Vaststelling bestemmingsplan Koevoortseweg- Bijlage 2 Bestemmingsplan
Tekst van het document
De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit Resultaten en conclusie eindsituatiebodemonderzoek 1. Spuiwateropslagsilo: In de bovengrond ter plaatse is een normale pH gemeten. Ter plaatse van de spuiwatersilo is een zuurgraad van 6,5 gemeten. Deze kan als normaal voor de omgeving worden beschouwd. 2. Noodstroomaggregaat met dieselopslag: In de zintuiglijk schone bovengrond ter plaatse zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters gemeten. 3. Werkplaats: Ter plaatse van de werkplaats zijn in de bovengrond met (zeer) zwakke bijmenging met baksteen geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters gemeten. In het grondwater ter plaatse is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarden. De verhogingen aan barium zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes. 4. Spoelplaats: Ter plaatse van de spoelplaats zijn in de bovengrond met resten puin geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters gemeten. In het grondwater ter plaatse is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarden.
De verhogingen aan barium zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes. Er zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend onderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de vier onderzoekslocaties is voldoende vastgelegd in het kader van de beëindiging van bedrijfsactiviteiten.
Hoofdstuk 4
51
Het aspect bodem zorgt niet voor belemmeringen. Er bestaat geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek.
4.10 Water Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap De Dommel heeft een waterbeheerplan voor de periode 2022-2027 vastgesteld met de titel ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 dient de waterhuishouding in het beheersgebied van het waterschap toekomstbestendig te zijn. Om sturing te geven aan de watertransitie worden drie principes gehanteerd, te weten: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel.
De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Sinds maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een
Hoofdstuk 4
52
aantal Beleidsregels opgesteld. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Gemeente Boxtel De gemeente Boxtel heeft haar gemeentelijke water- en rioleringsbeleid voor de jaren 2020-2024 vastgelegd in het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan’ (VGRP). In het VGRP zelf is vastgelegd wat onder dit instrument moet worden verstaan, namelijk: “een strategische beleidsnota waarin op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende planperiode is neergelegd met betrekking tot aanleg en beheer van het rioleringssysteem. Het VGRP is een verplicht planinstrument volgens de Wet Milieubeheer”10. In het VGRP wordt ten aanzien van de strategie voor hoe om te gaan met hemelwater aangesloten bij het beleid van waterschap De Dommel. Er wordt expliciet benoemd dat het uitgangspunt bij ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkelen is. In de kern betekent dat dat hemelwater dat op daken en verhardingen valt niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. In lijn met wat waterschap De Dommel heeft opgenomen in de ‘Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’ dient voor de behandeling van hemelwater de zogenoemde waterkwantiteitsrits doorlopen te worden.
Gelet op de geohydrologische omstandigheden hanteert de gemeente Boxtel het uitgangspunt dat perceeleigenaren in nieuw- en herbouwsituaties – wat zoveel inhoud als bij uit- en inbreidingen – hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. Meer specifiek houdt in dat aan een bergingseis van 60 mm/24 uur moet worden voldaan. Pas vanaf die grens wordt van perceeleigenaren in nieuw- en herbouwsituaties niet meer verwacht dat ze hemelwater redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. In tegenstelling tot wat in de Keur het geval is hanteert de gemeente Boxtel een ondergrens van 250 m 2 in plaats van 500 m2 als minimale toename in verharding vanaf wanneer compensatie moet plaatsvinden. In specifieke gevallen, zoals in bestaan stedelijk gebied en/of lokaal minder geschikte geohydrologische omstandigheden kan van het door de gemeente vastgestelde richtlijnen worden afgeweken. Provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft het ‘Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP), Provincie Noord-Brabant 2022 – 2027’ opgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. In dit document verwoordt de provincie hoe ze de komende jaren gaat werken aan voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie. Het RWP biedt waterschappen en gemeenten een kader voor hun eigen beleid.
Het RWP staat niet op zichzelf, maar wordt in samenhang gezien met andere provinciale opgaven op het gebied van leefbaarheid, cultuur en vrije tijd, wonen en werken, leefbaarheid, energie, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, archeologie en cultuurhistorie, en duurzame circulaire economie. Op deze manier draagt het bij aan een integrale benadering van de duurzame (fysieke) leefomgeving. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het
10
VGRP (2020-2024), p. 43.
