CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(072) Motivering TAM-Omgevingsplan

Besluitvormende raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente BrummenBij agendapunt: TAM Omgevingsplan Oud Eerbeek18.890 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

473041

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Eerbeek, Oud Eerbeek Motivering TAM-omgevingsplan Gemeente Brummen NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3003-on01

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

23 september 2025, projectnummer 230431

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Ligging van het besluitgebied

3

1.3

Huidig planologisch regime

4

1.4

Leeswijzer

6

Huidige en gewenste situatie

7

2.1

Huidige situatie

7

2.2

Het voornemen

8

2.3

Infrastructuur en openbare ruimte

9

Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

12

3.1

Wettelijk kader

12

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

12

3.3

Landschappelijke en of stedenbouwkundige waarden

14

Beleidskader

15

4.1

Rijksbeleid

15

4.2

Provinciaal beleid

16

4.3

Gemeentelijk beleid

19

Omgevingsveiligheid

25

5.1

Algemeen

25

5.2

Situatie in en bij het besluitgebied

26

5.3

Conclusie

27

Beschermen van de waterbelangen

28

6.1

Beleid Waterschap

28

6.2

Wateraspecten

29

6.3

Watertoetsproces en waterhuishouding besluitgebied

30

6.4

Conclusie

35

Beschermen van de gezondheid en het milieu

36

7.1

Geluid

36

7.2

Bodemkwaliteit

40

7.3

Luchtkwaliteit

41

8

9

7.4

Geur

43

7.5

Trillinghinder

45

7.6

Gezondheid

46

7.7

Klimaatadaptatie

47

Bescherming van de natuur

50

8.1

Algemeen

50

8.2

Toetsing

51

8.3

Conclusie

55

Archeologie en cultuurhistorie

56

9.1

Wettelijk kader

56

9.2

Archeologie

56

9.3

Cultuurhistorie

57

9.4

Conclusie

58

10 M.e.r.-beoordeling

59

10.1

Algemeen

59

10.2

Motivering

59

10.3

Conclusie

59

11 Economische uitvoerbaarheid

60

11.1

Algemeen

60

11.2

Kostenverhaal

60

11.3

Situatie besluitgebied

60

12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

61

12.1

Participatie en overlegpartners

61

12.2

Zienswijzen

61

Bijlagen Bijlage 1: Herstructurering en beeldkwaliteitsplan Bijlage 2: Quick scan omgevingsveiligheid Bijlage 3: Weging van het waterbelang Bijlage 4: Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Bijlage 5: Memo milieubelastende activiteiten Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Quickscan natuurwaarden Bijlage 8: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 9: Aanvullend ecologisch onderzoek Bijlage 10: Archeologisch bureau- en booronderzoek

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Veluwonen is voornemens om de Oud Eerbeek, gelegen in het zuiden van de kern Eerbeek, te gaan vernieuwen. Een deel van de woningen zal worden gerenoveerd, maar voor 86 woningen geldt dat deze zullen worden gesloopt. Ter vervanging wordt een gelijk aantal woningen in verschillende typologieën gerealiseerd. Hierbij worden onder meer ook nieuwe parkeer- en groenvoorzieningen gerealiseerd. De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het (tijdelijk) omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet een wijzigingsbesluit omgevingsplan worden opgesteld. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.

1.2

Ligging van het besluitgebied Het besluitgebied maakt onderdeel uit van de kern Eerbeek en wordt hoofdzakelijk omsloten door de woonfunctie. Het besluitgebied betreft delen van de woonlocatie Oud Eerbeek. In het zuiden en oosten wordt de woonlocatie Oud Eerbeek begrensd door de Eerbeekse Beek. De overige zijden worden hoofdzakelijk begrensd door woningen. Op enige afstand bevindt zich ten noorden van het besluitgebied het centrum van Eerbeek. Verder is er industrie aanwezig op enige afstand van het besluitgebied, voornamelijk te zuiden.

Besluitgebied (globaal rood omlijnd) ten opzichte van de kern Eerbeek (bron: pdok.nl).

3

Besluitgebied (globaal rood omlijnd) ten opzichte van de directe omgeving (bron: pdok.nl).

1.3

Huidig planologisch regime In het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege zijn de geldende bestemmingsplannen van de gemeente Brummen opgenomen. Voor voorliggend besluitgebied is grotendeels het bestemmingsplan ‘Kom Eerbeek’ van de gemeente Brummen vigerend, welke door de gemeenteraad is vastgesteld op 28 januari 2010. De gronden van het meest noordoostelijke vlak behoren tot het bestemmingsplan ‘Eerbeek’, welke is vastgesteld op 3 september 2020.

Verbeelding vigerend juridisch-planologische situatie met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd (bron: pdok.nl).

4

Binnen deze plannen zijn aan de locatie de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ toegekend. De gronden die volgens de bestemmingsplannen ‘Kom Eerbeek’ en ‘Eerbeek’ een woonbestemming kennen zijn hoofdzakelijk bestemd voor doeleinden die gericht zijn op het wonen in grondgebonden of gestapelde woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis of een bed & breakfast. De gronden met een tuinbestemming zijn bedoeld voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Door het paraplubestemmingsplan Archeologie, welke is vastgesteld op 15 oktober 2020, kent vrijwel het gehele besluitgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’. Enkel een klein strookje aan de zuidzijde van het besluitgebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie laag’. Tevens geldt ter plaatse van het besluitgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’, met uitzondering van een klein strookje aan de zuidzijde van het besluitgebied waar de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie laag’ geldt. De voor ‘Waarde - Archeologie hoog’ en ‘Waarde - Archeologie laag’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem.

