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving: 1°. op een locatie met een dichtheid van ten hoogste twee logiesfuncties per ha, en met ten hoogste 5 logiesverblijven als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving per gebouw; of 2°. met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2;

26 / 32

f. een onderwijsfunctie voor volwassenenonderwijs, met uitzondering van een onderwijsfunctie waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; g. een sportfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een sportfunctie: 1°. waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of 2°. die een nevengebruiksfunctie is van een gebruiksfunctie als bedoeld onder E; of h. een winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een winkelfunctie in een gebouw waarin een supermarkt of warenhuis is gevestigd, als het gaat om een winkelfunctie: 1°. met meer dan vijf winkels en met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m2; of 2°. met een winkel met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2. B. Beperkt kwetsbare locaties Een locatie voor: a. recreatief nachtverblijf voor ten hoogste 50 personen; b. sport, spel of recreatief dagverblijf, met uitzondering van locaties waar doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of c. evenementen in de openlucht voor minder dan 5.000 personen. C.

Kwetsbare gebouwen Een gebouw met een van de volgende gebruiksfuncties, alleen voor zover het gaat om die gebruiksfunctie en voor zover het niet gaat om een beperkt kwetsbaar gebouw of een zeer kwetsbaar gebouw: a. een woonfunctie; b. een bijeenkomstfunctie; c. een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. een gezondheidszorgfunctie; e. een kantoorfunctie; f. een logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; g. een onderwijsfunctie; h. een sportfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; of 27 / 32

i. een winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. D. Kwetsbare locaties Een locatie voor: a. recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen; b. sport, spel of recreatief dagverblijf, waar doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of c. evenementen in de openlucht voor ten minste 5.000 personen. E. Zeer kwetsbare gebouwen Een gebouw met een van de volgende gebruiksfuncties, alleen voor zover het gaat om die gebruiksfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: a. een woonfunctie voor 24-uurszorg; b. een bijeenkomstfunctie: 1°. voor kinderopvang; of 2°. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking; c. een celfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. een gezondheidszorgfunctie met bedgebied; of e. een onderwijsfunctie: 1°. voor basisschoolonderwijs; of 2°. voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking.

28 / 32

Bijlage II: Advies Veiligheidsregio Het advies is per email (dinsdag 5 augustus 2025, 08:51) verstrekt. De naam, telefoonnummer, emailadres en contactpersoon(gegevens) zijn verwijderd. Beste, Via officielebekendmakingen.nl werd ik geattendeerd op het TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22j Eerbeek, Oud Eerbeek'. Het betreft de sloop en herbouw van 86 woningen in Oud Eerbeek. In hetzelfde gebied worden ook een groot aantal woningen gerenoveerd. Dat behoort niet tot het omgevingsplan. Ik heb het omgevingsplan gelezen en onderstaand vind je m'n bevindingen en eventuele adviezen. Een opmerking vooraf: In het omgevingsplan staat dat het omgevingsplan voor advies aan de veiligheidsregio wordt voorgelegd. Dat is bij mijn weten niet gebeurd. Omgevingsveiligheid In het omgevingsplan dan wel de quickscan Omgevingsveiligheid (behorend bij het omgevingsplan) worden enkele risicobronnen in of nabij het plangebied onderscheiden. Het betreft een aardgasbuisleiding, een risicovol bedrijf en een provinciale weg. Aardgasbuisleiding Een aardgasbuisleiding met een diameter van 114,3mm en een druk van 40 bar loopt door het plangebied. Deze aardbasbuisleiding heeft een brandaandachtsgebied van 45 meter aan weerszijden van de leiding. In de Quickscan Omgevingsveiligheid is een afbeelding van het plangebied opgenomen, waarin te zien is welke woningen in dat plangebied in het brandaandachtsgebied liggen.

Het betreft woningen aan de Wethouder Sandersstraat (daar waar de buisleiding onderdoor loopt), aan de Steenbeekstraat en aan de Poelkampstraat. De nieuw te bouwen woningen zijn kwetsbare gebouwen in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente moet dus motiveren waarom zij de bouw van de woningen nodig acht. Dit wordt gedaan. Afstand houden is vanwege grondeigendom en stedenbouwkundige redenen geen optie, zo wordt gesteld. Daar ben ik het niet geheel mee eens. Het is inderdaad zo dat er al woningen aanwezig zijn, die plaats maken voor nieuwe. Er kan ook voor gekozen worden om juist in het brandaandachtsgebied geen nieuwe woningen te bouwen, maar de gronden onbebouwd te laten. Op die manier wonen er geen mensen en lopen zij ook geen risico. Een tweede reden om de gronden in het brandaandachtsgebied niet te bebouwen, is het feit dat het handelingsperspectief van 29 / 32

de brandweer bij een fakkelbrand heel beperkt is. Vanwege de intense hittestraling van een fakkelbrand kan de brandweer niet dichtbij komen. Zij moet wachten totdat de Gasunie de leiding ingeblokt heeft. De uitstroom van gas eindigt dan, waarna de brandweer dichterbij kan komen. Mijn advies is het onbebouwd laten van de betreffende gronden te overwegen en deze overweging in ieder geval mee te nemen in het omgevingsplan. Afstemming met Gasunie Uit het omgevingsplan c.q. quickscan wordt niet duidelijk in hoeverre er afstemming en overleg is met de Gasunie. Heeft dat in het kader van dit plan plaatsgevonden? En overleg en afstemming met de Gasunie is ook zinvol ten tijde van de bouw en de bijbehorende graafwerkzaamheden. Dit wordt in het omgevingsplan niet als actie beschreven en ik wil adviseren dit op te nemen in het omgevingsplan. Tot slot wordt in het omgevingsplan en quickscan niet duidelijk of de belemmeringszone van 4 meter (zie artikel 5.18 Bkl) in acht wordt genomen. Ik neem aan van wel, maar dan is het wat mij betreft raadzaam dit op te nemen in het omgevingsplan. Risicocommunicatie In de Quickscan Omgevingsveiligheid wordt gesteld dat omdat afstand houden tot de aardgasbuisleiding geen optie is, aanvullende risicocommunicatie tot de mogelijkheden behoort. Dat klopt. Maar er wordt niet aangegeven of dat daadwerkelijk toegepast wordt in Oud Eerbeek.

