Bindend adviesrecht - BOPA - hofgebouw Liduinaterrein Boxtel - Bijlage 1 Ruimtelijke motivering (1379036)
Tekst van het document
Door het bieden van ruimte aan de beekdalen, het nemen van inrichtingsmaatregelen en de omslag naar natuurinclusieve landbouw wordt ingezet op verbetering van de waterkwaliteit. Zoals nader benoemd in paragraaf 4.7. leidt de vervangende nieuwbouw per saldo tot een aanzienlijke afname van het verhard oppervlak, zodat water bij piekbuien beter kan worden geborgd en overstromingsrisico’s stroomafwaarts worden beperkt. In combinatie de landschappelijke inpassing van het aansluitende terrein wordt het bestaande groen, de beleving van het groen en de biodiversiteit van het gebied versterkt. Kortom, het project is in lijn met de ‘Omgevingsvisie Boxtel’.
3.3.2. Visie Duurzaam Boxtel 2030 De gemeente Boxtel heeft in 2017 de nieuwe duurzaamheidsvisie ‘Visie Duurzaam Boxtel 2030’ met bijbehorende uitvoeringsagenda vastgesteld. Deze is een vervolg op de nota ‘100 stappen in een sprong naar duurzaamheid’ die tot 2015 heeft gegolden. De nieuwe visie bevat onder andere het hoofdstuk ‘Ondernemend leven in Boxtel’ dat zich speciaal richt tot ondernemers. Van ondernemers op bedrijventerreinen wordt speciaal aandacht gevraagd voor de volgende punten: • warmtenet + terugwinnen & uitwisselen van energie en grondstoffen
•
energiebesparing
•
prestatieladder socialer ondernemen
•
opwekken van duurzame energie
Bij het ontwerpen van de beoogde nieuwbouw is rekening gehouden met de huidige duurzaamheidseisen die gelden voor nieuwbouw. Zo wordt de nieuwbouw gasloos ontwikkeld en worden het op het dak zonnepanelen geplaatst. Daarnaast wordt aandacht besteed aan circulair bouwen en de mogelijkheid om enkele groene gevels toe te passen. Bij de ontwikkeling is daarnaast aandacht besteed aan het behouden en uitbreiden van het groen in de omgeving.
datum
16 februari 2026
pagina
31 van 60
ROS
3.3.3. Visie op Wonen Op 4 juli 2023 heeft de gemeenteraad een nieuwe woonvisie vastgesteld, genaamd ‘Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027’. In deze visie gaat het niet meer alleen over wonen, maar over wonen in relatie tot welzijn en zorg binnen de kernen Boxtel, Esch, Lennisheuvel en Liempde. Hierdoor wordt de term ‘Woonvisie’ vervangen door ‘Toekomstvisie’. In deze toekomstvisie zijn drie zogenaamde punten samengevat: 1. Passende woningen en doorstroming; 2.
Wonen met welzijn en zorg;
3.
Duurzaam wonen in wijken en dorpen.
Voor deze drie hoofdpunten zijn navolgend de volgende zeven taken benoemd: 1. Passende woningen en doorstroming 2.
Inspelen op de woningbehoefte
3.
Vernieuwende en creatieve woonvormen
4.
Wonen-welzijn-zorg voor langer of weer zelfstandig wonen
5.
Een thuis voor iedereen
6.
Leefbare wijken en dorpen
7.
Duurzaam wonen
Het plan voorziet in het kwalitatief bestendigen van 60 zorgkamers binnen een bestaand zorgcomplex in de bebouwde kom van Boxtel. Daarmee wordt invulling gegeven aan het kwalitatief versterken van het bestaande zorgaanbod. De ontwikkeling is daarmee in lijn met genaamd ‘Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027’.
datum
16 februari 2026
pagina
32 van 60
ROS
4
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN
Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.
4.1
Voortoets OER-beoordeling
Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een omgevingseffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Ten behoeve van de gehele herinrichting van het zorgcomplex is een vormvrije m.e.r. beoordeling verricht.