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing geldt ter plaatse van de hoge archeologische verwachting dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm de aanvrager een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Ter plaatse van de ‘Waarde - Archeologie laag’ geldt dat een archeologisch rapport overlegd dient te worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Op korte afstand van het besluitgebied bevinden zich meerdere papierfabrieken, waaronder Stora Enso de Hoop en Folding Boxboard Eerbeek. Op 27 september 2023 is voor ‘Folding Boxboard Eerbeek’ en de directe omgeving een provinciaal inpassingsplan opgesteld. Met dit inpassingsplan is het mogelijk om een aantal veranderingen op en aan het fabrieksterrein uit te voeren en de milieugebruiksruimte wat betreft geluid en geur van het terrein juridisch-planologisch te verankeren. Voorliggend besluitgebied is grotendeels gelegen in de ‘geluidzone - industrie’, ‘milieuzone - geurzone 1’ en de ‘milieuzone - geurzone 2’.

Binnen de ‘geluidzone - industrie’ geldt dat er alleen nieuwe geluidsgevoelige objecten (zoals woningen) gerealiseerd mogen worden als wordt voldaan aan de voorkeurswaarde of een verkregen hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder. Binnen de ‘milieuzone geurzone 1’ is het verboden om nieuwe geurgevoelige objecten op te richten. Middels een omgevingsvergunning is het bouwen van vervangende nieuwbouw mogelijk, met dien verstande dat vervangende nieuwbouw uitsluitend is toegestaan als er technische maatregelen ter beperking van geuroverlast worden getroffen aan het geurgevoelige object. Binnen de ‘milieuzone - geurzone 2’ is het ook niet toegestaan om geurgevoelige objecten, zoals woningen, een school of ziekenhuis te realiseren. Vervangende nieuwbouw is wel onder voorwaarden mogelijk.

5

Verder gelden op de locatie het bestemmingsplan ‘Mantelzorgwoning’, welke is vastgesteld op 15 oktober 2015 en het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ welke is vastgesteld op 19 oktober 2018. In het bestemmingsplan ‘Mantelzorgwoning’ zijn regels opgenomen om mantelzorgwoningen te kunnen faciliteren. In het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ is een nieuwe parkeerregeling vastgelegd. Ter plaatse van het besluitgebied gelden tevens de regels uit de bruidsschat, welke onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan. Het voorliggende plan maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk, waardoor er geen strijd ontstaat met de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels uit de bruidsschat voor bouwwerken, open erven en terreinen zijn wel van toepassing voor een woningbouwplan. Deze regels staan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg. De gemeente heeft geen lokale verordeningen die van belang zijn voor het besluitgebied. De beoogde woningen zullen anders op de percelen worden gesitueerd, waardoor deze niet binnen de bestaande bouwvlakken en woonbestemmingen gerealiseerd kunnen worden. Daarom is een aanpassing van het (tijdelijk) omgevingsplan benodigd. Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet hierin.

1.4

Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’. Hoofdstuk 10 gaat in op de m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 11 en hoofdstuk 12 bevatten de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie.

6

2 Huidige en gewenste situatie 2.1

Huidige situatie Het besluitgebied ligt in het zuiden van de kern Eerbeek en maakt onderdeel uit van de buurt Eerbeekse Enk en de woonlocatie Oud Eerbeek. Oud Eerbeek is een naoorlogse woonlocatie die nauw verbonden is met de papierindustrie. Vanaf het midden van de twintigste eeuw is de woonlocatie voor arbeiders van de papierfabriek geleidelijk ontstaan. De stedenbouwkundige structuur is oost - west georiënteerd en word voornamelijk gedragen door de Jan Mankestraat en de Wethouder Sanderstraat. De Jan Mankestraat is als centrale as begeleid door een beeldbepalende bomenrij aan de noordelijke zijde van de weg. Historisch gegroeide wegen zijn de Klosterstraat in het noorden en ‘t Haagje langs de Eerbeekse Beek. De noordzuidelijk gerichte wegen, zoals de Enkweg, verbinden de woonlocatie met voorzieningen in het centrum van Eerbeek. Navolgende afbeelding geeft de huidige situatie van het besluitgebied weer.

Luchtfoto met daarop de huidige situatie van het besluitgebied (rood omlijnd) (bron: PDOK).

Veluwonen heeft geconstateerd dat alle woningen in Oud Eerbeek verouderd zijn, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Daarom is een inventarisatie uitgevoerd waaruit volgens Veluwonen is gebleken dat voor een deel van de woningen in Oud Eerbeek sloop-nieuwbouw de beste optie is. De overige woningen worden gerenoveerd. De woningen in Oud Eerbeek bestaan allen uit twee lagen met een (flauwe) kap. De woningen zijn overwegend rijwoningen in rijtjes van drie of vier woningen. De rijtjes zijn parallel aan de weg gelegen en kennen dezelfde rooilijn. Alle woningen hebben zowel een voortuin als een achtertuin. De openbare ruimte kent een hoge mate van verstening en parkeren vindt veelvuldig plaats langs de weg. Navolgende afbeelding geeft enkele woningen binnen het

7

besluitgebied weer. De overige woningen binnen het besluitgebied zijn vergelijkbaar met onderstaande woningen.

Huidige situatie van de te slopen woningen langs de Steenbeekstraat (bron: GoogleMaps).