Ook uit het omgevingsplan zelf blijkt dat niet. Mijn advies is dus om dat wel toe te passen en te verwerken in het omgevingsplan, mogelijkerwijs in samenspraak met de Gasunie. In het bijzonder het vluchten van de aardgasbuisleiding af is een punt dat bij de risicocommunicatie benoemd moet worden. Risicovol bedrijf Gesteld wordt dat Veco B.V., gelegen op circa 800 meter van het plangebied, een Seveso-inrichting is. Dit is echter al een paar jaar niet meer het geval. Navraag bij Omgevingsdienst Veluwe heeft dit ook bevestigd. De inrichting staat ook niet meer als zodanig in Atlas Veiligheid. Het bedrijf is in aantal en volume gevaarlijke stoffen teruggegaan, waardoor ze geen Seveso-inrichting meer zijn. Er worden nog wel wat gevaarlijke stoffen opgeslagen, dus het risico op een gifwolk kan niet geheel uitgesloten worden. Ik wil adviseren de precieze stand van zaken aangaande Veco B.V. nog eens precies na te vragen bij Omgevingsdienst Veluwe.

30 / 32

Provinciale weg Het is niet van invloed op het plangebied, maar goed om te zien dat de provinciale weg N748 aangemerkt wordt als route voor gevaarlijke stoffen, hoewel het niet tot het Basisnet behoort. Brandveiligheid Het betreft de sloop en nieuwbouw van 86 woningen in een bestaande woonwijk. In het omgevingsplan is aangegeven dat aan de wegenstructuur nagenoeg niks wijzigt. Alleen aan de Enkweg komt een wijziging. De ventweg aldaar wordt opgeheven. Getuige de plankaart gaat het dan om een klein stukje parallelweg, ter hoogte van de kruising met de Jan Mankesstraat. Dit heeft geen gevolgen voor de bereikbaarheid van de hulpdiensten. De wegenstructuur verandert niet. In het omgevingsplan wordt niet aangegeven dat de nutsvoorzieningen wijzigen. Dit impliceert dat de waterleidingen blijven zoals ze zijn en dat de aanwezige brandkranen dus ook aanwezig blijven. Als dat inderdaad zo is, dan zijn er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig. Ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid en opstelplaatsen voor de brandweer verwijs ik ook naar de Bruidsschat, waarin deze bepalingen staan. Hoewel het niet tot het omgevingsplan behoort, wil ik wel graag een opmerking plaatsen over de renovatie van de andere woningen. Enige tijd geleden was er een heftige brand in Didam bij gerenoveerde c.q. verduurzaamde woningen.

De brand was heftig en lastig te bestrijden omdat deze in de gebouwschil van de woningen zat. Afgelopen jaren zijn er meer van dergelijke branden geweest. Zie ook Branden in de isolatieschil van verduurzaamde woningen - Nederlands Instituut Publieke Veiligheid. Ik wil dan ook aandacht vragen voor de wijze van renovatie en de brandveiligheidsaspecten daarbij. Klimaatveiligheid Voor VNOG is in het kader van klimaatveiligheid met name natuurbrandbeheersing en waterveiligheid van belang. Natuurbrandbeheersing is in het plangebied niet per se aan de orde. Het enige waar ik aandacht voor wil vragen is dat bij het aanplanten en versterken van het groen loofhout wordt gebruikt, omdat dat minder brandbaar is dan naaldhout. Waterveiligheid heeft betrekking op overstromingsgevaar en wateroverlast. Overstromingsgevaar is in Eerbeek niet aan de orde. Wateroverlast is wel een aandachtspunt. Het weer wordt extremer, waarbij perioden van hitte, droogte en 31 / 32

natheid elkaar afwisselen en de pieken ook groter worden. In het omgevingsplan wordt gesteld dat wanneer een bui groter dan 60 mm is, er vanuit de voorzieningen oppervlakkig wordt afgevoerd naar openbaar terrein. Op openbaar terrein is daar waar mogelijk waterberging aanwezig voor de verharde oppervlakken. Maar wat zegt dit precies? Daarmee is namelijk niet gezegd dat een piek qua neerslag goed opgevangen kan worden. Op de Klimaateffectatlas is te zien dat de straten in het plangebied bij een bui van 140mm in twee uur tijd met een waterdiepte van 20 tot 30 cm te maken kunnen krijgen. Op een enkele plek is dit meer dan 30 cm. Voor de hulpdiensten is het van belang te weten of de wegen begaanbaar blijven voor de brandweervoertuigen en ambulances. Ik wil dan ook aandacht vragen voor waterberging en begaanbaarheid van de wegen. Tot slot Ik hoop je hiermee de nodige input gegeven te hebben en hopelijk zie je kans dit te verwerken in het omgevingsplan Oud Eerbeek. Ik hoor in ieder geval graag wat je met m'n input gedaan hebt. Met vriendelijke groet,

Adviseur Veilige leefomgeving | Ruimtelijke & Industriële Veiligheid | Risico- en crisisbeheersing | www.vnog.nl Postbus 234, 7300 AE Apeldoorn (legitimatie verplicht)

32 / 32

Weging van het Waterbelang Herstructurering Oud Eerbeek te Eerbeek

SAB Arnhem B.V.

1

Weging van het Waterbelang HERSTRUCTURERING OUD EERBEEK TE EERBEEK

SAB Arnhem B.V.

