Vaststelling bestemmingsplan Koevoortseweg- Bijlage 2 Bestemmingsplan
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
28
Meetpunt 24344 24345 24346 24347 24348 24349 Norm
NO2 μg/m3 14.2 14.2 14.2 14.2 14.2 14.2 40
PM10 μg/m3 18.0 18.0 18.0 18.0 18.0 18.0 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.3 6.3 6.3 6.3 6.3 6.3 35
PM2.5 μg/m3 11.1 11.1 11.1 11.1 11.1 11.1 25
Jaar 2020 2020 2020 2020 2020 2020
Figuur 4.1 Achtergrondwaarden NSL-monitoringstool
De ontwikkeling valt zonder meer onder de regeling NIBM. Dat houdt in dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarnaast is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Derhalve vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten we bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering gebruiken we de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State komt naar voren hoe de aan te houden richtafstand gemeten dient te worden.
Hierover zegt de Afdeling het volgende: “De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is4”.
3 4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009. Zie ABRvS 22 augustus 2012, 201113021/1/R1.
Hoofdstuk 4
29
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in rustig buitengebied. Daarom mogen de richtafstanden niet met één afstandsstap worden verlaagd. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven van belang, waarbij de vermelde afstand hemelsbreeds en van de grens van het plangebied tot de bestemming die de milieubelastende functie toelaat gemeten is.
Koevoortseweg 3 Aan de andere kant van de Koevoortseweg, op een afstand van 19 meter is, een autoreparatiebedrijf gevestigd. Een dergelijk bedrijf valt volgens de VNG-publicatie in milieucategorie 2. Hiervoor geldt in rustig buitengebied een richtafstand van 30 meter. In lid 14.1.1 van de planregels van onderhavig plan is bepaald dat de ruimte-voor-ruimtewoningen moeten worden gerealiseerd op ten minste 17 meter uit de wegas. Een en ander leidt ertoe dat de uiterste situering van de gevel van de ruimte-voorruimtewoningen zodanig zal zijn dat voldaan wordt aan de aan te houden richtafstand van 30 meter, uitgaande van de afstand tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De bestaande naar burgerwoningen om te zetten bedrijfswoningen aan de Koevoortseweg 6 en de Kempseweg 17 bevinden zich op respectievelijk 105 meter en 195 van het bedrijf aan de Koevoortseweg 3. Er wordt om die reden voldaan aan de aan te houden richtafstand van 30 meter. Dit zal ook in de toekomst het geval zijn, aangezien in lid 4.2.1 van onderhavig bestemmingsplan is bepaald dat een woonhuis uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van de op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige woning 5.
5
Met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' een nieuwe ruimte voor ruimte woning mag worden gebouwd.
Hoofdstuk 4
30
Koevoortseweg 7 Op een afstand van 37 meter van het plangebied is aan de Koevoortseweg een isolatiebedrijf gelegen. Een dergelijk bedrijf valt in de maximale milieucategorie van 3.1. Hiervoor geldt in rustig buitengebied een richtafstand van maximaal 50 meter. De gevel van de bestaande naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning aan de Koevoortseweg 6 bevindt zich op circa 60 meter afstand. Voor de gevel van de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning aan de Kempseweg 17 geldt dat deze zich op circa 72 meter bevindt. Dit betekent dat op dit moment een de richtafstand van 50 meter wordt voldaan. Dit zal ook in de toekomst het geval zijn, aangezien in lid 4.2.1 van onderhavig bestemmingsplan is bepaald dat een woonhuis uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van de op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige woning 6. Ook te realiseren ruimte-voor-ruimtewoningen worden gerealiseerd buiten de richtafstand van 50 meter die aangehouden dient te worden ten aanzien van het bedrijf aan de Koevoortseweg 7. De gronden waarop deze ruimte-voor-ruimtewoningen worden gerealiseerd bevinden zich op circa 100 meter afstand.
De ruimte-voor-ruimtewoningen zelf zullen op een nog grotere afstand van het bedrijf aan de Koevoortseweg 17 worden gerealiseerd, aangezien deze ruimte-voor-ruimtewoningen ingevolge lid 14.1.1 van de planregels van onderhavig plan dat de ruimte-voor-ruimtewoningen moeten worden op ten minste 17 meter uit de wegas moeten worden gerealiseerd. Hiermee wordt ook ten aanzien van de ruimte-voor-ruimtewoningen aan de richtafstand van 50 meter voldaan. Verder zijn er geen relevante bedrijven in de omgeving van het plangebied gelegen die van invloed zijn op onderhavige ontwikkeling of vice versa. Concluderend vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor voorgenomen ontwikkelingen.
4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
6
Met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte woning' een nieuwe ruimte voor ruimte woning mag worden gebouwd.