De resultaten zijn opgenomen in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling. In dat kader is geconstateerd dat de ontwikkeling relatief gering van omvang is. Het voornemen vormt een belangrijke bijdrage voor de zorgbehoefte in de gemeente Boxtel en de kern Boxtel. Geconcludeerd wordt dat dit project ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.-beoordelingsplicht blijft. Het initiatief zal daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is. Die beoordeling vond plaats onder de oude wetgeving. Onder de nieuwe wetgeving is de regelgeving inhoudelijk niet gewijzigd, zodat de conclusie kan blijven staan dat specifiek voor de bouw van het Hofgebouw, een plan-m.e.r. niet noodzakelijk is.
datum
16 februari 2026
pagina
33 van 60
ROS
4.2
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bkl.
Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: 1.
Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);
2.
Kwetsbaar (gebouwen en locaties);
3.
Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën 'gebouwen en locaties' staat in bijlage VI van het Bkl.
Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico's. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
•
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bkl;
•
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;
•
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bkl;
•
windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bkl.
Naast de eerder genoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen:
•
opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4).
•
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (af-deling 5.1.2.5).
•
exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5).
•
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen.
datum
16 februari 2026
pagina
34 van 60
ROS
Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1.
brandaandachtsgebied;
2.
explosieaandachtsgebied;
3.
gifwolkaandachtsgebied.
Voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. Beoordeling projectlocatie Bedrijven Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de Atlas van de Leefomgeving. Het projectgebied is op die atlas niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de omgevingsveiligheid.
Uitsnede van de kaart omgevingsveiligheid van de Atlas van de leefomgeving. Het projectgebied is globaal rood omlijnd.
datum
16 februari 2026
pagina
35 van 60
ROS
Transport: Vervoer over de weg en of het spoor Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofd(spoor)wegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. In de omgeving van het projectgebied zijn geen wegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel liggen op enige afstand enkele spoorwegen. Deze vormen echter geen (potentieel) gevaar voor voorliggend project. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich een enkele planologisch relevante buisleiding. Dit betreft een gasleiding ten noorden van het projectgebied op een afstand van circa 250 meter. Het projectgebied ligt buiten de PR-contour en het Brandaandachtsgebied van deze gasleiding. Gezien de relatief grote afstand ten opzichte van de leiding zal beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Hoogspanningsleiding Binnen een straal van 2 km vanuit het plangebied zijn er geen hoogspanningsleidingen gelegen. Hoogspanningsleidingen hebben derhalve geen invloed op onderhavig planvoornemen.
4.3
Geluid - Wegverkeer
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
Beoordeling projectlocatie Wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt, dat het geluid van omliggende gemeentelijke wegen maximaal 39 dB bedraagt. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden.
datum
16 februari 2026
pagina
36 van 60
ROS
Gevelwering Bij een reguliere gevelopbouw (metselwerk, ramen met dubbel glas voorzien van deugdelijke kier- en naaddichting en geluidgedempte of mechanisch ventilatie) bedraagt de geluidwering circa 27 dB(A). Het geluid bedraagt op zijn hoogst 39 dB ter plaatse van de noordoostgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 39 – 33 ≤ 20 dB. Nader onderzoek is dan niet aan de orde.
Woon- en leefklimaat In het kader van 'een goede fysieke leefomgeving bij/in de nieuwe gevoelige objecten (en dus bewoners) dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt, dat de milieukwaliteit ter plaatse wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Gesteld kan worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van de projectlocatie (circa 750 meter) is gelegen. Gezien deze afstand, is het aspect railverkeerslawaai niet van invloed op de projectlocatie. Industrielawaai In de omgeving van de projectlocatie is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op de projectlocatie wordt verwezen naar paragraaf 5.6 (milieuzonering).
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
datum
•
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
16 februari 2026
pagina
37 van 60
ROS
Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).
Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Beoordeling projectlocatie In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een project op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Het initiatief betreft de vervangende nieuwbouw voor de huisvesting van de bestaande bewoners / cliënten van ZGEM. Er vindt derhalve géén uitbreidingen van capaciteiten bewoners / cliënten én personeel plaats. Als gevolg van het initiatief zal het gebruik van de locatie niet wijzigen en is sprake van een gelijkblijvende verkeersgeneratie. Dit maakt dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse en ruimschoots wordt voldaan aan de NIBM-grens. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
datum
16 februari 2026
pagina
38 van 60
ROS
Achtergronden In het kader van een evenwichtige toedeling van functies dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon-en leefmilieu te kunnen waarborgen. Op basis van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is onderzocht in welke mate er sprake is van luchtverontreiniging in de nabijheid van het projectgebied. Hieruit blijkt dat zowel voor de huidige als toekomstige situatie de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht voor stikstofdioxide (12,48 ug/m3 NO2) en fijn stof (16,98 ug/m3 PM10) niet wordt overschreden. Doordat de grenswaarden van de Wet milieubeheer niet worden overschreden kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functie met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
4.5
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; 1.
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
2.
evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
3.
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voorbouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het uitgangspunt is dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling wordt gemotiveerd, dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de te realiseren activiteit en dat sprake is van een uitvoerbaar plan.
Beoordeling projectlocatie In verband met de algehele inrichting van de belevingstuin is door Terra Agribusiness in 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd, waarmee de projectlocatie reeds grotendeels is onderzocht. Daarnaast is door Milieupartners een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de projectlocatie waarop de nieuwbouw is voorzien (omdat het onderzoek voor de belevingstuin en het onderzoek voor de projectlocatie elkaar voor een deel overlappen,
datum
16 februari 2026
pagina
39 van 60
ROS
zijn volledigheidshalve navolgend ook de resultaten van het onderzoek voor de belevingstuin opgenomen. Verkennend bodemonderzoek belevingstuin De resultaten van de belevingstuin zijn opgenomen in het rapport van 8 maart 2021. In dit rapport zijn ook de resultaten van eerdere bodemonderzoeken betrokken. In het bovengrondmengmonster (BM1) is een lichte verhoging PCB (som 7) aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM2) zijn lichte verhogingen cadmium en PCB (som 7) aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM3) zijn lichte verhogingen cadmium en lood aangetroffen. In het ondergrondmengmonster (OM1) zijn lichte verhogingen PCB (som 7), minerale olie en PAK 10 VROM aangetroffen. In het ondergrondmengmonster (OM2) zijn lichte verhogingen cadmium, minerale olie en PAK 10 VROM aangetroffen. In de grondwatermonsters (PB1 WM1 en PB2 WM1) zijn lichte verhogingen minerale olie aangetroffen. De aangetroffen verhogingen zouden gerelateerd kunnen worden aan de beek de 'Dommel'. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend en nader asbestonderzoek projectlocatie Het verkennend onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen wijziging van het (tijdelijke) omgevingsplan (activiteit bouwen). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is te bepalen of ter plaatse van de onderzoekslocatie een bodemverontreiniging met asbest aanwezig is. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is het toekomstige plangebied als onverdacht beschouwd met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging (ONV). Het menggranulaat en de bodem met puinbijmenging zijn heterogeen verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van asbest. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek is een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Dit nader asbestonderzoek is geïntegreerd in onderhavige rapportage.
Resultaten verkennend bodemonderzoek De bodem is, over het algemeen, opgebouwd uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand, vanaf een diepte van circa 1,5 à 2,0 m-mv is sterk zandig leem aanwezig. De bovengrond is overwegend zwak humeus/zwak tot matig grindig. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen asbestverdachte bijmengingen aangetroffen op het maaiveld en in de opgeboorde grond.
