CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(064) Toelichting met bijlage

Besluitvormende raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente BrummenBij agendapunt: Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Windheuvelstraat 11, Brummen28.061 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Bovengrondmonster MM3 bevat een verhoogd gehalte lood, zink (zware metalen), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, som 10), minerale olie en PCB’s (som 7) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Bovengrondmonster MM4 bevat een verhoogd gehalte lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Ondergrondmengmonster MM5 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. peilbuis 2 (3.6-4.6 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 bevat een verhoogd gehalte barium, koper, nikkel en zink (zware metalen) t.o.v.

de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

25

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld 5.2.3

Conclusie

De bodemkwaliteit binnen het onderzochte gebied vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Opgemerkt wordt dat het bodemonderzoek niet in de bebouwing heeft plaatsgevonden. Op basis van historisch informatie zijn in de bebouwing wel bodemverdachte locatie gevonden. Om te voorkomen dat op deze locaties de gewenste dierenartspraktijk wordt gerealiseerd, is in voorliggend bestemmingsplan door middel van een aanduiding bepaald dat de dierenartspraktijk niet op deze locaties mag worden gerealiseerd.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

26

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat dit plan ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het vorenstaande kan temeer worden gesteld doordat het voornemen niet resulteert in extra verkeersbewegingen (zie paragraaf 3.2). Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPGtankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.

Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

27

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In april 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Harderwijk vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid. 5.4.2

Situatie in het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe omlijning) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat zich ten westen van het plangebied een buisleiding (N-559-20) en ten oosten van het plangebied een spoortraject (Zutphen-Brummen) bevindt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

28

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld Buisleiding N-559-20 Op 102 meter (gemeten tussen de westelijke plangrens en de gasleiding) ten westen van het plangebied bevindt zich een gasleiding. Het betreft een aardgasleiding (N-559-20) met een diameter van 212 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij een dergelijke gasleiding ligt de 1% letaliteitsgrens op 100 meter aan weerszijde van de gasleiding. Het plangebied bevindt zich op voldoende afstand van de gasleiding. Daarnaast is een voorliggend geval sprake van een functiewijziging van beperkte omvang en de ontwikkeling brengt naar verwachting geen verhoging van de personendichtheid met zich mee. Dit brengt met zich mee dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Spoortraject Zutphen-Brummen Op circa 200 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich het spoortraject Zutphen-Brummen. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Bij het spoor is geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Er is eveneens geen sprake van een PR-plafond. Het PR-plafond 10-7 en 10-8 bevinden zich respectievelijk op 6 en 111 meter vanuit het hart van het spoor. Er worden over dit spoor meerder typen gevaarlijke stoffen vervoerd. In dit geval is stofcategorie D4 maatgevend.

Voor deze stofcategorie geldt een invloedsgebied van 4.000 meter. Het plangebied ligt binnen dit invloedsgebied. Doordat ter plaatse van het plangebied de personendichtheid als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet zal toenemen, vindt ter plaatse geen verandering plaats van het groepsrisico. Desondanks volgt hierna een beperkte groepsrisicoverantwoording. Hierbij wordt op de volgende aspecten ingegaan: bereikbaarheid, ontvluchten van het gebied en zelfredzaamheid. •

•

•

5.4.3

Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen, bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken. Gewenst is dat een gebied/object via minimaal twee ontsluitingswegen toegankelijk is. Daarnaast dient er in de directe omgeving voldoende ruimte te zijn om materiaal op te stellen. Het plangebied is bereikbaar vanaf de Windheuvelstraat (westzijde) en De Voortweg (noordzijde). Daarnaast is er in de directe omgeving (openbare ruimte) voldoende ruimte beschikbaar voor het opstellen van het materieel. Ontvluchten van het gebied: Van belang bij een calamiteit is dat de aanwezige personen het gebied zelfstandig kunnen ontvluchten. Dit houdt dan ook in dat een gebied aan diverse zijden moet kunnen ontvluchten om zodoende de afstand tussen diegene en de calamiteit te vergroten. In voorliggend geval kan het plangebied met name via de Windheuvelstraat en De Voortweg worden ontvlucht. De (vlucht)route in westelijke richting is van de risicobron af. (Zelf)redzaamheid: (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverleningsdiensten. Een groothandel wordt, vanwege de verhouding tussen kwetsbare doelgroepen (o.a. kinderen) en de groep personen die (zelf)redzaam zijn (o.a.