2.2

Het voornemen Voorliggende sloop-nieuwbouwontwikkeling maakt onderdeel uit van het masterplan Oud Eerbeek. In dit masterplan staat beschreven dat in Oud Eerbeek de sociale huurwoningen, in het bezit van Veluwonen, zullen worden opgeknapt of vervangen. Na een zorgvuldige inventarisatie is een verdeling tussen renovatie en herstructurering met sloop en nieuwbouw bepaald. In totaal zullen er 109 woningen worden opgeknapt via renovatie en 86 woningen zullen worden vervangen via sloop-nieuwbouw. Voor de renovatie van de woningen is geen wijziging van het omgevingsplan nodig. De nieuwe woningen zullen tevens bedoeld zijn voor het sociale huursegment. De herstructurering zal gefaseerd worden uitgevoerd en het is de bedoeling om de identiteit van de Oud Eerbeek zo veel mogelijk te behouden. Hierbij is tevens aandacht voor het behoud en waar mogelijk versterken van de bestaande stedenbouwkundige structuren en het openbaar groen. Zo wordt de laanbeplanting langs een aantal van de straten doorgetrokken en versterkt. Ten slotte zal het parkeren meer gebundeld in enkele parkeerkoffers plaatsvinden. De sloop-nieuwbouw van de 86 verouderde woningen heeft tot doel om een kwalitatieve verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad en een breder aanbod van verschillende woningtypen te bewerkstelligen. Zo worden er woningen gerealiseerd die geschikt zijn voor een bredere groep mensen.

Hierbij kan gedacht worden aan grote en kleine huishoudens, maar ook zijn er seniorenwoningen beoogd. De woningen zullen bestaan uit maximaal 2 lagen met een kap. Een groot deel van de woningen bestaat echter uit slechts één laag met een kap. Alle woningen zullen beschikken over een eigen voor- en achtertuin. Hiermee sluiten zij aan bij de bestaande

8

woningen in de omgeving. Uitzondering op voorgaande is de realisatie van een klein appartementengebouw aan de zuidoostzijde van het besluitgebied. Het appartementengebouw zal bestaan uit maximaal drie lagen zonder kap en biedt ruimte voor 6 appartementen met een levensloopbestendig karakter. Deze zal zorgen voor een zorgvuldige en geleidelijke overgang tussen de bestaande woonlocatie en het recent (rond 2010) gerealiseerde wooncomplex ten oosten hiervan.

Impressie beoogde situatie.

Verder geldt dat in de afgelopen 10 jaar nieuwe klinkers zijn gelegd voor de rijbanen en dat kruispunten zijn verhoogd en gemarkeerd. In principe blijven de bestaande ontsluitingswegen behouden. Enkel aan de Enkweg is een aanpassing van de verkeersstructuur voorgenomen. Om de Jan Mankestraat als stedenbouwkundige hoofdstructuur te benadrukken en zo min mogelijk verharding na te streven wordt een ventweg aan de Enkweg opgeheven. Het parkeren wordt zoveel mogelijk opgelost met nieuwe parkeerkoffers tussen de woningen en eigen opritten. Ten behoeve van de ontwikkeling van het besluitgebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld om een aantal kwalitatieve stedenbouwkundige richtlijnen vast te leggen1. Aan deze richtlijnen moet de toekomstige bebouwing voldoen om het gewenste streefbeeld te kunnen bereiken.

2.3

Infrastructuur en openbare ruimte

2.3.1

Algemeen Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en

1

Veluwonen (2025). Herstructurering en beeldkwaliteitsplan van de woonwijk Oud Eerbeek. 7 juli 2025.

9

het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt onder andere ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het besluitgebied. 2.3.2

Verkeer en parkeren Verkeer Voor wat betreft de verkeersgeneratie geldt dat het totaal aantal woningen binnen het besluitgebied niet zal toenemen en dat de typologieën grotendeels gelijk blijven. Geacht wordt dat daarom geen sprake is van een significante wijziging van de verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij komt dat ook de ontsluitingsstructuur nauwelijks wijzigt ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd wordt dat de verwachting is dat het toekomstige verkeer zonder problemen ontsluiten zal kunnen worden op de huidige infrastructuur. Parkeren Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen heeft de gemeente Brummen het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’. Op basis van dit paraplubestemmingsplan geldt voor een sociale huurwoning een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning. De parkeerbehoefte voor voorliggend initiatief is als volgt berekend: Woning typologieën

Parkeernorm

Totaal

Huurhuis, sociale huur

1,6 x 86

137,6

In totaal zijn 138 parkeerplaatsen benodigd om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. In voorliggend initiatief zijn in totaal 155 parkeerplaatsen beoogd. Hiervan zijn er 119 openbaar en zullen de overige 36 woningen via een lange oprit bij de woningen worden gerealiseerd. Het overschot aan parkeerplaatsen is bedoeld voor de bestaande woningen aan de Willem de Merodestraat. De meeste parkeerplaatsen zullen worden geclusterd in parkeerkoffers. 2.3.3