Hoofdstuk 4
53
Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). De urgentie is echter afgelopen jaren sterk toegenomen Doorwerking plangebied Oppervlaktewater Ten westen van het plangebied loopt de Beerze (beek). Het plangebied grenst in het noordwestelijke deel bijna aan de Beerze. De afstand tot de Beerze is hier minimaal circa 10 meter. Het overige deel van het plangebied ligt op een afstand van minimaal circa 130 meter van de Beerze. Vanwege de ligging nabij de Beerze is een deel van het plangebied aangemerkt als of gereserveerd voor waterberging. Dit is onder andere als zodanig aangeduid op ‘Kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging’, behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (zie onderstaande figuur 4.7).
Figuur 4.7 Waterbergingsgebieden en gebieden die gereserveerd zijn voor waterberging, als aangeduid op de kaart ‘Kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging’, behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (plangebied indicatief aangeduid middels rode omlijning; bron: ruimtelijkeplannen.nl).
In aanvulling op het overwogene in paragraaf 3.2 zijn er nog enkele relevante zaken op te merken met betrekking tot waterbergingsgebieden en gebieden die gereserveerd zijn voor waterberging. Zoals blijkt uit bovenstaande figuur worden de gronden waarop de 2 ruimte-voor-ruimtewoningen worden
Hoofdstuk 4
54
gerealiseerd niet aangemerkt als waterbergingsgebied of dat als zodanig gereserveerd is. Ook het perceel aan de Koevoortseweg 6, waarop één van de naar burgerwoningen om te zetten bedrijfswoningen aanwezig is, maakt geen onderdeel uit van het waterbergingsgebied of een gebied dat gereserveerd is voor waterberging. Dat geldt niet voor het perceel aan de Kempseweg 17, waarop zich de andere naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning bevindt. Ter plaatse van de gronden die op dit perceel worden aangemerkt als waterbergingsgebied of gebied dat hiervoor gereserveerd is zijn feitelijk gezien geen ontwikkelingen voorzien. In de planregels is geborgd dat de woning ook op dezelfde plaats moet blijven. Het nieuw op te richten bijgebouw behorende bij deze woning zal worden opgericht op gronden die niet als waterbergingsgebied worden aangemerkt. Dat dit laatste ook daadwerkelijk het geval zal zijn is juridisch-planologisch geborgd door dit bijgebouw enkel toe te staan ter plaatse van een op de verbeelding opgenomen aanduiding. Zodoende wordt het waterbergend vermogen van het waterbergingsgebied behouden. In onderhavig bestemmingsplan is juridisch-planologisch geborgd dat er geen negatieve effecten optreden op de Beerze. Hiertoe is op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan een aanduiding ‘milieuzone – beekherstel’ opgenomen.
Deze is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan is opgenomen dat gronden ter plaatse van deze aanduiding bestemd zijn voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Op 1 juli 2021 heeft er overleg plaatsgevonden met Waterschap De Dommel en de gemeente Boxtel. Door het waterschap is aangegeven dat er binnen het deel van het plangebied waarop de aanduiding ‘milieuzone – beekherstel’ van toepassing is een beekherstelopgave ligt. Het waterschap heeft aangegeven dat de precieze opgave van het waterschap nog niet is uitgewerkt. Wel is duidelijk dat er een opgave ligt tot het hermeanderen van de Beerze. Tijdens dit overleg is ook gesproken over de aanleg en het beheer van de te realiseren natuurgronden in het noordwestelijke deel van het plangebied. Het waterschap heeft hierbij verzocht om deze gronden zo in te richten dat de mogelijkheden tot het realiseren van de beekherstelopgave behouden blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een inrichting met een nat kruidenrijk grasland. Zodra de beekherstelopgave is geconcretiseerd kunnen nadere afspraken worden gemaakt met de eigenaren van de gronden over het verder vormgeven van de invulling van de natuurgronden binnen het plangebied en het beheer hiervan.