datum
16 februari 2026
pagina
40 van 60
ROS
Ter plaatse van de voormalige bebouwing zijn in, met name de bovengrond, resten tot matige bijmeningen met beton en puin aangetroffen. Plaatselijk is in de ondergrond een matig kolengruishoudende leemlaag aangetroffen. De resten tot matig puinhoudende bovengrond (MM1 bg) is tot boven de achtergrondwaarden verontreinigd met cadmium, PCB en PAK (10 VROM). De bovengrond kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse wonen. De zintuiglijk als schoon beoordeelde bovengrond (MM2 bg) is tot boven de achtergrondwaarden verontreinigd met cadmium, lood en zink. De bovengrond kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse industrie. Met betrekking tot de verhoogde concentratie lood (100 mg/kg DS) in één van de bovengrondmengsel, merkt de GGD op dat deze verhoogde concentratie niet meteen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, maar adviseert om op deze plek geen moestuin, tuin of speeltuin te realiseren. Indien wel een dergelijke functie wordt beoogd, is het advies om de bodem ter plaatse te saneren. De zwak tot matig beton-/baksteenhoudende bovengrond (MM3 bg) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. De bovengrond kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse landbouw/natuur.
De matig kolengruishoudende ondergrond (monster 8.8) is tot boven de achtergrondwaarde verontreinigd met kobalt. De ondergrond ter plaatse kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse industrie. Zowel de zwak tot matig puin-, beton- en/of baksteenhoudende ondergrond (MM4 og) als de zintuiglijk als schoon beoordeelde ondergrond (MM5 og) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters De ondergrond kan, op basis van de analyseresultaten, worden geclassificeerd als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Het grondwater ter plaatse (Pb08) is tot boven de streefwaarde verontreinigd met barium. Dergelijke licht verhoogde gehaltes aan barium komen vaker in het grondwater voor en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Volgens de Omgevingswet dienen door het bevoegd gezag toetsingswaarden te worden aangeleverd voor de toetsing van het grondwater. Aangezien nog geen toetsingswaarden bekend zijn, zijn de resultaten getoetst aan de oude toetsing conform Botova.
Resultaten verkennend asbestonderzoek Zintuiglijk is ter plaatse van inspectiegat AG11 asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de bovenstaande resultaten en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in het geanalyseerde grondmonster een totaal gewogen asbestgehalte van 120 mg/kg d.s. (AG11) mg/kg.ds is aangetoond. Hiermee is een gewogen asbestconcentratie van boven de 100 mg/kg.ds aangetoond. Ter plaatse wordt een nader asbestonderzoek noodzakelijk geacht. In de overige gaten is zowel zintuiglijk als analytisch geen AVM aangetroffen. Analytisch is in de fijne fractie eveneens geen asbest aangetoond (<2 mg/kg d.s.). Derhalve wordt ter plaatse van het overige deel van de onderzoekslocatie een nader asbestonderzoek niet noodzakelijk geacht.
datum
16 februari 2026
pagina
41 van 60
ROS
Resultaten nader asbestonderzoek Uit de bovenstaande resultaten blijkt dat in zowel de uiterst puinhoudende laag (SL03) als de matig puinhoudende bovengrond (SL04) geen verhoogd asbestgehalte (< 2 mg/kg d.s.) is aangetoond. Hiermee lijkt de eerder aangetoonde asbestverontreiniging boven de interventiewaarde zich te beperken tot 1 asbestgat (AG11). Hiermee is bevestigd dat het eerder aangetoonde totaal gewogen asbestgehalte van 120 mg/kg d.s. (AG11) is veroorzaakt door het aangetroffen asbesthoudend plaatmateriaal en zich beperkt tot enkel een toevalstreffer in een enkel inspectiegat (AG11).
Conclusies en aanbevelingen Met het verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie voldoende vastgelegd. De resultaten vormen geen aanleiding om vervolgonderzoek te verrichten. Tegen bebouwing van de onderzoekslocatie zijn geen milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Kortom, het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen activiteit. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’.