Overige aspecten (fiets- en wandelroutes, nutsvoorzieningen, toegankelijkheid openbare ruimte etc.) Voorliggend project heeft mede als doel om de bestaande groenstructuur in Oud Eerbeek te versterken. Hiervoor worden een aantal plantsoenen en groenstroken heringericht. Zo wordt de landschapsstrook van de Eerbeekse Beek opgewaardeerd, wordt de laanbeplanting doorgetrokken en versterkt en worden er hagen geplaatst bij de voortuinen en parkeerkoffers. Ook wordt het plantsoen tussen de Wethouder Sanderstraat en de Steenbeekstraat opnieuw ingericht en wordt een nieuw plantsoen gerealiseerd bij de Enkweg. Hierbij wordt aandacht besteed aan het realiseren van kwalitatief verblijfsgroen met speelaanleidingen, zitmogelijkheden en mogelijkheden voor sociale contacten. Ten slotte is in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor het behouden en versterken van de losse voetpaden onder andere door en langs de groenstroken in Oud Eerbeek. Fietsers en autoverkeer kunnen gebruik blijven maken van de huidige ontsluitingsstructuur. Op 10

deze manier wordt zo veel mogelijk een bijdrage geleverd aan het realiseren van een toegankelijke openbare buitenruimte. Aangezien het besluitgebied van dit TAM-omgevingsplan alleen de te wijzigen woonbestemmingen betreft, liggen voorgenoemde groenstroken en voetpaden wel buiten het besluitgebied. 2.3.4

Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het project voldoet vanuit deze aspecten aan de kaders voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

11

3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden 3.1

Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van nieuwe ontwikkelingen zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over: − Kustbescherming; − Waddenzee en Waddengebied; − Cultureel erfgoed en werelderfgoed; − Landelijke fiets- en wandelroutes; − Ladder voor duurzame verstedelijking. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het besluitgebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1

Algemeen De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de Ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: − de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; − bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de Ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’.

12

bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.2.2

Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Het voornemen bestaat om een sloop-nieuwbouw ontwikkeling mogelijk te maken waarbij 86 woningen worden gesloopt en vervolgens maximaal 86 nieuwe wooneenheden worden gerealiseerd. Dit zorgt per saldo voor een gelijk aantal woningen. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het project, in vergelijking met het voorgaande project, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte de ontwikkeling maakt in vergelijking met het voorgaande project. Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling binnen het besluitgebied niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Een woningbouwontwikkeling hoeft namelijk pas te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wanneer er netto meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. Met voorliggend project worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. De behoefte aan sociale huurwoningen staat verder niet ter discussie, gelet op de druk op de (sociale) woningmarkt. Conclusie Voorliggend initiatief hoeft niet aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Dit maakt dat geen toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen hoeft te worden. Daarnaast voorziet deze ontwikkeling in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en ligt het binnen bestaand stedelijk gebied. Het project is niet in strijd met het Bkl.

13

3.3

Landschappelijke en of stedenbouwkundige waarden Het voornemen sluit aan bij landschappelijke en stedenbouwkundige waarden ter plaatse van het besluitgebied en de directe omgeving. Zo wordt qua aard en schaal aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwing in de omgeving en wordt veel groen in het besluitgebied gerealiseerd. Ook wordt de landschapsstrook bij de Eerbeekse Beek opgewaardeerd. Verder zijn er geen landschappelijke of stedenbouwkundige waarden van Rijksbelang, zoals werelderfgoed, in of direct rondom besluitgebied aanwezig zijn.

14

4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Duurzaam economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio’s; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1 Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.

Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3 Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Motivering Voorliggend project betreft een sloop-nieuwbouw ontwikkeling van maximaal 86 sociale huurwoningen in verschillende typologieën. De ontwikkeling vindt plaats in de woonlocatie Oud Eerbeek. De herontwikkeling heeft tot doel om de woonlocatie te verduurzamen en de algehele kwaliteit te versterken. Ook worden er toekomstbestendige woningen gerealiseerd die aansluiten op de heersende woonvraag. Er is hierbij aandacht besteed aan de kenmerken en identiteit van Oud Eerbeek in de omgeving. De inrichting van de openbare ruimte zorgt voor een versterking van de 15

groenstructuren en de in de plantsoenen is aandacht voor speelaanleidingen, zitmogelijkheden en mogelijkheden voor sociale contacten. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI. 4.1.2

Instructieregels Rijk (Amvb’s) Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan: − instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. − omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. − regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. − monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving.

Motivering In voorliggende situatie raakt dit project geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist. In navolgende hoofdstukken wordt nader stilgestaan bij de verder relevante instructieregels voor voorliggende ontwikkeling.

4.1.3

Conclusie Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en -doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit de Rijksoverheid.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op

16

klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − energietransitie: van fossiel naar duurzaam; − klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer; − circulaire economie: sluiten van kringlopen; − biodiversiteit: werken met de natuur; − bereikbaarheid: duurzaam verbonden; − vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio; − woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. Motivering Het besluitgebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. De provincie heeft een zone, rondom het Veluwemassief, aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. Deze gebieden zijn extra gevoelig voor grondwateroverlast. Het is van belang om hiermee bij de inrichting of herinrichting van stedelijk gebied, via de watertoets, rekening te houden en zo nodig maatregelen te nemen.