Ook binnen het plangebied bevindt zich oppervlaktewater, namelijk een sloot. Op dit moment bestaat deze uit twee verschillende delen. Het eerste deel bevindt zich aan de rechterzijde van de woning aan de Koevoortseweg 4 – en daarmee aan de linkerzijde van het perceel waarop de 2 ruimte-voorruimtewoningen worden gerealiseerd. Dit deel van de sloot loopt tot de plek waar de reeds gesaneerde varkensstallen aanwezig waren. Het tweede deel van de sloot bevindt zich aan de andere zijde van de reeds gesaneerde varkensstallen en loopt in noordwestelijke richting naar de Beerze toe. Het voornemen is om het deel van de sloot dat zich bevindt tussen de het perceel aan de Koevoortseweg 4 en het perceel waarop de 2 ruimte-voor-ruimtewoningen worden gerealiseerd te dempen. Hierdoor ontstaan kansen om dit laatste perceel op te hogen, waardoor de kans op
Hoofdstuk 4
55
wateroverlast wordt verkleind. Aan de achterzijde van het woonperceel waarop de ruimte-voorruimtewoningen zullen worden opgericht wordt een watergang gerealiseerd die wordt aangesloten op het bestaande waternetwerk. Hiertoe wordt ook de gedempte sloot ter plaatse van de gesaneerde varkensstallen weer geopend. Aan de zijde van de Beerze zal een drempel in de sloot worden behouden/ingepast. Afvalwater Onderhavig bestemmingsplan voorziet in 2 nieuwe (ruimte-voor-ruimte) woningen. Uitgegaan wordt van een bezettingsgraad van gemiddeld 2,5 personen per wooneenheid en een waterverbruik van 10 l/i.e./uur. Aangezien sprake is van in totaal 5 i.e. (2 woningen x 2,5 personen per wooneenheid), zal naar verwachting daarom sprake zijn van een totale toename in vuilwaterbelasting geproduceerd door woningen binnen het plangebied van 50 liter/uur. Dit staat gelijk aan 0,05 m 3/uur. De gemeente Boxtel heeft in haar principebesluit aangegeven dat het bestaande drukrioolsysteem zal moeten worden uitgebreid. Hiervoor is volgens de gemeente naar verwachting een nieuwe pompunit nodig. Mogelijk komt deze pompunit op particulier terrein te staan. De locatie waar de eventuele pompunit zal worden gerealiseerd zal nader bepaald worden in overleg met de gemeente.
Hemelwater en grondwater Uitgangspunt in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) van de gemeente Boxtel is dat perceeleigenaren hemelwater bij her- en nieuwbouw in beginsel redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. Bij een toename in verhard oppervlak meer dan 250 m2 moeten perceeleigenaren in beginsel eerst zelf compenserende maatregelen treffen om het regenwater te verwerken. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater of riolering mogelijk. In dat laatste geval kan compenserende berging echter wel noodzakelijk worden bevonden, bijvoorbeeld in de vorm van een vijver, een infiltratievoorziening of een buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Om te bepalen of er sprake is van een toename in verhard oppervlak van meer dan 250 m 2 is de hoeveelheid verhard oppervlak inzichtelijk gemaakt voor de huidige en de toekomstige situatie. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen gebouwen en overige verharding.
Hoofdstuk 4
56
Verharding huidig
Verharding toekomstig
Gebouwen
Gebouwen
Perceel
Opp. (m2)
Perceel
Opp. (m2; bij benadering)
553
182,5
553
182,5
816/ 911
3853,5
816/ 911
555,0
813/814
192,0
813/814
192,0
Totaal gebouwen
4228,0
Totaal
929,5
Overige verharding
Overige verharding
Perceel
Opp. (m2; bij benadering)
Opp. (m2; bij benadering)
553
660,0
553
660,0
816/ 911
2062,0
816/ 911
1920,0
813/814
655,0
813/814
655,0
Totaal overig
3377,0
Totaal overig
3235,0
Totaal gebouwen
4228,0
Totaal gebouwen
929,5
Verharding totaal
7605,0
4164,5
Uit bovenstaande tabel volgt de verharding binnen het plangebied bij benadering afneemt met 3440,5 m2. Het is daarom niet strikt noodzakelijk om zelf compenserende maatregelen te treffen. Mocht het voor initiatiefnemers wenselijk zijn om de infiltratie van hemelwater (extra) te faciliteren en wateroverlast te voorkomen, dan is dat in beginsel mogelijk middels de aanleg van een open en natuurlijk systeem zoals een wadi. Het deel van het regenwater dat niet (tijdig) in de bodem kan worden geïnfiltreerd kan middels een noodoverstort (drempel) via de sloten naar de Beerze worden afgevoerd. Zo wordt bijgedragen aan het zoveel mogelijk verwerken van hemelwater op eigen terrein. Voor het bepalen van de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied is gebruikgemaakt van de ‘Bodematlas’ van de provincie Noord-Brabant. Uit deze ‘Bodematlas’ blijkt dat ter plaatse van de gronden waarop de ruimte-voor-ruimtewoningen zullen worden gerealiseerd sprake is van grondwatertrap Vb. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangetroffen op een diepte van meer dan 25 cm onder het maaiveld, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand wordt aangetroffen op een diepte van meer dan 120 cm onder het maaiveld. De gronden waarop de ruimte-voor-ruimtewoningen zijn voorzien zullen worden opgehoogd. Hierbij wordt gedacht een ophoging met 40 cm.
