BP Roderweg 38-40, Liempde - Bijlage 4 Toelichting
Tekst van het document
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
5.
MILIEUHYGIËNISCHE PLANOLOGISCHE ASPECTEN
5.1
Water
5.1.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke invloeden van de oprichting van de woning en de nieuwe bedrijfsbestemming binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.
5.1.2
Relevant beleid
5.1.2.1
Keur 2015
Waterschap De Dommel beheert het grond- en oppervlaktewater (zoals rivieren en beken) en waterkeringen met bijbehorende kunstwerken (bijvoorbeeld stuwen en gemalen). Om het grond- en oppervlaktewater en de waterkeringen goed te kunnen beheren en beschermen zijn er regels nodig, vastgelegd in een verordening, de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’. In de Keur staan algemeen geformuleerde geboden en verboden. Naast deze geboden en verboden zijn er een groot aantal algemene regels opgesteld. Daarnaast zijn in veel gevallen activiteiten in en rondom kleine waterlopen helemaal vrijgesteld van regels. Navolgend figuur geeft de ligging van het plangebied op de kaart ‘Beschermde gebieden keur’ weer, waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 18: Uitsnede kaart ‘Beschermde gebieden Keur’
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Het plangebied is gelegen in een attentiegebied. Onderhavige ontwikkeling ziet niet toe op grondwateronttrekking of andere negatieve gevolgen voor het watersysteem. Door de sanering van een grote oppervlakte glasopstanden en gebouwen neemt de waterinfiltratie in de bodem ter plaatse sterk toe. Het plangebied grenst aan de zuidzijde nagenoeg aan de A-watergang Groote Waterloop. Langs deze waterloop is een ecologische verbindingszone (EVZ) aangeduid die voor een klein deel samenvalt met het plangebied. In het najaar 2023 zal de ecologische verbindingszone worden gerealiseerd. Naar verwachting zal de grondwaterstand als gevolg van de aanleg van de EVZ niet meteen stijgen. Op termijn wordt mogelijk wel een stijging voorzien wanneer een verder herstel van de Groote Watergang plaats vindt en het realiseren van natuurherstel in de Natte Natuurparel De Scheeken. 5.1.2.2
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Vanaf 1 januari 2022 geldt het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). Hiermee wil waterschap De Dommel de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. In de komende planperiode, die loopt van 2022 tot en met 2027, starten we met de watertransitie. We zien de wateropgaven niet als een optimalisatieprobleem, maar gaan fundamenteel anders te werk. We ontwikkelen vanuit de huidige situatie (A) naar de gewenste situatie in 2050 (B) via de werkwijze die de gewenste situatie in 2050 (B) vraagt. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van zowel het waterschap, onze gebiedspartners als alle watergebruikers. Daarbij zullen drie principes inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie. De drie richtinggevende principes zijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan 3. Wat schoon is moet schoon blijven De beoogde herontwikkeling past binnen de gestelde principes voor de komende periode.
Binnen het plangebied vindt ontstening (ontglazing) plaats en het hemelwater wordt in zijn geheel geïnfiltreerd op het eigen perceel. Door het weg bestemmen van het agrarische bedrijf wordt extensiever gebruik gemaakt van het perceel wat de bodemkwaliteit positief beïnvloed. 5.1.2.3
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt ruim 17.000 m² aan bedrijfsbebouwing c.q. verhard oppervlak gesloopt. Er is sprake van een significante afname van verharding. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist. Het hemelwater
afkomstig
van
het
toegenomen
verhard
oppervlak
mag
naar
bestaand
oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 5.1.2.4
Watervisie Boxtel
De ‘Watervisie Boxtel’ d.d. 2 maart 2010 geeft een eenduidige visie op water (exclusief drinkwater). De watervisie dient als een algehele overkoepelende visie voor de uitwerking van maatregelen op gebied van water en riolering. In de ‘Watervisie Boxtel’ is aangegeven dat de gemeente Boxtel voor het omgaan met afvalwater in het kader van de bescherming van het milieu belang hecht aan de navolgende voorkeursvolgorde: 1.
Afvalwaterstromen zo veel mogelijk gescheiden houden, tenzij het niet-scheiden geen nadelig effect heeft op het beheer;
2.
