Vaststelling bp Baroniestraat 24 Boxtel- Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
63/82
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.9.2 Onderzoek Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 48 niet-zelfstandige wooneenheden. In de NIBM-tool (versie 23-04-2022) is worst-case 2027 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,05 µg/m³ en van fijnstof van 0,02 µg/m³ (onderstaand tabel). De toename van stikstof is onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
Tabel 4.12 Resultaten NIBM-Tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIMLK-monitoringstool 2022 (www.cimlk.ml). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Baroniestraat, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de kaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen 13,7 µg/m³ voor NO2, 16,7 µg/m³ voor PM10 en 9,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
64/82
4.10 Flora en fauna 4.10.1 Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden. b. Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN); Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden, die deel uitmaken van het Europese
65/82
netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied. Dat kan wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking, die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden, die deel uitmaken van het NNN, worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod.
De voorwaarden, waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.
66/82
4.10.2 Onderzoek Natuurbescherming Natura 2000 Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (ruim 2 km tot ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’) zijn fysieke verstoring en de gevolgen van licht, trillingen en geluid op voorhand uit te sluiten. Mogelijke negatieve effecten van stikstofdepositie zijn gezien de aard van de ingreep en de afstand tot stikstofgevoelige natuur echter niet op voorhand uit te sluiten. Daarnaast valt het project niet onder de vrijstellingsregels in het kader van beheer en onderhoud. Daarom is een AERIUS-berekening nodig om de mogelijke gevolgen van de werkzaamheden en het toekomstige terreingebruik inzichtelijk te maken.
Figuur 4.13 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen Stikstof De wijzigingen in verkeersstromen zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de realisatie- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 16. De achterliggende stikstofberekeningen voor de realisatiefase is opgenomen in bijlagen 17 en 18 en de berekening voor de gebruiksfase is opgenomen in bijlage 19. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor de realisatie- en gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat ervoor de ontwikkeling geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is verreist.
67/82
Natuur Netwerk Nederland Het projectgebied grenst ten noorden aan de beek Smalwater, welke onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland. Het functioneren van deze beek (inclusief oeverzone) als natte ecologische verbindingszone mag door de ontwikkelingen niet worden aangetast. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met mogelijke externe invloeden. Om de ecologische functie van het Natuurnetwerk te behouden wordt een ecologische verbindingszone aangelegd langs de oever van de beek. Het afwegingskader EHS dient hiervoor te worden doorlopen, en het plan voor de groenstrook dient ter goedkeuring te worden voorgelegd bij de provincie Noord-Brabant. Door de aanleg van een voldoende brede en goed ingerichte ecologische verbindingszone langs de oever, komt de ecologische functie van de beek naar verwachting niet in het geding.
Figuur 4.14 Ligging plangebied (rode druppel) t.o.v. NNB Het planvoornemen geeft invulling aan het zoekgebied door het inrichten van een corridor. De inrichting (zie ook
68/82
Bijlage 1) is tot stand gekomen in samenwerking met provincie, het waterschap en de gemeente is een inrichtingsschets opgesteld om richting te geven aan de te ontwikkeling natuur in het plangebied. In paragraaf 2.2.1 wordt dit beschreven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Voor het planvoornemen is een bronnenonderzoek (o.a.: Nationale Databank Flora en Fauna) verricht naar het voorkomen van beschermde soorten in het onderzoeksgebied en in de directe omgeving daarvan. Door middel van een eerste veldbezoek is een inschatting gemaakt van de te verwachten beschermde soorten in het plangebied. Daarna is bekeken welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 15 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen.
Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen ingreep kan een negatief effect hebben op diverse soorten marters zoals de wezel, bunzing en steenmarter. Mogelijke verblijfplaatsen in de verruigde groenstroken en tussen de takken- en stenenstapels gaan tijdens de werkzaamheden verloren. Nader onderzoek (sporenonderzoek en wildcamera’s) moet uitwijzen of marterachtigen daadwerkelijk gebruik maken van het projectgebied en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Dit type onderzoek is jaarrond mogelijk en duurt 6 tot 12 weken, afhankelijk van de periode in het jaar. Verder zijn er mogelijk vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van de waterspitsmuis zijn aanwezig rond het Smalwater, aan de noordgrens van het perceel. De voorgenomen werkzaamheden in deze omgeving hebben mogelijk een schadelijk effect op aanwezige waterspitsmuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of de waterspitsmuis al dan niet aanwezig is en of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig is voor deze soort. Dit type onderzoek maakt gebruik van diervriendelijke muizenvallen, welke gedurende enkele achtereenvolgende dagen worden gecontroleerd. Tot slot dient voor een algemene soort (zoals de egel) invulling te worden gegeven aan de zorgplicht.
Voor vrijgestelde soorten geldt geen ontheffingsplicht, maar moet wel voorkomen worden dat dieren tijdens het opruimen van de stenen, takkenhopen en de struiken worden verwond. Deze werkzaamheden dienen dus voorzichtig plaats te vinden, waarbij mogelijk aanwezige dieren de kans moeten krijgen om zelfstandig een veilig heenkomen te vinden. In het ontwerp van de ecologische zone kunnen takkenhopen worden opgenomen welke kunnen dienen als schuilplaats voor kleine zoogdieren. Bij de afrastering van het toekomstige terrein kan men rekening houden met de toegankelijkheid voor grondgebonden zoogdieren (bijvoorbeeld door heggen te gebruiken of ruimte te
69/82
creëren onder hekken en schuttingen). Vleermuizen Verblijfplaatsen of essentieel leefgebied zijn binnen het projectgebied niet aanwezig. Wel dient (licht)verstoring van verblijfplaatsen in de nabije gebouwen te worden voorkomen. Hetzelfde geldt voor de bomenrij en de beek langs het perceel, welke zeer waarschijnlijk onderdeel uitmaken van een belangrijke vliegroute voor de vleermuizen in de omgeving. Zowel tijdens de werkzaamheden (bouwlampen) en de definitieve situatie (terreinverlichting) dient men hier alert op te zijn. In de nieuwbouw kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden opgenomen, bijvoorbeeld door de inbouw van vleermuiskasten of het toegankelijk maken van (delen van) de spouw. Vogels Potentiële nestplekken voor boom- en gebouwbewonende vogels in de directe omgeving bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Wel kunnen algemene broedvogels nestelen in de te verwijderen struiken en langs de oever van het Smalwater. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden, ongeacht de soort. Rooien van de struiken en werk langs de oevers dient daarom buiten het broedseizoen (buiten half maart – half juli) plaats te vinden. Indien dit niet plaats kan vinden buiten het broedseizoen, dient de vegetatie voor verwijdering te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten.
Dit neemt een risico met zich mee dat bij een actief nest de werkzaamheden moeten wachten tot de jongen het nest hebben verlaten. In de nieuwbouw kunnen naast vleermuisvoorzieningen ook nestkasten voor vogels zoals huismussen en gierzwaluwen worden opgenomen. De tuin en ecologische verbindingszone kunnen huismusvriendelijk worden ingericht met bijvoorbeeld (zand)badderplekken en voldoende schuilmogelijkheden zoals struiken. Vogelhuisjes in de tuin kunnen kansen bieden voor diverse algemene broedvogels zoals kool- en pimpelmezen. Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, voort te planten of te overwinteren is voor zwaar beschermde reptielen, amfibieën en vissen niet aanwezig in het projectgebied. Mogelijk leefgebied (voor vissen) in de nabije beek wordt door de werkzaamheden niet aangetast. Incidenteel kunnen wel algemene (vrijgestelde) amfibieën op het terrein voorkomen. Voor deze soorten kan tijdens de werkzaamheden worden volstaan met de zorgplicht. De aanleg van de ecologische verbindingszone heeft naar verwachting een netto positief effect of deze soortengroepen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Door het opnemen van een plas of poel met ondiepe, groene oevers ontstaat er geschikt voortplantingswater voor diverse soorten amfibieën in de ecologische verbindingszone.
