Vaststelling bp Baroniestraat 24 Boxtel- Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
De gekozen inrichting van de ecologische verbindingszone binnen het plangebied in de vorm van een corridor wijkt af van de beoogde inrichtingsvisie voor het gebied zoals opgenomen in de Groene Levensader. Met de gekozen inrichting worden de beoogde ecologische doelstellingen zoals voorgesteld in de Groene Levensader wel bereikt en middels dit plan geborgd. 3.4.5 Boxtel 2020, duurzaam en dynamisch centrum in het Groene Woud In deze strategische visie van 29 juni 2009 is aangegeven in welke richting de gemeente Boxtel zich in de periode 2010-2020 wil ontwikkelen. De visie spreekt een zestal ambities uit: 1. Boxtel blijft voorop met duurzaamheid; 2. Boxtel ontwikkelt toerisme en recreatie tot een volwaardige bedrijfstak;
35/82
3. 4. 5. 6.
Boxtel versterkt zijn positie als werkgelegenheidsgemeente; Boxtel werkt aan een sterk centrum; Boxtel is ook in 2020 een prima woongemeente; Boxtel heeft een modern bestuur.
Toetsing Voor voorliggende ontwikkeling zijn met name de ambities genoemd onder 1. en 5. van belang. Het planvoornemen draagt bij aan de ambitie om voorop te lopen op het gebied van duurzaamheid in Boxtel (zie ook paragraaf 4.11). Daarnaast draagt het planvoornemen bij aan de ambitie om ook in 2020 een prima woongemeente te zijn. Er wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan (zorg)woningen. Hierdoor is doorstroming mogelijk en worden indirect dus mogelijkheden geboden aan starters om een woning in Boxtel te kunnen betrekken. 3.4.6 Boxtel Energie Neutraal 2040 (2011) In het uitvoeringsprogramma ‘Boxtel Energie Neutraal 2040’ wordt er ingegaan op specifieke activiteiten en beoogde resultaten voor verschillende perioden tot en met 2040. Voor woningbouw geldt dat in elk bestemmingsplan een duurzaamheidsparagraaf wordt opgenomen. In zowel onderhavige paragraaf, paragraaf 3.4.7 alsmede paragraaf 4.11 wordt uitgebreid stilgestaan bij het aspect duurzaamheid. Projectontwikkelaars en bouwpartijen geven bij hun bouwplannen een onderbouwing van de mogelijkheden voor duurzaam gebruik, zodat de gemeente deze kan screenen qua energiegebruik. In het kader van de duurzaamheid zijn tussen de gemeente en de initiatiefnemer afspraken gemaakt over hoe met energie en duurzaamheid wordt omgegaan. Deze afspraken zijn in een anterieure overeenkomst vastgelegd.
3.4.7 Visie Duurzaam Boxtel 2030 (2017) De gemeente Boxtel is na het uitvoeringsprogramma Boxtel Energie Neutraal 2040 samen met haar inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen bezig met nieuw beleid omtrent energie en duurzaamheid. In 2017 is de visie ‘Duurzaam Boxtel 2030’ opgesteld. De visie bestaat uit vier thema’s, te weten: Samen leven in Boxtel, groen leven in Boxtel, ondernemend leven in Boxtel en energiek leven in Boxtel. In het thema Samen leven in Boxtel staat het sociale aspect van duurzaamheid centraal. Binnen dit thema zijn er een viertal doelstellingen geformuleerd: de zichtbaarheid van initiatieven, voorzieningen en activiteiten moet worden verbeterd; er moet meer aandacht komen voor (spontane) ontmoetingen in de wijk; meer kruisbestuiving en samenwerking tussen verschillende initiatieven; de openbare ruimte en voorzieningen moeten bereikbaar zijn voor iedereen. In het thema Groen leven in Boxtel staat het ecologische aspect van duurzaamheid centraal. Binnen dit thema wordt er ingezet op de volgende doelstellingen: naast het vergroenen van de openbare ruimte activeert de gemeente haar samenleving om eigen gronden te vergoenen;
36/82
de kwaliteitsverbetering van het groen vormt een uitgangspunt voor de leefomgeving. Hierbij is het van belang dat de kwaliteitsverbetering een bijdrage dient te leveren aan klimaatadaptatie en biodiversiteit; de thema’s klimaatadaptatie, biodiversiteit en voedsel dienen integraal benaderd te worden. Een investering in één van deze thema’s dienen een bijdrage te leveren voor een ander thema; duurzaam gebruik van restafval door het beperken van restafval, het beter scheiden van afval en het hergebruiken van restafval en grondstoffen. In het thema Ondernemend leven in Boxtel staat het economische aspect van duurzaamheid centraal. Ondernemers hebben een zeer bepalende rol in de duurzame ontwikkeling. De gemeente moet bedrijven en ondernemers mee krijgen om te verduurzamen en coördineert de acties. Dit doet de gemeente door: te faciliteren in duurzaamheidsinitiatieven, ook duurzame initiatieven die strijdig zijn met het rijks- of provinciaal beleid; de huidige situatie in beeld te brengen; verduurzaming door bedrijven te belonen door een financieringsconstructie. In dit thema staat het aspect energie centraal. Boxtel wil als gemeente in 2030 energieneutraal zijn.