4.6
Activiteiten en milieuzonering
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
•
Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;
•
Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.
datum
16 februari 2026
pagina
42 van 60
ROS
Omgevingstype Voor het bepalen van de locatie van activiteiten in de vier geluidszones wordt een onderscheid gemaakt tussen de afstand tot een 'rustige woonwijk' en de afstand tot een 'gemengd gebied met wonen'. Een rustige woonwijk verwijst naar een woonomgeving die is ingericht volgens het principe van functiescheiding, waar vrijwel geen andere functies zoals bedrijven en kantoren aanwezig zijn. Een gemengd gebied met wonen omvat volgens de richtlijn een gebied waar een mix van milieugevoelige en milieubelastende activiteiten plaatsvindt. In deze gebieden wordt wonen toegestaan, samen met activiteiten als detailhandel, horeca, onderwijs, zorg, dienstverlening, cultuur en lichte bedrijvigheid die geschikt zijn om te combineren met wonen. Deze gebieden zijn doorgaans levendig.
Richtafstanden De nieuwe handreiking Activiteiten en milieuzonering toepasbaar voor de omgevingswet van de VNG is nog niet gereed. Deze zal vergezeld gaan van een hulpmiddel op basis waarvan beter kan worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. Het is momenteel nog niet duidelijk wanneer deze handreiking beschikbaar zal zijn. Bij gebrek aan deze handreiking onder de Omgevingswet wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.
Beoordeling projectlocatie Gezien de aard van het gebied waarin het projectgebied is gelegen, de geringe menging van functies in het gebied, kan het gebied worden beschouwd als een 'rustige woonwijk'. Het projectgebied ligt in een omgeving waarbij nagenoeg uitsluitend woningen en maatschappelijke functies voorkomen. Op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering geldt voor verpleeghuizen milieucategorie 2 (SBI-code 2008/871). Deze activiteit kent een indicatieve richtafstand van 30 meter ten opzichte van een gevoelige functie met betrekking tot het aspect geluid.
datum
16 februari 2026
pagina
43 van 60
ROS
Het nieuw te realiseren Hofgebouw binnen het projectgebied bevindt zich op meer dan 30 meter afstand van omliggende hindergevoelige functies. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-uitgave. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden en wordt de geluidsituatie ingeschaald op neutraal.
Omgekeerde werking Rondom het zorgterrein zijn meerdere woningen gelegen. Deze woningen zijn op een kortere afstand van de omliggende bedrijven gelegen dan het adres Liduinahof 35. De voorgenomen ontwikkeling vormt derhalve geen belemmering voor omliggende bedrijven. Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Weging van het waterbelang
De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Bkl artikel 5.37, lid 1, een “weging van het waterbelang” uit te voeren.
Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers online, middels de digitale watertoets, nagaan of hun ruimtelijk plan voldoende rekening houdt met de waterbelangen. Uit de watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom. Aanvullend op dit advies dient in het plan verantwoording afgelegd te worden over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders. Dit gebeurt meestal in de “weging van het waterbelang” van het ruimtelijke plan. De doelen op langere termijn zijn op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau opgenomen in een Omgevingsvisie. Hieraan wordt invulling gegeven middels diverse programma's, waaronder het programma Water. De thema's die behandeld worden in het programma zijn: Afvalwater, Regenwater, Oppervlaktewater, Grondwater en Drinkwater.
datum
16 februari 2026
pagina
44 van 60
ROS
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten:
•
Van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;
•
Van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied;
•
Van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ (4 januari 2024). Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente heeft wettelijke zorgplichten ten aanzien van afval-, hemel- en grondwater. De ambitie is om in het verlengde van de zorgplichten bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals een klimaatbestendige en duurzame omgeving en een doelbewuste samenwerking met inwoners/bedrijven en regionale waterpartners.
datum
16 februari 2026
pagina
45 van 60
ROS
Om invulling te geven aan deze ambities en de toekomstvisie zijn voor de aankomende planperiode de volgende speerpunten geformuleerd:
•
Klimaatbestendig Boxtel
•
Wijkgerichte rioolvervanging
•
Samenwerken met inwoners, bedrijven en waterpartners
•
Verankeren water- en rioolbeheer in de Omgevingswet
•
Water plaatselijk zuiveren en hergebruiken
•
Grondwaterhuishouding
Per speerpunt is een ambitie en een strategie geformuleerd. Voor de beoogde ontwikkeling gaat het in het bijzonder om het gescheiden inzamelen van stedelijk afval- en hemelwater, hydrologisch neutraal ontwikkelen en het kiezen voor slimme bovengrondse oplossingen in de vorm van groenvoorzieningen en het stroomlijnen van oppervlakkige afvoer.