Afvalwater en hemelwater doelmatig her te gebruiken, zonodig voorgezuiverd of geborgen;
3.
Het vasthouden en bergen van hemelwater, zonder nadelig effect van wateroverlast;
4.
Hemelwater terug in de bodem of op het oppervlaktewater te brengen, tenzij nadelige effect ontstaat voor het milieu;
5.
Afvalwater transporteren naar de zuivering.
De gemeente Boxtel streeft naar een robuust systeem voor de verwerking van hemelwater op de lange termijn. Dit kan plaatsvinden met transport naar het oppervlakte water of in de bodem naar het grondwater. Het afvalwater en hemelwater dienen daartoe bij de bron te worden gescheiden en afzonderlijk te worden getransporteerd of verwerkt. 5.1.2.5
Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan Gemeente Boxtel 2020-2024
Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het VGRP is sinds de wet Milieubeheer voorgeschreven en sinds 1995 is steeds voor een periode van 5 jaar een plan gemaakt. In de eerste VGRPs lag de nadruk op kostenbeheersing en de basisinspanning. Vanaf het huidige VGRP 5 zijn ook de grondwater- en hemelwater zorgplichten nader ingevuld. Om het zorgproces voor de riolering gaande te houden heeft de gemeente gekozen voor een geldigheidsduur van vijf jaar (2020 t/m 2024). De riolering ligt echter veel langer dan deze planperiode onder de grond. Om deze reden heeft de gemeente het VGRP opgesteld met een doorkijk over de gehele levensduur van de riolering. De rioolheffing en de lange termijn VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
doelstellingen, ook die voor hemel- en grondwater, zijn dan ook gebaseerd op deze doorkijk. Zo komt de gemeente tot een doelmatige invulling van de gemeentelijke zorgplichten, tegen zo laag mogelijke lasten voor de burger. De nieuw te realiseren woning zal voor wat betreft het vuil afvalwater aangesloten worden op het riool. Het schone hemelwater zal geïnfiltreerd worden in de bodem. Een grote oppervlakte gebouwen en kassen verdwijnt. Waardoor het hemelwater weer rechtstreeks op de bodem kan vallen en ter plaatse kan infiltreren.
5.1.3
Hemelwaterafvoer na herontwikkeling
5.1.3.1
Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie
De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa NAP +9 meter. De GHG ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 40-60 cm-mv. Het plangebied is gelegen in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss waarbij er sprake is van Gooreerdgronden; lemig fijn zand. 5.1.3.2
Verhard oppervlak
Binnen het plangebied worden een vrijstaande woning met bijgebouwen mogelijk gemaakt en een nieuw groter bijgebouw bij de woning Roderweg 38. De tuinbouwkassen, de tuinbouwloods en de erfverharding worden gesaneerd. Per saldo neemt het verhard oppervlak significant af. 5.1.3.3
Hemelwaterinfiltratie
Het schone hemelwater dat valt op de daken van de nieuwe woning met bijgebouw(en) en de extra oppervlakte bijgebouw bij de woning Roderweg 38 zal via dakgoten en regenpijpen worden afgevoerd naar transportriolen of via een afvoergoot naar een ondiepe zaksloot. Ook het regenwater dat valt op de erfverharding zal op deze wijze worden afgevoerd. Op navolgende figuur is dit uitgewerkt.
Figuur 19: Voorstel hemelwaterberging
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal het totale plan voor hemelwaterinfiltratie worden uitgewerkt en worden voorgelegd aan de gemeente en/of het waterschap. 5.1.3.4
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met
chemische
bestrijdingsmiddelen,
olie,
agressieve
reinigingsmiddelen
of
andere
verontreinigende stoffen.
