(072) Motivering TAM-Omgevingsplan
Tekst van het document
De risicogebieden zijn hiervoor in beeld gebracht en maatregelen worden genomen waar deze doelmatig zijn. Veelal betekent dit dat pas maatregelen genomen worden als er ook andere maatregelen in de openbare ruimte plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld bij vervanging van de riolering en aanleg van regenwaterriolen. Naast grondwateroverlast krijgt de gemeente ook steeds meer te maken met de gevolgen van verdroging en lage grondwaterstanden. Voor onder andere droogtebestrijding dient bij alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten, ook in het buitengebied, water vastgehouden en geïnfiltreerd te worden.
6.2
Wateraspecten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
29
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.3
Watertoetsproces en waterhuishouding besluitgebied Voorliggend project voorziet in de herontwikkeling van een woongebied. Om de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding is een weging van het waterbelang 3 opgesteld. In de weging van het waterbelang wordt allereerst de huidige en toekomstige situatie binnen de besluitgebieden in beeld gebracht. Hierbij worden de verharde oppervlakken in de huidige en toekomstige situatie bepaald. Daarnaast worden ook de (geo)hydrologische eigenschappen van de besluitgebieden toegelicht. Vervolgens wordt de toekomstige waterhuishouding in beeld gebracht waarbij aangesloten wordt op het geldende beleid om de watercompensatie en de wijze van afwatering te bepalen. De resultaten worden hieronder besproken. In het rapport is het plangebied opgedeeld in 10 deelgebieden, welke in onderstaande afbeelding zijn aangeduid.
Ligging deelgebieden
3
BOOT (2025). Weging van het waterbelang, Herstructurering Oud Eerbeek te Eerbeek. Projectnummer: P24-0880(-003), 21 januari 2025.
30
Huidige en toekomstige situatie De onderstaande tabel geeft een overzicht van de (verharde) oppervlakten binnen het besluitgebied in de huidige situatie.
Verharde oppervlakken huidige situatie
En de volgende tabel geeft een overzicht van de (verharde) oppervlakten binnen het besluitgebied in de toekomstige situatie. Net als in de huidige situatie wordt aangehouden dat de percelen excl. bebouwing voor 50% verhard zijn. Voor de openbare verharding wordt aangehouden dat deze volledig verhard is. Hiermee wordt van de meest ongunstige situatie uitgegaan, wanneer hier halfverharding wordt toegepast is dit positief voor de compensatieopgave.
31
Verharde oppervlakken toekomstige situatie
Op basis van de huidige en toekomstige oppervlakken, neemt met de ontwikkelingen in Oud Eerbeek het verhard oppervlak met 1.271 m² toe. Afhankelijk van het deelgebied is er sprake van een toe- of afname van verhard oppervlak. Weging van het waterbelang Wateropgave Op basis van de eisen vanuit de gemeente Brummen dient over het nieuwe verhard oppervlak 60 mm waterberging gerealiseerd te worden. Op basis van de eisen vanuit het waterschap Vallei en Veluwe geldt dit alleen over de toename van verhard oppervlak. Binnen de deelgebieden is zowel in de huidige situatie als toekomstige situatie verhard oppervlak aanwezig. Dit betekent dat de eisen vanuit de gemeente Brummen maatgevend zijn. Dit betekent dat verdeeld over de 10 deelgebieden in totaal onderstaande berging gerealiseerd dient te worden: − 15.405 m² * 60 mm = 924 m³ Watercompensatie Binnen de deelgebieden dient voldoende waterberging gerealiseerd te worden. Hierbij wordt per deelgebied onderscheid gemaakt in waterberging op particulier terrein en waterberging op openbaar terrein. Ter hoogte van de meeste nieuw te realiseren percelen grenst geen nieuw te ontwikkelen openbare ruimte waar waterberging gevonden kan worden. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat hemelwater allereerst op particuliere percelen vastgehouden wordt, voordat wordt overgestort naar het openbaar terrein.