Project

Projectnr.(-doc)

Oud Eerbeek te Eerbeek P24-0880(-003)

Datum

Opgesteld door

Gecontroleerd door

21 januari 2025

Cynthia Kruik

Rogier Hardeman

2

01 INLEIDING 1.1. Aanleiding In het zuiden van de kern Eerbeek (gemeente Brummen) wordt een deel van de huidige bebouwing in Oud Eerbeek gesloopt en wordt nieuwbouw gerealiseerd. De wijzigingen vinden plaats op 4 locaties waarbij onderscheid gemaakt kan worden in het realiseren van woningen of de ontwikkeling van parkeerplaatsen op openbaar terrein. In totaal bedraagt het oppervlak van de ontwikkelingen circa 2,2 ha waarbij circa 80 woningen worden gerealiseerd inclusief bijbehorende infrastructurele en landschappelijke inpassingen en de parkeerplaatsen. Voor het opstellen van het Omgevingsplan heeft SAB Arnhem, BOOT verzocht een weging van het waterbelang op te stellen. In figuur 1-1 zijn de 10 deelgebieden met een rood kader weergegeven en genummerd. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de kern en grenst aan diverse woonstraten welke tevens in figuur 1-1 zijn weergegeven.

1.2. Doel Deze weging van het waterbelang wordt opgesteld om zo de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding.

1.3. Leeswijzer In voorliggende weging van het waterbelang wordt allereerst de huidige situatie binnen het plangebied in beeld gebracht. Hierbij worden de verharde oppervlakken in de huidige en toekomstige situatie bepaald. Daarnaast worden ook de (geo)hydrologische eigenschappen van het plangebied toegelicht. In hoofdstuk 3 volgt een toelichting op het geldende beleid op nationaal-, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk niveau. Hierop volgt een hoofdstuk waarin de toekomstige waterhuishouding in beeld wordt gebracht waarbij aangesloten wordt op het gemeentelijk beleid. Hierin wordt onder andere de watercompensatie bepaald en de wijze van afwatering.

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

Figuur 1-1: Locatie plangebied (bron: GoogleMaps)

3

02 BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1. Huidige inrichting In de huidige situatie is het plangebied voornamelijk ingericht met particuliere percelen. In figuur 2-1 is de inrichting van het plangebied in de huidige situatie weergegeven. De bijbehorende oppervlakken per deelgebied zijn opgenomen in tabel 2-1. Voor de particuliere percelen wordt aangehouden dat deze exclusief bebouwing voor 50% verhard zijn.

Tabel 2-1: Verharde oppervlakken huidige situatie

PERCENTAGE

OPPERVLAK [M²]

VERHARD

DEELGEBIED Bebouwing 100% Perceel 50% Openbare 100% verharding Groen 0% Totaal oppervlak Totaal verhard

1 508 1.738

2 65 342

3 467 1.364

4 139 431

5 745 2.111

65

18

589

-

103

2.311 1.442

2 427 254

238 2.658 1.738

570 355

64 3.023 1.904

PERCENTAGE

OPPERVLAK [M²]

VERHARD

DEELGEBIED Bebouwing 100% Perceel 50% Openbare 100% verharding Groen 0% Totaal oppervlak Totaal verhard

6 1.033 2.962

7 158 405

8 811 1.838

9 763 1.966

10 609 1.210

323

44

113

274

121

4.318 2.837

607 405

91 2.853 1.843

3.003 2.020

1.940 1.335

Figuur 2-1: Overzicht oppervlakken huidige situatie

4

2.2. Toekomstige inrichting Een overzicht van de inrichting in de toekomstige situatie is weergegeven in figuur 2-2. Een overzicht van de bijbehorende oppervlakken is weergegeven in tabel 2-2. Net als in de huidige situatie wordt aangehouden dat de percelen excl. bebouwing voor 50% verhard zijn. Voor de openbare verharding wordt aangehouden dat deze volledig verhard is. Hiermee wordt van de meest ongunstige situatie uitgegaan, wanneer hier halfverharding wordt toegepast is dit positief voor de compensatieopgave.

Tabel 2-2: Verharde oppervlakken toekomstige situatie

PERCENTAGE

OPPERVLAK [M²]

VERHARD

DEELGEBIED Bebouwing 100% Perceel 50% Openbare 100% verharding Parkeren 100% Groen 0% Totaal oppervlak Totaal verhard

1 561 1.105

2 47 367

3 480 1.172

4 -

5 943 1.544

320

13

579

192

418

117 208 2.311 1.551

427 244

122 305 2.658 1.767

302 76 570 494

81 37 3.023 2.214

PERCENTAGE

OPPERVLAK [M²]

VERHARD

DEELGEBIED Bebouwing 100% Perceel 50% Openbare 100% verharding Parkeren 100% Groen 0% Totaal oppervlak Totaal verhard

6 1.156 1.865

7 152 409

8 648 1.483

9 774 1.473

10 509 805

796

46

389

446

261

283 218 4.318 3.168

607 403

121 212 2.853 1.900

241 69 3.003 2.198

296 69 1.940 1.469

2.3. Balans verharde oppervlakken Op basis van de huidige en toekomstige verharde oppervlakken is in tabel 23 het verschil in verharde oppervlakken weergegeven. Hieruit komt naar voren dat, afhankelijk van het deelgebied, er sprake is van een toe- of afname van verhard oppervlak. In totaal neemt met de ontwikkelingen in Oud Eerbeek het verhard oppervlak met 1.271 m² toe. Figuur 2-2: Overzicht oppervlakken toekomstige situatie

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

5

Tabel 2-3: Balans verharde oppervlakken huidige en toekomstige situatie

VERHARD OPPERVLAK [M²] DEELGEBIED Huidig Toekomstig Toename verharding

1 1.442 2.311

2 254 427

3 1.738 2.658

4 356 570

5 1.904 3.023

TOTAAL

109

-11

29

139

311

576

5.693 6.269

VERHARD OPPERVLAK [M²] DEELGEBIED Huidig Toekomstig Toename verharding

6 2.836 3.168

7 405 403

8 1.843 1.900

9 2.023 2.198

10 1.334 1.469

TOTAAL

332

-2

57

175

135

695

8.441 9.136

2.4. Bestaande (geo-)hydrologische gesteldheid 2.4.1. Maaiveldhoogte Eerbeek ligt op de flanken van de Veluwe, waardoor het maaiveld van zuidwestelijke naar noordoostelijke richting afloopt. Ter hoogte van de ontwikkellocaties is het maaiveldhoogteverloop beperkt en is sprake van slechts een licht verloop van NAP +21,6 m naar NAP +20,8 m. Het maaiveldverloop op basis van het AHN4 rondom de ontwikkellocaties is weergegeven in figuur 2-3.