Hierdoor is de bodem met betrekking tot grondwaterstanden geschikt voor het realiseren van de nieuwbouwwoningen. Ook zorgt het ophogen van deze gronden naar verwachting voor verbeterde mogelijkheden tot infiltratie van hemelwater.
4.11 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op
Hoofdstuk 4
57
het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. De gemeente Boxtel heeft het beleid m.b.t. archeologie vertaald in de bestemmingsplannen middels dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’. Doorwerking plangebied Voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden geldt voor een deel van de gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – Categorie 3’ en voor een ander deel ‘Waarde – Archeologie – Categorie 4’. Het gebied waarin sloop zal plaatsvinden en nieuwe gebouwen worden gerealiseerd is geheel bestemd met de bestemming ‘Waarde – Archeologie – Categorie 3’.
Gelet de bestemmingsplanregels van het vigerende bestemmingsplan is het van belang om voor gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie – Categorie 3’ de archeologische waarden van de bodem in voldoende mate vastgesteld te hebben. Bovendien is in artikel 33.3.1 van het vigerende bestemmingsplan een verbod opgenomen om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in dat artikel genoemde werkzaamheden of werken te verrichten 11. Archeologisch onderzoek zal moeten plaatsvinden, om op die manier vast te stellen welke archeologische waarden zich eventueel bevinden in de bodem die zal worden verstoord. Het bevoegd gezag kan enkel een vergunning verlenen indien geen archeologische waarden aanwezig zijn, de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad of schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. De Gemeente Boxtel heeft op gemeentelijk niveau archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een ‘Archeologische Beleidsadvieskaart’. De onderzoekslocatie ligt, gelet op hetgeen opgenomen is in de ‘Archeologische Maatregelenkaart’ van de Gemeente Boxtel, in de zone Categorie 4 (Hoge archeologische verwachting).
Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 125 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Middels deze kaart heeft de gemeente aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is. Hiermee is
11
Uitgezonderd een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 125 m 2 en een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst (zie lid 33.2.3, onderdelen a en b, bestemmingsplan Buitengebied 2011 van de gemeente Boxtel).
Hoofdstuk 4
58
het archeologische beleid van de gemeente in onderhavig geval in overeenstemming met hetgeen bepaald in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. Vanwege het van toepassing zijn van bovengenoemde archeologische dubbelbestemming heeft Aeres Milieu op 15 september 2021 een historisch en verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd, bestaande uit bureau- en verkennend booronderzoek (definitief rapport d.d. 15 december 2021). In het vervolg van deze subparagraaf zijn de belangrijkste resultaten conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel is op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Het verwachtingsmodel heeft vervolgens geleid tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek was het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel. Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen hebben inzicht gegeven in bekende of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied.
Daarnaast zijn deze bronnen van belang geweest voor het opstellen van de landschapsgenese. Op grond van het archeologisch bureauonderzoek is geconcludeerd dat de archeologische verwachtingswaarde voor de periode ‘laat-paleolithicum – mesolithicum’ laag is. Ten aanzien van de perioden ‘(laat)-neolithicum – vroege middeleeuwen’ en ‘volle middeleeuwen – nieuwe tijd’ is op basis van het archeologisch bureauonderzoek geconcludeerd dat sprake is van een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Naar aanleiding van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld voor het uitvoeren van het verkennend vooronderzoek. Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen was het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiertoe zijn op 15 september 2021 in totaal 6 boringen gezet. De boordiepte varieerde van 100 tot 160 centimeter maaiveld. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in vijf van de zes boringen de C-horizont gereduceerd is. Dit wordt vaak veroorzaakt door een hoge grondwaterstand. De onder andere verwachte hoge zwarte enkeerdgronden uit het bureauonderzoek zijn binnen het plangebied niet aangetroffen. Wel zijn er beekeerdgronden binnen het plangebied aanwezig. Deze bevatten een bovenlaag van 45 tot 95 centimeter dik.
Boring 6 is tot in de C-horizont verstoord. In geen enkele boring zijn resten aangetroffen van een inspoelingshorizont (B-horizont) of van een bovenliggende uitspoelingshorizont (E-horizont).