32
Benodigde berging per deelgebied
Het grootste deel van het openbaar terrein binnen de deelgebieden betreft achterpaden en parkeerplaatsen/koffers. De ondergrond in Oud Eerbeek is kansrijk voor berging (door de lage grondwaterstand) en infiltratie (de verwachte hoge infiltratiecapaciteit). Door het ontbreken van openbaar groen is ten behoeve van de nieuwbouw geen ruimte voor het realiseren van oppervlakkige waterbergende voorziening aanwezig. Hierdoor dient waterberging ondergronds gevonden te worden. De maatregelen die op openbaar terrein toegepast kunnen worden zijn: − infiltratieriool; − waterbergende fundering; − zakputten. In het rapport is dit per maatregel verder gespecificeerd. Het grootste deel van het plangebied betreft particulier terrein. Dit betekent dat de bewoners de voorzieningen zelf dienen te beheren en onderhouden om te waarborgen dat de voorzieningen in stand gehouden blijven. Op particulier terrein is met diverse maatregelen (of combinatie van maatregelen) mogelijk voldoende waterberging te realiseren. De mogelijkheden voor maatregelen op particulier terrein zijn: − infiltratiekratten; − groene daken; − regenwaterschutting; − waterbergende fundering. In het rapport is dit per maatregel verder gespecificeerd. Daarnaast is per deelgebied inzichtelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn om in de benodigde watercompensatie te voorzien.
Wijze van afwatering Hemelwater dient allereerst zoveel mogelijk op de particuliere percelen verwerkt te worden. Wanneer een bui groter is dan 60 mm wordt vanuit de voorzieningen oppervlakkig afgevoerd naar openbaar terrein. Op openbaar terrein is daar waar mogelijk waterberging aanwezig voor de verharde oppervlakken. Daar waar een achterpad afwatert naar bestaand openbaar terrein, zullen de kolken direct aangesloten worden op de bestaande riolering. Ter hoogte van parkeerkoffers wordt een 33
waterbergende voorziening gerealiseerd. Afhankelijk van het type voorziening wordt de afvoer gerealiseerd. Hoogstwaarschijnlijk zal dit in alle gevallen middels kolken gaan. Wanneer de waterbergende voorzieningen op openbaar terrein volledig gevuld zijn, zal het hemelwater oppervlakkig overlopen naar kolken aangesloten op het bestaande stelsel. Door de goede doorlatendheid en de lage grondwaterstand kan na de neerslagsituatie het hemelwater vanuit de voorzieningen infiltreren in de ondergrond. In de berekeningen is nu een conservatieve doorlatendheid van 1 m/dag aangehouden. Middels doorlatendheidsmetingen kan dit mogelijk bijgesteld worden, wat ten goede komt aan de omvang van de voorzieningen. Meekoppelkansen Om binnen het plangebied klimaatadaptieve kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit kunnen onderstaande meekoppelkansen toegepast worden: − biodiverse beplanting toepassen in de groenvoorzieningen; − realiseren van flora- en faunavoorzieningen; − realiseren van schaduw door het aanplanten van bomen in het plangebied; − realiseren van groenparkeervakken of half verharde parkeervakken. Waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn water (KRW), de Nota Waterhuishouding (NW4) en de Wet Natuurbescherming stellen eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Schoon water draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, ook voor ruimtelijke plannen is waterkwaliteit daarom een aandachtspunt. Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt geadviseerd het gebruik van uitlogende bouwmaterialen te voorkomen conform beleid gemeente en waterschap. Grondwater Vanuit het beleid van de gemeente Brummen worden eisen gesteld aan de minimale ontwatering. Gezien de grondwaterstand dieper dan 4 m-mv aanwezig is, zijn deze eisen niet van toepassing. Om te zorgen dat gedurende hevige neerslagsituaties geen wateroverlast optreedt, wordt geadviseerd de (achter)paden hoger te leggen dan de aanliggende rijbanen, zodat hemelwater oppervlakkig af kan stromen richting de bestaande openbare rijbanen. Vuilwater In de huidige situatie zijn binnen het plangebied ook woningen aanwezig. Het vuilwater van de nieuw te realiseren woningen dient aangesloten te worden op de bestaande gemeentelijke riolering. Oppervlakte water Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het hemelwater van de nieuwe verharde oppervlakken wordt volledig binnen de ontwikkelingen vastgehouden, waardoor er geen sprake is van een toename in hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater.