5.1.4
Afvalwater
Het afvalwater afkomstig van het plangebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Voor de nieuwe woningbouwkavel dient een extra aansluiting te worden gemaakt op het rioolsysteem. De initiatiefnemer zal de aansluitingskosten betalen.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
5.2
Natuur
5.2.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.2.2
Gebiedsbescherming
5.2.2.1
Inleiding
De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende
wettelijke
stelsel
voor
de
natuurbescherming
vervangen,
namelijk
de
Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (respectievelijk ‘gebiedsbescherming’ en ‘soortenbescherming’). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. 5.2.2.2
Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 5.500 meter ten westen van het plangebied. Het betreft het Natura 2000- gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. 5.2.2.3
Effecten herontwikkeling op Natura 2000-gebied
Door de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, effectbereik van de ingreep en de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden kunnen overige effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, reeds met zekerheid worden uitgesloten. In de Natura 2000-gebieden worden geen ingrepen verricht, dan wel zijn geen effecten merkbaar vanuit het plangebied. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op sanering van een glastuinbouwbedrijf. Het energieverbruik van deze glastuinbouwlocatie bedraagt circa 550.000 m³ gas. Het gas wordt ter plaatse verstookt voor de verwarming van de kassen. Nu de kassen worden geamoveerd vindt er tevens een grote afname van het gasverbruik ter plaatse plaats. Hierdoor is er sprake is van een significante afname van de stikstofemissie (NOx). Negatieve effecten als gevolg van de stikstofdepositie door dit plan vallen dan ook zondermeer uit te sluiten. Desondanks is door bureau NOx advies d.d. 11 april 2023 een tweetal Aerius-berekeningen gemaakt en is een toelichtende memo opgesteld. De Aeriusberekeningen en de toelichtende memo zijn in de bijlage opgenomen. Onderstaand is de conclusie uit dit onderzoek weergegeven. ‘In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten in beeld gebracht van de sanering van glastuinbouw en realisatie en het gebruik van een woning aan de Roderweg 38 te Liempde.
Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.’
5.2.3
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden bedrijfsgebouwen in de vorm van een tuinbouwloods en kassen met bijbehorende voorzieningen gesloopt. Door de aanzienlijke afname van kassen en gebouwen en het toevoegen van een landschappelijke beplanting in de nieuwe VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
situatie neemt het potentiele leefgebied voor beschermde dier- en plantsoorten alleen maar toe. Het agrarische bouwvlak, dat voor een deel is gelegen binnen de ecologische verbindingszone van de Groote Waterloop, komt te vervallen. Het aanbrengen van verhardingen en erfvoorzieningen is hierdoor uitgesloten. Voor de algemene broedvogelsoorten die binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd.
Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Dit betekent concreet dat als tijdens de werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen, de betreffende activiteit moet worden stilgelegd en de aangetroffen fauna de tijd moet krijgen om weg te komen dan wel moet deze worden weggevangen en naar een geschikt biotoop buiten het plangebied worden verplaatst.. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Verder zal aandacht aan natuurinclusief bouwen worden besteed.
Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, achter betimmering, daklijsten of onder dakpannen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat vleermuizen de kassen als verblijfplaats kiezen. Het plangebied wordt thans intensief gebruikt ten behoeve van de tomatenteelt, waardoor binnen het plangebied zelf geen potentiële natuurlijke groeiplaatsen voor VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
beschermde flora en fauna aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat de betekenis van het plangebied voor flora en fauna vanwege het intensieve gebruik en het ontbreken van rust- en verblijfsplaatsen voor vleermuizen zeer gering is. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ligt niet in de lijn der verwachting. Om dit verder te onderbouwen is door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek een Ecologische quickscan uitgevoerd d.d. 12-4-2022. De ecologische quickscan is opgenomen in de bijlage. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit deze Ecologische quickscan opgenomen. ‘Toetsing Wet natuurbescherming en provinciale regelgeving Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Negatieve effecten ten gevolge van de projectontwikkeling op Natura 2000-gebied die een verslechtering of meer significante negatieve effecten van meer permanente aard opleveren, kunnen op basis van schaal, aard en ligging van de projectontwikkeling geheel uitgesloten worden, waardoor nader onderzoek en toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Mogelijk eist het bevoegd gezag een Aeriusberekening om deze conclusie te onderbouwen en om technisch vast te stellen dat de gestelde drempelwaarden niet overschreden wordt.