Flora In het projectgebied zijn geen beschermde planten te verwachten. Geschikte groeiplaatsen zijn namelijk niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wnb is voor planten niet nodig. Ongewervelden
70/82
In het projectgebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig voor deze soortengroep. Een poel of vijver biedt behalve voor amfibieën ook geschikt leefgebied voor diverse soorten watergebonden insecten. Verder is bijvoorbeeld een bloemenrijke tuin voordelig voor talloze soorten bijen, vlinders en andere insecten. Zogenaamde ‘insectenhotels’ in de tuin of rond de verbindingszone kunnen daarnaast voorzien in schuilplekken voor diverse soorten insecten. Houtopstanden De bomen rond het projectgebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming. Wel hebben de bomen vanuit de gemeente een beschermde status, en mogen ze dus geen schade ondervinden van de ontwikkelingen. Geadviseerd wordt om een boomeffectanalyse te laten uitvoeren om de mogelijke gevolgen van de werkzaamheden (zowel boven- en ondergronds) te bepalen. Deze boomeffectanalyse is uitgevoerd en bijgevoegd in bijlage 4. Invasieve exoten Tijdens de quickscan zijn geen invasieve exoten waargenomen binnen het projectgebied en deze worden hier ook niet verwacht. Wet- en regelgeving omtrent invasieve exoten is daarom niet van toepassing. Nader onderzoek flora en fauna Naar marterachtigen en de waterspitsmuis is nader onderzoek uitgevoerd.
De resultaten van dit onderzoek zijn bijgevoegd in bijlage 28. Hieruit volgt dat het planvoornemen niet tot negatieve effecten leidt op deze soorten. Een ontheffing is niet benodigd. Functioneren corridor in geheel van de EVZ Uit het inrichtingsadvies van Habitus/Ecogroen (Bijlage 1) volgt dat als gevolg van de inrichting van de natuurstrook tussen Smalwater en Baronietuin als corridor in de zin van de Groene Levensader (Boxtel 1999), daar een soortenrijk biotoop zal ontstaan die aan tal van planten en dieren doortocht maar ook huisvesting kan bieden. Er wordt een retentiepoel gerealiseerd, zodat in ecologische zin zelfs wel gesproken kan worden van een kleine stapsteen, omdat er voldoende habitat is voor een satellietpopulatie van kamsalamander en voortplantende weidebeekjuffers. Ook biedt het terrein straks naar verwachting geschikt leefgebied voor waterspitsmuis, waarmee de oevers zowel leefgebied als corridor kunnen vormen voor populaties van deze kwetsbare soort. Het gaat niet om de genoemde doelsoorten alleen: de habitats die worden gerealiseerd zijn voor tal van oever-, grasland- en struweelbewoners een uitstekend leefgebied.
Als de inrichtingseisen worden overgenomen, de functie afdoende planologisch worden geborgd, en het beheer adequaat wordt uitgevoerd, dan functioneert de complete EVZ (met andere stapstenen) door deze corridor een stuk beter dan voorheen, en is optimaal gebruik gemaakt van de potenties die het terrein biedt.
71/82
4.10.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde AERIUS berekening wordt geconcludeerd dat er geen stikstofdepositie is op het Natura 2000-gebied in de omgeving. Het ontwikkelen van natuur binnen het plangebied is van toegevoegde waarde op het Natuurnetwerk. Voor de volgende soorten wordt geen conflict verwacht in het kader van de Wet natuurbescherming: grondgebonden zoogdieren; vogels; reptielen, amfibieën en vissen; beschermde plantensoorten; ongewervelden. De pastorie maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Eerder werd vanwege de aanwezigheid van vleermuizen in de pastorie een activiteitenplan opgesteld en ontheffing verleend. De werkzaamheden aan de pastorie zijn afgerond. Ten behoeve van de nieuwbouw wordt aanbevolen om zoveel mogelijk van het oude groen te integreren in de nieuwbouwplannen en kritisch te kijken naar de uitvoering van de (straat)verlichting van het terrein. Daar is bij de beoogde inrichting rekening mee gehouden.