Om dit te bereiken wil de gemeente: duurzame energieoplossingen zichtbaar maken; de voordelen en de mogelijkheden van het besparen van energie positief uitdragen; focussen op meest kansrijke bronnen, te weten biomassa, wind, zon en rest- en omgevingswarmte; grootschalige energieplannen aan het sociaal energieplan te toetsen. In het plangebied wordt een tot dus verre privaat perceel gedeeltelijk openbaar toegankelijk gemaakt. Daarbij wordt veel aandacht geschonken aan een groene aankleding met zoveel mogelijk behoud van bestaande bomen en waar dat niet mogelijk is in de verkaveling, het vervangen door nieuwe (zie schetsontwerp bijlage 26). Ook wordt ter plaatse de ecologische zone uitgebreid waardoor meer groen- en natuurkwaliteit ontstaat. De afspraken over energie en duurzaamheid zijn zoals boven beschreven in de anterieure overeenkomst vastgelegd. 3.4.8 Welstandsnota 2016 Het bestemmingsplan treedt regelend op voor wat betreft functie, plaatsing en maatvoering van gebouwen en andere bouwwerken. Bij vergunningverlening wordt een ingediend plan eerst getoetst aan het bestemmingsplan. Indien een plan in principe voldoet aan het bestemmingsplan vindt welstandstoetsing plaats volgens de Welstandsnota uit 2016. De gemeente Boxtel kent een groot aantal rijks- en gemeentelijke monumenten, evenals cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en beeldbepalende panden.
De genoemde panden en objecten met monumentale waarde zijn onder een bijzonder welstandsregime geplaatst. Toetsing Uit de Welstandsnota blijkt dat het plangebied valt onder het deelgebied 'bijzondere bebouwing, instellingen en instituten'. Instellingen en instituten hebben een sterke eigen identiteit, in enkele gevallen zijn ze in dezelfde stijl als de omliggende woonwijk ontworpen. Een sterke eigen architectonische expressie is daarbij van belang.
37/82
Instituten vormen daarnaast met hun ruime groene setting een belangrijke kwaliteit voor de wijde omgeving. Bij nieuwbouw wordt de voorkeur gegeven aan ontwikkeling in één stijl passend in de eigen omgeving, bij voorkeur geclusterd of anderszins in onderlinge samenhang. Hoofdgebouwen worden daarnaast bij voorkeur naar de straatzijde georiënteerd. Ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan de karakteristieken van de omgeving. In paragraaf 2.2 wordt de beoogde ontwikkeling uitgebreid beschreven. Het beoogde plan is in overeenstemming met de redelijk eisen van welstand. Het advies van de Welstandscommissie is als Bijlage 2 aan deze toelichting gehecht en zal worden opgevolgd. Conclusie Het planvoornemen is op het gebied van welstand als passend binnen zijn omgeving beoordeeld. Er wordt aansluiting gezocht op de bouwstijlen in de directe omgeving (zie ook paragraaf 2.2). 3.4.9 Bomenbeleidsplan 'Beeldbepalend groen in de tijd’ De gemeente Boxtel heeft in 2007 het Bomenbeleidsplan vastgesteld. Het bomenbeleid heeft als doel om de kwaliteit van de leefomgeving en de beeldkwaliteit in de gemeente te handhaven en te bevorderen. Het beleid is daarnaast gericht op een toename van de biodiversiteit, ecologische waarde en duurzaamheid.
Het beleid voor bomen sluit aan op aan de cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en architectonische waarde en houdt rekening met gebruikswaarde en toekomstige waarde. In het beleid wordt een hoofdboomstructuur onderscheiden die aansluit op de structuurlijnen uit de structuurvisie van de gemeente Boxtel. Toetsing In Boxtel staan oude beeldbepalende bomen die bijzondere bescherming verdienen. Van deze monumentale en bijzondere bomen heeft de gemeente een lijst opgesteld. Ter hoogte van de tuin achter de pastorie zijn twee door de gemeente aangewezen 'bijzondere bomen' aanwezig. Het betreft een notenboom en een esdoorn. Behoud en bescherming van bijzondere bomen is een belangrijk uitgangspunt bij de verdere planontwikkeling. De notenboom is mogelijk door de vorige eigenaar al verwijderd en is niet ter plaatse aangetroffen. Tussen initiatiefnemer en gemeente is een herplantplicht afgesproken ter compensatie van eerder gerooide bomen. Er worden 13 bomen en heesters aangeplant, zie het schetsontwerp, opgenomen in bijlage 26. Het inrichtingsplan (uitwerking) wordt ter goedkeuring aan het college van burgemeester en wethouders voorgelegd. De esdoorn wordt behouden en beschermd (conform bijlage 6). Ook de bomenrij (8 Hollandse Lindes) ten oosten van het plangebied zal behouden blijven en tijdens de bouwwerkzaamheden worden beschermd.
