Bindend adviesrecht BOPA Woningbouw De Kleine Aarde- Bijlage 2 Bijlagenboek
Tekst van het document
Dergelijke sporen zijn niet op, of in de directe omgeving van, de onderzoekslocatie aangetroffen. Gegevens van de NDFF tonen aan dat dassen voorkomen ten oosten van de A2 snelweg die een barrière vormt voor dassen. Er zijn ook geen meldingen van dassen op of nabij de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de hierbij aansluitende weilanden. Het voorkomen van dassen op de onderzoekslocatie is redelijkerwijs uit te sluiten.
24980.001 versie D1
11 / 27
Eekhoorn De eekhoorn komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De hoge bomen op de onderzoekslocatie vormen een geschikt habitat voor de eekhoorn. Deze bomen konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen waardoor de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van eekhoorn op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie kan worden uitgesloten. Verstoring ten aanzien van de eekhoorn is niet aan de orde. Steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn. Deze soorten komen volgens de NDFF in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium meerdere verblijfplaatsen. De bunzing, hermelijn en de wezel zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden.
Tijdens het veldbezoek zijn meerdere locaties waargenomen die deel uit kunnen maken van essentieel habitat van de steenmarter, de bunzing, hermelijn en de wezel. Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter, de bunzing, de hermelijn en de wezel kunnen niet worden uitgesloten. Echter loopt er nog een geldige ontheffingsverlening (ODBN wijzigingsbesluit 197015) voor de wezel wanneer er volgens het werkprotocol (P20230099 van Staro) wordt gewerkt. Deze ontheffing is gebaseerd op aanvullend onderzoek naar de steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing. Aanvullend onderzoek naar steenmarters en kleine marterachtige is niet nodig wanneer werkzaamheden vóór 1 mei 2025 worden afgerond (hoofdstuk 5). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat deze soorten verstoord worden of verblijfplaatsen worden vernietigd (zie hoofdstuk 5).
4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen vijf jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: levendbarende hagedis en de hazelworm. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Zo komen reptielen voornamelijk voor op heidelandschappen en in bosgebieden. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis en de hazelworm aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde soorten, hebben betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden. Verstoring van beschermde reptielen tijdens de voorgenomen werkzaamheden is niet aan orde.
24980.001 versie D1
12 / 27
Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker en de kamsalamander. De onderzoekslocatie is wegens zijn ligging en zijn natte karakter geschikt als landhabitat voor amfibieën. Daarnaast heeft aanvullend onderzoek in het verleden aangetoond dat de alpenwatersalamander ook gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Echter loopt er nog een geldige ontheffingsverlening (ODBN wijzigingsbesluit 197015) wanneer er volgens het werkprotocol (P20230099 van Staro) wordt gewerkt. Zo zijn er twee compensatiepoelen aangelegd op het terrein van de Kleine Aarde, is er een amfibieënscherm geplaatst en zijn aanwezige individuen weggevangen en verplaatst naar de nieuw aangelegde poelen. Tot slot zijn de oude poelen op de onderzoekslocatie gedempt. Deze ontheffing is geldig tot 1 mei 2025. Aanvullend onderzoek naar beschermde amfibieën is niet nodig wanneer werkzaamheden worden afgerond vóór 1 mei 2025 (hoofdstuk 5). Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting en tussen opgeslagen materiaal op en rondom de onderzoekslocatie. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Omgevingswet (zie hoofdstuk 5).
Vissen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: kwabaal en de grote modderkruiper. De kwabaal komt voor in rivieren, beken, meren en soms in estuaria met koel en zuurstofrijk water. De grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en veel waterplantbegroeiing. De poel in het zuiden van de onderzoekslocatie is wegens zijn eigenschappen niet geschikt voor de kwabaal of de grote modderkruiper. Het verstoren van beschermde vissoorten is niet aan de orde.