4.11 Duurzaamheid 4.11.1 Beleid en normstelling De gemeenteraad heeft op 4 juli 2023 de 'Strategie klimaatadaptatie 2023-2030' vastgesteld. Ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan is het uitvoeringsprogramma op basis van dit beleidsdocument nog niet gepubliceerd. De lokale klimaatadaptatiestrategie van de gemeente Boxtel maakt de gemeente de komende zeven jaar klimaatbestendiger door middel van 21 ambities verdeeld over de thema’s ‘Wateroverlast, Hitte, Droogte en Waterveiligheid’ en zes actielijnen. Het beoogde resultaat is een veerkrachtige gemeente die zich aanpast aan de mogelijke gevolgen van klimaatverandering op fysiek, sociaal en economisch vlak. Deze strategie is de eerste stap in deze richting en krijgt een praktisch vervolg in de vorm van een uitvoeringsprogramma. De gemeente Boxtel kent uitgebreid beleid met betrekking tot duurzaamheid. In de paragrafen 3.4.5, 3.4.6 en 3.4.7 is ingegaan op dit beleid. Duurzame ontwikkeling betekent voor de gemeente Boxtel zorgen voor hier en nu en voor daar en later. Duurzame ontwikkeling richt zich dus op het eigen gebied, de eigen mensen, maar ook op de relaties met de wereld om ons heen en in de toekomst. De gemeente Boxtel heeft de ambitie om op het gebied van duurzaamheid voorop te lopen.
72/82
4.11.2 Onderzoek De woningen en het openbaar gebied krijgen een hoog duurzaamheidsniveau in lijn met bovengenoemde ambitie. De woningen worden gerealiseerd als nul op de meter woningen. Conform wetgeving zullen de nieuwe woningen gasloos worden uitgevoerd. Alle overige maatregelen op het gebied van duurzaamheid worden verder uitgewerkt ter voorbereiding op een aanvraag omgevingsvergunning. Tussen gemeente en initiatiefnemer zijn als onderdeel van deze uitwerking de onderstaande afspraken gemaakt. Dit wordt vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Bij het ontwerpen van de niet-zelfstandige wooneenheden wordt op het thema energie en het thema toegankelijkheid hoog gescoord. Dit houdt in dat alle appartementen als energie neutrale woningen worden gebouwd. Dit geldt voor zover in huidige ontwerp bij dit type woningen/wooneenheden en deze oriëntatie ook mogelijk is. Indien dit niet mogelijk is, zal de initiatiefnemer aantonen dat alle technische mogelijkheden zijn aangewend om de "energie neutrale-woning" in de niet-zelfstandige wooneenheden te realiseren. Vervolgens zal de initiatiefnemer de maximale inspanningsverplichting hanteren om zo dicht mogelijk bij het uitgangspunt te komen van het realiseren van alle niet-zelfstandige wooneenheden op energie neutraal niveau.
Vooralsnog is afgesproken dat de bebouwing voldoet aan de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en de aanvullende eis TOjuli. In het appartementencomplex wordt voorzien in een inpandige verzamelruimte voor afval. Initiatiefnemer maakt zelf afspraken met een afvalinzamelingsbedrijf. De nieuwbouw wordt duurzaam en natuurinclusief gerealiseerd. Er zullen verblijfplaatsen voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen worden opgenomen. Door de ligging tegen de door de ontwikkelaar te realiseren corridor in de EVZ draagt het gebouw met haar verblijfplaatsen voor bedreigde soorten bij aan het instandhouden en uitbreiden van deze soorten.
4.12 Archeologie 4.12.1 Beleid en normstelling Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
73/82
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Gemeentelijk beleid In de 'Nota gemeentelijk archeologiebeleid Boxtel' heeft de gemeente vastgelegd hoe zij omgaat met het archeologisch erfgoed. Er staat in waar en wanneer archeologisch onderzoek nodig is en geeft tekst en uitleg bij de archeologische classificatiekaart. De classificatie gaat in op de mogelijkheid tot het aantreffen van archeologische vondsten. 4.12.2 Onderzoek Archeologie Op basis van de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 50 m2 en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld.