Hoofdstuk 4
31
Doorwerking plangebied Het bestemmingsplan maakt geurgevoelige objecten mogelijk. Er bevinden zich in de (directe) omgeving geen intensieve agrarische bedrijven. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderijen bevinden zich op ongeveer 1 kilometer afstand. Om die reden is het niet aannemelijk dat er met betrekking tot het aspect geur agrarisch belemmeringen bestaan en dat nader geuronderzoek noodzakelijk is. Bovenstaande kan worden bevestigd aan de hand van gegevens uit de kaart ‘Achtergrond geurbelasting’7. Deze kaart is afkomstig van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Een uitsnede van de kaart voor de het plangebied en omgeving is opgenomen in onderstaande figuur 4.2. Te zien is dat de kwaliteit van de leefomgeving voor wat betreft achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied op dit moment tamelijk slecht tot en met extreem slecht is. Dat is te verklaren door de aanwezigheid de intensieve veehouderij in het plangebied ten tijde van het opstellen van de kaart. Deze sanering is nog niet verwerkt in de kaart. De veehouderij in kwestie is inmiddels echter gesaneerd.
De kwaliteit van de leefomgeving met betrekking tot dit aspect is, gelet op de afwezigheid van andere veehouderijen in de directe omgeving, daarom op dit moment waarschijnlijk goed tot zeer goed, net zoals het geval is voor gebieden op onderstaande kaart die zich ten minste op enige afstand van een veehouderij bevinden.
Figuur 4.2 Achtergrondbelasting geur (plangebied gelegen binnen blauwe cirkel; bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant).
7
https://atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=504c14413ebc4c3e89640fd2be05d167.
Hoofdstuk 4
32
4.6 Kabels en leidingen Aan de hand van de Netkaart8 kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone9 van hoogspanningslijnen. Hieruit blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen planologisch gezien relevante hoogspanningslijnen bevinden. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden gedaan.
Figuur 4.3 Netkaart (plangebied indicatief weergegeven met paarse cirkel; bron: RIVM).
Onder het aspect in paragraaf 4.7, externe veiligheid, zal aandacht geschonken worden aan de eventuele aanwezigheid van relevante gas- en/of olieleidingen. Planologisch gezien relevante elektriciteitsleidingen leveren in elk geval geen belemmeringen op.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
8 9
https://data.rivm.nl/apps/netkaart/ Een magneetveldzone is het gebied waar het magneetveld van een hoogspanningslijn waar het magneetveld over een jaar gemiddeld sterker is dan 0,4 microtesla.
Hoofdstuk 4
33
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (Bevi); transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Bevt); transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water (Bevb). Ook zijn er landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.
Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel Het doel van de Beleidsvisie externe veiligheid (2010) is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten. Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen: risicoluw gebied; gemengd gebied; intensief gebied. Voorliggend plangebied wordt op de beleidskaart behorende bij de Beleidsvisie externe veiligheid aangemerkt als gemengd gebied. Blijkens de beleidsvisie externe veiligheid zijn dit locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving
Hoofdstuk 4
34
bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt twee woningen mogelijk. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Doorwerking plangebied Om de veiligheidsrisico's in het plangebied te bepalen, is inzicht gegeven in de risicobronnen in de omgeving van de plangebieden. In figuur 4.4 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen met hierop de risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed zijn op onderhavige ontwikkeling. Transport (weg en spoor) Op circa 1600 meter ten oosten van het plangebied ligt een spoorlijn (spoortrajectnummers 12AG.3, 12AH.3 en 12AI.3). Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën A, B2, C3 en D3). Voor de categorie D3 geldt een invloedsgebied van meer dan 4000 meter. De afstand tot de spoorlijn is echter zodanig groot en de ontwikkeling zodanig klein dat geen substantiële verhoging van het groepsrisico te verwachten is. De Rijksweg A2 (wegvak B62: knp. Vught – knp. Ekkersweijer) ligt op circa 3350 meter oostelijk van het plangebied. Hierover worden gevaarlijke stoffen uit de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GT3 vervoerd. Daarmee is sprake van een maximaal invloedgebied van 580 meter. Het plangebied ligt daarmee ruim buiten het invloedsgebied van de Rijksweg A2.
De afstand tot het plangebied is dusdanig groot dat een substantiële verhoging van het groepsrisico geheel onwaarschijnlijk is.
Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Hoofdstuk 4
35
Buisleidingen Door het plangebied lopen twee gasleidingen van de Gasunie (buisleidingen A-525-01-deel-1 en A525-05-deel 1). Daarnaast liggen op korte afstand van het plangebied nog twee buisleidingen van N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Het betreft de buisleidingen rrp-16 en rrp-19. Beide buisleidingen zijn van het type K1-buisleiding. Door buisleiding rrp-16 wordt benzine getransporteerd, door buisleiding rrp-19 vindt transport van aardolie plaats. Kragten heeft onderzocht of de buisleidingen een belemmering vormen voor de planvorming. Ten aanzien van de aardgasleidingen is ook bepaald welke effecten het plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Tevens heeft Kragten naar aanleiding hiervan een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld met betrekking tot betreffende buisleidingen. Voor de volledige rapporten die in dit kader zijn opgesteld wordt verwezen naar de bijlagen. In voorliggende toelichting zijn de belangrijkste elementen uit deze rapporten opgenomen. Aardgasleidingen Uit de berekening met behulp van het programma CAROLA blijkt dat voor buisleiding A-525-05-deel 1 ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een PR10 -6-risicocontour.