4.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit NDFF de volgende soorten waargenomen: gevlekte witsnuitlibel, beekrombout en de bosbeekjuffer. Alle drie de soorten stellen strenge habitatseisen die op en rondom de onderzoekslocatie niet aanwezig zijn. Voor de beekrombout zijn dit zuurstofrijke beken met zanderige substraten, voor de gevlekte witsnuitlibel is dit de verlandingszone van laagveenmoeras of bosplassen en voor de bosbeekjuffer zijn dit beschaduwde beekoevers. Op de onderzoekslocatie is geen van deze habitatstypen aanwezig waardoor het voorkomen van beschermde libellensoorten uit te sluiten is. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn
24980.001 versie D1
13 / 27
volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van de grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaart. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten), grote weerschijnvlinder (wilg), iepenpage (iep), kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie en sneeuwbes) en teunisbloempijlstaart (teunisbloem, harig wilgenroosje, wederik en grote kattenstaart) zijn op de onderzoekslocatie niet waargenomen of voldoende aanwezig om een (deel)populatie in stand te houden. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.6 Planten Op en in de omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen beschermde planten waargenomen volgens de NDFF. Tijdens de quickscan zijn ook geen beschermde plantsoorten waargenomen. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in bijlage IX (Bal) behorende bij artikel 11.54 van Besluit activiteiten leefomgeving en de Rode lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor amfibieën, bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, korstmossen, land- en zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, reptielen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vaatplanten, vissen en zoogdieren.
Vanwege het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie, het ontbreken van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen op de onderzoekslocatie en op basis van de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van bekende populaties in de omgeving, worden geen significante negatieve effecten verwacht als gevolg van
24980.001 versie D1
14 / 27
de voorgenomen werkzaamheden op Rode Lijst soorten. Incidenteel kan er een soort uit de rode lijst voorkomen op de onderzoekslocatie, hiervoor geldt te alle tijden de zorgplicht.
24980.001 versie D1
15 / 27
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de bomen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de bomen toch binnen het broedseizoen gekapt dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.
Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
5.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De houtwallen rondom de onderzoekslocatie kunnen onderdeel zijn van een vliegroute voor vleermuizen. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden niet verwacht mits de houtwallen gehandhaafd
24980.001 versie D1
16 / 27
blijven en er geen additionele verlichting wordt toegepast richting de bomen en de houtwal (zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase).
5.3 Streng beschermde grondgebonden zoogdieren Voor de streng beschermde grondgebonden zoogdieren geldt dat de werkzaamheden verstorend kunnen werken. Aanvullend onderzoek naar de functie van de onderzoekslocatie ten aanzien van de steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn is noodzakelijk geacht. Echter, is er in het verleden tijdens aanvullend onderzoek aangetoond dat enkel de wezel gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Voor de wezel zijn vervolgens maatregelen getroffen en is er een ontheffing gegund die geldig is tot 1 mei 2025. Mocht de planning uitlopen waardoor de werkzaamheden uitgevoerd worden na 1 mei, is allereerst een nieuw aanvullend onderzoek naar steenmarters en kleine marterachtigen benodigd.
5.4 Algemene grondgebonden zoogdieren Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van Artikel 11.54, bal in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
5.5 Amfibieën Voor de streng beschermde amfibiesoorten geldt er voor de onderzoekslocatie een geldige ontheffing tot 1 mei 2025. Indien de eerder getroffen maatregelen (zoals het amfibieënscherm) blijven bestaan en indien de werkzaamheden voor 1 mei uitgevoerd worden, is aanvullend onderzoek naar beschermde amfibiesoorten niet benodigd. Mocht de planning uitlopen waardoor de werkzaamheden uitgevoerd worden na 1 mei 2025, is allereerst een nieuw aanvullend onderzoek naar de alpenwatersalamander, poelkikker en kamsalamander benodigd. De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor de algemene amfibiesoorten die zich incidenteel op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Omgevingswet, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen
24980.001 versie D1
17 / 27
van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
5.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat en verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
24980.001 versie D1
18 / 27
6
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Kampina en Oisterwijkse vennen, bevindt zich op circa 3,5 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1
Ligging van de onderzoekslocatie (wit kader bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (groen vlak).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de ingreep (plaatsing 18 tiny houses die op externe locatie zijn geproduceerd) tevens niet te verwachten.