Daarbij wordt voldaan aan de aanbevelingen zoals opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de boomeffectanalyse blijkt dat, door gebruik te maken van de juiste bescherming, deze bomen goed behouden kunnen blijven. 3.4.10 Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan 2008-2020 Het Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan 2008-2020 (GVVP) geeft een overzicht van maatregelen die nodig zijn om de gemeente Boxtel voor de komende jaren leefbaar, verkeersveilig en bereikbaar te houden. De gemeente Boxtel heeft haar parkeerbeleid in 2007 vastgelegd in de notitie ‘Parkeernormen Gemeente Boxtel’. Toetsing
38/82
Toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de geldende parkeernormen is opgenomen in paragraaf 4.7.
39/82
Hoofdstuk 4
Milieuhygiënische- en planologische verantwoording
Een aantal onderzoeken en adviezen die als bijlagen aan de toelichting zijn gehecht zijn uitgezet ten tijde van een vorige versie van het project en gaan daarom uit van een iets ander woningbouwprogramma. Deze onderzoeken/adviezen zijn evenwel locatiegericht, zodat de aanpassingen van het woningbouwprogramma geen invloed hebben op de uitkomst van deze onderzoeken.
4.1
Bodem
4.1.1 Beleid en normstelling Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). 4.1.2 Onderzoek en conclusie Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd. Algemene bevindingen veldwerkzaamheden In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan lood, kwik en PAK aanwezig. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.
Grondwater In het grondwater is barium in een licht verhoogd gehalte gemeten. Tevens is een licht verhoogd gehalte aan zink aangetoond. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde bevindingen is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Pfas Het plangebied is over het algemeen laag gelegen. Ter plaatse zullen gronden worden aangebracht om
40/82
hoogteverschillen op te heffen. Er zullen dus geen gronden worden afgevoerd. Actualisatie Vanwege de leeftijd van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek is een historisch vooronderzoek uitgevoerd (bijlage 8). Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat voldoende inzicht is verkregen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. De locatie is niet verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Voor zover bekend zijn geen activiteiten op het perceel uitgevoerd die kunnen hebben geleid tot een bodemverontreiniging in de periode na 2016. De conclusies uit het onderzoek van 2016 blijven hierdoor van toepassing. 4.1.3 Conclusie Uit het bodemonderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering. Deze conclusie wordt bevestigd in het historisch vooronderzoek. Indien er werkzaamheden in of aan de waterkant van 'Smalwater' uitgevoerd worden, is naar alle waarschijnlijkheid een waterbodemonderzoek nodig. Indien dit het geval is, wordt contact opgenomen met Waterschap de Dommel.
4.2
Milieueffectrapportage
4.2.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
41/82
4.2.2 Onderzoek In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 2000 of meer woningen. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 48 niet-zelfstandige wooneenheden en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Dit document is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure. De gemeente heeft dit bevestigd door middel van het collegebesluit genomen op 20 december 2023. De vormvrije mer-beoordeling is uitgevoerd voor de totale ontwikkeling (inclusief pastorie).
4.3
Water
4.3.1 Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap De Dommel, die verantwoordelijk is voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Dit geldt ook voor de zienswijze die het waterschap heeft ingediend op voorgenoemd plan (zie ook paragraaf 5.2) 4.3.2 Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW). Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Waterwet. Provinciaal: Omgevingsvisie Noord-Brabant c.q. het Provinciaal Milieu en Waterplan 2016-2021.
Waterschapsbeleid Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied
42/82
toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal.
Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente heeft wettelijke zorgplichten ten aanzien van afval-, hemel- en grondwater. De ambitie is om in het verlengde van de zorgplichten bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals een klimaatbestendige en duurzame omgeving en een doelbewuste samenwerking met inwoners/bedrijven en regionale waterpartners.
Om invulling te geven aan deze ambities en de toekomstvisie zijn voor de aankomende planperiode de volgende speerpunten geformuleerd: 1. Klimaatbestendig Boxtel 2. Wijkgerichte rioolvervanging 3. Samenwerken met inwoners, bedrijven en waterpartners 4. Verankeren water- en rioolbeheer in de Omgevingswet 5. Water plaatselijk zuiveren en hergebruiken 6. Grondwaterhuishouding
43/82
Per speerpunt is een ambitie en een strategie geformuleerd. Voor de beoogde ontwikkeling gaat het in het bijzonder om het gescheiden inzamelen van stedelijk afval- en hemelwater, hydrologisch neutraal ontwikkelen en het kiezen voor slimme bovengrondse oplossingen in de vorm van groenvoorzieningen en het stroomlijnen van oppervlakkige afvoer. Watervisie Boxtel Samen met de gemeente Sint-Michielsgestel en Waterschap De Dommel heeft de gemeente Boxtel een Watervisie opgesteld. Het plan biedt een overzicht van de maatregelen die genomen moeten worden voor een goed waterbeheer. Daarbij gaat het om maatregelen op de korte en de lange termijn. De Watervisie Boxtel is een afgeleide van het Waterbeheerplan en vormt als zodanig het kader voor de nadere uitwerking van onderliggende plannen, waaronder het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (hierna: vGRP). De thema’s en streefbeelden uit het Waterbeheerplan zijn geëvalueerd en waar nodig in de visie geactualiseerd. Dit betekent onder meer dat er ‘hydrologisch neutraal’ moet worden gebouwd conform de Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. Eventuele compensatie, geëist door de gemeente, dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem.