Natuur Netwerk Nederland en Ecologische verbindingszone Negatieve effecten op nabijgelegen NNB-gebied en Ecologische verbindingszone die een overtreding van de Interim omgevingsverordening NB §3.2.3 artikel 3.15 en 3.25 betekenen worden niet verwacht. Op basis van aard en reikwijdte van de ontwikkeling kunnen deze vrijwel uitgesloten worden, zowel effecten van tijdelijke aard in de uitvoerende fase als van meer permanent aard in de gebruiksfase. Als gevolg van de sanering van een tuinbedrijf kan eerder een verbetering ten opzichte van de huidige situatie verwacht worden. Aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken is niet aan de orde en daarmee geen noodzaak tot vervolgonderzoek. Soortenbescherming Vaatplanten Het plangebied toont momenteel een inrichting die momenteel ongeschikt is om beschermde plantensoorten te verwachten. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en hun groeiplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen geheel uitgesloten worden. Vogelrichtlijn Binnen het plangebied kunnen jaarrond beschermde nestelplekken van huismussen verwacht worden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er zijn afdoende voorzorgsmaatregelen mogelijk om een overtreding van Wnb §3.1 art 3.1 lid 4 (verbod tot verstoring) te voorkomen.
Verder worden geen negatieve effecten verwacht op jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen en leefgebied van vogels die wettelijk als strikt beschermd worden aangemerkt. Binnen het plangebied kunnen nestelplaatsen van algemene vogelsoorten uit deze categorieën niet geheel uitgesloten worden. Indien het broedseizoen in acht wordt genomen kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze bescherming categorieën uitgesloten VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
worden. Indien onverwachts toch een broedgeval bij aanvang van de werkzaamheden of tijdens de uitvoering daarvan wordt vastgesteld, dient het broedseizoen ook in acht worden genomen. Fauna (Habitatrichtlijn) Zoogdieren (grondgebonden) Aantasting van verblijfplekken van strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en het functioneel leefgebied voor de instandhouding van deze verblijfplekken kan geheel uitgesloten worden. Vleermuizen Verblijfplekken van vleermuizen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen niet geheel uitgesloten worden. Er zijn afdoende maatregelen mogelijk om een overtreding Wnb §3.2 art 3.5 lid 2 (verbod tot verstoring) te voorkomen. Er worden geen verblijfplekken verwacht in het deel van de bebouwing dat gesloopt wordt en daarmede geen overtreding van Wnb §3.2 art 3.5 lid 4. Ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen aantasting van essentieel foerageergebied verwacht, nog aantasting van structuren die van belang zijn als trek en foerageerroute. Overige soortgroepen Uit de soortgroepen van ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen waarvoor het zware beschermingsregiem van de habitatrichtlijn worden geen soorten binnen het plangebied of de invloedsfeer daarvan verwacht, noch aantasting van hun beschermd habitatgebied.
Fauna (Nationale bescherming) Zoogdieren Negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde grondgebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden als gevolg van de ingrepen niet verwacht en daarmede geen overtreding van Wnb §3.3 art 3.10 lid 1b. Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen. Overige soortgroepen Uit de soortgroepen van ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen waarvoor het middelzware nationale beschermingsregiem zonder vrijstelling geldt worden geen soorten verwacht. Wel kunnen een aantal algemene amfibieën verwacht worden waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt.
5.3
Archeologie
5.3.1
Verdrag van Valletta
In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.
5.3.2
Wet op de archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.
5.3.3
Archeologiebeleid gemeente Boxtel
De gemeente Boxtel heeft in 2012 de ‘Nota gemeentelijk Archeologiebeleid Boxtel’ vastgesteld. Hierin zijn de beleidsuitgangspunten van de gemeente ten aanzien van het gemeentelijke archeologiebeleid beschreven. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Boxtel, waarbij het plangebied met een gele cirkel is aangegeven.