Voor buisleiding A-52501-deel-1 wordt ter hoogte van het plangebied wel een PR10-6-risicocontour berekend. De geprojecteerde woningen (ruimte-voor-ruimtewoningen) liggen niet binnen betreffende PR10-6risicocontour. De bestaande woningen die van bedrijfswoning worden omgezet naar burgerwoning liggen deels of geheel binnen de 100% letaliteitsafstand van beide buisleidingen. De twee nieuw te realiseren woningen liggen binnen de 1% letaliteitsafstand van beide buisleidingen. Het herbestemmen van bedrijfswoningen naar burgerwoningen heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico, aangezien de personendichtheid binnen het invloedsgebied niet wijzigt. Omdat de geprojecteerde woningen (ruimte-voor-ruimtewoningen) gelegen zijn binnen de 1%-letaliteitsafstand, is de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor genoemde buisleidingen bepaald. Omdat het plangebied is gelegen binnen de 1%-letaliteitsafstand van de genoemde buisleidingen, is met behulp van het programma CAROLA de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. De berekeningen zijn uitgevoerd voor zowel de huidige als voor de toekomstige situatie. Hierbij is de populatie binnen het plangebied en in de omgeving is gebaseerd op de populatieservice. Ter plaatse de bestaande en te herbestemmen bedrijfswoningen is de populatie in de huidige situatie gelijk aan die in de toekomstige situatie.
In de toekomstige situatie worden binnen het plangebied 2 nieuwe woningen gerealiseerd. Voor de berekening is het kental van 2,4 personen per woning met een aanwezigheid van 50% in de dagperiode en 100% in de nachtperiode gehanteerd. In de toekomstige situatie is ter plaatse van de geprojecteerde woningen derhalve sprake van een aanwezigheid van 2,4 personen in de dagperiode en 4,8 in de nachtperiode.
Hoofdstuk 4
36
Uit de berekeningen die zijn uitgevoerd met behulp van het programma CAROLA blijkt dat er zowel voor buisleiding A-525-01-deel-1 als voor buisleiding A-525-05-deel 1 geen groepsrisico wordt berekend. Aangezien de te realiseren ruimte-voor-ruimtewoningen wel binnen de 1%-legaliteitsafstand gelegen zijn, dienen de risico’s als gevolg het transport van aardgas door betreffende buisleidingen wel te worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Overige buisleidingen Ten noordoosten van het plangebied twee buisleidingen van Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij aanwezig. Het betreft de buisleidingen rrp-16 en rrp-19. Beide buisleidingen zijn van het type K1buisleiding. Door buisleiding rrp-16 wordt benzine getransporteerd. Door buisleiding rrp-19 vindt transport van aardolie plaats. Op de signaleringskaart externe veiligheid is geen PR10-6-risicocontour voor deze leidingen opgenomen maar wel een indicatieve 1%-letaliteitsafstand. Uit de ‘Visie Omgevingsveiligheid gemeente Boxtel 2020-2024, deel A, risico-inventarisatie’ volgt dat de 1%legaliteitsafstand voor de buisleiding rrp-16 70,5 meter bedraagt. Voor de buisleiding rrp-19 bedraagt deze 1%-legaliteitsafstand 62,3 meter. Het plangebied ligt niet binnen de dubbelbestemming “leiding – olie” en ook niet binnen de 1%letaliteitsafstand van beide buisleidingen van de Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij.
Tevens volgt ten aanzien van het groepsrisico uit de publicatie ‘Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3’ (d.d. augustus 2008) dat het aantal van 10 slachtoffers niet gehaald wordt voor dichtheden tot 255 personen per hectare buiten de PR10-6-contour. In die gevallen is geen sprake van een groepsrisico. In onderhavige situatie worden deze dichtheden niet gehaald. Er is derhalve geen sprake van een groepsrisico. Aangezien het plangebied niet is gelegen binnen de (indicatieve) 1%-letaliteitsafstand van deze buisleidingen is een verantwoording niet aan de orde. Tot slot wordt opgemerkt dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Zoekgebied tracé. Gelet op de beperkte omvang van de beoogde ontwikkelingen zal naar verwachting geen sprake zijn van belemmeringen op dit vlak. Beperkte verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen zijn getroffen om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Scenario Het maatgevende ongevalsscenario voor een hoge druk aardgasleiding is een fakkelbrand, die na een beschadiging van een buisleiding ontstaat als gevolg van een ontsteking. De kans op een fakkelbrand is erg klein en eigenlijk alleen voorstelbaar als gevolg van graafschade.
Hoofdstuk 4
37
Bij een breuk in een hogedrukaardgasleiding stroomt het gas onder hoge druk en met een oorverdovend geluid uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hoge warmtestraling, een drukgolf en warmtestraling. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. Personendichtheid en groepsrisico De geprojecteerde woningen (ruimte-voor-ruimtewoningen) binnen het plangebied zijn gelegen binnen de 1%-legaliteitsafstand voor externe veiligheid van de buisleidingen A-525-01-deel-1 en A-525-05deel-1. Aangezien de buisleidingen en het plangebied zich in het buitengebied bevinden is de populatiedichtheid binnen het invloedsgebied van de buisleidingen laag. Als gevolg van de planontwikkeling is sprake van een toename van 2,4 personen in de dagperiode en 4,8 personen in de nachtperiode. Voor zowel de huidige als toekomstige situatie is de hoogte van het groepsrisico berekend middels een CAROLA-berekening. Hieruit volgt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geen sprake is van een groepsrisico ter hoogte van het plangebied. Bestrijdbaarheid Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang.
Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. De bestrijdbaarheid/beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van toegangswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ van brandweer Nederland.
Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar is. De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van
Hoofdstuk 4
38
een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Zelfredzaamheid en mogelijkheden voor ontvluchting Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Uitgangspunt is dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Personen die aanwezig zijn binnen de 100% letaliteitsgrens komen te overlijden. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid, voor het gebied dat buiten de 100% letaliteitsgrens valt, groter. De geprojecteerde woningen (ruimte-voor-ruimtewoningen) liggen niet binnen de 100% letaliteitsafstand van de buisleidingen. De bestaande woningen liggen wel (deels) binnen de 100% letaliteitsafstand.
Het feitelijke gebruik (wonen) verandert ter plaatse van deze bestaande woningen echter niet. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Vluchtroutes dienen van de buisleiding af te zijn. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de relevante scenario’s). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Bronmaatregelen Een belangrijke bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast is in het bestemmingsplan reeds opgenomen dat binnen de belemmeringsstrook aan weerszijden van de leiding een bouwverbod geldt. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren.
Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd.
Hoofdstuk 4
39
Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen. De gemeente Boxtel dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio Brabant-Noord en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. Advies Veiligheidsheidsregio Brabant-Noord Op 14 februari 2022 heeft de Brandweer Noord-Brabant een advies uitgebracht in verband met de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebieden van de buisleidingen A525-01 en A525-05. Ook de veiligheidsregio oordeelt dat het maatgevende scenario een fakkelbrand is. De effecten van een fakkelbrand zijn door de Veiligheidsregio inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel. Bovendien oordeelt ook de veiligheidsregio dat mag worden aangenomen dat de mate van zelfredzaamheid van de personen binnen het plangebied goed is. Wat het beste handelingsperspectief is is afhankelijk van de afstand tot de fakkelbrand. Door te schuilen in of achter objecten kan blootstelling aan hittestraling worden voorkomen. Bij een hittestraling van >10kW/m 2 ontstaan secundaire branden waardoor de schuilplaats verlaten moet worden. Hierdoor wordt men alsnog blootgesteld aan de hoge hittestraling, waardoor personen alsnog met letsel worden geconfronteerd. De bestrijdbaarheid van een fakkelbrand wordt door de veiligheidsregio beoordeeld als slecht.
Het advies van de Veiligheidsregio Brabant-Noord luidt als volgt: Uit de beoordelingen volgt dat het handelingsperspectief beperkt is. Op het moment dat een fakkelbrand plaats vindt op een afstand van >170 meter kan het invloedgebied ontvlucht worden waarbij de kans op ernstig letsel kan worden gereduceerd door het dragen van goede kleding. Informeer de initiatiefnemer hierover zodat hij/zij zich bewust is van dit risico en bekend is het handelingsperspectief. Dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
4.8 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet onderzocht worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan
Hoofdstuk 4
40
niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van twee ruimte-voorruimte woningen aan de Koevoortseweg is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele quickscan wordt verwezen naar de bijlagen. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000- gebieden aangewezen.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De ligging van Natura 2000-gebieden kan achterhaald worden aan de hand van de kaart Natura 2000 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Een voor het plangebied relevante uitsnede van deze kaart is opgenomen in navolgende figuur 4.5.
Hoofdstuk 4
41
Figuur 4.5 Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden in omgeving plangebied (plangebied indicatief weergegeven middels rode cirkel; bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).
Op een afstand van ongeveer 300 meter van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’. De effecten die dit gebied zouden kunnen optreden betreffen externe effec-ten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gelet op de afstand tussen het plangebied en betreffend Natura 2000-gebied is het onwaarschijnlijk dat er een toename in licht en geluid is in het Natura 2000-gebied. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening met AERIUS worden uitgesloten. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 is, waarin een partiële vrijstelling is opgenomen voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, hoeft deze berekening in beginsel alleen voor de gebruiksfase te worden uitgevoerd (d.d. 29 april 2022). BRO heeft deze berekening uitgevoerd. Voor de berekening en bijbehorende toelichting wordt verwezen naar de separate bijlagen. In onderstaande alinea’s is een beschrijving gegeven van de belangrijkste uitgangspunten en conclusies uit deze toelichting. Stikstofdepositieberekening gebruiksfase Binnen het plangebied bevond zich een intensieve varkenshouderij. Deze varkenshouderij is inmiddels gesaneerd.