24980.001 versie D1
19 / 27
Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht. Echter word dit uiteindelijk bepaald door bevoegd gezag en bestaat de kans dat toch om een stikstofdepositieonderzoek wordt gevraagd.
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 350 meter afstand ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2 (gele vlakken).
Ligging van de onderzoekslocatie (wit kader bij gele pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
24980.001 versie D1
20 / 27
7
HOUTOPSTANDEN
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die te maken hebben met houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De initiatiefnemer heeft een geldige kapvergunning voor de 19 bomen die verspreid op de onderzoekslocatie staan (zie figuur 7.1 t/m 7.5). Deze bomen dienen buiten het broedseizoen te worden verwijderd. Op figuur 7.6 staat weergegeven waar de te kappen bomen zich bevinden.
Figuur 7.1
Bomen op de onderzoekslocatie die gekapt worden.
24980.001 versie D1
21 / 27
Figuur 7.2
Bomen op de onderzoekslocatie die gekapt worden.
Figuur 7.3
Bomen op de onderzoekslocatie die gekapt worden.
24980.001 versie D1
22 / 27
Figuur 7.4
Bomen op de onderzoekslocatie die gekapt worden.
Cydonia oblonga Figuur 7.5
Bomen op de onderzoekslocatie die gekapt worden.
24980.001 versie D1
23 / 27
Figuur 7.6
Schets met onder andere de te kappen bomen (rode cirkels).
24980.001 versie D1
24 / 27
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Woonstichting JOOST een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan Het Klaverblad 13 te Boxtel. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie achttien kleine woningen te realiseren. Om de uitstraling van de Kleine Aarde te behouden wordt er rondom de woningen veel aanplant aangebracht om te zorgen voor een hoge biodiversiteit. Het onderzoek heeft als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten en gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
algemeen
ja
nee, mits*
nee
nee
*het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren of voorafgaande aan de kapwerkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
ja
nee, mits*
nee
nee
*de bestaande bomenrijen aan de rand van de onderzoekslocatie (zie figuur 4.3, pagina 10) blijven staan en rekening wordt gehouden met toename in verlichting richting deze bomenrijen
24980.001 versie D1
25 / 27
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
streng beschermd
ja
mogelijk
nee, mits*
nee, mits*
*de werkzaamheden afgerond worden binnen de huidig geldende ontheffing. Anders is aanvullend onderzoek naar marterachtigen noodzakelijk geacht
licht beschermd
ja
mogelijk
nee, mits*
nee, mits*
*rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht
Amfibieën
ja
mogelijk
nee, mits*
nee, mits*
*de werkzaamheden afgerond worden binnen de huidig geldende ontheffing. Anders is aanvullend onderzoek naar amfibieën noodzakelijk geacht
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader on- Vergunningderzoek plicht
Natura 2000
3,5 km
mogelijk
mogelijk
mogelijk
een stikstofdepositieonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Bevoegd gezag is echter leidend in deze beslissing waardoor ze het als nog kunnen eisen
Natuurnetwerk Nederland
0,35 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
-
-
-
-
grondgebonden zoogdieren
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Ten aanzien van jaarrond beschermde vogelsoorten zijn, wegens het ontbreken van beschikbare nesten, geen aanvullende onderzoeken benodigd. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen de bomen worden gekapt, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Ten aanzien van mogelijke vliegroutes van vleermuissoorten, zijn overtredingen van de Omgevingswet te voorkomen. Omliggende groenstructuren, weergegeven op figuur 4.3 (pagina 10), dienen functioneel behouden te blijven en additionele verlichting tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie richting deze groenstructuren dienen voorkomen te worden.