Deze watertoets dient derhalve aangeleverd te worden ter goedkeuring aan het waterschap. Als een voorziening wordt aangelegd, kan een (indicatief) onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem noodzakelijk zijn. In eerste instantie is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor de verwerking op zijn terrein. 4.3.3 Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen aan de Baroniestraat, in de bebouwde kom van Boxtel, ten noordwesten van het centrum (figuur 1.1). Het plangebied omvat het terrein achter de pastorie en is grotendeels onverhard. Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Boxtel ligt is het plangebied niet gekarteerd. Uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 4.1) blijkt dat de bodem uit matig fijn siltig zand bestaat. Er is een watertoets uitgevoerd. Deze toets is opgenomen in bijlage 10. Waterkwantiteit Het Smalwater is op de legger van het Waterschap de Dommel aangegeven als primaire watergang (A-watergang), zoals zichtbaar in figuur 4.1. Deze primaire watergang heeft aan weerszijden een beschermingszone van 5 meter. Binnen de beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden. De primaire watergang heeft, op basis van de hier aanwezige natte natuurzone, ook een profiel van vrije ruimte van 10 meter.
Het profiel van vrije ruimte is de ruimte die nodig is volgens de beheerder voor toekomstige verbeteringen. In het profiel van vrije ruimte is het verboden zonder vergunning werken te plaatsen, wijzigen of behouden.
44/82
Figuur 4.1 Uitsnede vastgestelde legger oppervlaktelichamen Waterschap de Dommel Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is deels aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. 4.3.4 Toekomstige situatie Waterkwantiteit Bij toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m2 zijn volgens De Keur watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Het planvoornemen voorziet in extra verharding met een oppervlakte van circa 2.060 m2. Conform het beleid van het Waterschap en de gemeente Boxtel is ten aanzien van de ontwikkeling een compenserende berging benodigd van circa 124 m3 (2.060 m2 x 60 mm / 1.000). De keuze wordt gemaakt om waterberging ondergronds op te lossen, via infiltratiekratten onder de parkeerplaats. Bovengrondse waterberging is niet mogelijk vanwege de zelfredzaamheid van de zorgbehoevende bewoners van het pand. De EVZ is niet bedoeld voor het oplossen van de ruimteclaim van de waterberging. De waterberging onder de parkeerplaats is voldoende voor de complete waterberging (124 m3). De overstort (bij extreme buien, zoals het waterschap zelf aangeeft) kan naar de EVZ. In overleg met het waterschap zijn maatregelen verwerkt waarmee extra waterbergende capaciteit wordt toegevoegd.
Ook vanwege de ligging aan de A-watergang en in de nabijheid van het profiel van vrije ruimte. De maatregelen leiden tevens tot een verbetering van de aanwezige ecologische verbindingszone. Binnen het plangebied wordt de ecologische verbindingszone ingericht met een (retentie)poel.
45/82
Figuur 4.2 uitsnede inrichtingsplan met retentiepoel Hemelwater van daken, parkeerplaatsen en erfverhardingen wordt op conventionele wijze ingezameld en geborgen in een ondergrondse hemelwaterbergingsvoorziening onder de parkeerplaats met een overstort naar de EVZ. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. De GHG voor de planlocatie is ingeschat op 6,30 m +NAP. Het toekomstig maaiveldniveau ter plaatse van de parkeerplaats komt op 8,25 m +NAP te liggen. Daarmee zal de GHG in de toekomstige situatie op ca. 1,95 m -mv liggen. In afstemming met de provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel en de gemeente Boxtel is overleg gevoerd over het ontwikkelen van natuur in het plangebied nabij de rivier Smalwater direct ten noorden van het plangebied. Daarbij is afgesproken om de bebouwingsvrije zone te verruimen en het initiatief hierop aan te passen (van 10 m naar 25 m). Zie paragraaf 2.2 en figuur 2.5 van de toelichting alsmede artikel 3.4.1 en bijlage 1 bij de regels. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame,
46/82
niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid wordt de nieuwbouw voorzien worden van een gescheiden rioleringsstelsel. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. In artikel 3.4.3 de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het bergen van water. De uitvoerbaarheid is daarmee geborgd. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. De openbare ruimte en de corridor inclusief de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door gemeente. De watergang wordt door het waterschap onderhouden. In de legger zijn beschermingszones ten behoeve van dat onderhoud van de watergang opgenomen. Voor regulier onderhoud is dat 1 meter vanaf de insteek. Voor buitengewoon onderhoud is dat normaal gesproken 5 meter.