De twee aanwezige bedrijfswoningen aan de Koevoortseweg 6 en de Kempseweg 17 zijn hierbij behouden. Aangezien feitelijk gezien geen sprake meer is van een agrarisch bedrijf zullen deze bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen. Tevens zullen
Hoofdstuk 4
42
twee ruimte-voor-ruimtewoningen worden opgericht. Aangezien de naar burgerwoningen om te zetten bedrijfswoningen reeds bestaand zijn en er sprake is van bestaand, feitelijk gebruik, zijn deze woningen niet meegenomen in de uitgevoerde stikstofdepositieberekening. Er is door de omzetting van deze twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen namelijk geen verandering te verwachten in de verkeersgeneratie of de wijze van verwarmen. De twee te realiseren ruimte-voor-ruimtewoningen zijn wel meegenomen in de berekening. Hierbij is uitgegaan van gasloos verwarmen. Hiermee gaan derhalve geen emissies gepaard. Voor de twee woningen wordt, conform hetgeen beschreven is in paragraaf 4.1, uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal/woning. In totaal komt de verkeersgeneratie voor de twee ruimte-voor-ruimtewoningen hiermee uit op 16,4 mvt/etmaal. Deze verkeersgeneratie is ingevoerd in de AERIUS-calculator. Er zijn in totaal 3 lijnbronnen ingevoerd (verkeer over drie verschillende routes). Het meest reële is dat het verkeer vanuit de woningen via de Koevoortseweg in noordoostelijke richting rijden, richting de dorpen Lennisheuvel en Boxtel. Hier is dan ook 100% van het verkeer over ingevoerd. Daarnaast zijn twee routes in zuidwestelijke richting over de Koevoortseweg ingevoerd met ieder 50% van het verkeer.
De twee routes splitsen van elkaar bij de splitsing aan de Kempseweg/Koevoortseweg. Dit zal een overschatting zijn van de daadwerkelijke verkeersgeneratie van de woningen, aangezien het totale verkeer in de feitelijke situatie meer verspreid zal zijn over deze routes. De drie rijroutes hebben ieder een lengte van minimaal 250 meter over de openbare weg. Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersbewegingen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Sanering veehouderij Van belang is om verder op te merken dat door sanering de varkenshouderij een aanzienlijke afname in stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ is bewerkstelligd. Uit een vergunningsaanvraag voor een omgevingsvergunning milieu ten behoeve van het veranderen en het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting. In bijbehorende stikstofdepositie is uitgegaan van een bijdrage in stikstofdepositie van het bedrijf op ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ van 26,66 mol/ha/j, uitgaande van de voor de veehouderij vergunde situatie. Voor het besluit inzake de verleende vergunning en bijbehorende aeriusberekening wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale
Hoofdstuk 4
43
ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 200 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.
Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden binnen het plangebied aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming); Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming); Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Hoofdstuk 4
44
Flora- en faunacheck en quickscan flora en fauna Ten aanzien van soortenbescherming heeft de gemeente Boxtel in eerste instantie geen inventarisatie laten plaatsvinden van beschermde flora en fauna. Wel heeft de gemeente op 5 december 2020 een flora- en faunacheck laten uitvoeren door Regelink Ecologie & Landschap. Dit bureau heeft een potentie-inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna. Daarbij is gebruikgemaakt van actuele verspreidingskaarten en typologieën van groeiplaatsen en leefgebieden. Daarbij zijn actuele verspreidingsgebieden van beschermde flora en fauna in kaart gebracht aan de hand van verspreidingsgegevens uit verspreidingsatlassen. Uit deze check is naar voren gekomen dat er mogelijkerwijs sprake is van aanwezigheid van beschermde diersoorten in de te slopen stallen. De soorten die daarbij mogelijkerwijs aanwezig worden geacht zijn de baardvleermuis, de franjestaart, de gewone dwergvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de kleine dwergvleermuis, de laatvlieger en de ruige dwergvleermuis. Er is tevens een ecologische quickscan uitgevoerd. Het doel daarvan was vast te stellen of de sloop van een of meer varkensstallen een overtreding kan betekenen van de Wet natuurbescherming.
Bij de ecologische quickscan is vastgesteld dat de sloop van de varkensstal(len) nadelig is of kan zijn voor soorten in onderstaande tabel, waarin met een ‘n’ is aangegeven dat een soort niet voorkomt en met een ‘m’ dat de soort mogelijk voorkomt.
Figuur 4.6 Resultaten ecologische quickscan. Aangegeven wordt welke soorten niet (‘n’) en welke soorten mogelijk voorkomen (‘m’; bron: Regelink Ecologie & Landschap).