Figuur 20: Uitsnede archeologische beleidskaart
Het plangebied is aangemerkt als gelegen in ‘Categorie 6 en deels in ‘Categorie 5’. Categorie 6 betekent ‘Gebieden met een lage archeologische verwachting’. Categorie 5 zijn gebieden het een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. De kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen is in deze gebieden/terreinen in vergelijking met andere landschappelijke zones, lager. Geomorfologisch gezien kan het gaan om relatief laag gelegen (nattere) landschappelijke zones, zoals delen van beekdalen, vroegere veengebieden en/of zones die in een recenter verleden rigoureus tot op aanzienlijke diepte zijn ontgonnen. Het aantal vindplaatsen dat van gebieden met vergelijkbare omstandigheden bekend is, is uiterst laag. Al wil dit niet zeggen dat geheel geen vindplaatsen in het gebied aanwezig kunnen zijn. De kans op het aantreffen van archeologische resten is echter gering en vaak zoeken naar een speld in een hooiberg. Hiervoor zijn vooralsnog geen geschikte onderzoeksmethoden voorhanden. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Op de gebieden met categorie 6 zijn geen ondergrenzen of een vergunningstelsels van toepassing vanuit het gemeentelijke bestemmingsplan. Voor de categorie 5 gebieden is een minimale oppervlakte van 2.500 m² verstoring door een bodemingreep relevant. Een dergelijke oppervlakte wordt met dit plan niet bereikt. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische relicten is hiermee gering. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
5.4
Cultuurhistorie
5.4.1
Omgeving plangebied
Het plangebied ligt op de overgang van de hogere gronden, de Hezelaarsche akkers en de kleine kampen behorende bij de boerderijen aan de Koestraat (nu Roderweg), naar de lagere en natte gronden aan de Groote Waterloop. Deze gronden waren ooit in gebruik als hooilandjes. Zij bestonden uit kleine percelen omzoomd door opgaande beplanting. Het gebied heeft in de afgelopen eeuw een grote verandering doorgemaakt. Het historische besloten landschap met kleinschalige percelering en opgaande perceelrandbeplanting kreeg na de ruilverkaveling een grotere percelering en de Groote Waterloop werd naar het zuiden verlegd. In de decennia erna heeft er verdere schaalvergroting plaatsgevonden en is het plangebied ontdaan van opgaande beplanting. Binnen het plangebied heeft zich in de zeventiger jaren een kwekerij ontwikkeld met uiteindelijk een groot kassencomplex. Behouden is de oude hoofdwegenstructuur met laanbeplanting van eiken of populieren en het agrarische lint met oude boerderijen aan de Roderweg.
5.4.2
Scheekenlandschap
De natte natuurparel ‘De Scheeken’ behoort samen met ‘De Geelders’ en ‘De Mortelen’ tot de bijzonder waardevolle leembossen van Het Groene Woud. De Scheeken was van oorsprong een nat gebied op een lemige, slecht doorlatende ondergrond. In de Middeleeuwen werd het gebied niet bewoond. Bewoning vond plaats op de (hoger gelegen) randen van het gebied. In het gebied kwamen aanvankelijk uitgestrekte elzenbroekbossen voor, die vanaf de randen werden ontgonnen voor gemeenschappelijke weidegronden en hooiland. Door beweiding met schapen ontstonden er natte heidevelden. Er werd leem gewonnen en er waren hakhoutbossen. De kleinschalig verkavelde hooi- en graslanden werden gescheiden door houtwallen, bosschages, smalle bosstroken en breed uitgegroeide heggen. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden veel hooilanden perceelsgewijs beplant met populier t.b.v. de klompenindustrie die een steeds belangrijke inkomstenbron vormde. In de 20e eeuw werden grote delen van de bosgronden in agrarisch gebruik genomen. Een ‘welvaartsplan’ pleitte voor groei en intensivering van de veehouderij, betere verkaveling en ontwatering en hogere bemestingsniveaus om zo niet achter te blijven op de landelijke ontwikkelingen in de landbouw. De kleinschalige en onregelmatige kavels werden samengevoegd tot grotere percelen.
Veel landschappelijke historische kenmerken van het Scheekenlandschap zijn nog leesbaar in het landschap: de afwisseling van bos en open ruimten, het grootschaliger monumentaal landschap doorsneden met hoge populierenlanen en eiken, bospercelen met structuren van oude hakhoutvormen, leembossen en de onverharde wegen.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
5.4.3
Plangebied
Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waardevolle bebouwing of structuren. Middels deze ontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.
5.5
Agrarische bedrijvigheid
5.5.1
Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet).
5.5.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. In de Wgv is bepaald dat in een concentratiegebied een maximale voorgrondbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) geldt binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden) dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien de woning buiten de bebouwde kom gelegen is, 50 meter te bedragen. Een aanvraag om een milieuvergunning van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor geurbelasting of aan standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening. De in de Wet geurhinder en veehouderij gestelde normen voor de voorgrondbelasting betreffen dan ook alleen wettelijke normen voor de milieuvergunningverlening, niet voor de ruimtelijke ordening.