Waterschapsverordening De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing. In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij:
•
Het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
•
de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of;
•
de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
•
De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:
•
De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
•
datum
Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha;
16 februari 2026
pagina
46 van 60
ROS
•
De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
•
Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 gemeente Boxtel Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 (VGRP) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater wat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. Vertrekpunt voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’ en het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water hanteren we de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1.
hergebruik;
2.
vasthouden / infiltreren;
3.
bergen;
4.
afvoeren naar oppervlaktewater;
5.
afvoeren naar de riolering.
De initiatiefnemer dient de trits te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Nummer 1 en 2 zijn overeenkomstig met vasthouden uit de trits vasthouden → bergen → afvoeren van de stichting Rioned, nummer 3 met bergen en nummer 4 en 5 met afvoeren. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Bergingsvoorzieningen dienen te worden gedimensioneerd conform de richtlijnen van de waterschappen De Dommel en/of Aa en Maas in de Keur 2015.
datum
16 februari 2026
pagina
47 van 60
ROS
Gezien de geohydrologische omstandigheden binnen de gemeente Boxtel wordt het uitgangspunt gehanteerd dat perceeleigenaren in nieuw- en herbouw situaties (uit- en inbreidingen) hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. Dit betekent het kunnen bergen/verwerken van de neerslaggebeurtenissen uit de waterschapsverordening (bergingseis van 60mm). Als ondergrens hanteert de gemeente als ondergrens een toename van 250 m2 , in plaats van 500 m2 uit de waterschapsverordening.
Strategie Klimaatadaptatie Boxtel 2023-2030 gemeente Boxtel De Strategie Klimaatadaptatie 2023-2030 van Boxtel heeft als doel om de gemeente in 2050 volledig klimaatbestendig te maken. Dit houdt in dat Boxtel zich aanpast aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen. De strategie sluit aan bij de landelijke Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, die stelt dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig moet zijn ingericht. De strategie omvat diverse maatregelen, waaronder het tegengaan van wateroverlast, het verminderen van hittestress, het aanpassen aan droogte en het vergroten van de veerkracht van de bebouwde omgeving. In relatie tot het aspect water is de gemeentelijke ambitie voor 2030 als volgt: In 2030 is de gemeente beter bestand tegen hevige regenbuien en beperkt de gemeente schade en overlast voor mensen, milieu en economie. Hierbij wordt uitgegaan van een bui van 70mm/uur, die in 2050 eens per 100 jaar valt.
•
Het water- en bodemsysteem heeft een sturende rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en we realiseren mogelijkheden voor het bergen en (vertraagd) afvoeren van water.
•
Hemelwater infiltreert zoveel mogelijk in de bodem op de plek waar het valt. Onze buurten zijn voor meer dan 30% groen-blauw en heeft minder dan 70% verharding. Per gebied komt dit neer op een verandering van:
o
in woonwijken wordt minimaal 10% van de bestaande verharding vergroend, inclusief openbare ruimtes, tuinen en gebouwen;
o
voor verharde bedrijventerreinen en centrumgebieden moet ten minste 15% extra groen-blauw zijn toegevoegd;
o
minstens 50% van onze scholen hebben een groen-blauw schoolplein dat dient als lesruimte, waar kinderen op een speelse manier kunnen leren over de natuur en het klimaat.
•
Hemelwater wordt zoveel mogelijk lokaal verwerkt, vastgehouden en herbruikt om het afvoeren van hemelwater naar de riolering te verminderen. Een belangrijk middel hiervoor is de afkoppeling van hemelwater. Hierbij geldt:
o
bij nieuwbouw worden alle woningen afgekoppeld;
o
bij herinrichting van bestaand openbaar gebied wordt maximaal afgekoppeld;
o
inwoners, bedrijven en woningcorporaties worden gestimuleerd om af te koppelen met als doel minimaal 25% van het aantal particuliere woningen.