Omdat het onderhoud vanaf de overkant van Smalwater (buiten het plangebied) wordt uitgevoerd, geldt hier een beschermingszone van 0 meter. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht (tenzij voldaan wordt aan de Algemene Regels (artikel 14 en 15) uit het Keur): - Toename verhard oppervlak; - Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; - Tijdelijke grondwateronttrekkingen; - Tijdelijke lozingen van bemalingswater; - Werkzaamheden in het profiel van de vrije ruimte.
47/82
4.3.5 Conclusie Op basis van deze invulling is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan. Voor de werkzaamheden in het profiel van de vrije ruimte, voor de realisatie van de ecologische verbindingszone, geldt een watervergunningplicht.
4.4
Bedrijvigheid en milieuzonering
4.4.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen, waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.4.2 Onderzoek Voor milieuzonering moet je formeel meten van het bouwvlak (van bijvoorbeeld een woning) tot aan de bestemmingsgrens/perceelsgrens van de milieuhinderlijke functie.
Gezien de diversiteit aan functies (wonen in combinatie met maatschappelijke functies) in en rondom de planlocatie en de ligging van het plangebied nabij de drukke weg (Baroniestraat) kan het gebied worden aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Voor de begraafplaats geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Voor de kerk geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand van de kerk tot de pastorietuin bedraagt minimaal 30 meter afstand. De beoogde ontwikkeling is daarmee op voldoende afstand gelegen. In de Heilig Hartkerk in Boxtel worden overigens sinds begin 2015 geen kerkelijke (ere)diensten meer gehouden. Wel zijn er sindsdien diverse activiteiten georganiseerd, zoals de uitvoering van een musical. Naast religieuze activiteiten zijn ter plaatse van de kerk op dit moment ook juridisch-planologisch andere functies toegestaan zoals ten behoeve van sport en spel, gezondheidszorg, onderwijs etc. Deze activiteiten kennen allemaal een maximale richtafstand van 10 meter ten opzichte van een gemengd gebied (milieucategorie 2). Hieraan wordt voldaan. Aan de overzijde van de Baroniestraat, op ruim 20 meter afstand is de basisschool Angelaschool gevestigd. Deze afstand is gemeten vanaf het bouwvlak van de nieuwe woonzorggebouwen tot de perceelsgrens van de school. Voor een basisschool geldt een richtafstand van 10 meter ten opzichte van gemengd gebied.
Aan deze richtafstand wordt voldaan. Tevens wordt het schoolplein aan de zuidzijde van de Angelaschool afgeschermd door de bebouwing van de Angelaschool. De school veroorzaakt dan ook geen relevante milieuhinder ter plaatse
48/82
van het plangebied. Ten oosten van het plangebied is het St. Ursulaklooster gelegen met daarin diverse dienstverlenende/maatschappelijke functies, waaronder de GGD, bureau Halt en het Centrum voor Jeugd en gezin. Voor deze activiteiten geldt een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. Naast de huidige activiteiten zijn ter plaatse van het klooster ook juridisch-planologisch andere functies toegestaan. Deze activiteiten kennen, net als bij de kerk, allemaal een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Ook daaraan wordt voldaan. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de woningbouwontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting, dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen
49/82
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna: Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beleid Boxtel 2010 In het beleidsstuk externe veiligheid van gemeente Boxtel (2010 )zijn een aantal gebiedstypen beschreven. Een daarvan is het gebiedstype' risicoluw gebied'. Een risicoluw gebied kenmerkt zich door een hoge bevolkingsdichtheid. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn hier niet gewenst. Bij bestaande risicovolle inrichtingen worden de noodzaak en mogelijkheden tot sanering onderzocht. In de nabijheid van risicovolle infrastructuur zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan, mits het planontwerp wordt geoptimaliseerd (mogelijkheden voor beheersbaarheid van calamiteiten, zelfredzaamheid van de burgers etc.).
Figuur 4.3 Risicoluw gebieden
50/82
4.5.2
Onderzoek
Figuur 4.4 Uitsnede EV signaleringskaart Uit de informatie op de signaleringskaart blijkt dat het plangebied zich buiten het invloedsgebied van de weg, het water en risicovolle inrichtingen bevindt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Circa 380 m ten westen van het plangebied is een DPO-leiding gelegen. Deze leiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. De leiding heeft een effectafstand (dodelijk) van 25 meter. De leiding vormt dan ook geen extern veiligheidsrisico ter plaatse van het plangebied. Circa 360 meter ten westen van het plangebied worden gevaarlijke stoffen van o.a. de stofcategorie B2 vervoerd over het spoor. De spoorlijn heeft een PR-plafond van 6 meter. Het plangebied ligt daar ruimschoots buiten. Het invloedsgebied van het spoortraject bedraagt 995 meter. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied, op circa 370 meter. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter afstand is gelegen hoeven geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Beleid Boxtel 2010 Het plangebied bevindt zich in het gebiedstype 'risicoluw gebied'. Er is hier sprake van toxisch scenario. Als afstand wordt nu nog 1.500 meter aangehouden, mogelijk wordt deze op 300 afgekapt.