volwassen), niet aangemerkt als zeer kwetsbaar. Bij (zeer) kwetsbare objecten valt te denken aan basisscholen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

29

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’. Dit vanwege het feit dat er beperkt sprake is van enige mate van functiemenging. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

30

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld 5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In voorliggend geval wordt een dierenartsenpraktijk toegevoegd aan een diervoederwinkel. Een dierenartspraktijk kan worden beschouwd als een milieucategorie 1 activiteit waarvoor een grootste richtafstand van 10 meter geldt. Rondom het plangebied bevinden zich woningen van derden aan de Voortweg 1 en 2. De betreffende woningen bevinden zich op respectievelijk 15 en 53 meter afstand van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van een dierenartspraktijk. Opgemerkt wordt dat in het plangebied tevens een diervoederwinkel aanwezig is. In de VNG uitgaven “Bedrijven en Milieuzonering” wordt deze functie beschouwd als een ‘Groothandel in akkerbouwprodukten en veevoeders’. Dit betreft een milieucategorie 3.1 activiteit met een grootste richtafstand van 50 meter. Deze richtafstand raakt de woning aan de Voortweg 1. Het gaat in dit geval echter om een bestaande functie die als gevolg van voorliggend bestemmingsplan niet wordt vergroot.

Doordat het voornemen niet toeziet op het toevoegen van een nieuw gevoelig object, leidt het plan niet tot hinder of belemmering voor bedrijven in de omgeving. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval is sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object (de dierenartspraktijk). Een toetsing aan het onderdeel ‘Geur’ volgt in paragraaf 5.6. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

31

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

In het plangebied wordt een nieuw geurgevoelig object toegevoegd, namelijk de dierenartspraktijk. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich echter geen veehouderijen die een belemmering vormen. Het voornemen levert dan ook geen extra belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van omliggende agrarisch bedrijven. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt op circa 1 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Landgoederen Brummen’. In voorliggend geval is ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan, door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Op basis van het uitgevoerde stikstofonderzoek, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden.

5.7.1.2 Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

32

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN. Het dichtstbijzijnde natuur dat onderdeel uitmaakt van het GNN bevindt zich op een afstand van circa 1 kilometer. Gelet op vorenstaande en vanwege de lokale invloedsfeer wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op gronden die behoren tot het GNN. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.2.2 Situatie plangebied Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vinden geen sloopwerkzaamheden plaats. De in dit bestemmingsplan genoemde te slopen schuur, is wegens calamiteit reeds gesloopt. De voorgenomen bouwactiviteiten vinden daarnaast plaats op volledig verhardde gronden die ecologisch geen bijzondere waarde hebben. Voor het overige wordt opgemerkt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 5.7.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is getoetst aan de ‘Beleidskaart bij gemeentelijk archeologiebeleid Brummen’. Deze kaart is door middel van archeologische dubbelbestemmingen doorvertaald in het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Archeologie”. Hieruit blijkt dat het plangebied ligt in een zone met een hoge en een zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de verbeelding van het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

33

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Archeologie” opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning aangegeven.