Hoofdstuk 4
59
In boring 3 is een niet-geroerde, geoxideerde C-horizont aangetroffen. Als ervan uitgegaan wordt dat in de overige boringen boven het gereduceerde dekzand ook geoxideerd dekzand heeft gelegen, kan worden aangenomen dat een onbekend deel van de bovengrond binnen het plangebied niet meer aanwezig is. Op basis van de brokken B- en/of BC-horizont in boring 6 kan worden gesteld dat voor de verstoring binnen het plangebied wel degelijk bodemvorming heeft kunnen plaatsvinden. Deze is alleen algeheel en tot onbekende diepte opgenomen in de bovengrond. Het archeologisch niveau binnen het plangebied is hierdoor tegenwoordig niet meer intact. De aanwezigheid van gereduceerde dekzand toont aan dat het plangebied ook enige natte omstandigheden heeft gekend. Om deze reden blijft de lage verwachting, als gevormd op basis van het bureauonderzoek, voor intacte vuursteenvindplaatsen uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum gehandhaafd. Steentijdvindplaatsen worden voornamelijk op de hoger gelegen, drogere, gronden als dekzandruggen aangetroffen. Deze liggen meer richting het oosten, onder andere ten hoogte van de huidige bewoningskern van Lennisheuvel. De verwachtingswaarde voor intacte, meer sedentaire vindplaatsen uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen kan voor de genoemde boringen van middelhoog worden bijgesteld naar laag.
In theorie kunnen er overigens wel nog dieper gelegen sporen als waterputten aanwezig zijn. Er moet bovendien wel nog rekening worden gehouden met off-sitefenomenen zoals materiaaldeposities. Hiervoor werden vaak de nattere onderdelen van het landschap gebruikt. Hoewel het lijkt of het plangebied hoger heeft gelegen dan het beekdal, blijkt uit het booronderzoek dat ook in het plangebied enige natte omstandigheden heeft gekend. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het plangebied in een natter deel van het landschap heeft gelegen. Binnen het plangebied zijn beekeerdgronden aangetroffen waarop de kans op het aantreffen van bewoning zeer klein is. Er moet voornamelijk rekening worden gehouden met off-sitefenomenen zoals materiaaldeposities en grafvelden. Dit type vindplaatsen hebben een kleine trefkans. Er is vooralsnog ook geen aanwijzing gevonden voor een historisch erf binnen het plangebied. Er is bijvoorbeeld geen historisch ophoogpakket aangetroffen. Er zijn geen evenmin aanwijzingen gevonden van historische bebouwing binnen het plangebied. Ook de hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd kan daarom worden bijgesteld naar laag. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Op 8 december 2021 heeft de gemeente Boxtel een definitief selectieadvies uitgebracht met betrekking tot het door Aeres Milieu uitgevoerde verkennend archeologisch bureau- en veldonderzoek. Dit selectieadvies is opgesteld door een senior archeoloog van de gemeente ’sHertogenbosch en gecontroleerd door zowel een andere senior archeoloog van deze gemeente als door een medewerker Erfgoed van de gemeente Boxtel. Hierin is het onderzoeksrapport goedgekeurd.
Hoofdstuk 4
60
4.12 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Aan de hand van de verbeeldingen van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2011 en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant is bepaald of in de omgeving van het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Hieruit blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden bevinden die om specifiek onderzoek vragen. Zo zijn er geen molenbiotopen aanwezig in de directe omgeving en worden er geen gebouwen van cultuurhistorische waarde gesloopt. Die bij het plangebied aanwezige bomenrij die zich aan weerszijden van de weg uitstrekt en die een redelijk hoge cultuurhistorische waarde wordt niet aangetast tijdens de realisering van de voorgenomen ontwikkelingen. Om die reden is onderzoek ten aanzien van dit aspect niet noodzakelijk.
4.13 M.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan nodig. Doorwerking plangebied Gezien de beperkte schaal van het project wordt de ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. De voorgenomen activiteit komt daarom niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.- beoordeling is daarom niet aan de orde.
Hoofdstuk 4
61
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan. Samen met de verbeelding vormen de regels het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving;
Hoofdstuk 5
62
bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.
De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.
algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.2 Toelichting op de verbeelding Het bestemmingsplan bevat een verbeelding. Op de verbeelding zijn twee (enkel)bestemmingen opgenomen. Voor de woningen en de daarbij behorende tuinen (perceel) geldt de bestemming
Hoofdstuk 5
63
‘Wonen’. Voor de overige percelen binnen het plangebied geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschap’.