Het advies van de volstaat
51/82
op dit vlak, ondanks het 3 jaar oud is. Ook hiervoor is een beknopte verantwoording opgesteld. 4.5.3 Verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Het advies van de Veiligheidsregio is opgenomen in bijlage 11 en 12 bij deze toelichting. Geadviseerd wordt om voor de inrichting van het plangebied de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswater als uitgangspunt te nemen. Indien aan deze regels voldaan wordt is er sprake van goede ontvluchtings- en bestrijdingsmogelijkheden. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden niet-zelfstandige wooneenheden gerealiseerd. Gezien de aard en de activiteiten van de beoogde ontwikkeling wordt vanuit gegaan dat een groot deel van de aanwezigen gezien worden als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en bij een inrichting geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van aanwezige (mechanische) ventilatiesystemen.
De Veiligheidsregio adviseert om middels een informatiebrief de ontwikkelaar en de toekomstige gebruikers, bewoners en personeel te informeren over de risico's en de handelingen die genomen kunnen worden bij een dreiging. Het is van belang dat er een duidelijk plan ligt voor het moment dat zich een incident voordoet. De aanwezige begeleiders/verzorgers moeten weten hoe te handelen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners en personeel op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Dit scenario moet door de initiatiefnemer worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan. Daarnaast wordt geadviseerd om dit te beoefenen met het personeel. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Baroniestraat. De Baroniestraat gaat in oostelijke richting over op de Monseigneur Wilmerstraat. Via de Brederodeweg wordt in noordelijke en zuidelijke richting ontsloten op het hogere gelegen netwerk, de rijksweg A2. In oostelijke richting gaat de Monseigneur Wilmerstraat over op de Schijndelseweg, N618. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden
52/82
gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Figuur 4.5 breedte weg ivm bereikbaarheid hulpdiensten De weg gelegen tussen Baroniestraat en Bracbant is breder dan 4,5 meter, zodat er voldoende ruimte is voor de hulpverleningsdiensten. Verder is er ook voldoende keermogelijkheid nabij de parkeerplaatsen van Bracbant. 4.5.4 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast bevindt het plangebied zich in het risicoluw gebied van de gemeente Boxtel. Uit de beknopte verantwoording komt naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Kabels en leidingen
4.6.1 Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
53/82
4.6.2 Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient overigens wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet planologische leidingen. Hiervoor dient voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding gedaan te worden.
4.7
Verkeer en parkeren
4.7.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen 'Parkeernormen Gemeente Boxtel Binnen de bebouwde kom'. De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De ontwikkeling ligt in het gebied 'rest bebouwde kom' en heeft een stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk'. Onderzoek Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten op de Baroniestraat, een gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km/u. De Baroniestraat gaat in oostelijke richting over op de Monseigneur Wilmerstraat. Via de Brederodeweg wordt in noordelijke en zuidelijke richting ontsloten op het hogere gelegen netwerk, de rijksweg A2. In oostelijke richting gaat de Monseigneur Wilmerstraat over op de Schijndelseweg, N618.
Via meerdere straten wordt in zuidelijke richting vanaf de Baroniestraat het centrum van Boxtel bereikt. In meer westelijke richting wordt het treinstation van Boxtel bereikt en wordt ontsloten op de kernen ten westen van Boxtel. Met name door de ligging aan een gebiedsontsluitingsweg is het plangebied goed bereikbaar voor het gemotoriseerd verkeer. De Baroniestraat is, net als de meest omliggende wegen, voorzien van fietssuggestiestroken en trottoirs aan beide zijden van de weg. Het openbaar vervoer is op loopafstand bereikbaar, de dichtstbijzijnde bushalte is op enkele minuten gelegen aan de Annastraat, het treinstation is op 5-10 minuten loopafstand bereikbaar. De ontsluiting per langzaam verkeer en openbaar vervoer is ook goed te noemen. Verkeersgeneratie Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit voor de kengetalen het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de locatie 'rest bebouwde kom'. Verder geldt voor de locatie een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk'.
54/82
De verkeersgeneratie is bepaald voor een gemiddelde weekdag en een gemiddelde werkdag. De CROW-kentallen gaan uit van weekdagintensiteiten. De gemiddelde werkdagintensiteit is bepaald door gebruik te maken van een omrekenfactor 1,11 welke CROW-381 noemt voor woonfuncties. Huidige situatie In de bestaande situatie betreft het plangebied een braakliggend terrein. Dit genereert geen verkeer. Verkeerstoedeling Het plan wordt via één aansluiting ontsloten op de Baroniestraat. Op basis van de navigatietool van Google Maps is een inschatting gemaakt van de toedeling van het verkeer vanaf het plangebied (zie onderstaande afbeelding).