Afbeelding 5.2

Uitsnede geldend bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Archeologie” (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In voorliggend geval vinden er bodemingrepen plaats ten behoeve van de bouw van een schuur. Deze activiteiten vinden plaats op gronden die zijn voorzien van de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie zeer hoog’. Ter plaatse van deze gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm en over een oppervlak van meer dan 100 m². Hoewel de te realiseren schuur een oppervlak krijgt van circa 105 m², beperken de bodemingrepen slechts tot het graven van enkele gaten voor poeren. De bodemingrepen blijven daarmee onder de grens van 100 m², waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Ter bescherming van eventuele archeologische waarden, worden de geldende archeologische dubbelbestemmingen in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in of nabij het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

34

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld van bijzondere cultuurhistorische waarden. Hoewel de bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied karakteristieke eigenschappen kent, is deze niet aangewezen als monument of als formeel karakteristieke bebouwing. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

35

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het realiseren van een dierenartspraktijk is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ (D 11.2). Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit wordt vergeleken met de omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

36

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet.

6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe heeft op 25 november 2009 het Waterbeheerplan 2010-2015 vastgesteld en Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland hebben dit plan goedgekeurd bij besluit van 17 december 2009. Een belangrijk uitgangspunt in het beleid is het principe van niet afwentelen. Kort gezegd betekent dit dat met het oplossen van het ene probleem, geen nieuw probleem mag ontstaan. Dit geldt voor het waterbeleid én voor de daarmee samenhangende kosten. Indien nodig zal Waterschap Vallei en Veluwe (regen)water zo veel mogelijk bovenstrooms vasthouden, vervolgens (tijdelijk) bergen in zogenaamde retentiegebieden en pas daarna afvoeren naar elders. Bij de uitwerking van dit voornemen wil het Waterschap duurzaam omgaan met het watersysteem. Concreet betekent dit dat waterlopen breder en minder diep gemaakt worden, flexibel peilbeheer of het laten meanderen (slingeren) van watergangen. Ook is het beter regen-, grond- en oppervlaktewater schoon te houden, dan het later te moeten zuiveren. Maatregelen om schone en vuile waterstromen te scheiden hebben daarom de voorkeur. Bij daken en wegen kan gedacht worden aan het loskoppelen van de regenwaterafvoer van het rioleringsysteem. Eén van de belangrijkste taken van Waterschap Vallei en Veluwe is het beschermen van het beheersgebied tegen hoogwater.

Hoogwater mag niet afgewenteld worden op aangrenzende waterschappen of de IJssel en de randmeren. Het Waterschap zorgt dan ook voor veilige dijken waarbij de cultuurhistorie en natuurwaarden niet uit het oog worden verloren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

37

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied. Voorgenomen planologische wijziging heeft ook geen gevolgen voor deze gebieden. Het initiatief voorziet in functiewijziging van bestaande bebouwing en vervangende nieuwbouw. Er vinden geen wijzigingen plaats in de waterhuishouding en er is geen sprake van het extra bebouwen of verharden van het plangebied. Er is geen sprake van waterschapsbelangen, een watertoets is daarom achterwege gelaten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

38

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

39

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld •

7.2.4

Wijzigingsbevoegdheid: op welke onderdelen Burgenmeester en wethouders het plan kunnen wijzigen. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

•

•

7.2.5

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8) Dit artikel bevat algemene regels omtrent het bouwen van gebouwen grenzend aan een verkeersbestemming en watergang. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiding bestemming helder en duidelijk moet zijn. Overige regels (Artikel 10) In dit artikel is het omgevingsvergunningstelsel opgenomen. Hier wordt in gegaan op werken en werkzaamheden, uitzonderingen vergunningsplicht, afwegingscriteria, andere wettelijke regelingen en strafbepaling. Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Agrarisch met waarden – Landschapswaarden (Artikel 3) De delen van het plangebied waar niet de bedrijfsactiviteiten plaats (gaan) vinden, alsmede waar geen nieuwe landschapsmaatregelen worden getroffen zijn, overeenkomstige de bestaande situatie, voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor agrarische doeleinden, alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden.