34
Waterveiligheid Het plan ligt niet binnen de beschermingszone van een primaire waterkering.
6.4
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect water.
35
7 Beschermen van de gezondheid en het milieu 7.1
Geluid
7.1.1
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Bkl. Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Bkl. Grenswaarde in Lden (dB)
Geluidbronsoorten
Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en
Standaardwaarde in Lden (dB)
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen
aanpassing bron
50
60
65
53
70
70
55
65
70
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
Aanleg of
waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de
36
standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. 7.1.2
Motivering Geluid door wegen In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer. Daarom is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer4 uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de wegen Coldenhovenseweg, Wethouder Sandersstraat, Ruijgenbosweg, Willem de Merodestraat, Steenbeekstraat, Dahliastraat, Enkweg, Het Haagje, Jan Mankesstraat, Kerkpad, Kloosterstraat, Poelkampstraat, Rozenstraat, Vondellaan, Volmolenweg en de Zonnebloemstraat meegenomen. Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden enkel overschreden aan de noordzijde van bouwvlak Q, welke aan de Wethouder Sandersstraat en aan de Poelkampstraat is gelegen. Voor alle overige bouwvlakken wordt voldaan aan de standaardwaarde en zijn er op voorhand geen belemmeringen. De grenswaarde wordt in totaliteit niet overschreden. Uit onderzoek is gebleken dat de Wethouder Sandersstraat maatgevend is voor de overschrijding op bouwvlak Q, dus deze weg is nader onderzocht. De overschrijding vindt plaats voor de (beoogde) woning direct grenzend aan de Wethouder Sandersstraat (toekomstige zijgevel). Voor alle overige gevels van bouwvlak Q wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden. Hierdoor zijn geluidluwe gevels gewaarborgd.
4
SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Oud Eerbeek, Eerbeek. Projectnummer: 230431. 16 september 2025.
37
Maatregelenafweging Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en mogelijk financiële aard. Een mogelijkheid bestaat om de gehele noordgevel als niet geluidgevoelig (zonder te openen ramen en/of deuren) uit te voeren. Het kan ook zijn dat een niet geluidgevoelige ruimte aan de noordzijde van de woning wordt gerealiseerd. Dat kan bijvoorbeeld een traphuis zijn. Toetsing aan een niet geluidgevoelige gevel is niet noodzakelijk ter toetsing aan de standaardwaarde op de gevel. Een overschrijding is dan niet meer van toepassing. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Er wordt verwezen naar de memo bij het wijzigingsbesluit van voorliggend omgevingsplan aangaande milieubelastende activiteiten 5 om inzicht te krijgen in de gezamenlijke en gecumuleerde geluidbelasting. Deze memo bevat de waarden voor geluid vanwege een naastgelegen gezoneerd industrieterrein en de gezamenlijke en gecumuleerde waarden. Op basis van de gezamenlijke waarden dient de binnenwaarde van 33 dB uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) te worden gewaarborgd met eventuele nadere gevelmaatregelen volgend uit een akoestisch onderzoek geluidwering gevels. Geluid door activiteiten Voorliggende herontwikkeling betreft de sloop- en nieuwbouw van 86 woningen. Hierbij worden geen nieuwe hinderveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt.
Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een gebied dat hoofdzakelijk bestaat uit de woonfunctie. Wel is een groot deel van het besluitgebied gelegen binnen een ‘geluidzone - industrie’. Binnen de ‘geluidzone - industrie’ geldt dat er alleen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) gerealiseerd mogen worden als wordt voldaan aan de voorkeurswaarde of een verkregen hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder. Dit geldt voor bijna alle bouwvlakken van het besluitgebied behalve de noordelijkste bouwvlakken nabij de Rozenstraat. In een memo milieubelastende activiteiten zijn daarom geluidberekeningen uitgevoerd 6. Hieruit volgen onderstaande conclusies. − Langtijdgemiddelde: Uit de berekening blijkt dat als gevolg van het industrieterrein overschrijdingen zijn van de voorkeurgrenswaarde. De hoogst geluidbelasting bedraagt 54 dB Letmaal op de noordelijke gevel. De voorkeurgrenswaarde wordt overschreden, maar niet de maximale toelaatbare waarde. Er wordt daarom op voorhand niet voldaan aan de Wgh. Maatregelen dienen onderzocht te worden. Om te kunnen beoordelen of bronmaatregelen benodigd zijn, is het van belang om te beschikken over de resultaten en de maatgevende bronnen. Deze zijn voor SAB niet beschikbaar. Eventuele bronmaatregelen dienen te worden overwogen door de zonebeheerder.