Figuur 4.6 Verkeerstoedeling plangebied Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Voor beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie tijdens het maatgevende uur van belang. Als vuistregel geldt dat de verkeersomvang tijdens het maatgegevens uur circa 10% van de etmaalwaarde bedraagt. In dit geval gaat het in het drukste uur op werkdagen dan om (131 *10%) om 14 voertuigen. Deze geringe toename van verkeer kan zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende kruispunten en wegen en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. Voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat met de geringe toename van het verkeer
55/82
na planontwikkeling (14 motorvoertuigen in het drukste uur) dit geen effect heeft op de verkeersveiligheid. De verkeersveiligheid wordt dan ook niet negatief beïnvloed als gevolg van het plan. Verkeersmodel BBMA 2022 Het provinciebrede Verkeersmodel geeft de prognose van de verkeersintensiteiten weer voor de jaren 2030 en 2040 ten opzichte van de verkeersintensiteiten in het jaar 2019. Hierna zijn uitsnedes opgenomen van de Baroniestraat e.o.
Figuur 4.7a Verkeersinsiteiten 2019 (gemiddelde werkdag)
56/82
Figuur 4.7b Verkeersinsiteiten 2030 (gemiddelde werkdag)
57/82
Figuur 4.7c Verkeersinsiteiten 2040 (gemiddelde werkdag) De Baroniestraat is gecategoriseerd als een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Een erftoegangsweg kan normaal gesproken een verkeersintensiteit van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal vlot en veilig verwerken. Gelet op de De verkeersintensiteit van de Baroniestraat ter hoogte van het plangebied zal afnemen van 3.230 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag in 2019 naar 1.910 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag in 2030 en daarna licht toenemen tot 1.950 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag in 2040. Dus zowel in de huidige situatie, als in de toekomstige situatie sprake van een verkeersintensiteit die (ruim) binnen de verwerkingscapaciteit van de Baroniestraat blijft. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 131 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. 40% daarvan zal in noord-oostelijke richting ontsluiten, de overige 60% zal in zuidwestelijke richting ontsluiten. Ten opzichte van de capaciteit van de weg is de beoogde toename dermate laag dat de invloed op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de weg verwaarloosbaar is. Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee woonzorggebouwen met 48 niet-zelfstandige
58/82
wooneenheden. Tabel 4.8 Verkeersgeneratie planontwikkeling Woningtype Aantal Functie CROW 381 Zorgappartementen
48
Totaal
48
Aanleunwoning/serviceflat
Kengetal 2,45 per woning
Verkeersgeneratie weekdag werkdag 117,6 130,5
118
131
De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van 118 mvt/weekdag en 131 mvt/werkdag. De verkeersgeneratie voor een gemiddelde werkdag is bepaald door de weekdagintensiteit te vermenigvuldigen met factor 1,11 (CROW publicatie 381). Parkeren De parkeerbehoefte is berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen. Tabel 4.9 Toekomstige situatie Woningtype Functie p-beleid Aantal Zorgappartement Zorgwoning, beschermd of 48 verzorgd wonen
Parkeernorm 0,6 p. woning
Parkeerbehoefte 29 pp
De beoogde ontwikkeling heeft een parkeerbehoefte van 29 parkeerplaatsen. De totale parkeervraag zal worden opgelost binnen het plangebied zoals zichtbaar in onderstaande figuur. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm van de gemeente Boxtel.
59/82
Figuur 4.10 Uitsnede inrichtingsplan, situering 29 parkeerplaatsen Conclusie Het plangebied heeft voor alle vervoerswijzen een goede ontsluiting. De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De totale parkeerbehoefte zal worden opgelost binnen het plangebied.
4.8
Wegverkeerslawaai
4.8.1 Beleid en normstelling Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/u wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder van de weg moet worden getoetst. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden. Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe woningen zijn geluidgevoelige functies, waarvoor in het kader van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. Akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten gevolge van wegverkeerslawaai. Het spoor heeft ter plaatse een geluidzone van 300 meter. Het plangebied is verder gelegen van het spoor. Onderzoek naar spoorweglawaai is daardoor niet noodzakelijk.
60/82
4.8.2 Onderzoek De nieuwe woningen in het plangebied zijn geluidgevoelige functies en liggen binnen de geluidszone van de Baroniestraat, Annastraat en Pastoor Erasstraat (allen 50 km/u). De Ons Doelstraat en de Prins Bernhardstraat (binnen de 30 km/uur zone) zijn alleen meegenomen in het kader van de cumulatieve geluidbelasting. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd onder de normen van de Wgh en conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De rapportage van het akoestisch onderzoek, waarin wordt ingegaan op de uitgangspunten en resultaten van het onderzoek, is opgenomen in bijlage 13 bij deze toelichting. Hierna worden de resultaten kort samengevat. 4.8.3 Resultaten De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 56 dB ter plaatse van gevel direct aan de Baroniestraat (alle etages). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op zes beoordelingspunten overschreden (meerdere hoogtes). De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt nergens overschreden. Bronmaatregelen Het toepassen van geluidreducerend wegdek, het verlagen van verkeersintensiteiten of het aanpassen van de maximale snelheid kan leiden tot lagere geluidniveaus.