5.3 Toelichting op de bestemmingen Hier wordt per bestemming een korte toelichting gegeven ter verduidelijking van de regels. Agrarisch met waarden – Natuur en landschap Bij het opstellen van deze bestemming is zoveel mogelijk aangesloten bij de agrarische bestemming van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De voor agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschapsen natuurwaarden. Daarnaast zijn ook paden, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen e.d. toegestaan. Binnen de agrarische bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen worde gebouwd die ten dienste staan van de bestemming. Voor de bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maatvoeringen opgenomen. Wonen Voor de bestemming ‘Wonen’ geldt dat het is toegestaan om te wonen, met een maximum van 1 woning per bestemmingsvlak. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte woning’ is een ruimte-voor-ruimte woning toegestaan. Daarnaast zijn aan-huis-verbonden beroep/bedrijven toegestaan, waarvoor specifieke gebruiksregels gelden. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd, met inachtneming de afstanden tot de weg.
De bouw- en goothoogte bedraagt respectievelijk 9 en 4,5 meter, met dien verstande dat voor de bestaande woningen de bestaande maatvoeringen als maximaal gelden. Voor de ruimte-voor-ruimte woningen geldt dat de maximale inhoud niet meer dan 850 m 3 mag bedragen. Voor de bestaande woningen geldt dat de bestaande inhoud als maximum geldt. Bijgebouwen zijn toegestaan achter de voorgevel van hoofdgebouw. De gezamenlijke grondoppervlakte aan bijgebouwen mag niet meer dan 100 m 2 bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ de omvang per bestemmingsvlak niet meer dan 200 m 2 mag bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke grondoppervlakte niet meer dan 300 m2 mag bedragen. Daarnaast is er ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te waarborgen dat landschappelijke inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 5
64
Leiding – Gas De voor ''Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor aardgastransportleidingen met de bijbehorende belemmerde strook. Waarde – Archeologie – Categorie 3 en 4 De voor 'Waarde - Archeologie – Categorie 3 en 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Waarde - Attentiegebied EHS De voor 'Waarde - Attentiegebied EHS' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur(waarden). Om deze waarden te borgen is een beschermend aanlegvergunningenstelsel opgenomen. De dubbelbestemming 'Waarde - Attentiegebied EHS' is aan het hele plangebied toegekend.
Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2 De voor 'Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het leefgebied van soorten van half-open cultuurlandschap, waaronder begrepen agrarische gronden met een half-open karakter en de daarbij behorende natuurkwaliteiten, extensief gebruikte perceelsranden en overhoekjes; het behoud van de openheid en de bescherming van het landschappelijke karakter van het waardevolle beekdal. Waterstaat – Waterberging en Waterstaat – Reservering waterberging Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ten behoeve van de borging van het waterbergingsvermogen van het gebied. Conform de Interim omgevingsverordening hebben deze gronden een passende dubbelbestemming gekregen met daarin voorwaarden voor werkzaamheden die invloed kunnen hebben op het waterbergend vermogen van de gronden. Prioriteit van dubbelbestemmingen Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden: a. in de eerste plaats de regels van de bestemming 'Leiding - Gas'; b. in de tweede plaats de regels van de bestemmingen 'Waarde - Archeologie - Categorie 2, 'Waarde - Archeologie - Categorie 3' en 'Waarde - Archeologie - Categorie 4'; c. in de derde plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Attentiegebied EHS'; d.
in de vierde plaats de regels van de bestemmingen 'Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2'; e. in de vijfde plaats de regels van de bestemmingen ‘Waterstaat – Waterberging’ en ‘Waterstaat – Reservering waterberging’.
Hoofdstuk 5
65
Gebiedsaanduidingen In het vigerende moederplan Buitengebied zijn nog enkele gebiedsaanduidingen relevant voor onderhavig plan. Er is voor gekozen om deze gebiedsaanduidingen in zijn geheel opnieuw op te nemen. Het betreft hier de gebiedsaanduidingen: ‘milieuzone - beekherstel’; ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’; Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Voor de gronden binnen deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende regels.
Hoofdstuk 5
66
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent het ontwerpbestemmingsplan. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Omgevingsdialoog; Vaststellingsprocedure. 6.1.1 Omgevingsdialoog Met een omgevingsdialoog wordt getoetst of bewoners in de directe omgeving van de gewenste ontwikkeling de betreffende ontwikkeling zien zitten. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog georganiseerd waarin omwonenden van het plangebied betrokken zijn. Ter kennisgeving van het planvoornemen is eind maart (2021) een brief verspreid onder omwonenden van het plangebied. Deze brief is verspreid onder alle adressen die zich binnen een straal van ongeveer 250 meter van het plangebied bevinden.