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

Figuur 2-2: Overzicht maaiveldhoogtes ter hoogte van plangebied (bron: AHN4)

2.4.2. Bodemopbouw Regionale bodemopbouw De regionale (diepe) bodemopbouw is bepaald op basis van DINOloket (model REGIS II v2.2). Tot circa 20 m-mv is de Formatie van Boxtel aanwezig. Daaronder is een pakket van gestuwde afzettingen aanwezig die van zuidwest naar noordoost afloopt. Ten noordoosten van het plangebied begint op circa 20 m-mv de Formatie van Kreftenheye. In figuur 2-4 is op basis van het REGIS II model een doorsnede van de regionale bodemopbouw weergegeven.

6

2.4.4. Kwel Op basis van het Landelijk Hydrologisch Model (LHM4.3, NHI) is binnen het plangebied sprake van wegzijging. Dit hangt samen met de situering op de flanken van de Veluwe, op de lagere delen langs de flanken van de Veluwe zal het water dat ter hoogte van het plangebied infiltreert mogelijk als kwel aan het maaiveld komen.

2.4.5. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

2.5. Oppervlaktewater Figuur 2-4: Bodemopbouw op basis van REGIS II v2.2 (bron: Dinoloket)

Lokale bodemopbouw Door De Klinker Milieu Adviesbureau is d.d. 3 april 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter hoogte van het plangebied. Hieruit komt naar voren dat ter hoogte van de deellocaties de bodem bestaat uit een afwisseling van matig fijn en matig grove zandlaag. Afhankelijk van de locatie zijn tot circa 1,0 m-mv humeuze bijmengingen aanwezig. In alle boorprofielen is een zwak (ondiep) tot grof grindige bijmenging aangetroffen.

In figuur 2-5 is een uitsnede van de legger van het waterschap Vallei en Veluwe weergegeven. Hieruit komt naar voren dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Ten zuiden van het plangebied ligt de Eerbeekse Beek, een A-watergang. Deze voert af in noordoostelijke richting. Op circa 300 m afstand van het plangebied is een stuw aanwezig met een drempelpeil van NAP +18,08 m.

Doorlatendheid Binnen het plangebied zijn geen doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Gezien de bodemopbouw wordt geadviseerd zonder het uitvoeren van metingen een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag aan te houden.

2.4.3. Grondwater Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen peilbuizen aanwezig waar de grondwaterstand langdurig en recent is bemeten. Uit het verkennend bodemonderzoek komt naar voren dat ter hoogte van alle deelgebieden het grondwater op meer dan 5 m-mv aanwezig was gedurende het veldwerk. Uit het de LHM4.3 van het NHI komt naar voren dat ter hoogte van het plangebied de GHG op in ieder geval meer dan 4 m-mv aanwezig is.

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

Figuur 2-5: Uitsnede legger Waterschap Vallei en Veluwe (bron: Vallei en Veluwe)

7

2.6. Waterkering Het plangebied ligt niet binnen een kern- of beschermingszone van een primaire of regionale waterkering.

2.7. Klimaateffectatlas In de huidige situatie is op de klimaateffectatlas te zien dat binnen het aangegeven plangebied in figuur 2-6 bij de buien water op straat blijft staan. Dit is echter voornamelijk het geval op openbaar terrein en op de percelen waarbinnen de deelgebieden vallen is hier minder sprake van. Daarnaast lopen in de huidige situatie ook geen stroombanen door de deelgebieden.

Figuur 2-6: Waterdiepte bij hevige bui, 70mm/2 uur (Klimaateffectatlas, 2018)

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

8

2.8. Bestaande riolering In het gedeelte van Oud Eerbeek waar herontwikkeld wordt ligt een gescheiden stelsel. Deze bestaat uit een gemengd stelsel en een hemelwaterstelsel. Het hemelwaterstelsel watert af naar de Eerbeekse Beek aan de zuidzijde van de wijk. Het hemelwaterstelsel heeft een diameter tussen ø250 mm en ø600 mm. Gezien er geen groot uitstroompunt aanwezig lijkt te zijn, wordt verwacht dat dit (gedeeltelijk) een infiltratieriool betreft.

2.9. Het wateradvies Op basis van het wateradvies voldoet een korte procedure. De invoer en het resultaat van het wateradvies staat weergeven in bijlage A.

2.10. Bronnen Bij de voorgaande paragrafen zijn onderstaande bronnen geraadpleegd ten behoeve van de beschrijving van het plangebied:

 Verkennend bodemonderzoek, De Klinker Milieu Adviesbureau, d.d. 3 april 2024;

 Maaiveldhoogtes op basis van het AHN4;  Peilbuisgegevens via Grondwatertools;  Landelijk Hydrologisch Model;  Ondergrondgegevens en -modellen, DINOloket;  Grondwaterbeschermingsgebiedenkaart Provincie;  Legger wateren waterschap Vallei en Veluwe;  Legger waterkeringen waterschap Vallei en Veluwe;  De Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe;  Dataset Stedelijk Water via PDOK;  Het wateradvies.