Verder geldt dat de provincie, met betrekking tot de woon- en leefomgeving, streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Hierbij sluit het aanbod aan woningtypen en woonmilieus aan bij de diversiteit van de woningvraag. Dit betekent voor iedereen een duurzame passende woning, waarbij de bestaande bebouwde omgeving optimaal wordt benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Daarnaast wordt alle nieuwbouw aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. Het voorliggende project voorziet in de sloop-nieuwbouw van maximaal 86 woningen. Verouderde woningen worden gesloopt ten behoeve van een gelijk aantal duurzame woningen. Een deel van de woningen zullen een levensloopbestendig karakter krijgen. Onderdeel van de herontwikkeling is het versterken van de algehele kwaliteit en het doortrekken van de groenstructuren. De woningen worden gasloos en volgens de nieuwste BENG-normen gerealiseerd. Op deze manier worden de gronden binnen het besluitgebied op een gedegen manier voorzien van een duurzame en toekomstbestendige nieuwe invulling. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met het gegeven uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

17

4.2.2

Omgevingsverordening Gaaf Gelderland De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Motivering Voor voorliggende ontwikkeling is een aantal aspecten uit de provinciale omgevingsverordening relevant. Deze worden navolgend toegelicht.

Intrekgebied In artikel 4.35 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd dat het verboden is om in een intrekgebied mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Voorliggend besluitgebied is gelegen binnen gronden die zijn aangewezen als intrekgebied. Met voorliggend initiatief zijn echter geen mijnbouwactiviteiten voorzien, waardoor het intrekgebied geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project. Beschermen van landschap De provincie wil de landschappelijke waarden binnen de provincie behouden, beschermen en in stand houden. Daarom moet volgens artikel 5.33 bij iedere ontwikkeling rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In voorliggende situatie maakt het besluitgebied onderdeel uit van de Gelderse streek IJsselvallei. Gelet op de stedelijke setting van het besluitgebied zijn veel van de landschappelijke kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen niet direct te herleiden en van toepassing op deze situatie. Met deze herontwikkeling wordt immers een deel van een bestaande woonlocatie opnieuw ingericht, waardoor geen aanspraak hoeft te worden gemaakt op gronden waar de landschappelijke kwaliteiten en waarden nog sterk vertegenwoordigd zijn.

Op die manier wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de kenmerkende kwaliteiten die de locatie heeft binnen de streek.

18

Wonen In artikel 5.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als deze passen binnen de regionale woonagenda. Met voorliggend project worden netto evenveel woningen mogelijk gemaakt als in de huidige situatie in het besluitgebied aanwezig zijn. Dit maakt dat de ontwikkeling past binnen de gestelde regels met betrekking tot wonen. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de omgevingsverordening is vastgesteld dat in de motivering van het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In de beschrijving worden in ieder geval de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Daarnaast moet de opgestelde beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap. Het aspect klimaatadaptatie wordt nader besproken in paragraaf 7.7. 4.2.3

Conclusie Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de provinciale beleidsambities en -doelstellingen en ter plaatse geldende regels.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Brummen de Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ vastgesteld. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn in drie thema’s onderverdeeld: − Ruimte voor papier en landgoederen: Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die de gemeente Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen de gemeente versterkt. Bijvoorbeeld in de recreatiesector, maar ook in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Eerbeek is een papierdorp en dat wil de gemeente meer laten zien, lokaal en regionaal, maar ook nationaal en internationaal. Daarnaast worden cultuurhistorie, creativiteit en kunst in de gemeente gestimuleerd en gekoesterd. Om de recreatieve potentie van Brummen verder uit te bouwen wordt het netwerk voor de wandelaar, fietser en ruiter verbeterd. − Samen gezond wonen, werken en leven: De gemeente Brummen wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor zowel jong en oud als voor bestaande en nieuwe inwoners. Daarbij hoort een gemeente waar men prettig kan wonen en werken.

Het kleinschalige dorpsleven waar rust en vriendelijkheid heersen en sprake is van een sterke sociale samenhang, zijn daarbij van belang. De identiteit, die wordt gekoesterd, moet worden behouden en versterkt.

19

− Op groene voet met groene vingers: Er wordt ingezet op een groen en klimaatneutraal Brummen, waarbij zelf wordt voorzien in de energie, energiesystemen slim worden gekoppeld, hemelwater wordt geborgen en gebruikt en de biodiversiteit wordt versterkt. De natuur en het landschap zijn kernwaarden van de identiteit van de gemeente Brummen. Ze vormen de historische basis en maken deel uit van het woongenot, vormen de trekker voor recreanten en toeristen en staan aan de basis van de ontwikkeling van de papierindustrie en de landgoederen. Het landschap en de natuur moeten daarom behouden blijven. Maar ook hier geldt dat er geen stolp op het buitengebied moet worden gezet. Er wordt vernieuwd met respect voor dat wat er is. Motivering De toekomstvisie zet in op het zijn en blijven van een aantrekkelijke gemeente voor zowel jong en oud. Daarbij dient veel aandacht uit te gaan naar de kleinschaligheid van het dorpse leven en de sterke sociale omvang. Voorliggende ontwikkeling voorziet in een kwaliteitsimpuls in de kern van Eerbeek. Voorliggende sloop-nieuwbouwontwikkeling voorziet in de vervanging van 86 sociale huurwoningen in Oud Eerbeek. De huidige verouderde woningen worden vervangen door moderne, duurzame woningen geschikt voor verschillende doelgroepen. Een deel van de woningen krijgt een levensloopbestendig karakter.