24980.001 versie D1
26 / 27
Ten aanzien van beschermde amfibiesoorten en de steenmarter en kleine marterachtigen, is het van belang om de werkzaamheden uit te voeren binnen de geldige ontheffing (voor 1 mei 2025). Wanneer storende handelingen plaatsvinden na 1 mei 2025, dient er eerst opnieuw aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de steenmarter, wezel, hermelijn, bunzing, alpenwatersalamander, poelkikker en kamsalamander. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Ten aanzien van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Voor de Natura 2000 gebieden word wegens de aard van de ingreep een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk geacht. Bevoegd gezag is echter leidend in deze beslissing of dit benodigd is, waardoor ze het als nog kunnen eisen.
Econsultancy Boxmeer, 30 april 2024.
24980.001 versie D1
27 / 27
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2023a). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2024). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2017b). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Boxtel, periode 2019-2024. NDFF. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht.
Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten
Provinciale bronnen Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant) Provincie Noord-Holland (2020). Omgevingsverordening NH2020. Geraadpleegd op 30 april 2024 van https://noord-holland.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9927POVPNH-VG01.
BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.
Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
• •
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
BIJLAGE 3 OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f.
een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven,
h.
4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
§ 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet.
2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen.
Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b.
wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen
maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11.2.1 Algemeen Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚.
van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2˚. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. 3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt. § 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a.
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. § 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c.
het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als:
a.
b. c.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Bijlage 3 - Stikstofonderzoek
notitie
projectnaam De Kleine Aarde Boxtel
1. Inleiding
stofdepositie op Natura-2000 gebieden is de AERIUS calculator van toe-
datum 25 februari 2025
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 18 sociale huurwoningen bij
passing. Mocht er aan de hand van een stikstofberekening blijken dat er
De Kleine Aarde in Boxtel. In verband met de aan te vragen omgevings-
geen stikstofdepositie ontstaat hoger dan 0,00 mol/ha/jaar bij omlig-
projectnummer P07410
vergunning is het van belang om inzicht te hebben of met onderhavige
gende Natura 2000 gebieden dan is een passende beoordeling aan de
ontwikkeling sprake is van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura
hand van het omgevingsplan niet nodig, aangezien er geen significante
2000-gebieden.
gevolgen verwacht zijn.
2. Wettelijk kader Natura 2000-gebieden
Doorwerking plangebied
Opgesteld door
De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrek-
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
BRO
king op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelricht-
aangewezen is als Natura 2000-gebied. Figuur 1 geeft de ligging van
lijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als
het projectgebied weer ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-
Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-
gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is “Kampina &
jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, die-
Oisterwijkse Vennen” op circa 3,5 km afstand.
opdrachtgever Woonstichting JOOST
nen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zo-
hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-
als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de
gunningsplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te ver-
voorgenomen ontwikkeling de bouw van woningen betreft, kan een sig-
wachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In
nificante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en ge-
dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-
bruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het plan-
perkt, of ongedaan gemaakt worden.
voornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Onderhavig docu-
Op grond van art. 2.15a van de Ow heeft het Rijk omgevingswaarden
ment en bijgevoegde Aerius-bijlage geven hier invulling aan.
voor stikstofdepositie vastgesteld. Deze omgevingswaarden zijn bedoeld als resultaatverplichtingen. Het uiteindelijke doel hiervan is om de stikstofdepositie op termijn te verminderen tot het niveau dat noodzakelijk is
Willemsplein 2
voor een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats.