Figuur 4.15 Uitsnede archeologische beleidskaart Op basis van de zeer hoge archeologische verwachtingswaarde is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 21 opgenomen bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied dekzanden of nat-eolische zanden voorkomen, waarin oorspronkelijk een beekeerdgrond is gevormd. In de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd is een dikke antropogene eerdlaag opgebracht. Er zijn geen restanten van een podzolbodem aangetroffen, wat betekent dat het gebied altijd nat is geweest en daarmee onaantrekkelijk voor
74/82
bewoning of landbouw. De hoge verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de periode Laat-Paleolithicum – Middeleeuwen kan dan ook worden bijgesteld van hoog naar laag. De verwachting voor bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd was laag en blijft laag. De archeoloog heeft door middel van een selectieadvies geoordeeld dat nu voldoende is onderbouwd dat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied naar laag kan worden bijgesteld voor alle perioden. Het selectieadvies is opgenomen als bijlage 22 bij deze toelichting. Verder vervolgonderzoek binnen de AMZ-cyclus is daarom niet noodzakelijk. 4.12.3 Conclusie Door middel van onderzoek is aangetoond dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. De verwachtingswaarde kan dan ook worden bijgesteld naar laag. De geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' hoeft dan ook niet meer opgenomen te worden in dit bestemmingsplan.
4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Beleid en normstelling Per 1 januari 2012 is de wet Modernisering Monumentenzorg (hierna: MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 4.13.2 Onderzoek Op basis van de Iov Noord-Brabant en de Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: CHW) zijn diverse cultuurhistorisch waardevolle elementen ter hoogte van het plangebied aanwezig.
75/82
Figuur 4.16 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant. Het plangebied ligt binnen een gebied dat is aangeduid als "Historische stedenbouw". Het noordelijke deel van het als historische stedenbouw begrensde gebied aan de Baroniestraat heeft gemengde bebouwing. De bebouwing bestaat uit woonhuizen en villa's uit de periode 1880-1910, het voormalig St. Ursulaklooster (1911), enkele jongere villa's en de parochiekerk van het Heilig Hart uit 1901. Het gebied wordt ontwikkeld met respect en met behoud van deze karakteristieke bebouwing. De rijke historie van het plangebied is reeds beschreven in paragraaf 2.1.1. Onderhavig planvoornemen voorziet in het bebouwen van de tuin van de voormalige pastorie. Eerder werd met een afzonderlijke procedure voorzien in de duurzame instandhouding van de pastorie als rijksmonument. De pastorie maakt geen onderdeel uit van dit plangebied. Dit planvoornemen is eerder besproken met de monumentencommissie en ook goedgekeurd. Het advies van de Monumentencommissie is als Bijlage 23 aan deze toelichting gehecht en zal worden opgevolgd. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het gebied en de monumentale status van de voormalige pastorie. 4.13.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
76/82
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Financieel
Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 lid 4 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In zo'n geval hoeft de gemeenteraad bij vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen. Met dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Echter, met de ontwikkelende eigenaar van de gronden is, zoals bepaald in artikel 6.24 Wro, een anterieure overeenkomst gesloten, voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Alle aanpassing in het openbaar gebied komen voor rekening van de ontwikkelaar. Ook schade veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden komen voor rekening van de ontwikkelaar.