Voor het rapport behorende bij bovengenoemde check en e-mail van Regelink Ecologie & Landschap betreffende de resultaten van de ecologische quickscan wordt verwezen naar bijlage 4. In de ecologische quickscan wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek naar het mogelijk voorkomen van de kerkuil, de steenuil, de huismus en vleermuizen noodzakelijk is. Dit onderzoek is reeds uitgevoerd. Het ecologisch vervolgonderzoek is verantwoord in de navolgende alinea’s. Vervolgonderzoek vleermuizen, kerkuil en steenuil In de periode van juli 2020 tot en met mei 2021 is ecologisch vervolgonderzoek met betrekking tot vleermuizen, kerkuilen en steenuilen uitgevoerd door Brabant Eco. Hiertoe is het plangebied 5 keer bezocht. Het doel van dit ecologisch vervolgonderzoek was om vast te stellen of het plangebied al dan niet deel uitmaakt van het functionele leefgebied van vleermuizen, kerkuil of steenuil en zo ja, voor welke soorten (vleermuizen) en welke functie het plangebied daarin vervult. Eveneens is naar aanleiding van de onderzoeksresultaten een effectbeoordeling uitgevoerd om te toetsen of de Wet natuurbescherming wordt overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ingreep. Voor het volledige
Hoofdstuk 4
45
onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen. In de volgende alinea’s worden de belangrijkste resultaten en conclusies uit dit onderzoek besproken. Tijdens de veldbezoeken in de zomermaanden zijn er in het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Net buiten het plangebied in de woning aan de Koevoortseweg 6 is op 15 juli 2020 een kraamkolonie waargenomen. Tijdens de paarperiode (augustus – september 2020) werden er geen baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Ook zwermgedrag is niet waargenomen. Op basis van de verrichte onderzoeksinspanning kon het voorkomen van verblijfplaatsen in de rees gesaneerde stallen in het plangebied voor vleermuizen worden uitgesloten. Uit het vleermuisonderzoek blijkt dat het plangebied en de directe omgeving als foerageergebied van geringe betekenis is voor vleermuizen. Vanwege het beperkte aantal foeragerende dieren en de in ruime mate aanwezige alternatieve foerageermogelijkheden in de directe omgeving kan gesteld worden dat het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen is. De beplanting en woonhuizen met bijgebouwen direct bij de gesaneerde varkensstallen blijven behouden. Gezien de geringe betekenis van het plangebied als foerageergebied is geen sprake van een negatief effect op foeragerende vleermuizen.
De gunstige staat van instandhouding van de vleermuizen als soort komt niet in het geding. De bomenrij achter Kempseweg 17 naast het plangebied wordt mogelijk als vliegroute gebruikt. Elders binnen het plangebied werden geen vliegroutes waargenomen. De bomenrij achter Kempseweg 17 blijft behouden, waardoor de eventuele hierlangs lopende vliegroute behouden blijft. Van vaste vliegroutes zou eventueel sprake kunnen zijn naast of over de openbare weg, de Koevoortseweg. Hierbij zou gebruik gemaakt kunnen worden van de bestaande bomenrij langs de weg. Aangezien ook deze bomen in de toekomst blijven staan blijft de eventueel aanwezig zijnde vliegroute ook bruikbaar. Het indienen van een ontheffingsaanvraag is daarom dan ook niet noodzakelijk. Tijdens de bezoeken in september is er een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen voor het huis aan de Koevoortseweg. Gewone dwergvleermuizen vliegen al roepend rond om vrouwtjes naar hun paarverblijfplaats te lokken. Doordat zij hierbij door hun hele territorium vliegen is het doorgaans lastig om de exacte paarverblijfplaats te lokaliseren. Tijdens de paarronde einde september werd waargenomen dat het baltsende dier zeer regelmatig langs de voorzijde van de bedrijfswoning vloog. Daarom zou mogelijk kunnen worden aangenomen dat de verblijfplaats van dit dier in de woning aanwezig is.
De exacte plaats ervan is niet bekend maar het is uit te sluiten dat er in de gesaneerde varkensstallen een verblijfplaats aanwezig was. De gebouwen binnen het plangebied zijn ongeschikt als massawinterverblijfplaats. De afwezigheid van zwermactiviteiten tijdens de najaarsonderzoeken heeft dit bevestigd. De aanwezigheid van paarverblijfplaatsen is voor de gewone dwergvleermuis vaak een indicatie dat gebouwen ook geschikt zijn als winterverblijfplaats voor een kleine groep of solitair overwinterende gewone dwergvleermuizen. Afhankelijk van het type bebouwing zijn deze winterverblijfplaatsen alleen geschikt in milde winters of ook tijdens strenge vorst. Omdat er geen zomer- of paarverblijfplaatsen zijn vastgesteld in het
Hoofdstuk 4
46
plangebied is het onwaarschijnlijk dat er kleine winterverblijfplaatsen van solitair overwinterende vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Omdat op 15 juli 2020 gewone dwergvleermuizen werden waargenomen in de omgeving van het plangebied is rekening gehouden met mogelijk aanwezige zomer- en paarverblijfplaatsen van vleermuizen. In de directe omgeving van de reeds gesaneerde varkensstallen zijn daarom in juli 2020 vleermuiskasten opgehangen: twee kasten aan de bomenrij achter Kempseweg 17 en twee grote kasten aan beide gevels van de garage van deze woning. Deze kasten zijn opgehangen op enkele tientallen meters van de reeds gesloopte stallen en zijn geschikt als zomer- en paarverblijfplaats voor onder andere gewone dwergvleermuis. De kraamverblijfplaats in de nok van de woning aan de Koevoortseweg 6 blijft behouden. Aan het begin en einde van het vleermuisonderzoek op 15 juli 2020 is er een baltsroep van de steenuil op verschillende locaties rondom de stallen hardop afgespeeld in en in een straal van 250 meter rond het plangebied. Voorafgaand aan de bezoeken van 15 juli en 1 en 22 september is de locatie grondig onderzocht op gebruikssporen (uitwerpselen, braakballen, veren en nestplaatsen). Hierbij zijn tevens de bomen onderzocht op eventuele holten die kunnen dienen als verblijfplaats.