5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55
Bij de bepaling van de stikstofdepositie kan een activiteit door het ver-
info@bro.nl www.bro.nl
oorzaken van stikstofdepositie in een Natura 2000- gebied als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt. Dit volgt uit artikel 4.15 lid 1 van de omgevingsregeling. De methode voor het berekenen van stik
1/6
3,5 km
Figuur 1 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. Natura-2000 gebieden (Bron: AERIUS Calculator)
De Kleine Aarde Boxtel
2/6
3. Het planvoornemen De doelstelling van alle samenwerkingspartners is om in de geest van De Kleine Aarde het terrein opnieuw te ontwikkelen tot een kennis- en expertisecentrum op het gebied van duurzaamheid, ecologie en circulaire economie. Een van de voorgenomen ontwikkelingen is van woningen door Woonstichting JOOST. In plaats van de eerdere 22 appartementen is nu de wens om 18 grondgebonden kleine woningen/units te realiseren. De woningen zijn geschikt voor een- of tweepersoonshuishoudens die hun steentje bij willen dragen aan de doelstelling en visie op De Kleine Aarde. De gebouwen bestaan uit twee bouwlagen met op de begane grond over het algemeen een woonkamer, keuken en badkamer en op de verdieping twee slaapkamers. De woningen krijgen een grondoppervlak van circa 10 x 4,5 meter en een bruto vloeroppervlakte van circa 90 m2. De woningen krijgen een bouwhoogte van circa 6,5 meter. Er worden daarnaast
Figuur 2: Impressie woonunits
Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Hier wordt een parkeerterrein aangelegd. Vanaf de Munselse Hoeve wordt een nieuwe inrit en ontsluiting gecreëerd naar dit parkeerterrein. De realisatie van deze ontsluiting en dit parkeerterrein maakt geen onderdeel uit van deze vergunningsaanvraag en daarom ook niet van dit stikstofonderzoek. In het kader van het bestemmingsplan “Woningbouw De Kleine Aarde” (5 april 2023) is dit reeds meegenomen en onderzocht. Ook zijn de vergunningen reeds verleend. Dit stikstofonderzoek richt zich daarom slechts op de bouw van de 18 woningen.
De Kleine Aarde Boxtel
3/6
4. AERIUS-berekening
Hierin is “B” het brandstofverbruik in liter per uur, volgens de relatie op
AERIUS calculator’ van BIJ12. Voor het stationair draaien is uitgegaan
Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege
basis van het AUB rapport van TNO1 en is “Pmax” het maximale ver-
dat elk voertuig, dat valt onder zwaar vrachtverkeer, circa 10 minuten
stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit
mogen van het werktuig in kW.
stationair draait gedurende de bouwfase. De gegevens hiervan zijn opgenomen in navolgende tabel.
deze berekening blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. In de bijlagen is
Er zullen voor dit plan relatief weinig mobiele werktuigen benodigd zijn.
de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanleg- en gebruiks-
De verwachting is dat een graafmachine, hijskraan, vorkheftruck(s) en
Koude starts
fase opgenomen. In het voorliggende document worden de ingevoerde
hoogwerker(s) worden gebruikt voor de realisatie van de woonunits.
Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart wor-
gegevens kort toegelicht.
Voor de zekerheid zijn ook een shovel en betonstorter meegenomen.
den nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een geparkeerde auto waarbij tijdens het starten in de eerste
Aanlegfase
Voor de inzet van mobiele werktuigen is gerekend met Stageklasse IV.
10 á 30 seconden na start een hogere koude start-emissie plaatsvindt.
Zie hiervoor navolgende tabel en bijgevoegde AERIUS- rapportage.
Er is daarom een aparte vlakbron ingevoerd voor alle voertuigen die op
Bij de realisatie van de 18 woningen worden diverse mobiele werktuigen
de projectlocatie een koude start hebben in het kader van de bouwfase.