Zeer waarschijnlijk zullen bronmaatregelen de bedrijfsvoering significant beperken. Er wordt ervan uitgegaan dat bronmaatregelen niet mogelijk zijn. Het is 5
6
SAB (2025). Memo milieubelastende activiteiten, Vernieuwing woonwijk Oud Eerbeek, Eerbeek. Projectrnummer: 230431. 17 september 2025. SAB adviseurs (2025). Memo milieubelastende activiteiten, vernieuwing woonwijk Oud Eerbeek. Projectnummer: 230431. 17 september 2025.
38
van belang om aan te merken dat elke woning een geluidluwe gevel kent. Een hogere grenswaarde-procedure dient te worden doorlopen voor de woningen op de plaats van onderstaande toetspunten.
− Maximale geluidniveaus: De hoogste waarden bedragen 62 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 53 dB(A) in de nachtperiode. Deze waarden voldoen derhalve aan het gehanteerde toetsingskader. Maximale geluidniveaus vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. − Gecumuleerd geluid (met geluidbron wegverkeer): De hoogste gecumuleerde geluidbelasting is op bouwvlak M waargenomen met 57 dB. Het is aan bevoegd gezag te beoordelen of deze waarden aanvaardbaar zijn. − Gezamenlijk geluid (met geluidbronsoort wegverkeer): De hoogste gezamenlijke geluidbelasting op bouwvlak Q bedraagt 55 dB. Voor de woningen van toetspunten G2, G3, H2, H3, J2, J3, K2, K3, M1, M2, M3 en Q6 geldt dat niet op voorhand wordt voldaan aan een goed binnenklimaat. Voor de aldaar geprojecteerde woningen is onderzoek benodigd naar de geluidwering van de gevels. − Hogere waarden om op te nemen in het Omgevingsplan: Op basis van artikelen 5.78u en 5.78ad van het Bkl dienen waarden te worden vastgelegd in het omgevingsplan indien een overschrijding van de standaardwaarde vanuit één geluidbronsoort gepaard gaat met het op voorhand niet voldoen aan de minimumeis voor de geluidwering van de gevels (20 dB – artikel 4.102 Besluit bouwwerken leefomgeving). Bij voorliggend project geldt deze bovenstaande constatering voor de twee volgende bouwvlakken:
7.1.3
Conclusie In de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan is gewaarborgd dat de betreffende gevel in bouwvlak Q moet worden uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevel, of dat achter deze gevel moet worden voorzien in een ruimte die niet geluidgevoelig is. Daarnaast zal de benodigde hogere waarden procedure vanwege geluid door activiteiten worden doorlopen. En is in het omgevingsplan een hoger gezamenlijk geluid toegestaan voor bouwvlak M en Q. De gecumuleerde geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht. De gemeente Brummen heeft geen beleid vastgesteld over de aanvaardbaarheid. Een geluidbelasting tussen de 50 en 57 dB wordt doorgaans gekwalificeerd als redelijk tot matig. Aangezien het gaat om een herstructurering waarbij er geen woningen worden toegevoegd, er geen maatregelen mogelijk zijn om het cumulatieve geluid te reduceren en er wel maatregelen zullen worden
39
getroffen aan de gevels van de woningen zodat er kan worden voldaan aan de eisen voor het binnenniveau (op basis van een nog uit te voeren gevelweringonderzoek en toets aan het Bbl), wordt deze kwalificatie aanvaardbaar geacht. Hiermee voldoet het besluit aan de kaders voor het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; − beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; − evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; − duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: − Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. − Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. − Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. − Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 40
7.2.2
Motivering Ter plaatse van het besluitgebied is een verkennend bodemonderzoek7 uitgevoerd. Hieruit volgt dat de bodem overwegend bestaat uit matig fijn tot matig grove zandlagen. Het zand is in de bovengrond humeuzig. De grond is verder plaatselijk zwak tot sterk roesthoudend. Ook zijn in de bovengrond plaatselijk verhoogde gehalten aan kwik, lood, PAK (10 VROM) en PCB aangetroffen. Deze verhoogde gehalten zijn echter van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien. Ten slotte geldt voor het volledige besluitgebied dat het grondwaterniveau zich dieper dan 5 meter onder maaiveld bevindt, waardoor een grondwateronderzoek niet aan de orde is. Ter hoogte van de Steenbeekstraat (tussen de woningen 7 en 9) is een achterpad gelegen welke verhard is met grind en puinachtig materiaal. Op zintuiglijke wijze is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld ter plekke waargenomen. Bij een herinrichting van het terreindeel wordt geadviseerd om ter plaatse een asbest in puinonderzoek conform NEN 5897 uit te voeren. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik.