Omwonenden hebben de kans gekregen om vóór 19 april 2021 via e-mail of brief te reageren. Ook zijn ze in de gelegenheid gesteld om, alvorens schriftelijk te reageren, eerst een telefonisch of fysiek gesprek met de initiatiefnemers van de voorgenomen ontwikkelingen (‘initiatiefnemers’) te voeren over het planinitiatief. De brief die ter kennisgeving onder omwonenden is verspreid bestond uit verschillende onderdelen. In de brief is allereerst uitgelegd dat initiatiefnemers voornemens zijn om te stoppen met hun agrarische bedrijfsvoering en dat ze in samenhang daarmee willen overgaan tot een aantal ruimtelijke ontwikkelingen. Daarna is op overzichtelijke wijze toegelicht tot welke ruimtelijke ontwikkelingen initiatiefnemers wensen over te gaan. Dat is gedaan door de voorgenomen ontwikkelingen puntsgewijs te beschrijven. Vervolgens is aangegeven dat de wens bestaat om de voorgenomen ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken middels een partiële bestemmingsplanherziening van het vigerende bestemmingsplan, ‘Buitengebied 2011’ van de gemeente Boxtel.
Hoofdstuk 6
67
Na een inhoudelijke toelichting op het initiatief is toegelicht dat de door omwonenden ontvangen brief door initiatiefnemers is verspreid in het kader van de te voeren omgevingsdialoog. Hierbij is expliciet aangegeven dat omwonenden tijdens de omgevingsdialoog de mogelijkheid krijgen om te reageren op en vragen te stellen over de voorgenomen ontwikkelingen. Tot slot is aangegeven dat een verslag van de omgevingsdialoog, bestaande uit een geanonimiseerde samenvatting van de binnengekomen reacties en een beantwoording per samenvatting, zal worden verspreid onder diegenen die hun reactie op het planinitiatief hebben gegeven. Voor de volledigheid en ter verduidelijking is een conceptversie van het landschappelijk inpassingsplan (LIP) toegevoegd als bijlage bij de brief ter kennisgeving. In het kader van de omgevingsdialoog zijn 5 reacties ingediend. Deze reacties zijn samengevat en beantwoord in een verslag. Indien een ingediende reactie aanleiding gaf tot het aanbrengen van wijzigingen in het bestemmingsplan of bijbehorend LIP, is dit is in de beantwoording aangegeven. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is besloten om het op te richten bijgebouw (schuur) behorende bij de woning aan de Koevoortseweg 6 een kwartslag te draaien.
Op die manier ligt het bijgebouw niet meer in de breedte achter de woning aan de Koevoortseweg 4, waarmee verlies van uitzicht vanuit deze woning zoveel als redelijkerwijs mogelijk is voorkomen wordt. Ook is naar aanleiding hiervan besloten om uit te gaan van het dichten van de sloot tussen de woning aan de Koevoortseweg 4 en de gronden hier rechts van, daar waar de beoogde ruimte-voor-ruimtewoningen zullen worden opgericht. Voor het verslag van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting. 6.1.2 Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. 6.1.3 Vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.8 Wro voor een periode van 6 weken, van woensdag 15 maart 2023 tot en met dinsdag 25 april 2023, ter inzage gelegd. Gedurende de terinzageleggingsperiode heeft eenieder ingevolge het eerste lid, onderdeel d, van dit artikel de kans gehad om zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren te brengen.
In deze periode zijn vier zienswijzen naar voren gebracht. Deze zienswijzen hebben op een aantal punten geleid tot aanpassingen in de bestemmingsplanregels en –toelichting. In een Nota van Zienswijzen en Wijzigingen zijn deze zienswijzen samengevat en beantwoord. Hierbij is aangegeven of de naar voren gebrachte zienswijzen aanleiding hebben gegeven tot het doorvoeren van wijzigingen in het
Hoofdstuk 6
68
bestemmingsplan en, zo ja, tot welke wijzigingen. Deze nota zal worden toegevoegd aan het raadsbesluit. Verder is artikel 5.3 van de planregels op verzoek van de Gasunie ambtshalve gewijzigd ten behoeve van het borgen van uniformiteit voor het afwijkend bouwen binnen de beschermingszone van de gasleiding.