Tijdens alle vleermuisonderzoeken is er gezocht naar locaties van nesten, rustplaatsen, of (essentieel) functioneel leefgebied voor de steenuil en vooral voor de kerkuil. Hierbij is ook gelet op jagende, krijsende en roestende kerkuilen. Gedurende de nadere onderzoeken naar steenuilen in het voorjaar van 2021 is telkens een baltsroep van de steenuil afgespeeld op en in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens het onderzoek van 31 maart werd er een reactie gehoord op de baltsroep nabij de Beerze ten oosten van het plangebied. Op 16 mei om 23h00 werd er op 200 meter ten noorden van het plangebied een kerkuil gezien. In november 2020 is navraag gedaan bij de Uilenwerkgroep Boxtel. Deze werkgroep wordt aangestuurd door het Brabants Landschap. Vogels de uilenwerkgroep zijn er in de nabije omgeving van het plangebied een kerkuilkast en drie steenuilkasten gehangen. In 2020 waren de kerkuilkast en twee van de drie steenuilkasten bewoond. De directe omgeving van de reeds gesaneerde varkensstallen zal door voornoemde uilen als foerageergebied gebruikt worden. Bij inventarisaties hebben leden van de uilen werkgroep Boxtel tot op heden geen kerk- of steenuilen nesten aangetroffen bij het varkensbedrijf dat zich in het plangebied bevond.
Op basis van het vervolgonderzoek naar vleermuizen, kerkuilen en steenuilen kan het voorkomen van deze soorten in het plangebied worden uitgesloten. Omdat echter niet kan worden uitgesloten dat de locatie in gebruik is als foerageergebied voor vleermuizen wordt geadviseerd om de werkzaamheden bij daglicht uit te voeren. Tijdens de veldbezoeken zijn tot slot met name overvliegende, rustende of foeragerende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen onder andere: spreeuw, koolmees, houtduif, merel en kauw. Ook zijn tijdens de veldbezoeken een vos en een haas waargenomen in de weide achter de stallen. Volledigheidshalve is vooral tijdens de onderzoeken in 2021 gelet op nestindicatief gedrag van
Hoofdstuk 4
47
overige gebouw bewonende soorten welke mogelijk aanwezig zijn nabij het plangebied. Hierbij zijn echter geen nesten van gebouw bewonende soorten waargenomen. De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Huismussen Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen met betrekking tot huismussen is er op 20 augustus 2020 een mitigatieplan opgesteld door Brabant Eco. Voor het volledige mitigatieplan wordt verwezen naar de bijlagen. In de navolgende alinea’s zijn de belangrijkste elementen uit het mitigatieplan opgenomen Tijdens het locatiebezoek op 17 juli 2020 dat is uitgevoerd in het kader van het vervolgonderzoek ten aanzien van vleermuizen, kerkuilen en steenuilen zijn de reeds gesaneerde stallen gecontroleerd op het voorkomen van nesten van huismussen. Hiervan werden geen waarnemingen gedaan. Wel werden er 5 huismussen waargenomen binnen het plangebied.
Deze zaten op het dak van de bedrijfswoning aan de Koevoortseweg 6 en konden ook gebruik maken van de destijds nog aanwezige varkensstallen (als foerageergebied) of voederplaatsen (onder de silo’s). Naar verwachting hebben deze huismussen hun nesten in de bestaande naar burgerwoningen om te zetten bedrijfswoningen. Beide bedrijfswoningen zijn omgeven met een vogelvriendelijke tuin met water en veel nest- en schuilmogelijkheden. Beide tuinen zijn aangelegd met onder andere liguster- en beukenhagen, gazon, hazelaar, esdoorn, berk, laurier en els. Tussen de bedrijfswoning aan de Kempseweg 17 en de reeds gesaneerde varkensstallen staat een struweel aan bomen met berken, lindebomen, beuken en eiken. Er zijn weliswaar geen nesten waargenomen in de gesaneerde varkensstallen en er is daarnaast geen sprake van een duurzame populatie, maar het plangebied heeft wel een functie voor de aanwezige huismussen in de vorm van rust- en voederplaatsen. Het betreft in dit gebied minder dan 10 paartjes huismussen. Het is op grond van de wet Natuurbescherming niet toegestaan om nestplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen aan te tasten en dieren mogen niet verstoord of gewond raken tijdens de werkzaamheden. Een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is te voorkomen door voorafgaand aan de werkzaamheden voorzorgsmaatregelen te treffen.