7.2.3
Conclusie Voorafgaand aan een eventuele herinrichting van het achterpad ter hoogte van de Steenbeekstraat zal een asbest in puinonderzoek uitgevoerd worden. Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect bodemkwaliteit.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM2,5 en PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de
7
De Klinker (2024). Verkennend bodemonderzoek Eerbeek, Oud Eerbeek. Rapportnummer: K2320326. 3 april 2024.
41
omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM2,5 en PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM).
In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg. Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 7.3.2
Motivering Het besluitgebied ligt niet in een aandachtsgebied en er is geen sprake van één van de activiteiten die op basis van het Bkl altijd getoetst moeten worden. In het kader van ETFAL is het aspect luchtkwaliteit alsnog beoordeeld. De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen project zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
42
Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het project (meetpunt Harderwijkerweg) sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de navolgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
EU-Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
12,9 µg/m3
7,6 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
18,7 µg/m3
15,3 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
9,8 µg/m3
9,0 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 7.3.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: − Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); − Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); − Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); − Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par.
22.3.6.5 Bruidsschat).
43
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: − Geurnormen in het omgevingsplan; − Rekenen; − Afstandseisen; − Randvoorwaarden. 7.4.2
Motivering Geur veehouderijen Aan de noord- en westzijde van de kern Eerbeek bevinden zich enkele geurveroorzakende activiteiten in de vorm van veehouderijen. Geacht wordt dat er voldoende afstand is tussen het besluitgebied en deze veehouderijen. Daarbij komt dat er reeds woningen aanwezig zijn tussen het besluitgebied en de veehouderijen. Ten slotte voorziet de ontwikkeling niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. Geur industrie Het besluitgebied is op basis van het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan gelegen binnen de ‘milieuzone - geurzone 1’ en de ‘milieuzone - geurzone 2’ van de nabijgelegen papierfabrieken. In een memo milieubelastende activiteiten 8 wordt hier nader op ingegaan. De ontwikkeling ligt binnen twee verschillende geurzones die betrekking hebben tot twee papierenfabrieken. Vanuit het omgevingsplan is vervangende nieuwbouw mogelijk indien maatregelen worden getroffen om de geuroverlast te beperken. Uit het geuronderzoek van 2016 zijn drie scenario’s onderzocht om de geurhinder te verminderen bij de bron: − nageschakelde technieken, − schoorsteenverhoging en − maximale schoorsteenverhoging. 8
SAB adviseurs (2025). Memo milieubelastende activiteiten, vernieuwing woonwijk Oud Eerbeek. Projectnummer: 230431. 17 september 2025.
44
De contouren voor deze bedrijven worden met deze maatregelen kleiner dan zonder maatregelen. In het tijdelijk omgevingsplan zijn de contouren zonder toepassing van maatregelen opgenomen. Er wordt voorgesteld om boven op de bronmaatregelen ook ontvangersmaatregelen toe te passen in de vorm van bijvoorbeeld geavanceerde ventilatiesystemen in de woningen. Op deze manier kan een acceptabel binnenklimaat gerealiseerd worden. De specifieke invulling van deze maatregelen wordt in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouwwerkzaamheden inzichtelijk gemaakt. Er is hier sprake van vervangende nieuwbouw en er worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Doordat er sprake is van een bestaande woonomgeving, is er ook sprake van een acceptabel woonklimaat. Daardoor is er sprake van een zorgvuldige afweging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 7.4.3
Conclusie Bij de bouw van de woningen zullen ontvangersmaatregelen worden toegepast. Het besluit voldoet hiermee aan de kaders voor het aspect geur.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
45
7.5.2
Motivering In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om die reden is een nadere beschouwing van dit aspect niet aan de orde.