6.2 Financiële uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, eerste lid, Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zo- als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
Hoofdstuk 6
69
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Onderzoeken externe veiligheid Bijlage 4: Stikstofdepositieberekening gebruiksfase Bijlage 5: Besluit omgevingsvergunning milieu Bijlage 6: Ecologische onderzoeken Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Verkennend archeologisch bureau- en veldonderzoek Bijlage 9: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 10: Certificaat bouwtitel
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 10
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
12
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap Wonen Leiding - Gas Waarde - Archeologie - Categorie 3 Waarde - Archeologie - Categorie 4 Waarde - Attentiegebied EHS Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap Waarde - Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap - 2 Waterstaat - Waterberging Waterstaat - Reservering waterberging
12 15 20 22 26 30 31 33 35 36
Hoofdstuk 3
Algemene regels
38
Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20
Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
38 39 40 41 42 43 44 45
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
46
Artikel 21 Artikel 22
Overgangsrecht Slotregel
46 47
Bijlagen bij regels
49
Bijlage 1
50
2
Landschappelijke inpassing
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
REGELS
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
het bestemmingsplan Koevoortseweg met identificatienummer NL.IMRO.0757.BP01KOEVOORTSEW6-VST1 van de gemeente Boxtel. 1.2
Bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
AAB
Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; 1.6
aan-huis-verbonden-bedrijf
een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend, en waarbij deze activiteit door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend. 1.7
aan-huis-verbonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, en waarbij deze activiteit door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend; 1.8
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht en qua afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
4
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
1.9
aardkundige waarden
waarden van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen danwel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt; 1.10
agrarisch grondgebruik
het weiden van vee en/ of het verbouwen van gewassen, boomgaardfruitteelt en teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie daaronder begrepen, met uitzondering van het verbouwen van gewassen in een volkstuincomplex; 1.11
archeologische (verwachtings)waarde
de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 1.12
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.13
bed&breakfast
het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan een beperkt aantal personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.14
beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.15
bestaand
voor zover dit betrekking heeft op bebouwing, gaat het om de oppervlakte van de bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van grond en opstallen, gaat het om het gebruik zoals dat aanwezig was op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. 1.16
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.17
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; indien en voorzover twee bestemmingsvlakken middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bestemmingsvlak;
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
5
1.18
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.19
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.20
bouwlaag
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.21
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel; 1.22
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel; 1.23
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24
cultuurhistorische waarden en kenmerken
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.25
dagrecreatie
bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van recreatie, sport, educatie of cultuur welke geheel of in overwegende mate in de openlucht worden aangeboden, met de daarbij behorende voorzieningen; 1.26
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.27
extensief recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
6
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
1.28
gebiedswaarden
de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied, zoals deze tot uiting komen in de omschrijvingen van de bestemmingen en dubbelbestemmingen; 1.29
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30
geluidgevoelige functies
bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.31
geluidgevoelige gebouwen
gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.32
hoofdgebouw
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.33
huishouden
een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksverbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband; 1.34
landschappelijke waarde
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap en de natuurwaarden, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten; 1.35
landschapsversterkingsplan
een rapportage waarin is aangegeven op welke wijze een bepaalde ontwikkeling leidt tot een substantiele versterking van de gebiedswaarden. De rapportage bevat versterkingsmaatregelen als het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving; 1.36
milieuhygiënische uitvoerbaarheid
overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, natuur, etcetera, aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden;
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
7
1.37
natuurwaarden
de waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit het perspectief van natuurbescherming; 1.38
nevenactiviteiten
activiteiten die ondergeschikt zijn aan de primair aan de gronden toegekende functie; 1.39
normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming; 1.40
onderbouw
een ruimte die beneden peil is gelegen; 1.41
paardenbak
een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.42
permanente teeltondersteunende voorziening
teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas; 1.43
peil
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: 1. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: 1. de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: 1. de gemiddelde hoogte van de aan het water grenzende gronden; 1.44
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding; 1.45
recreatieve bewoning
de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie;
8
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
1.46
seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.47
teeltondersteunende voorziening
ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij; 1.48
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 1.49
vormverandering van een bouwblok
wijziging van de begrenzing van een bouwvlok zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte; 1.50
wonen
het gehuisvest zijn of het huisvesten van personen in een woning/woonhuis; 1.51
woning
Een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van: a. één huishouden, of; b. één huishouden plus maximaal twee individuele personen, of; c. maximaal 4 individuele personen. 1.52
woonhuis
een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat; 1.53
water en waterhuishoudkundige voorzieningen
water en voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.54
WUBBB
de Werkgroep Uitvoering Bestemmingsplannen Buitengebied Boxtel;
Bestemmingsplan "Koevoortseweg" (vastgesteld)
9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
Gebouwen en bouwwerken
2.1.1
De bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.2
De breedte van een gebouw:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 2.1.3
De dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.1.4
De goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.1.5
De inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.1.6
De oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.2
Ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 2.3