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

9

03 BELEID 3.1. In het kort Het algemeen waterbeleid dat van toepassing is binnen het plangebied staat beschreven in het Nationaal waterplan, in het Waterbeleid in de 21 e eeuw (WB21) en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van de Rijksoverheid. Daarnaast geldt de ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’ (d.d. 19 december 2018), de Blauwe Omgevingsvisie 2050 van het waterschap Vallei en Veluwe en het programma Water en Riolering 2023-2027 Gemeente Brummen.

3.2. Europees/ nationaal/ provinciaal beleid Op Europees-, nationaal- en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën die zijn vastgelegd in de Nota Ruimte (2006):

 Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren)  Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) De trits voor waterkwantiteit betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Indien vasthouden niet mogelijk is, wordt neerslag geborgen in oppervlaktewater. De trits voor waterkwaliteit houdt in dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van verontreinigingen. Indien schoonhouden niet mogelijk is, worden schone en vervuilende bronnen gescheiden. De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van het Deltaprogramma 2015, schrijft voor dat rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimtelijke omgeving

moeten opnemen in het beleid. Doel van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is het sturen van het veranderingsproces om het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland een vanzelfsprekend onderdeel te maken van ruimtelijke (her)ontwikkeling. Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers mag ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.

3.3. Waterschaps beleid Met ingang van 22 november 2021 is het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 van het waterschap Vallei en Veluwe van kracht. In het Blauw Omgevingsprogramma beschrijft het waterschap wat ze in de planperiode willen bereiken en hoe ze dat wil doen. Verder beschikt waterschap Vallei en Veluwe over een Waterschapsverordening en bijbehorende beleidsregels. Hierin staan de geboden en verboden voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Van alle verboden werken en/of werkzaamheden die niet voldoen aan de criteria van de algemene regels, kan een vergunning worden aangevraagd. Compensatie verhard oppervlak – Waterschap Vallei en Veluwe Het is zonder vergunning van het waterschap verboden om water, afkomstig van een uitbreiding van verhard oppervlak, te lozen op watergangen. Hiervoor geldt voor het brengen van water via nieuw verhard oppervlak buiten de bebouwde kom een vrijstelling van 0,4 ha. Binnen de bebouwde kom geldt een vrijstelling van 0,15 ha. Wanneer sprake is van nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak mag dit geen nadelig effect hebben op het ontvangende watersysteem. Hier wordt in ieder geval aan voldaan wanneer niet meer dan het plaatselijk geldende landelijke afvoer vanuit het plangebied geloosd wordt.

Een T=100 mag geen extra belasting veroorzaken dan in een onverharde situatie het geval is. Dit

10

betekent dat 60 mm berging gerealiseerd dient te worden. De maximale afvoernorm die binnen het plangebied geldt bedraagt 3 l/s.ha.

3.4. Gemeentelijk beleid Vanuit de gemeente Brummen gelden de onderstaande regels voor de verwerking van water op een nieuwbouwlocaties:

 De afvoercapaciteit van de riolering is voldoende om het aanbod

van regenwater bij hevige neerslag te kunnen verwerken, uitgezonderd in bijzondere omstandigheden;  Bij herinrichting of nieuwe aanleg wordt er voldoende waterberging gerealiseerd om een bui van 60 mm te bergen;  Bij herinrichting of nieuwe aanleg wordt de openbare ruimte zo aangelegd, dat er bij hoosbuien geen overlast en schade ontstaat aan gebouwen en/of installaties door water vanaf de openbare ruimte;  Vuilwater wordt zoveel als mogelijk gescheiden van hemelwater ingezameld en gescheiden aangeboden aan de zuivering;  Hemelwater wordt verwerkt zoals voorgeschreven in de voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater (vasthouden, bergen, vertraagd afvoeren). Hierbij gaat de voorkeur uit naar natuurlijke en bovengrondse maatregelen zoals wadi’s. Voor de ontwateringsdiepte worden de onderstaande eisen gesteld:

 Woningen zonder kruipruimte  Woningen met kruipruimte  Tuinen en groenvoorzieningen  Hoofdwegen  Secundaire wegen en woonstraten

0,5 m 0,7 m 0,5 m 1,0 m 0,7 m

11

04 WEGING VAN HET WATERBELANG 4.1. Wateropgave Op basis van de eisen vanuit de gemeente Brummen dient over het nieuwe verhard oppervlak 60 mm waterberging gerealiseerd te worden. Op basis van de eisen vanuit het waterschap Vallei en Veluwe geldt dit alleen over de toename van verhard oppervlak. Binnen de deelgebieden is zowel in de huidige situatie als toekomstige situatie verhard oppervlak aanwezig. Dit betekent dat de eisen vanuit de gemeente Brummen maatgevend zijn. Dit betekent dat verdeeld over de 10 deelgebieden in totaal onderstaande berging gerealiseerd dient te worden:

 15.405 m² * 60 mm = 924 m³

4.2. Waterbergende voorzieningen Binnen de deelgebieden dient voldoende waterberging gerealiseerd te worden. Hierbij wordt per deelgebied onderscheid gemaakt in waterberging op particulier terrein en waterberging op openbaar terrein. Ter hoogte van de meeste nieuw te realiseren percelen grenst geen nieuw te ontwikkelen openbare ruimte waar waterberging gevonden kan worden. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat hemelwater allereerst op particuliere percelen vastgehouden wordt, voordat wordt overgestort naar het openbaar terrein.

4.2.1. Openbaar terrein Het grootste deel van het openbaar terrein binnen de deelgebieden betreft achterpaden en parkeerplaatsen/koffers. De ondergrond in Oud Eerbeek is kansrijk voor berging (door de lage grondwaterstand) en infiltratie (de verwachte hoge infiltratiecapaciteit). Door het ontbreken van openbaar groen is ten behoeve van de nieuwbouw geen ruimte voor het realiseren van oppervlakkige waterbergende voorziening aanwezig. Hierdoor dient waterberging ondergronds gevonden te worden. De maatregelen die op openbaar terrein toegepast kunnen worden zijn onderstaand beschreven en nader gespecificeerd.