Deel van de herontwikkeling is het versterken van het openbaar groen in de woonlocatie. Daarmee wordt er een toekomstgerichte, duurzame ontwikkeling gerealiseerd die inspeelt op de beschikbaarheid van verschillende typen sociale huurwoningen. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ambities van de toekomstvisie. 4.3.2

Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er 25 jaar later uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Motivering Op het gebied van wonen bevat de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ geen concrete beleidskaders of ambities. Wel wordt aangegeven dat de gemeente Brummen voor iedereen inzet op het waarmaken van een goed leven, waarbij inwoners een duurzame omgeving hebben die betekenisvol is. Daarbij vormen Eerbeek en Brummen de hoofdkernen voor de voorzieningen in de gemeente. In deze kernen moeten voldoende voorzieningen voor de inwoners aanwezig zijn. Met

20

voorliggende ontwikkeling worden verouderde sociale huurwoningen gesloopt om ruimte te maken voor hetzelfde aantal nieuwe, duurzamere sociale huurwoningen. Hierbij is tevens aandacht besteed aan de kwaliteit van de omgeving. Zo worden de bestaande groenstructuren plaatselijk doorgetrokken en versterkt. Ook worden twee groenplantsoenen gerealiseerd, waarbinnen ruimte is gereserveerd voor waterberging. Het betreft een herinrichting van het plantsoen tussen de Wethouder Sanderstraat en de Steenbeekstraat en een nieuw plantsoen bij de Enkweg. Dit maakt dat de ontwikkeling past binnen de kaders en doelstellingen van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie. 4.3.3

Woonagenda 2019-2023 gemeente Brummen In de woonagenda van de gemeente Brummen wordt de koers voor het woonbeleid uitgezet. De Woonagenda geeft de ambitie aan en vormt de wettelijke basis voor de Prestatieafspraken met de corporatie en de gemeentelijke ‘toezichtstaken’. Verder is de woonagenda het kader voor de woningbouwprogrammering. De gemeente Brummen verwacht nog 700 woningen toe te voegen tot 2027. Het doel van de woonagenda is om iedereen prettig te laten wonen in de gemeente Brummen en om woonwensen -behoeften van inwoners zoveel mogelijk te realiseren binnen de gemeente. De woonagenda verwacht een bijdrage te kunnen leveren aan de volgende opgaven: − Betaalbaarheid en beschikbaarheid; − Wonen, zorg en welzijn, in combinatie met vergrijzing; − Duurzaamheid, met focus op de bestaande woningvoorraad; − Leefbaarheid. Motivering Voorliggende ontwikkeling betreft een sloop-nieuwbouwontwikkeling van maximaal 86 sociale huurwoningen in verschillende typologieën. De verouderde woningen worden vervangen door hetzelfde aantal nieuwe woningen. Een deel van de woningen krijgt een levensloopbestendig karakter. Daarmee wordt er een toekomstgerichte, duurzame ontwikkeling gerealiseerd die inspeelt op de beschikbaarheid van verschillende soorten sociale huurwoningen binnen de gemeente Brummen met aandacht voor onderwerpen als vergrijzing, duurzaamheid en leefbaarheid.

4.3.4

Versnelling woningbouw: Routekaart 2.0 In de Routekaart Wonen staat hoe de gemeente Brummen in de komende jaren de woningbouw willen aansturen en versnellen. Brummen staat voor de grote opgave om 1.250 woningen toe te voegen tot en met 2030. Met de routekaart heeft de gemeente een plan opgesteld om dit doel te halen. Met de routekaart: − Vergroten van het aantal woningbouwplannen; − Plannen sneller realiseren (korte toetsing); − Productie op ganghouden; − Zorgen dat we bouwen voor onze belangrijkste doelgroepen; − Voldoende betaalbare woningen realiseren; − Instrumenten om te sturen beter inzetten: 21

De Routekaart Wonen bevat ook het Toetsingskader Woningbouw, waaraan nieuwe woningbouwinitiatieven getoetst worden. De algemene principes hiervoor zijn: − Minimaal 60% betaalbaar (waarvan 30% sociale huur) − Focus op binnenstedelijke verdichting, met name in Brummen (dorp) en Eerbeek. − Inbreiding voor uitbreiding (prioritering en urgentie maakt andere volgorde mogelijk). − Oog voor versterking groen en water (groen-blauwe dooradering). − Oog voor een basiskwaliteit natuur bij zowel in- als uitbreiding − Focus op de woonvraag van doelgroep(en) in de knel (starters/senioren etc.) − Plannen prioriteren die de grootste bijdrage leveren aan de doelen. Voor de grote kernen Eerbeek en Brummen liggen buiten het centrum met name kansen voor inbreiding en herstructurering, kwaliteit en leefbaarheid zijn leidend. Motivering Voorliggende ontwikkeling betreft een sloop-nieuwbouwontwikkeling van maximaal 86 sociale huurwoningen in verschillende typologieën. De verouderde woningen worden vervangen door hetzelfde aantal nieuwe woningen. Een deel van de woningen krijgt een levensloopbestendig karakter. Daarmee wordt ingespeeld op de woonvraag van doelgroepen in de knel. Tot slot is er in het project ook aandacht voor versterking van de groenstuctuur (zie paragraaf 2.3.3). Het plan voldoet hiermee aan de principes uit de routekaart. 4.3.5

Woonkader Eerbeek Op 21 december 2023 is het woonkader Eerbeek vastgesteld. Het woonkader is een middel om tot een goede afweging te komen voor het toevoegen van woningen in Eerbeek binnen de grenzen van het programma Eerbeek Loenen 2030. In het woonkader is gekozen voor het scenario waarbij geldt dat er geen woningen worden toegevoegd binnen de milieuzonering geur en geluid van de aanwezige papierindustrie. Woningen mogen enkel worden toegevoegd aan milieuzonering 2, mits deze verplaatst worden vanuit milieuzonering 1. Het maximaal aantal woningen binnen de milieuzonering blijft hierdoor gelijk of neemt af. Motivering Voorliggend besluitgebied ligt deels binnen de geluidszone en geurzone 1. Het overig deel van het besluitgebied ligt binnen de geurzone 2. Binnen deze zones is het realiseren van nieuwe extra woningen in principe niet toegestaan. Voorliggende ontwikkeling betreft een sloop- nieuwbouw ontwikkeling waarbij netto geen extra woningen worden toegevoegd. Het totaal aantal woningen binnen de milieuzones blijft hierdoor gelijk. Dit maakt dat geacht wordt dat de ontwikkeling in lijn is met het voorkeursscenario uit het ‘Woonkader Eerbeek’.