•
Bij toename van bebouwing en verharding wordt waterberging gecreërd van 70mm per m² verharding in plaats van de huidige 60mm per m². Deze eis gaat gelden vanaf de eerste vierkante meter aan toename in plaats van vanaf 250m².
datum
16 februari 2026
pagina
48 van 60
ROS
•
Onze vitale en kwetsbare functies blijven functioneren en bereikbaar bij zeer hevige neerslag (bui van 90mm/uur).
Doorwerking projectgebied Waterkwantiteit De wateropgave is afhankelijk van de toe- of afname van het verhard oppervlak. Daarom is een verschilberekening gemaakwaaruit is op te maken, dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling het bebouwd oppervlak toeneemt met 625 m2 en de bestrating afneemt met 3.545 m2. Op basis van het gemeentelijke beleid wordt de nieuwe situatie als uitgangspunt gehanteerd. De oppervlakte van de vervangende nieuwbouw bedraagt 1.635 m2. Het gemeentelijke beleid stelt de voorwaarde dat de oppervlakte nieuwbouw moet worden gecompenseerd met een retentiecapaciteit (m³) = toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,07. Op basis van de gevoeligheidskaart van Waterschap De Dommel bedraagt de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het projectgebied 1.
De benodigde retentiecapaciteit bedraagt daarmee (1.635 m2 x 1 x 0,07 =) 115 m3. De keuze wordt gemaakt om waterberging te compenseren door middel van de aanleg van een wadi. In combinatie met een Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand van ca 0,4 m-Mv heeft de wadi een minimale oppervlakte van 286 m2. De wadi wordt gesitueerd in het zuidwestelijke deel van het plangebied (zie onderstaande afbeelding waar de locatie van de wadi is aangeduid als ‘zoekgebied wateropgave’). De locatie van de wadi is bewust aan de rand van het plangebied gelegen, zodat deze enerzijds in het kader van veiligheid goed kan worden afgeschermd van de cliënten en anderzijds in de nabijheid van oppervlaktewater/ De Dommel zodat een eventueel surplus van de piekbelasting via een overstortconstructie eenvoudig kan worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. In afstemming met de gemeente Boxtel is het uitgangspunt van de wadi, dat het opgevangen hemelwater in beginsel binnen 48 uur infiltreert in de bodem, zodat de wadi binnen 48 uur weer beschikbaar is voor een eventuele volgende piekbelasting. Indien de infiltratiecapaciteit onvoldoende is, dan mag de voorziening via een overstortconstructie met een snelheid van 1 l/s/ha geledigd worden op het oppervlaktewater. Tot slot wordt opgemerkt dat uit het bodemonderzoek blijkt, dat er een leemlaag aanwezig in de ondergrond (ca. 1,5 tot 2 meter onder maaiveld).
Om infiltratie vanuit de wadi beter mogelijk te maken, kan het nodig zijn om deze leemlaag te doorbreken.
datum
16 februari 2026
pagina
49 van 60
ROS
Locatie wadi (aangeduid als zoekgebied wateropgave)
Watersysteemkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid wordt de nieuwbouw voorzien worden van een gescheiden rioleringsstelsel. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving overeenkomstig de bestaande situatie. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Conclusie Op basis van deze invulling is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan.
datum
16 februari 2026
pagina
50 van 60
ROS
4.8
Ecologie
Onder Artikel 5.1, lid 1 Omgevingswet is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een natura 2000-activiteit te verrichten, tevens is onder Artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan, waterschap verordening, omgevingsverordening of ministeriele regeling. In het Bkl staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde natura 2000-activiteiten en flora- en faunaactiviteiten (hoofdstuk 11, Bkl). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit).