7.5.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect trillingen.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van het wijzigingsbesluit is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
7.6.2
Motivering In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat, met inachtneming van de technische maatregelen van woningen in de geluidzone en geurzone van de papierfabriek (zie paragraaf 7.4 en 7.1), in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Verder is in de ontwikkeling ruimte gereserveerd voor het inpassen en realiseren van nieuw groen. Dit zorgt ervoor dat de toekomstige bewoners en bezoekers kunnen verblijven in een prettige omgeving. Dit draagt op een positieve manier bij aan de mentale gezondheid van de bewoners en bezoekers en het tegengaan van hittestress. Daarnaast wordt de openbare ruimte goed toegankelijk voor wandelaars middels prettige en veilige stoepen die aansluiten op het bestaande netwerk. Op deze manier wordt bewegen gestimuleerd en wordt ook een bijdrage geleverd aan gezondheidsbevordering. 46
7.6.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
7.7
Klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.
Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede 47
Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving.
Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. − In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1 Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
2 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
48
b waterveiligheid; c wateroverlast; d droogte; en e hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. 7.7.2
Motivering In voorliggende situatie worden verouderde, niet duurzame woningen in de kern van Eerbeek herontwikkeld naar duurzame, moderne woningen. De woningen worden aardgasloos ontwikkeld en er worden zoveel mogelijk duurzame materialen gebruikt. Er is ruimte gereserveerd voor openbaar groen en bestaande groenstructuren worden versterkt en uitgebreid. Verder wordt verharding alleen toegepast waar dat nodig is. Er wordt bijvoorbeeld zoveel mogelijk halfverharding toegepast bij de nieuwe parkeerkoffers. Dit heeft een positief effect op het bestrijden van hitte en het bieden van extra mogelijkheden voor hemelwaterinfiltratie. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met klimaatadaptie.
7.7.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.
49
8 Bescherming van de natuur 8.1
Algemeen
8.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
8.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied 50
plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
8.2
Toetsing
8.2.1
Quickscan natuurwaarden Voor de ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden9 uitgevoerd. Er is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Soortenbescherming Jaarrond beschermde broedvogels Het grootste gedeelte van de woningen die behoren tot de planlocatie zijn in principe geschikt als nestlocatie voor de huismus en gierzwaluw. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus en/of gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soorten. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd en de bebouwing buiten het broedseizoen wordt gesloopt, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden.
Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden en de bebouwing binnen het broedseizoen wordt gesloopt, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen
9
Econsultancy (2024). Quickscan natuurwaarden. Diverse straten, Eerbeek. Rapportnummer: 24561.001. 17 december 2024.
51
binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Vleermuizen Alle woningen die behoren tot de planlocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en incidentele reptielen Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken.
Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Het is in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van het groen in de tuinen en het bouwrijp maken van de planlocatie dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september en oktober. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Daarnaast is het mogelijk dat er incidenteel een migrerende hazelworm of levendbarende hagedis zich over de onderzoekslocatie verplaatst. Aangezien er geen beschermde functies van deze reptielen op de planlocatie aanwezig zijn en het hier enkel om incidenteel aanwezige individuen gaat, zijn er naast het toepassen van de zorgplicht geen aanvullende maatregelen vereist voor deze reptielen.
Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor deze incidenteel aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Wanneer er tijdens de werkzaamheden een reptiel wordt aangetroffen, moet deze de gelegenheid krijgen om veilig de planlocatie te verlaten.
52
Overige soortgroepen Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de sloop- en nieuwbouw werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunning-plicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Beschermde houtopstanden De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag.