Infiltratieriool Door het toepassen van een infiltratieriool kan zowel hemelwater tijdelijk geborgen worden als vertraagd infiltreren in de bodem. Wanneer de bergingscapaciteit onvoldoende is, dan kan middels de aangesloten kolken het water op de laagste locatie uit het stelsel lopen en vervolgens afvoeren naar de gemeentelijke riolering op aangrenzend terrein. In tabel 4-1 is voor enkele permeobuizen de hoeveelheid te realiseren berging per strekkende meter weergegeven. Tabel 4-1: Overzicht berging en infiltratiecapaciteit IT-riool diverse diameters

Berging [m³/m] Infiltratiecapaciteit [m³/m/uur]* Totale verwerkingscapaciteit 1e uur [m³/m]

Ø400 MM 0,13 0,03

Ø600 MM 0,28 0,05

Ø800 MM 0,50 0,07

0,16

0,34

0,57

* Uitgaande van 2/3 van de omtrek van het IT-riool beschikbaar voor infiltratie bij een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag e

Waterbergende fundering In plaats van een standaard fundering kan onder de verhardingen een fundering van bijvoorbeeld gebroken en gewassen hardsteen aangebracht worden. Naast het dragende vermogen voor de bovenliggende verhardingen kan hierin ook tijdelijk water geborgen worden. De gebroken en gewassen hardsteen heeft een porositeit van circa 40% en kan het water tijdelijk vasthouden in de holle ruimten. Na de neerslagsituatie zal het pakket leeglopen in de bodem. Dit pakket kan gevuld worden door kolken die middels een geperforeerde buis door het pakket heen met elkaar in verbinding gezet worden. De berging en infiltratiecapaciteit bij verschillende diktes is weergegeven in tabel 4-2.

12

Tabel 4-1: Overzicht waterbergende fundering

OMSCHRIJVING Bergend vermogen [%] Berging [m³/m²] Infiltrerend oppervlak* [m²/m²] Infiltratie capaciteit** [m³/m²/uur] Totale verwerkingscapaciteit eerste uur [m³/m²/uur]

Tabel 4-3: Afmetingen zakputten

PAKKET 0,5 M

PAKKET 0,75 M

PAKKET 1,0 M

HOOG

HOOG

HOOG

40 0,2

40 0,3

40 0,4

1,17

1,25

1,33

0,05

0,05

0,06

0,25

0,35

0,46

* Hiervoor wordt het bodemoppervlak en het wandoppervlak bij 2/3e vulling aangehouden, tevens wordt uitgegaan van een breedte van het pakket van circa 4 m. ** Gebaseerd op een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag

Zakputten Wanneer de beschikbare ruimte beperkt is kan gekozen worden voor de toepassing van zakputten. Dit zijn geperforeerde putten met een grote diameter, waardoor water tijdelijk geborgen kan worden en na de neerslagsituatie kan infiltreren in de bodem. In tabel 4-3 zijn verschillende opties voor de toepassing van zakputten weergegeven met daarbij aangegeven de bergings- en infiltratiecapaciteit. Gezien de conservatieve aanname van de doorlatendheid, zorgt de omvang van de put voor de meeste berging en heeft infiltratie slechts een kleine invloed. Wanneer de doorlatendheid hoger is, zal de infiltratiecapaciteit flink toenemen.

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

DIEPTE [M] 2 2 2 2 4 4 4 4

DIAMET ER [M]

BERGING [M³]

STATISCHE

INFILTRATIE [M ³/UUR]*

1,0 1,5 2,0 2,5 1,0 1,5 2,0 2,5

1,57 3,53 6,28 9,82 3,14 7,07 12,57 19,63

0,80 1,03 1,27 1,51 2,21 2,71 3,19 3,66

VERWERKINGSCAPACIT EIT 1 UUR [M³/1 UUR] E

E

2,37 4,57 7,55 11,32 5,35 9,78 15,75 23,29

* Uitgaande van een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag

4.2.2. Particulier terrein Het grootste deel van het plangebied betreft particulier terrein. Dit betekent dat de bewoners de voorzieningen zelf dienen te beheren en onderhouden om te waarborgen dat de voorzieningen in stand gehouden blijven. Op particulier terrein is met diverse maatregelen (of combinatie van maatregelen) mogelijk voldoende waterberging te realiseren. De mogelijkheden voor maatregelen op particulier terrein zijn onderstaand beschreven en nader gespecificeerd. Infiltratiekratten Ter hoogte van de particuliere percelen is de doorlatendheid van de ondergrond goed en kan hemelwater geïnfiltreerd worden in de bodem. Door op eigen terrein onder bijvoorbeeld een terras infiltratiekratten aan te brengen met een overloop naar openbaar terrein, kan waterberging gerealiseerd worden. De kratten dienen met een minimale dekking van 0,50 m aangebracht te worden ten behoeve van de draagkracht. In tabel 4-4 is voor kratten met een verschillende hoogte aangegeven hoeveel berging en infiltratiecapaciteit gerealiseerd kan worden.