5.5.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie.
5.5.4
Woon- en leefklimaat
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van veehouderijbedrijven. Het meest zicht tot het plangebied gelegen bedrijf betreft een paardenhouderij aan Vleutstraat 10. Voor dit bedrijf geldt een vaste afstand van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Vanwege het ontbreken
van
veehouderijbedrijven
waar
dieren
worden
gehouden
waarvoor
een
geuremissiefactor is vastgesteld zal de achtergrondbelasting maatgevend zijn voor het woon- en leefklimaat. Navolgende kaart geeft een indicatie van het woon- en leefklimaat. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Figuur 21: Uitsnede kaart kwaliteit leefomgeving (atlas.odzob.nl juli 2022)
Binnen het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³. Daarmee is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat.
5.5.5
Belangenafweging
Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling, mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De toe te voegen voor geur gevoelige functie (extra woning) wordt niet de maatgevende functie voor omliggende agrarische bedrijven. Door de beoogde herontwikkeling van het plangebied ontstaan derhalve geen belemmeringen voor de veehouderijbedrijven in de omgeving. De beoogde herontwikkeling van het plangebied vormt dan ook geen belemmering voor omliggende bedrijven.
5.5.6
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat (belang geurgevoelig object). Met de beoogde herontwikkeling wordt niemand onevenredig in de belangen geschaad (belangen veehouderij en derden). Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
5.6
Gezondheid
5.6.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Deze
notitie
haakt
in
op
de
lopende
ontwikkeling
van
het
landelijke
endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de omgeving van het plangebied is een veehouderijbedrijf gevestigd die voor dit aspect relevant is. Dit betreft het bedrijf Hamsestraat 5. De fijnstofemissie bedraagt 203 kg/jaar. De endotoxinecontour van dit veehouderijbedrijf bedraagt 87 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 300 meter. De beoogde herontwikkeling is in het kader van endotoxinen geen bezwaar.
5.6.2
Geitenhouderij
In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Uit het onderzoek volgt dat de kans op een longontsteking voor mensen die rondom een veehouderij wonen verhoogd is. Gekeken naar de aard en omvang van de omliggende bedrijven en activiteiten zijn er geen belemmeringen. De afstanden tot geitenhouderijen zijn dermate groot dat de risico’s voor volksgezondheid voldoende worden beperkt.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
5.7
Niet-agrarische bedrijvigheid
5.7.1
Inleiding
De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
5.7.2
Niet-agrarische bedrijvigheid in omgeving plangebied
In de directe omgeving van het plangebied zijn, behoudens het eigen glastuinbouwbedrijf, geen bedrijven aanwezig. De directe omgeving betreft een gebied met nagenoeg enkel woonfuncties. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt. De planlocatie is indicatief aangeduid met een cirkel.
Bedrijventerrein Hoveniersbedrijf
Benzine servicestation met LPG
Manege
Figuur 22: Functies in de omgeving van het plangebied
Op ca. 320 meter is een benzine servicestation met LPG gelegen. Dit is een categorie 3.1 bedrijf waarvoor een maximale afstand van 50 meter geldt. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Ten zuiden van het plangebied is een manege gevestigd. De beoogde extra woning wordt gerealiseerd op een afstand van ca. 270 meter. Dit is een categorie 3.1 bedrijf waarvoor een maximale afstand van 50 meter geldt. Aan deze afstand wordt eveneens ruimschoots voldaan. Op circa 350 meter ten westen van het plangebied is een bedrijventerrein gelegen. De zwaarste milieucategorie die hier is toegestaan betreft categorie 3.2. hiervoor geldt een grootste richtafstand VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
van 100 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Aan de Hezelaarsestraat 34 is een hoveniersbedrijf bestemd. Dit is een categorie 3.1 bedrijf waarvoor een maximale afstand van 50 meter geldt. Deze locatie ligt op een afstand van meer dan 350 tot de beoogde nieuwe woning. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. In de omgeving van het plangebied is verder geen sprake van bedrijfsactiviteiten die belemmerend zijn voor de beoogde herontwikkeling.