Natura 2000-gebieden Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een natura 2000-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Omgevingswet). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Bkl).
Natuurnetwerk Nederland Brabant (NNB) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Bkl. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Houtopstanden en Soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bkl. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bkl) en herplantplicht (art. 11.129 Bkl) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten 'bebouwingscontour houtkap'. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bkl) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan.
datum
16 februari 2026
pagina
51 van 60
ROS
Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen:
•
Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bkl);
•
Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bkl);
•
Omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bkl).
Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bkl, schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bkl en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bkl.
Beoordeling projectlocatie Natuurnetwerk Nederland Brabant (NNB) Een gedeelte van de oever van de Dommel, die langs het projectgebied loopt, maakt onderdeel uit van het NNB. De oever is ingedeeld in droog bos met productie. Dit betreft enkel het gedeelte ten noordwesten van het projectgebied. Dit valt buiten het projectgebied. Gelet op de ligging buiten het NNB, in combinatie met de aard en omvang van de voorgenomen activiteit, wordt uitgesloten dat sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNB.
Natura 2000 De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Hierbij geldt dat het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ op ca 2,9 km afstand ligt van de projectlocatie. In de m.e.r.-beoordeling van april 2021 is geconcludeerd dat gelet op de onderlinge afstand directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde is. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Omdat het huidige gebouw al is gesloopt, is in de berekening ook de gebruiksfase meegenomen, ondanks dat sprake is van vervangende nieuwbouw. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Deze conclusie kan ook in het kader van de huidige wetgeving stand houden.
Houtopstanden en Soortenbescherming Voor de bouw van het Hofgebouw is de oude bebouwing reeds gesloopt. Daarvoor en voor de nieuwbouw van onder andere het Hofgebouw zijn een quickscan flora en fauna (rapport van 3 juni 2020) en aanvullende vleermuisonderzoeken (rapportages van 24 november 2020 en
datum
16 februari 2026
pagina
52 van 60
ROS
activiteitenplan 18 december 2020) uitgevoerd. Ondanks de gedateerdheid van deze onderzoeken, zijn ze volledigheidshalve als bijlage opgenomen bij de voorliggende motivering. Voor het verkrijgen van een actueel beeld van is daarom door Adviesbureau Mertens een actuele quickscan ecologie uitgevoerd. De conclusie van de quickscan is, dat
•
In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels in de tuin is het noodzakelijk om de werkzaamheden zo vorm te geven dat broedende vogels niet negatief worden beïnvloedt (bijvoorbeeld vogelverschrikkers gebruiken, rooien opgaand groen buiten broedseizoen, waarbij één kant op wordt gewerkt om verwonding te voorkomen). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden.
•
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Negatieve effecten op overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten.
•
Ter plaatse van de nieuwbouw zijn geen houtopstanden aanwezig. Ter plaatse is het terrein ingezaaid met gras en is in gebruik als gazon.
Kortom, op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde plantenen diersoorten uitgesloten; voor plannen aan de Liduinahof 35 te Boxtel is geen vergunning floraen fauna activiteit vereist. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. Daarom dient er één kant op gewerkt te worden met de start van de werkzaamheden zodat eventueel aanwezige algemenen zoogdieren en amfibieën het werkgebied kunnen verlaten. Mogelijk verblijft egel in de dichte vegetaties. Op basis van de zorgplicht van de Omgevingswet is het noodzakelijk om deze struiken buiten de winter en zomer voorzichtig te verwijderen.
4.9
Geur
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl 'Geur', onderdeel van paragraaf 5.1.4 'Beschermen van de gezondheid en van het milieu'. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht:
datum
•
Zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
•
Houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
•
Enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4)
16 februari 2026
pagina
53 van 60
ROS
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.
Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: a.
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
b.
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
c.
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;
d.
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd.
Beoordeling projectlocatie In de omgeving van het projectgebied zijn geen geurveroorzakende activiteiten aanwezig. Dit maakt dat geacht wordt dat het aspect geur geen negatieve invloed heeft op een ontwikkeling ter plaatse.