5.2
Maatschappelijk
Omgevingsdialoog Op verschillende momenten in het proces is overleg gevoerd met omwonenden en andere belanghebbenden waaronder onder ander met omwonenden, bewonersvereniging Zandvliet, directie van tegenover gelegen Ursulaschool, directie van woningbouwstichting Joost, provincie Noord-Brabant, bestuur stichting WoonGewoon, waterschap De Dommel en Werkgroep Uitvoering Bestemmingsplan Buitengebied Boxtel (WUBBB). De eerste dialoog heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2017. Tijdens een rondgang door de buurt is gesproken met het parochiebestuur, de tuinploeg van de begraafplaats, de lokale woningbouwvereniging, de directeur van de tegenoverliggende Ursulaschool en omwonenden. Tijdens de rondgang is gesproken over de aankoop van de parochie en beoogde bestemming van de tuin. In maart 2019 heeft een algehele informatieavond plaatsgevonden, waar de omwonenden voor waren uitgenodigd. Op grond van reacties is het ontwerp op onderdelen aangepast en besproken op bewonersbijeenkomsten in mei en september 2019. Ook dit heeft geleid tot aanpassingen in het ontwerp, mede onder advisering van specialisten op het gebied van landschapsarchitectuur en dementievriendelijke ontwerpen. In oktober 2022 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor de directe achterburen wonende aan de Deken Broekmanlaan (nummers 16 t/m 32) zijn uitgenodigd. Tijdens deze avond was de ontwikkelaar aanwezig.
De Ecologische Verbindingszone is deze avond nader toegelicht evenals de procedure die voor deze ontwikkeling zal moeten worden doorlopen. In november 2022 is er een inloopavond geweest voor de gehele buurt waarbij de ontwikkelaar, gemeente, architect en exploitant de omwonende hebben geïnformeerd over het aangepaste plan. Deze avond is de Ecologische Verbindingszone nader toegelicht. De exploitant was aanwezig om uitleg te geven over de zorgvisie,
77/82
de te leveren zorg en criteria voor bewoning. De procedure die voor deze ontwikkeling zal moeten worden doorlopen is gepresenteerd. Er is een communicatieplan opgesteld met als doel omwonenden, inwoners en andere belanghebbenden op de hoogte te houden van de ontwikkeling. Tijdens de bestemmingsplanprocedure en de bouwrealisatie zullen er communicatiemomenten zijn waarin de initiatiefnemer en/of de aannemer de doelgroepen zal informeren en betrekken bij het project. De verslagen van de omgevingsdialoog zijn als bijlage 25 toegevoegd. Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg, conform artikel 3.1.1. Bro, is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overlegpartners zoals de provincie Noord-Brabant, het Waterschap de Dommel en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze instanties hebben een reactie ingediend (bijlage 24). De Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed adviseert positief over de duurzame transformatie van de pastorie. De werkzaamheden aan de pastorie zijn op grond van de eerder verleende omgevingsvergunning al uitgevoerd en de pastorie maakt geen onderdeel uit van het plangebied van dit bestemmingsplan. Daarnaast wordt geadviseerd de toekomstige ontwikkelingen in de pastorietuin te relateren aan de ruimtelijke en architectonische functies en gebouwen in de omgeving. In het ontwerp is hier rekening mee gehouden.
De reacties van de provincie en het waterschap hebben betrekking op een eerder ontwerp. Op grond van deze reacties hebben vele gesprekken tussen provincie, waterschap, gemeente en initiatiefnemer plaatsgevonden. Daarbij is overeenstemming bereikt over het ontwikkelen van natuur binnen het plangebied, de randvoorwaarden en de uiteindelijke inrichtingsschets. Daarnaast is de paragraaf Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 geactualiseerd en is de waterbergingsopgave verduidelijkt met dwarsprofielen, een berekening van de oppervlakte en is de bergingscapaciteit in beeld gebracht. Ook de planregels zijn aangepast. Ook de opmerkingen van het waterschap op het concept ontwerpbestemmingsplan zijn overgenomen. Volledigheidshalve is het programma van eisen van gemeente, waterschap en provincie als bijlage 26 aan deze toelichting gehecht. Rijkswaterstaat, Gasunie en Brabant Water hebben aangegeven geen belang te hebben bij dit initiatief en hebben geen opmerkingen gemaakt. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan “Baroniestraat 24 Boxtel” heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon een ieder zienswijzen kenbaar maken op dit ontwerpbestemmingsplan. Ook is het plan voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel.