De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in Artikel 11.111 (Bal). De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreffen een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. 8.2.2
Onderzoek stikstofdepositie De Natura 2000-gebieden Veluwe, Landgoederen Brummen en Rijntakken liggen in de buurt van het besluitgebied. Door de nabijheidvan de Natura 2000-gebieden en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen, behalve een toename van verzuring en vermesting van het Natura 2000-gebied, op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie10 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen voor de aanlegfase een grootste toename van 0,35 mol stikstof/ha/j op 7.559,63 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de voormalige Wet Natuurbescherming relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Er is sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In de projectsituatie is een toename niet gewenst. Er dient op dat moment (als de inzet van het materieel inzichtelijk is) mogelijk een ecologische voortoets te worden verricht. 10
SAB (2025). Onderzoek stikstofdepositie. Eerbeek, Oud Eerbeek. Projectnummer: 230431. 15 september 2025.
53
In de gebruiksfase zal er een significante afname zijn van stikstof. Dit komt door het van het gas halen van 86 woningen. De enige depositie wordt veroorzaakt door het verkeer. Het verkeer zal door de beoogde ontwikkeling niet toenemen. Er zal dus een afname zijn van 96,8 kg NOx. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. 8.2.3
Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland De provincie Gelderland heeft voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland vastgesteld, welke vanaf 23 april 2025 gelden in aanvulling op de regels van de Omgevingsverordening Gelderland. Hierin is geregeld dat het in en rondom Natura 2000-gebied Veluwe verboden is om zonder omgevingsvergunning een nieuwe activiteit met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur te verrichten of een bestaande activiteit uit te breiden. In afwijking hiervan geldt voor onder andere tijdelijke activiteiten (gedurende maximaal 18 maanden) een meldingsplicht. Het besluitgebied ligt gedeeltelijk in het beperkingengebied. Met het voorliggende plan worden alleen tijdelijke nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt, namelijk de sloop- en bouwwerkzaamheden. Voorafgaand aan deze werkzaamheden zal een melding worden gedaan.
8.2.4
Aanvullend ecologisch onderzoek Door Econsultancy is een aanvullend ecologisch onderzoek 11 uitgevoerd naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. In totaal zijn er in de bebouwing die tot de planlocatie behoord 35 nestlocaties van huismussen, 29 nestlocaties van gierzwaluwen, 11 zomerverblijfplaatsen en vier paar-/zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en negen zomerverblijfplaatsen van laatvliegers aangetroffen. Naast de nestlocaties van huismussen zijn er ook andere belangrijke functies aangetroffen op de onderzoekslocatie die essentieel zijn voor de instandhouding van de lokale populatie van deze soort. Zo zijn er een vijftal ‘kwetterbosjes’ van de huismus aangetroffen op de onderzoekslocatie. De geplande werkzaamheden aan de 86 woningen en het aanwezige groen en de bebouwing in de tuinen zal een negatief effect hebben op beschermde functies van de volgende soorten: huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Hiervoor zullen er mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om de staat van instandhouding van deze soorten te kunnen waarborgen. De maatregelen dienen uitgewerkt te worden in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag via het aanvragen van een omgevingsvergunning.
11
Econsultancy (2025). Aanvullend ecologisch onderzoek. Diverse straten, Eerbeek. Rapportnummer: 24561.002. 7 februari 2025.
54
8.3
Conclusie Vanwege de negatieve effecten op verschillende soorten is een activiteitenplan en wordt een omgevingsvergunningaanvraag gedaan. Het besluit voldoet aan de kaders voor de bescherming van de natuur.
55
9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1
Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het besluitgebied kent grotendeels de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’ en voor een klein deel de ‘Waarde - Archeologie Laag’. Voor de hoge archeologische waarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek benodigd is. Voor de lage archeologische waarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 dieper dan 40 centimeter onder maaiveld onderzoek benodigd is. De verwachting is dat deze grens wordt overschreden. Daarom is een archeologisch bureau- en booronderzoek12 uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het besluitgebied ter hoogte van een pleistocene sneeuwsmeltwaterwaaier ligt. Hierin zijn podzolgronden gevormd die worden afgedekt door een minimaal 50 cm dik humeus (plaggen)dek.