Daarnaast is in de bouwregels bepaald dat ter plaatse uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale bouwhoogte van 1,25 m mogen worden gebouwd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

40

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld Bedrijf (Artikel 4) Het deel van het plangebied waar de (toekomstige) bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, is voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’. De omvang van de bedrijfsbestemming is gevormd door de bestemmingsgrens van de, op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied 2008”, opgenomen bestemming “Bedrijf” te combineren met hetgeen in het erfinrichtingsplan is opgenomen. De regels zijn zodanig opgesteld dat de mogelijkheden uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” en de omgevingsvergunning “Windheuvelstraat 11” zijn gecombineerd. Hieraan is het exploiteren van een inpandige dierenartspraktijk aan toegevoegd. De voor ‘Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor een mengvoeder- en veevoederdistributiebedrijf met daaraan gelieerd detailhandel. Tevens zijn een dierenartspraktijk en een bedrijfswoning toegestaan. In de bouwregels is opgenomen dat de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen en overkappingen maximaal 2.137,2 m² mag bedragen. Van dit oppervlak mag 1.275 m² worden gebruikt ten behoeve van detailhandel (conform de verleende omgevingsvergunning) en 40 m² ten behoeve van een dierenartspraktijk. Ter plaatse is eveneens een dienstwoning toegestaan. Groen (Artikel 5) De bestemming groen in opgenomen ter plaatse van de houtsingel aan de noordzijde van het plangebied.

De gronden voorzien van deze bestemming zijn bestemd voor onder andere opgaande beplanting ten behoeve van behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden in de vorm van houtwallen en groenvoorzieningen. Waarde – Archeologie hoog & Waarde (Artikel 6) – Archeologie zeer hoog (Artikel 7) Het plangebied is, conform het ontwerp ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’, voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie hoog’ en ‘Waarde Archeologie zeer hoog’. De met deze dubbelbestemmingen aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

41

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Brummen. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

42

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Gelderland

Het plan wordt in het kader van vooroverleg naar de provincie Gelderland toegezonden. 9.1.3

Waterschap Vallei en Veluwe

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van waterschapsbelangen. Overleg met het waterschap wordt niet noodzakelijk geacht.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

43

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

44

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

Bijlage 2

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

45

Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Windheuvelstraat 11 Brummen” Vastgesteld

Bijlage 3

Stikstofonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

46

ruimtelijk kwaliteitsplan Windheuvelstraat 11 Brummen

colofon Door:

dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk

Telefoonnummer

06 24 88 38 28

E-mail

herbert@erfontwikkelaar.nl

Internet

www.erfontwikkelaar.nl

Project

2135

Auteur

H. Oldehinkel

Datum:

10 oktober 2022

Laatste wijziging: Aantal pagina’s

2

20

3 Inhoudsopgave colofon

2

introductie

4

windheuvelstraat 11

6

vigerend beleid

8

ontstaan van het landschap

10

het erf aan de windheuvelstraat

12

concept

14

erfinrichtings plan

16

landschapsmaatregelen

18

referenties schuur

19

introductie

dé Erfontwikkelaar b.v. heeft het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling aan de Windheuvelstraat 11 te Brummen. Op dit erf is van der Bijl Diervoeders gevestigd met een winkel, bedrijfsruimten en een bedrijfswoning. Het voornemen bestaat om een bestaande hooischuur te vervangen. Aangezien deze buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd dient middels een ruimtelijke kwaliteitsplan aangetoond te worden hoe dit landschappelijk goed wordt ingepast. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor het landschapsbeleidsplan Brummen 2008 en de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op groen' als vigerend beleid.

4

5

Windheuvelstraat 11

locatie plangebied

windheuvelstraat 11

Het erf aan de Windheuvelstraat 11 is in gebruik als handelsbedrijf met een winkel. Het kent een orientatie op de Windheuvelstraat met een nevenontsluiting op de Voortweg. Op het erf staan verschillende opstallen en een bedrijfswoning. Ten zuiden van de opstallen is een parkeerterrein voorzien. Aan de oostzijde is een buitenopslag. Het terrein is met name aan de oostzijde landschappelijk ingepast met een houtsingel/bosje. Het voorterrein bestaat uit een tuin met leilinden en enkele grote bomen (beuken/noot/fruitbomen). Wel staan hier enkele (ongewenste) gebiedsvreemde beplanting in de vorm van coniferen/laurier. De beoogde ontwikkeling is kleinschalig en zal op het erf plaatsvinden. Een bestaande hooischuur en luifel wordt gesloopt en vervangen door een nieuwe schuur.