5.7.3
Niet-agrarische bedrijvigheid binnen plangebied
Binnen het plangebied wordt het agrarische glastuinbouwbedrijf gestaakt. Ter vervanging wordt een woning en een loods ten behoeve van opslag gerealiseerd. Deze functie kent een zeer beperkte milieu-uitstraling van louter vervoersbewegingen. De activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving. Ten aanzien van bedrijvigheid in bedrijfscategorie 1 of 2 dient een richtafstand van respectievelijk 10 en 30 meter aangehouden te worden. Binnen een gemengd gebied mogen deze afstanden zelfs met een stap verkleind worden. Binnen een afstand van 30 meter van de functieaanduidingsgrens van het bedrijfsgebouw zijn geen woningen gelegen. De uitoefening van ambachtelijke bedrijvigheid is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.
5.8
Geluid
5.8.1
Wegverkeerslawaai
Ingevolge de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting vanwege een weg worden bepaald door middel van een akoestisch onderzoek. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidbelasting over 10 jaar maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In het kader van de beoogde herontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd d.d. 23 juni 2023 door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.; Rapportnummer M221169.002.001.002.R1/JME. Het onderzoek is in de bijlage bijgevoegd. Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Wet Geluidshinder Als gevolg van het verkeer op de Roderweg wordt de voorkeursgrenswaarde op de Noordgevel met maximaal 2 dB overschreden.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller
wegdek
(bronmaatregel)
om
de
geluidbelasting
terug
te
brengen
tot
de
voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van landschappelijke en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd een hogere waardebesluit genomen op 31 oktober 2023 om een ontheffing te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Een aanvraag ontheffing en besluit Wet Geluidhinder is in de bijlage toegevoegd. Cumulatie Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval wordt alleen de voorkeursgrenswaarde voor het wegverkeerslawaai in geringe mate en slechts voor een gevel overschreden. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Roderweg, bedraagt 55 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘redelijk’ en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).
5.9.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien het plan slechts (de bouw van) één nieuwe woning en bedrijfsloods mogelijk maakt en een kassenbedrijf wordt getaakt kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. De beoogde herontwikkeling van het plangebied heeft derhalve enkel een positief effect op de luchtkwaliteit in de omgeving.
5.9.3
Blootstelling aan verontreiniging
5.9.3.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide. 5.9.3.2
Fijnstof
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Figuur 23: Fijnstof 2020 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Figuur 24: Fijnstof 2020 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is. 5.9.3.3
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO 2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Figuur 25: Stikstofdioxide 2020 NO2 (bron: Atlas leefomgeving) VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 12-13 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.10
Bodem
De aanwezige bodemkwaliteit dient te passen bij het beoogde gebruik. Het plangebied wordt herbestemd van een glasteeltbedrijf naar een drietal woonfuncties en een extra hoeveelheid bijgebouwen bij een van de woningen. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem. Niet aannemeljk is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde gebruik De woningen aan Roderweg 38 en 40 betreffen thans reeds gevoelige objecten. Voor deze woningen blijft de gevoeligheid gelijk. Ter plaatse van de toe te voegen extra woning dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit verkennend bodemonderzoek heeft plaats gevonden door Archimil Bouw- & Milieuadviseurs op 5 juni 2023, rapport C230059.006/PHE. Onderstaand zijn de conclusies uit dit rapport weergegeven. De rapportage is in de bijlage opgenomen. Het onderzoek heeft betrekking op het terrein gelegen aan de Roderweg 38-40 te Liempde. Het doel van een verkennend bodemonderzoek is door een relatief geringe inspanning een inzicht te verkrijgen van de bodemgesteldheid. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: (voormalige) ondergrondse tank 1.
De meest verdachte bodemlaag (1,5-2,5 m-mv) is niet verontreinigd met minerale olie of vluchtige aromaten.
2.
Het grondwater is niet verontreinigd met minerale olie of vluchtige aromaten.
3.
De aanwezigheid en het gebruik van de tank heeft niet geleid tot een bodemverontreiniging.
(voormalig) puinpad 4.
Het pad is verhard met asfalt. Direct langs het pad is sprake van zwak puinhoudend grond.
5.
Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
6.