Gezien de mate waarin de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden zal een meer geluidreducerend wegdek bij de Baroniestraat niet zorgen voor een situatie waarbij ter plaatse van de gewenste appartementen sprake zal zijn van een geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde. Daarbij wordt opgemerkt dat het wegdek over een lang traject vervangen zou moeten worden, waardoor dit in relatie tot het aantal appartementen financieel gezien niet mogelijk is. Maatregelen die de verkeersstromen wijzigen (zoals het verlagen van de verkeersintensiteiten of de maximumsnelheid) zullen niet ad hoc worden genomen, maar zijn een onderdeel van een uitgebreide verkeersstudie. Het realiseren van dit kleine aantal woningen vormt doorgaans geen aanleiding voor een uitgebreide verkeersstudie. Daarnaast heeft de gemeente Boxtel ook aangegeven dat het verlagen van de maximumsnelheid op de Baroniestraat naar 30 km/u geen haalbare optie is. Maatregelen bij de ontvanger Bij het ontwerp van de wooneenheden wordt, waar nodig, rekening gehouden met de extra benodigde geluidwering en/of voorzieningen van de desbetreffende geveldelen. De gemeente zal bepalen welke voorzieningen/voorwaarden nodig zijn om de benodigde hogere waarden te verlenen. Bij de indeling van het beoogde appartementencomplex is al rekening gehouden met het aspect geluid.
Door de gezamenlijke ruimtes zoveel mogelijk bij de voorgevel te plaatsen kan het aantal wooneenheden op de meest geluidbelaste gevel zo laag mogelijk worden gehouden. Gemeentelijke beleid Conform de Wgh kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit deze wet en aan de in het gemeentelijk beleid genoemde subcriteria. Voor de gemeente Boxtel is het geluidbeleid beschreven in het document 'Beleid hogere grenswaarden gemeente Boxtel' ingesteld op 15-01-2008. In dit document worden algemene ontheffingscriteria genoemd en enkele bijzondere ontheffingscriteria voor de gemeente Boxtel. De algemene ontheffingscriteria zijn de bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, financiële, vervoerskundige of verkeerskundige bezwaren tegen het nemen van maatregelen. Deze zijn in de bovenstaande paragrafen reeds besproken. Bij de
61/82
bijzondere ontheffingscriteria voor de gemeente Boxtel valt het project ook onder het criterium voor stationslocaties, dat van toepassing is bij woningen binnen 1500 meter van een treinstation. Het plangebied is gelegen op circa 600 meter van station Boxtel. Er kan worden gesteld dat het gemeentelijk beleid geen belemmering vormt voor het aanvragen van een hogere waarde. Bouwbesluit De gecumuleerde geluidbelasting bij het appartementencomplex bedraagt ten hoogste 61 dB ter plaatse van de voorgevel aan de Baroniestraat (alle etages). De vereiste karakteristieke geluidwering 'Ga;k' bedraagt dan maximaal 61 - 33 = 28 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels dient te worden gedaan. In het ontwerp zal hieraan worden voldaan. Om dit te borgen is het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In de fase van vergunningverlening wordt dit getoetst. Woon- en leefklimaat Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren appartementen wordt gebruik gemaakt van de 'kwaliteitsindicatie geluid' van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
De geluidniveaus ter plaatse van de gewenste appartementen variëren van 40 dB tot en met 61 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als 'Zeer goed•tot Slecht'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan evengoed wel als acceptabel worden aangemerkt wanneer de gevels over voldoende gevelwering beschikken om een binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen. Daarbij kan ook in de overweging worden meegewogen dat het grootste deel van de appartementen de beschikking zullen hebben over een geluidluwe gevel. Daarnaast zullen er ook gezamenlijke geluidluwe verblijfsruimtes en buitenruimte aanwezig zijn. Hogere waarden Hogere waardes zijn nodig voor de Baroniestraat. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 56 dB. Maatregelen zijn niet doelmatig. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder is als bijlage 14 bijgevoegd. Dit besluit heeft als dusdanig ter inzage gelegen (zie paragraaf 5.2). 4.8.4 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
62/82
Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 56 dB. Voor de geveldelen van de gewenste appartementen bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 61 - 33 = 28 dB. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als 'Zeer Goed' tot 'Slecht'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat, met dien verstande dat een hogere grenswaarde dient te worden verleend.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaand tabel weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie
jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 4.11 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project die in een categorie valt, is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.