6

7

buren

buren

te slopen hooischuur

nieuwe hooischuur

bestaande winkel en opslag

te slopen luifel

bestaand parkeerterrein

overzicht ontwikkeling

vigerend beleid

LANDSCHAPSBELEIDSPLAN BRUMMEN 2008 De contouren van het landschap van de gemeente Brummen zijn grotendeels bepaald tijdens de ijstijden. Door het bewegende landijs is het IJsseldal uitgeschuurd en de Veluwe opgestuwd (stuwwal). In de vlakte tussen de Veluwe en de IJssel zijn door de wind dekzandruggen afgezet. Het rivierenlandschap is gevormd in de periode na de IJstijden. Langs de flanken van de rivier werden oeverwallen afgezet. Door verstuiving van het rivierzand zijn plaatselijk duinen ontstaan. In het rivierdal heeft de IJssel steeds zijn bedding verlegd. Dit heeft geleid tot een aantal verschillende gebieden met elk zijn eigen kenmerken. De verschillen tussen deze gebieden waren voor de mens aanleiding tot divers gebruik. Voorliggend projectgebied wordt op grond van het ‘Landschapsbeleidplan Brummen 2008’ getypeerd als het deelgebied ‘Oeverwal’. De oeverwal is de overgang tussen het licht glooiende dekzandgebied en de uiterwaarden van de IJssel. De IJssel heeft in het verleden sedimenten afgezet langs de rivier. Deze sediimenten vormen een hogere zone in het landschap: de oeverwal. Karakteristiek voor dit gebied is de iets hogere en drogere ligging in het landschap, waardoor het gebied al vroeg bewoond was.

Bij de bewoningsgeschiedenis van de oeverwal hoort ook het beeld van open akkercomplexen rondom de dorpen en een hoofdwegenpatroon die de noord-zuid richting van de oeverwal volgt. De lagere, natte gronden op de oeverwal waren in gebruik als grasland en waren vaak verdeeld met behulp van kavelbeplanting. De kavelen wegenpatronen zijn op de oeverwal onregelmatig, bochtig en nog goed herkenbaar. Ook onverharde wegen in dit gebied zijn karakteristiek.

8

RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGSVISIE 'LIGT OP GROEN' De ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ (ROV) is op 28 september 2006 door de raad van de gemeente Brummen vastgesteld. Dit beleidsdocument vormt een inspirerend wensbeeld in de vorm van ambities en doelen en is koers uitgezet in de richting van dit wensbeeld. Strategische beleidsuitspraken zijn vertaald naar een ontwikkelingsprogramma voor de periode tot 2015. Het inzetten van nieuwe ontwikkelingen ter versterking van groene kwaliteiten staat centraal in de visie. De identiteit van de gemeente Brummen wordt vooral bepaald door de groene kwaliteit. Deze groene kwaliteiten, en niet de programmatische wensen, zijn het vertrekpunt voor toekomstige ontwikkelingen. De ROV onderscheidt vijf landschappelijke zones, met elk eigen ontwikkelingsmogelijkheden en –wensen. De zones zijn noord-zuid gericht. Van oost naar west zijn dit de IJsselvallei, de Oeverwal, het Arcadisch landschap, de Veluweflank en de Veluwe. Het projectgebied is gelegen in de landschappelijke zone ‘Oeverwal’