In de grove fractie (>20 mm) van het materiaal uit de inspectiegaten is geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
7.
In de fijne fractie (<20 mm) is, in de fractie van 4-8 mm, één enkel fragment asbesthoudend materiaal aangetoond, wat leidt tot een gewogen gehalte asbest van 0,7 mg/kgds.
8.
In geen van de inspectiegaten wordt de toetsingswaarde voor nader onderzoek naar asbest (van 50 mg/kgds) overschreden. Derhalve is er geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek naar asbest en is geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest.
Resterend terrein 9.
De grond uit de bovenlaag (0-0,25 m-mv) is licht verontreinigd met koper, kwik, zink, PCB, hexachloorbenzeen en/of drins. In het zuidoostelijke deel van de kas ligt het gehalte drins juist boven de maximale waarde voor industrie (1,16x).
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
10.
De grond uit de onverdachte onderlaag (0,25-0,8 m-mv) is licht verontreinigd met kwik.
11.
Het grondwater is overwegend sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium en cadmium. Plaatselijk is eveneens een lichte verhoging met xylenen aangetoond.
12.
De hypothese heterogeen verdachte locatie kan worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merkt Archimil het volgende op: 1.
Ons inziens behoeven er, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan de beoogde bestemmingswijziging en de toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie.
2.
In het zuidoostelijke deel van de kas zijn gehaltes drins (som) aangetoond boven de maximale waarde industrie. Indien de onderzochte toplaag bij werkzaamheden vrijkomt dan dient deze naar een erkend innemer te worden afgevoerd.
3.
De lichte verontreinigingen in de boven- en ondergrond vormen, conform de Circulaire Bodem-sanering [10], geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen. De aanwezigheid van deze componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar.
4.
Gelet op de aangetroffen concentraties aan nikkel in het grondwater dient volgens de Circulaire Bodemsanering een nader onderzoek naar herkomst en verspreiding te worden ingesteld. Aangezien sprake zal zijn van natuurlijke herkomst en direct contact met het grondwater niet te verwachten is wordt een nader onderzoek weinig zinvol geacht en blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt.
5.
Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
5.11
Externe veiligheid
5.11.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en hoogspanningslijnen en buisleidingen. Deze aspecten worden in de volgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
5.11.2 Risico’s Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
5.11.3 Beleidskader 5.11.3.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.11.3.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. 5.11.3.3 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
5.11.4 Beoordeling van plangebied 5.11.4.1 Ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen Op navolgende figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van risicobronnen weergegeven.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
Figuur 26: Risicokaart (Bron: atlas leefomgeving) het plangebied is aangeven bij de blauwe stip
5.11.4.2 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Alle relevante risico objecten liggen op zeer ruime afstand. 5.11.4.3 Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Boxtel loopt het spoortracé Eindhoven-‘s-Hertogenbosch. Met een afstand van 2,3 kilometer zal beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. 5.11.4.4 Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de nabijheid van het plangebied waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden is de Rijksweg A67. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,5 kilometer van de A67. Beïnvloeding zal normaliter niet plaatsvinden. In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op grotere afstand dan 200 meter van de A67. Het invloedsgebied van de A67 bedraagt 4.000 meter, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied van de A67 gelegen is. Het groepsrisico moet beperkt verantwoord worden.
Voor de beoordeling van het groepsrisico wordt het aantal personen per oppervlakte-eenheid in de huidige situatie vergeleken met het aantal personen in de toekomstige situatie. Er zal geen sprake zijn van een toename van personen binnen het plangebied. In de huidige situatie verblijven er VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ – toelichting
gedurende de dag periode 8 personen op het glastuinbouwbedrijf die zich bezighouden met het plukken van tomaten, het snoeien van tomaten e.d.. In de nieuwe situatie zal er een gezin extra binnen het plangebied verblijven. Gemiddeld gaat dit over 4 personen. Het groepsrisico zal dan ook niet toenemen. 5.11.4.5 Vervoer over het water Binnen de gemeente Boxtel vindt geen significant transport over water plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing. 5.11.4.6 Vervoer via buisleidingen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van buisleidingen. 5.11.4.7 Hoogspanningslijnen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen en kan dus ook geen interactie plaatshebben.