13

Tabel 4-4: Overzicht berging infiltratiekratten

OMSCHRIJVING

HOOGTE 0,40

HOOGTE 0,60

M

M

HOOGTE 0,80 M

Bergend vermogen [%]

95

Berging [m³/m²] Infiltrerend oppervlak [m²/m²]* Infiltratie capaciteit [m³/m²/uur]** Totale verwerkingscapaciteit eerste uur [m³/m²/1e uur]

0,48

95 0,71

95 0,95

0,13

0,20

0,27

0,01

0,01

0,01

0,48

0,72

0,96

* Hiervoor wordt het wandoppervlak bij 2/3e vulling aangehouden, tevens wordt uitgegaan van een breedte van het pakket van circa 4 m. ** Gebaseerd op een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag

Groene daken Op platte daken en daken met een dakhelling van circa 11º tot 29º kunnen sedumpakketten (specifiek voor schuine daken) worden aangelegd. Hierdoor kan het hemelwater dat op het dak valt vastgehouden worden en hoeft de berging hiervoor niet op het overige deel (maaiveldniveau) van het particulier perceel gevonden te worden. De hoeveelheid berging die op het dak gerealiseerd kan worden is afhankelijk van het type toe te passen dak, de constructie en het type groendak dat wordt toegepast. Regenwaterschutting Tussen de percelen, op de erfscheiding kan een regenwaterschutting worden toegepast door het stapelen van blokken. Deze blokken hebben een afmeting van circa 0,9 m x 0,25 m x 0,9 m en hebben een berging van 0,165 m³ per stuk. Het water van de daken kan afgevoerd worden naar deze blokken, deze kunnen vertraagd leeglopen naar openbaar terrein of het water dat hierin zit kan worden gebruikt om de tuin te bevloeien in tijden van droogte. Om deze regenwaterschutting te kunnen benutten voor waterberging dient gewaarborgd te worden dat de berging in de voorziening beschikbaar is voor de volgende neerslagsituatie.

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

Waterbergende fundering Onder de verharding van bijvoorbeeld de terrassen of de opritten kan in plaats van een standaard fundering een fundering van bijvoorbeeld gebroken en gewassen hardsteen aangebracht worden. Naast het dragende vermogen voor de bovenliggende verhardingen kan ook tijdelijk water geborgen worden. De gebroken en gewassen hardsteen heeft een porositeit van circa 40% en kan het water tijdelijk vasthouden in de holle ruimten. Na de neerslagsituatie zal het pakket leeglopen in de bodem. De berging en infiltratiecapaciteit bij verschillende diktes is weergegeven in tabel 4-5. Tabel 4-5: Overzicht waterbergende fundering

OMSCHRIJVING

PAKKET 0,5 M

PAKKET 0,75 M

PAKKET 1,0 M

HOOG

HOOG

HOOG

40 0,2

40 0,3

40 0,4

1,17

1,25

1,33

0,05

0,05

0,06

0,25

0,35

0,46

Bergend vermogen [%] Berging [m³/m²] Infiltrerend oppervlak* [m²/m²] Infiltratie capaciteit** [m³/m²/uur] Totale verwerkingscapaciteit eerste uur [m³/m²/uur]

* Hiervoor wordt het bodemoppervlak en het wandoppervlak bij 2/3e vulling aangehouden, tevens wordt uitgegaan van een breedte van het pakket van circa 4 m. ** Gebaseerd op een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag

4.3. Maatregelen deelgebied

en

wijze

van

afvoer

per

De watercompensatie wordt voor ieder deelgebied uitgesplitst in benodigde berging op openbaar en particulier terrein, zie tabel 4-6. Voor het realiseren van voldoende waterberging zijn verschillende mogelijkheden. Voor ieder deelgebied wordt onderstaand beknopt toegelicht wat de mogelijkheden zijn voor het realiseren van voldoende berging. Tevens wordt toegelicht op welke wijze het hemelwater naar voorzieningen af kan voeren en op welke wijze de noodoverloop gerealiseerd kan worden. Voor particulier terrein wordt aangehouden dat in principe geen groendak of een regenwaterschutting

14

wordt toegepast. Wanneer deze wel wordt toegepast, dan kan de berging die hierin aanwezig in mindering gebracht worden op de waterbergende voorziening.

Figuur 4-1: Toekomstige inrichting deelgebied 1 en 2

Tabel 4-6: Overzicht benodigde berging per deelgebied

DEELGEBIED Berging openbaar terrein [m³] Berging particulier terrein [m³] Totaal benodigde berging [m³]

DEELGEBIED Berging openbaar terrein [m³] Berging particulier terrein [m³] Totaal benodigde berging [m³]

1 26

2 1

3 42

4 30

5 30

67

14

64

-

103

93

15

106

30

133

6

7

8

9

10

65

3

31

41

33

125

21

83

91

55

190

24

114

132

88

4.3.1. Deelgebied 1 en 2 In figuur 4-1 is de toekomstige inrichting van de deelgebieden 1 en 2 weergegeven. De berging die op openbaar terrein gerealiseerd dient te worden kan ter hoogte van de parkeerkoffer gerealiseerd worden. De parkeerplaatsen en het achterpad zullen afwateren richting de Zonnebloemstraat. Voor het realiseren van voldoende berging zijn voor het openbaar terrein de opties mogelijk zoals weergegeven in tabel 4-6.

Tabel 4-6: Maatregelen openbaar terrein deelgebied 1 en 2

MAATREGELEN Infiltratieriool Zakputten

Waterbergende fundering

OMVANG

60 m ø800 mm onder rijbaan 3 x put 4 m hoog, diameter 1,5 m 120 m² 0,50 m hoog onder parkeerplaatsen

BERGING

TEKORT

30 m³

-4 m³

34 m³ 29 m³

8 m³ -3 m³

Op particulierterrein kan waterberging gerealiseerd worden in infiltratiekratten of waterbergende fundering. Op basis van 10 nieuw te realiseren woningen dient gemiddeld circa 10 m³ berging per perceel gevonden te worden. Bij de nadere uitwerking dient dit exact bepaald te worden per woning. Voor de toepassing van de benodigde voorzieningen kan een keuze gemaakt worden uit:

 Circa 10 m² kratten met een hoogte van 0,80 m  Circa 22 m² waterbergende fundering met een hoogte van 1,0 m