De gemeente Brummen zet in op het herkenbaar maken van de oeverwal als een eenheid. De gemeente Brummen wil de bestaande landschappelijke kenmerken benadrukken en versterken. Ook is het goed mogelijk om nieuwe stedelijke ontwikkelingen in dit gebied een plek te geven, juist ter versterking van het landschap. De nadruk wordt gelegd op behoud van openheid op akkercomplexen en het verdichten van het overige landschap door toevoeging van lanen, kavelbeplantingen en bebouwing. Uiteindelijk doel is verdichting van het landschap, waarmee de huidige doorsnijdingen ruimtelijk worden afgezwakt en het gebied beter ruimtelijke veranderingen kan opnemen. Met behulp van extra beplantingen kan de karakteristiek van kronkelende wegen en onregelmatige kavels, in contrast met de aangrenzende deelgebieden, benadrukt worden. Voor de ontwikkeling van het ruimtelijk streefbeeld vormen de kernkwaliteiten van het waardevolle landschap Zuidelijke IJsselvallei uit de structuurvisie Gelderland het uitgangspu

9

te slopen hooischuur

te slopen hooischuur

ontstaan van het landschap

Het erf is eind 19e eeuw op deze plak ontstaan. Het landschap was toen kleinschaliger met boomgaarden en bomenrijen op de kavelgrens. De structuur van de wegen is weinig veranderd. De erven liggen verspreid door het landschap en kennen een duidelijke orientatie op de weg. De boerderijen staan met de voorzijde richting de weg met daarachter enkele opstallen. De zandpaden in het gebied zijn door de jaren heen of verhard of verdwenen. Ook is de verkaveling grootschaliger geworden waarmee landschapselementen verdwenen zijn.

10

situatie 2021

11

situatie 1950

situatie 1900

het erf aan de windheuvelstraat

Het plangebied maakt onderdeel uit van een cluster erven. Een duidelijke visuele scheiding is er niet. Het erf is praktisch ingericht met relatief veel verharding en enkel langs de randen enige beplanting. Het erf kent een een indeling dat het onderscheid in het ‘voor-’ en ‘achtererf’ versterkt. Het voorerf bestaat uit een siertuin met sierbeplanting en enkele volwassen bomen. Het achtererf is veel extensiever ingericht met een houtsingel en een bosje oostzijde. Ook wordt het perceel met de buren afgeschermd middels een meidoornhaag.

de bestaande bedrijfswoning

Dit onderscheid in voor- en achtererf is waardevol en kenmerkend in het landschap. Aangezien dit erf zich door de jaren heen heeft ontwikkeld staan de gebouwen uitgelijnd aan elkaar. De bedrijfswoning is nogsteeds het belangrijkste gebouw op het erf. De gebouwen daarachter zijn welliswaar groter maar qua hierarchie onderdanig. Een bestaande hooischuur staat op de grond van de buren.

12

het erf vanaf de Voortweg

13

landschapstructuurkaart

concept

Het gaat hier om een kleine ontwikkeling. Er wordt een gelijke oppervlakte gesloopt. De nieuwbouw vindt plaats waar nu al een luifel aanwezig is. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling een zeer geringe impact op de omgeving heeft. Het plan bestaat grotendeels uit het behouden van de bestaande gebiedseigen beplantingen en het toevoegen van een houtsingel aan de zuidzijde.

14

15

buren bosje

bestaande

nieuwe aanbouw

bedrijfsgebouwen

buiten opslag nieuwe singel parkeren fruitbomen Windheuvelstraat

inpassing nieuwe erf

erfinrichtings plan

Het erf aan de Windheuvelstraat is momenteel grotendeels landschappelijk goed ingepast. De zuid-oostzijde is veel opener. Hiermee vallen de verschillende gebouwen vanuit deze zijde meer op. Hier is geen ruimte om extra beplanting te voorzien. De zuidzijde is goed ingepast met enkele bomen en hagen in de tuin. Wel staan er aan de oostzijde enkele gebiedsvreemde beplantingen die vervangen dienen t worden. Gekozen is om een nieuw houtsingel aan te planten die eventuele buitenopslag afschermd. Tevens draag deze singel bij aan de biodiversteit. De nieuwe hooischuur wordt aansluitend op de bestaande schuur gebouwd. Opvallende kleuren zijn vanuit het landschap niet wenselijk. Materialen die mooi verouderen en passen in het landschap moeten worden toegepast. Op de volgende pagina is een collage opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13855308/4