ingezet en zal bouwverkeer plaatsvinden. Dit zorgt voor emissies aan
Verkeer
Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat elk uitgaand lichtverkeers-
stikstof. Er is dan ook een stikstofonderzoek uitgevoerd naar deze
Ten behoeve van de aanleg vinden ook verkeersbewegingen plaats, on-
voertuig, oftewel 50% van de lichtverkeersbewegingen, een koude start
bouwfase. De verwachting is dat de bouwfase minder dan 12 maanden
der andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. De totale verkeers-
heeft. Voor zwaar verkeer geldt dat zij doorgaans niet langer dan 2 uur
in beslag zal nemen. De units zijn namelijk relatief eenvoudig te plaat-
generatie is weergegeven in navolgende tabel. De bewegingen zijn over
geparkeerd staan met de motor uit. Veel van deze voertuigbewegingen
sen op het terrein, waardoor er geen lange periode van grondwerk of
de aanliggende weg naar het heersend verkeersbeeld gemodelleerd als
zijn ten behoeve van levering van materialen waardoor ze niet langer
ruwbouw plaatsvindt. De berekening van zowel de bouwfase als de ge-
lijnbron, waarbij 100% van de bewegingen naar de Schijndelseweg is in-
dan 2 uur geparkeerd hoeven te staan. Zwaar verkeer dat zich wél lan-
bruiksfase zijn daarom in één berekening opgenomen.
gevoerd. Hier is het verkeer opgegaan in het heersend verkeer. Voor
ger dan 2 uur op het terrein bevindt staan deze periode niet altijd met de
meer informatie verwijzen we u naar de bijgevoegde AERIUS-rappor-
motor uit. Zie hiervoor voorgaand ‘stapvoets rijden’ en navolgend ‘statio-
tage. Voor het bouwverkeer is een file marge van 10% aangehouden.
nair draaien’. Om onzekerheden op te kunnen vangen is er voor 10%
Voor het middelzwaar en zwaar verkeer dat zich binnen de contouren
van de zware verkeersbewegingen een koude start ingevoerd.
(Mobiele) werktuigen Voor de inzet van de (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen voor de beoogde ontwikkeling, op basis van eerder uitgevoerde berekeningen. Gezien de ontwikkelaar geen gegevens met betrekking tot de aanlegfase beschikbaar heeft, is uitgegaan van kencijfers en ervaringscijfers van eerdere berekeningen. Het brandstofverbruik van de mobiele werktuigen is berekend aan de hand van de volgende formule uit het “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (, BIJ12):
van het plangebied verplaatst, geldt dat deze overwegend stapvoets rijden. Daarom is voor deze categorie een aparte lijnbron toegevoegd waarbij een file marge van 100% is aangehouden. Stationair draaien zware vrachtwagens Daarnaast geldt voor het bouwverkeer dat dit zij soms stationair draaien. Dit houdt in dat zij met draaiende motor op eigen terrein stilstaan, bijvoorbeeld tijdens het laden/lossen of tijdens het wachten op het vrijkomen van een losplaats. De emissiecijfers die hiervoor zijn gebruikt komen uit de bijlage van de handreiking ‘Instructie gegevensinvoer voor
1
Ligterink et al., 2021. ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’. TNO_2021_R12305, p. 26
De Kleine Aarde Boxtel
4/6
5. Resultaten en conclusie
Mobiele werktuigen Werktuig Graafmachine Hijskraan Vorkheftruck Hoogwerker Shovel Betonstorter
Stage klasse Vermogen Draaiuren Brandstofverbruik (l/u) Brandstofverbruik (l/j) AdBlue (6%) IV 200 144 19,5 2813,8 168,8 IV 200 270 19,5 5275,8 316,5 IV 80 54 8,1 439,6 26,4 IV 80 54 8,1 439,6 26,4 IV 200 36 19,5 703,4 42,2 IV 200 54 19,5 1055,2 63,3
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er
Bouwverkeer Licht verkeer Zwaar verkeer
mvt/jaar 2000 400
Stationair draaien bouwverkeer Licht verkeer Zwaar verkeer
NOX 1,04 2,69
van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl.
6. Bijlagen
NH3 0,03 0,03
Bijlage 1: AERIUS stikstofberekening
Figuur 3: Invoer bouwfase
Gebruiksfase De 18 woningen worden gasloos opgeleverd. Dit zorgt dan ook niet voor