22

4.3.6

Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen 2013 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, voorheen de welstandsnota, bestaat uit beschrijvingen van welstandsgebieden en bijzondere thema’s met daaraan gekoppeld afzonderlijke toetsingscriteria. In totaal worden zes verschillende gebieden onderscheiden: − Historische dorpsgebieden en linten; − Woongebieden met samenhang; − Woongebieden met diversiteit; − Bedrijventerreinen; − Landelijk gebied; − Gebieden met een bijzondere functie. Motivering Het besluitgebied ligt binnen het gebied ‘Woongebieden met samenhang’. Deze gebieden worden gekenmerkt door een planmatig ontworpen stedenbouwkundige opzet, een zorgvuldige omgang met de openbare ruimte en een bebouwingsbeeld met een grote gemene deler, zoals herhaling van bouwblokken en bouwstijlen. Het streven van de gemeente is gericht op het handhaven van de karakteristieken en architectuur van deze buurten en het behouden van de gevarieerdheid dan wel eenheid tussen de eenheden. Het gaat ook om de handhaving van de stedenbouwkundige opzet en de compositie van het straatbeeld. Voorliggend project betreft een sloop-nieuwbouwontwikkeling van 86 sociale huurwoningen in de Oud Eerbeek. Hiervoor is een beeldkwaliteitsplan opgesteld om een aantal kwalitatieve stedenbouwkundige richtlijnen vast te leggen. Ten eerste blijft de stedenbouwkundige opzet van Oud Eerbeek behouden.

Ook qua aard en schaal wordt aangesloten bij de huidige woningen en de woningen in de omgeving. Enkele het appartementengebouw aan de zuidoostzijde zal een iets andere uitvoering krijgen om op die manier een natuurlijke en geleidelijke overgang te vormen tussen Oud Eerbeek en het recent (rond 2010) gerealiseerde wooncomplex ten oosten hiervan. Met het doortrekken en versterken van enkele groenstructuren wordt de bestaande oost-westelijk georiënteerde structuur benadrukt. Zo wordt de Jan Mankestraat als centrale as begeleid door een beeldbepalende bomenrij aan de noordelijke zijde van de weg. Ten slotte zorgen enkele plantsoenen voor een groene dooradering van de woonlocatie. Dit tezamen maakt dat geacht wordt dat voorliggende ontwikkeling in lijn is met de gestelde criteria en doelen in de nota ruimtelijke kwaliteit.

4.3.7

Beleidskader Duurzaam Ontwikkelen (concept) De gemeente Brummen is een groene gemeente. De gemeente wil 1.250 woningen tot en met 2030 bouwen. Op dit moment verandert het klimaat. Dit maakt het nodig om woningen duurzaam te bouwen en gebieden duurzaam te ontwikkelen. Om de doelen van duurzaamheidsthema’s te bepalen is het beleidskader duurzaam ontwikkelen opgesteld. De afgesproken doelen van dit beleid voor duurzame gebiedsontwikkeling is een afweging tussen duurzaamheid, haalbaarheid en betaalbaarheid. Dit geldt voor de gemeente, ontwikkelaar en ook de woningbouwstichting. In

23

dit beleidskader staan vijf thema’s: energie en binnenklimaat, klimaatadaptatie, groen en ecologie, circulariteit en mobiliteit. Ook staan in dit beleidskader de drie ambitieniveaus die de gemeente gebruikt. Deze zijn: moeten, kunnen en willen. Voor elk thema gelden de drie ambitieniveaus: − niveau één is moeten. Dit is de verplichte basis waarop de gemeente minimaal toetst; − niveau twee is kunnen. Dit bepaalt wat er bovenop de wettelijke basis in de markt al kan. Dit noemen we de ‘need-to-haves’; − niveau drie is willen. Dit noemen we ‘nice-to-haves’. Dat zijn zaken die technisch misschien wel kunnen, maar echt extra moeite vragen. Motivering Voorliggende sloop-nieuwbouwontwikkeling voldoet in ieder geval aan niveau 1 voor alle duurzaamheidsthema’s. Verder is er in de ontwikkeling expliciet aandacht besteed aan het thema klimaatadaptatie. Zo wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met hittestress door het versterken en doortrekken van groenstructuren om zo voldoende schaduwplekken te creëren. Ook wordt gezorgd voor een sluitende waterbalans, bijvoorbeeld door gebruik te maken van halfverharding bij de parkeerkoffers. Geacht wordt dat met voorliggend project voldoende rekening is gehouden met de thema’s uit het beleidskader duurzaam ontwikkelen. 4.3.8

Conclusie Onderhavig project is in lijn met het gemeentelijk beleid.

24

5 Omgevingsveiligheid 5.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Bkl. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.

Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 25

5.2

Situatie in en bij het besluitgebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit plan kwetsbare gebouwen gerealiseerd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Daarom is een Quick scan Omgevingsveiligheid2 opgesteld die in gaat op het aspect omgevingsveiligheid met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. In dit onderzoek wordt stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 km vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is rood aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in zwart aangeduid.

Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding besluitgebied (blauw omrand) en 1,5 km grens (donkerblauw gestreepte cirkel) (bron: Portaal Atlas Veiligheid)

Op de kaart staan de volgende risicobronnen: − [1]; [2] en [3] Aardgasstations; − [4] Veco B.V; − [5] Zwembad Coldenhove;

2

SAB (2025). QuickScan Omgevingsveiligheid Vernieuwing woonwijk Oud Eerbeek, Eerbeek. Projectnummer: 230431. 16 september2025.

26

− [6] Neenah Coldenhove B.V.; − [7] Buisleiding N-559-05; − [8] Buisleiding N-559-28 (loopt van noord naar zuid op de afbeelding); − [9] Buisleiding N-559-17; − [10] Buisleiding N-559-19; − [11] Door het mogelijk transport van gevaarlijke stoffen is de provinciale weg N786 ook meegenomen in de analyse. Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − De ontwikkellocatie bevindt zich volledig in het gifwolkaandachtsgebied van de Seveso-inrichting Veco B.V. − De ontwikkellocatie bevindt zich deels in het brandaandachtsgebied van de buisleiding N-559-05; − De ontwikkellocatie bevindt zich niet in plaatsgebonden risico 10 -6-contouren of aandachtsgebieden van overige risicobronnen. In het rapport is daarom een afweging van de inrichting van de fysieke leefomgeving en het groepsrisico opgenomen. Hierin is ingegaan op verschillende calamiteiten scenario’s, zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. Geconcludeerd wordt dat er vanuit omgevingsveiligheidsoogpunt geen bezwaar bestaat tegen de gewenste ontwikkeling. Door de nieuwbouw van de woningen kunnen de woningen ook voorzien worden door de modernste (gevel)maatregelen. Verder is het rapport voorgelegd aan de veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland. De Veiligheidsregio adviseert om nieuwe woningen niet binnen het brandaandachtsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding te realiseren.

De gemeente is zich bewust van de aanwezigheid van deze aardgastransportleiding. Op dit moment liggen er rondom de leiding al veel woningen. Het onbebouwd laten van de kavels is niet gewenst, hierdoor zouden er lege plekken in de wijk ontstaan. Stedenbouwkundig, landschappelijk en financieel is dit niet acceptabel. Door de veiligheidsdienst wordt gewezen op de volgende stappen bij grondwerkzaamheden: “Als een KLIC-melding bij het Kadaster wordt gedaan waarbij Gasunie als betrokken partij vermeld staat, heeft u te maken met een Eis Voorzorgsmaatregel (EV). Dit houdt in dat u minimaal 3 dagen voor aanvang van de werkzaamheden verplicht contact moet opnemen met Gasunie. Indien noodzakelijk, kan de coördinator beslissen dat de werkzaamheden onder begeleiding van een toezichthouder van Gasunie worden uitgevoerd. De toezichthouder komt dan op locatie om fysieke en specifieke afspraken te maken, of om de werkzaamheden te begeleiden.”

5.3

Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid, mits veiligheidsrisico’s en maatregelen in acht worden genomen.

27

6 Beschermen van de waterbelangen Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.1

Beleid Waterschap Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit project is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.

Gemeentelijk beleid - Het Programma Water en Riolering 2023-2027 De riolen die nu aangelegd worden blijven nog tientallen jaren liggen, daarom moeten nu goede keuzes gemaakt worden. Daarom wordt gehandeld vanuit onderstaand toekomstperspectief op de waterketen, stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Waterketen De zorg voor de waterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid beschermd blijft en schade aan het milieu wordt voorkomen. Hiervoor bestaat reeds een omvangrijk stelsel aan riolering, dat goed beheerd wordt. Waar nodig worden nieuwe voorzieningen aangelegd. Stedelijk afvalwater Om te voorkomen dat meer afvalwater ontstaat, wordt afvalwater zoveel mogelijk gescheiden van schoon water. Hiervoor wordt de trits ‘schoonhouden-scheiden28

zuiveren’ gevolgd. Het waterschap haalt bij de zuiveringsinstallatie(s) steeds meer reststoffen uit het (afval)water om deze opnieuw te gebruiken als grondstof. Ook wint het waterschap energie terug uit het afvalwater. Met de huidige riolering en het uitvoeringsbeleid wordt bijgedragen aan het goed functioneren van de zuiveringsinstallatie. Hemelwater Gemeente, waterschap en perceeleigenaar hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het hemelwater. Bij de verwerking van hemelwater wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ gevolgd. Het heeft de voorkeur om water vast te houden in het gebied waar het is gevallen, en daar te infiltreren naar het grondwater. Daar waar dit niet kan, wordt regenwater bij voorkeur in waterpartijen of bovengronds geborgen. Bij de aanleg van verhard oppervlak wordt rekening gehouden met het uitgangspunt dat ook extreme buien moeten kunnen worden opgevangen; Daarom wordt uitgegaan van een robuuste aanleg, zodat niet over enkele jaren geconstateerd wordt dit onvoldoende is. Grondwater Het doel is om grondwater zoveel mogelijk op een natuurlijke manier te laten functioneren. Het grondwatermeetnet in de gemeente Brummen geeft inzicht in de grondwaterstanden. Er wordt ingezet op het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van een te hoge of te lage grondwaterstand voor de bebouwing in de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16419152/2