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

15

4.3.2. Deelgebied 3 In figuur 4-2 is de toekomstige inrichting van deelgebied 3 weergegeven. De berging die op openbaar terrein gerealiseerd dient te worden kan ter hoogte van de parkeerkoffer en de rijbaan gerealiseerd worden. Het achterpad dat georiënteerd is naar de Jan Mankesstraat, zal daar naartoe afwateren. Voor het realiseren van voldoende berging zijn voor het openbaar terrein de opties mogelijk zoals weergegeven in tabel 4-7. Figuur 4-2: Toekomstige inrichting deelgebied 3

worden per woning. Voor de toepassing van de benodigde voorzieningen kan een keuze gemaakt worden uit:

 Circa 8 m² kratten met een hoogte van 0,80 m  Circa 18 m² waterbergende fundering met een hoogte van 1,0 m 4.3.3. Deelgebied 4 In figuur 4-3 is de toekomstige inrichting van deelgebied 4 weergegeven. Dit deelgebied betreft alleen openbaar terrein en de berging kan hier onder de verharding gerealiseerd worden. Voor het realiseren van voldoende berging zijn voor het openbaar terrein de opties mogelijk zoals weergegeven in tabel 4-8. Figuur 4-3: Toekomstige inrichting deelgebied 4

Tabel 4-7: Maatregelen openbaar terrein deelgebied 1 en 2

MAATREGELEN Infiltratieriool Zakputten

Waterbergende fundering

OMVANG

25 m ø800 mm onder rijbaan 6 x put 2 m hoog, diameter 2,0 m 180 m² 0,50 m hoog onder rijbaan parkeerplaatsen en parkeerplaatsen

BERGING

TEKORT

45 m³

-3 m³

14 m³ 45 m³

30 m³ -3 m³

Op particulierterrein kan waterberging gerealiseerd worden in infiltratiekratten of waterbergende fundering. Op basis van 8 nieuw te realiseren woningen dient gemiddeld circa 8 m³ berging per perceel gevonden te worden. Bij de nadere uitwerking dient dit exact bepaald te

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

Tabel 4-8: Maatregelen openbaar terrein deelgebied 4

MAATREGELEN Infiltratieriool Zakputten

Waterbergende fundering

OMVANG

25 m ø800 mm onder rijbaan 3 x put 4 m hoog, diameter 1,5 m 140 m² 0,50 m hoog onder parkeerplaatsen aan één zijde

BERGING

TEKORT

35 m³

-5 m³

14 m³ 29 m³

16 m³ 0 m³

16

4.3.4. Deelgebied 5 In figuur 4-4 is de toekomstige inrichting van deelgebied 5 weergegeven. De openbare ruimte is slechts beperkt, waardoor ook beperkt berging gerealiseerd kan worden. De achterpaden dienen waar mogelijk af te wateren richting de Enkweg. Hier kan onder de parkeervakken waterberging gerealiseerd worden. De mogelijkheden voor berging op openbaar terrein zijn weergegeven in tabel 4-9. Figuur 4-4: Toekomstige inrichting deelgebied 5

Tabel 4-9: Maatregelen openbaar terrein deelgebied 5

MAATREGELEN Infiltratieriool Zakputten

Waterbergende fundering

OMVANG

20 m ø800 mm onder rijbaan 3 x put 4 m hoog, diameter 1,5 m 80 m² 0,75 m hoog onder parkeerplaatsen aan één zijde

BERGING

TEKORT

28 m³

2 m³

11 m³ 29 m³

19 m³ 1 m³

Op particulierterrein kan waterberging gerealiseerd worden in infiltratiekratten of waterbergende fundering. Op basis van 15 nieuw te realiseren woningen dient gemiddeld circa 7 m³ berging per perceel gevonden te worden. Bij de nadere uitwerking dient dit exact bepaald te worden per woning. Voor de toepassing van de benodigde voorzieningen kan een keuze gemaakt worden uit:

 Circa 7 m² kratten met een hoogte van 0,80 m  Circa 15 m² waterbergende fundering met een hoogte van 1,0 m 4.3.5. Deelgebied 6 In figuur 4-5 is de toekomstige inrichting van deelgebied 6 weergegeven. Centraal in dit deelgebied is openbare ruimte aanwezig. De openbare verharding dient zoveel mogelijk af te wateren naar deze parkeerkoffer. Onder de parkeervakken kan waterberging gerealiseerd worden. De mogelijkheden voor berging op openbaar terrein zijn weergegeven in tabel 4-10. Tabel 4-10: Maatregelen openbaar terrein deelgebied 6

MAATREGELEN Infiltratieriool Zakputten

Waterbergende fundering

Oud Eerbeek te Eerbeek – SAB Arnhem B.V.

OMVANG

30 m ø800 mm onder rijbaan 4 x put 4 m hoog, diameter 2,0 m 260 m² 0,75 m hoog onder parkeerplaatsen aan één zijde

BERGING

TEKORT

65 m³

0 m³

17 m³ 63 m³

48 m³ 2 m³

17

Figuur 4-5: Toekomstige inrichting deelgebied 6

gerealiseerd dient te worden weergegeven in tabel 4-11.

zijn de mogelijkheden voor

berging

Tabel 4-11: Maatregelen openbaar terrein deelgebied 7 en 8

MAATREGELEN Infiltratieriool Zakputten

Waterbergende fundering

OMVANG

25 m ø800 mm onder rijbaan 2 x put 4 m hoog, diameter 2,0 m 110 m² 0,75 m hoog onder parkeerplaatsen

BERGING

TEKORT

38 m³

-5 m³

14 m³ 32 m³

18 m³ 0 m³

Figuur 4-6: Toekomstige inrichting deelgebied 7 en 8

Op particulierterrein kan waterberging gerealiseerd worden in infiltratiekratten of waterbergende fundering. Op basis van 17 nieuw te realiseren woningen dient gemiddeld circa 7,5 m³ berging per perceel gevonden te worden. Bij de nadere uitwerking dient dit exact bepaald te worden per woning. Voor de toepassing van de benodigde voorzieningen kan een keuze gemaakt worden uit:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16419156/2