Het gaat dan om het behoud van de functionaliteit van de voortplanting- en/of vaste rust- of verblijfplaats van de soort. Vanwege de sloop van de varkensstallen binnen het plangebied waren er op lokaal niveau negatieve effecten te verwachten voor de huismus, die overigens niet zouden leiden tot een totale verdwijning van de huismus als broedvogel op lokaal niveau. Om te voorkomen dat eventueel aanwezige jaarrond beschermde nesten verloren gaan zijn verschillende maatregelen voorgesteld, waaronder het
Hoofdstuk 4
48
aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen. Door het uitvoeren van gepaste maatregelen in tijd en ruimte wordt voldaan aan de zorgplicht. Ook worden zo het behoud van de functionaliteit van de verblijfplaats en de waarborging van de lokale staat van instandhouding van de huismus gewaarborgd. Het aspect ecologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de betreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Daarom is een bodemonderzoek conform de NEN 5740-richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Vanwege de sanering van de intensieve veehouderij en in het kader van onderhavige partiële bestemmingsplanherziening heeft Bodeminzicht een verkennend en eindsituatiebodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden binnen het plangebied. Het onderzoeksrapport betreffende dit bodemonderzoek (d.d. 22 april 2022) is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. In navolgende alinea’s komen de belangrijkste uitgangspunten en conclusies uit dit onderzoek aan bod.
Aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek was de voorgenomen bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De aanleiding voor het eindsituatieonderzoek was de beëindiging van de agrarische activiteiten. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van verdachte deellocaties binnen het voormalige agrarisch bedrijf en ter plaatse van de nieuwbouwlocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn aannames gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van potentiële verontreinigingsbronnen en is een onderzoekshypothese opgesteld. Vooronderzoek Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie eerst een vooronderzoek uitgevoerd. Hierbij is de benodigde informatie verkregen via het milieu-archief van de gemeente Boxtel, kadastrale kaarten, topografische kaarten (Topotijdreis), grondwaterkaarten, de Omgevingsrapportage Noord-Brabant en tijdens locatiebezoek en via de initiatiefnemer. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde informatie is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de NEN 5740.
Hoofdstuk 4
49
Tijdens het verrichte vooronderzoek zijn op perceel 816 de volgende potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben, in het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze bronnen als verdachte deellocatie (VEP) beschouwd: spuiwateropslagsilo t.b.v. chemische luchtwasser; noodstroomaggregaat met dieselopslag; spoelplaats; werkplaats. De spoelplaats en noodstroomaggregaat bevinden zich direct naast elkaar. Op basis van het vooronderzoek wordt voor de nieuwbouwlocatie (perceel 911) uitgegaan van een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL, tabel 3.1). In het kader van aanvraag van een bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen wordt 4.300 m² onderzocht. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt niet als asbestverdacht beschouwd. Er is geen sprake van bodemvreemde lagen. Veldwerkzaamheden en analyse Op 11 en 19 oktober 2021 zijn de veldwerkzaamheden in het kader van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn in totaal 15 grondboringen gezet, waarvan 1 met peilstok. Tevens zijn in het kader van de het eindsituatiebodemonderzoek nog 10 grondboringen gezet, waarvan 3 met peilstok.
Tijdens het verrichten van veldwerk zijn geen bijmengingen aangetroffen in de bodem die duiden op verontreinigend (menselijk) ingrijpen zoals een visuele bijmenging of andere zintuigelijke bevindingen. De beoordeling van de opgeboorde grond vormt geen aanleiding voor aanpassingen van de onderzoeksstrategie zoals asbestonderzoek. Hoewel er bijzonderheden zijn waargenomen, hebben deze aangetroffen bijzonderheden niet geleid tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De gemeten waardes worden niet als afwijkend beschouwd voor de regio en geven geen indicatie voor de aanwezigheid van verontreinigingen in het grondwater. Opgemerkt dient te worden dat de troebelheid in het grondwater ter plaatse hoger is dan de waarde die voor grondwater als normaal wordt geacht (< 10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de concentratie van matig/slecht oplosbare organische parameters. Tijdens de monsterneming van het grondwater zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die zouden kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters geven informatie over de feitelijke aanwezigheid en concentraties van onderzochte stoffen of groepen stoffen. De analyseresultaten hebben geen aanleiding gegeven individuele monsters separaat te analyseren.
Hoofdstuk 4
50
Resultaten en conclusie verkennend bodemonderzoek In het separate monster met sporen kolen (6.1) is een matig verhoogd gehalte aan PAK en een licht verhoogd gehalte minerale olie gemeten. De verhoogde gehaltes kunnen gerelateerd worden aan de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen (kolen). Ter plaatse zijn in het grondmengmonster van de ondergrond (MM03) geen verhoogde gehalten aan PAK en/of minerale olie gemeten. In de visueel schone mengmonsters van de vaste bodem (BG1, BG2, MM1, MM2 en MM3), de mengmonsters met (zeer) zwakke bijmenging aan baksteen (BG3) en resten puin (BG4) zijn geen van de geanalyseerde parameters gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse zijn gehaltes aan barium gedetecteerd boven de streefwaarden. De verhogingen aan barium zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes. De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de hypothese. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Het matig verhoogde gehalte aan PAK is gemeten in een separaat grondmonster (monster 6.1). Aangezien het een separaat monster betreft én geen sprake is van een interventiewaarde-overschrijding bestaat geen vermoeden voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De uitvoering van aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, derhalve niet zinvol.