Ook de ontwerpbeschikking tot het verlenen van hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder heeft in dezelfde periode te inzage gelegen.
78/82
Op het ontwerpbestemmingsplan zijn vijf zienswijzen ontvangen, deze zijn allemaal binnen de termijn van zes weken ontvangen en daardoor ontvankelijk. Er zijn naar aanleiding van de zienswijzen enkele aanpassingen in de toelichting doorgevoerd. Alleen de herbegrenzing van de provincie voor wat betreft de EVZ heeft geleid tot aanpassing in de regels en verbeelding. Zie hiervoor paragraaf 3.3.2. De Nota van zienswijzen en Nota van wijzigingen is onderdeel van het raadsbesluit.
79/82
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische plantoelichting
Plansystematiek
Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP2012). Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken, waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde: In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel; Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
6.2
Bestemmingen
Hierna volgt een beschrijving van de bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen. 6.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd (niet altijd overal van toepassing): Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning
80/82
Artikel 3 Maatschappelijk De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op grond van de bestemming 'Maatschappelijk'. De nieuwbouw wordt mogelijk gemaakt door het opgenomen bouwvlak en de daaraan gekoppelde maximale bouwhoogte. Door middel van een maatvoeringsaanduiding is vastgelegd dat hier maximaal 48 wooneenheden zijn toegestaan. Het gaat hier specifiek om niet-zelfstandige wooneenheden, zijnde woningen gekoppeld aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte. Binnen de bestemming is wel de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de inrichtingsschets (of een uitgewerkte versie daarvan) binnen de bestemming 'Natuur' binnen 3 jaar na een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van de woonzorggebouwen en ook als zodanig in stand wordt gehouden. Verder zijn er ook voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor de zekerstelling dat bij de nieuwbouw wordt voldaan aan de akoestisch binnenwaarde conform het bouwbesluit en de realisatie van voldoende waterberging. Artikel 4 Natuur Om de oever van Smalwater planologisch te kunnen beschermen en het inrichtingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels, te kunnen realiseren, is het betreffende gebied als 'Natuur' bestemd. Met deze bestemming worden de compenserende maatregelen in het kader van de ecologische verbindingszone en de waterberging specifiek mogelijk gemaakt.
Tevens is hier de aanduiding 'ecologische verbindingszone' opgenomen om duidelijk te maken dat deze gronden zijn bedoeld voor de realisatie en instandhouding van de ecologische zone zoals verwerkt in dit bestemmingsplan. De gronden hier zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige functies zijn hier de functies. Ter plaatse van de aanduiding ´ecologische verbindingszone´ zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Artikel 5 Tuin Het gebied voor de voorgevelrooilijn, het gebied tussen de nieuwe bebouwing en de Baroniestraat en een strook grond parallel aan de Baroniestraat, heeft de bestemming 'Tuin' gekregen. Deze gronden mogen alleen gebruikt worden als tuin en hier mogen geen bouwwerken worden gerealiseerd. Het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken is hier ook uitgesloten doordat deze gronden niet zijn aangemerkt als erf zoals bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
6.2.3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond, die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Artikel 7 Algemene bouwregels
81/82
In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen over bestaande maten. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Het gaat hier om de overschrijding van de bouwgrenzen, voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' valt te scharen. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Ten behoeve van het behoud en herstel van de watersystemen is een gebiedsaanduiding opgenomen die de gronden binnen 25 meter vanuit het hart van Smalwater beslaat. Daarbinnen mogen geen gebouwen worden gebouwd en is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor bepaalde bepaalde werkzaamheden en werken, geen bouwwerken zijnde. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen van een wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt in geval van gewenste dan wel noodzakelijke geringe afwijkingen van de bestemmingsgrenzen.
Artikel 12 Overige regels In deze bepaling is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is bepaald dat bij de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering in functie van een bestaand bouwwerk voorzien dient te worden in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid. 6.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In artikel 23.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In artikel 23.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 14 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Baroniestraat 24 Boxtel'.
82/82