Bindend advies zonnepark Renbaan-Esschebaan- Bijlage 2 BOPA motivering (onderbouwing)
Tekst van het document
Conform het bepaalde in het Klimaatakkoord, dat een uitwerking is van de Klimaatwet, moet deze opgave voor 2025 vergund zijn zodat deze voor 2030 gerealiseerd kan worden. Het Nationaal Programma RES (NPRES) ondersteunt en monitort deze opgave en gaat er vanuit dat deze opgave wordt ingevuld met grootschalig zon op gebouw, grootschalig zon op veld en grootschalig wind. Potentie grootschalig wind gemeente Boxtel De potentie voor windenergie is onderzocht in de Visie zonne- en windenergie, die in september 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. In het Beleidsakkoord 2021-2026 van het college is opgenomen dat voor windenergie alleen de locatie langs de A2 ten noorden van Boxtel als een geschikte plek voor beperkte windenergie wordt gezien. Bij de voortgangsrapportage van de RES NOB uit 2023 is een onderzoek van Generation Energy gevoegd, waarin de potentiegebieden van zon en wind in de regio worden geconcretiseerd. Daarnaast is door To70 een onderzoek uitgevoerd naar de luchtvaartbelemmeringen voor windenergie in de regio. Uit het onderzoek van Generation Energy blijkt een theoretische technische potentie van 7 windturbines van 5,6 Megawatt in het gedeelte van de gemeente dat ligt binnen radar- en luchtvaarttoetsingsvlakken en 7 windturbines buiten deze vlakken (uitgaande van een 50% invulling in potentiegebieden).
Daarbij dient aangetekend te worden dat bij de bepaling van die theoretische potentie voor geluidsbeperkingen is uitgegaan van een afstand van 350 meter tot losse bebouwing en 500 meter tot woonkernen (uitgaande van de “tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken”). Inmiddels is het ontwerp ‘Nationale milieunormen voor windenergie’ gepubliceerd, dat medio 2025 van kracht wordt en uitgaat van een minimale afstand van 2 x de tiphoogte tot elke bebouwing. Voor een 5,6 MW turbines houdt dit een minimale afstand in van 482 meter tot elke woning. Uitgaande van deze milieunormen zal de theoretische potentie verder beperkt worden en zijn nog maar 2 grote windturbines mogelijk langs de A2 ten noorden van Boxtel. Hierdoor wordt niet voldaan aan de eis uit de provinciale Omgevingsverordening dat windparken een clustergrootte hebben van minimaal 3 windturbines.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
29
POU240041.007.001.R4/RHA
Daarnaast moet aangetekend worden dat voor de luchtvaartbeperkingen alleen is uitgegaan van de strenge toets voor radar van militaire vliegvelden, waardoor alleen in het noordelijke deel van de gemeente reële mogelijkheden voor windturbines zijn en in het zuidelijke deel alleen mogelijkheden zijn voor turbines met hoogtebeperking. Naar de mogelijkheden voor windenergie wordt nog nader onderzoek gedaan, maar voor de realisatie van de RES opwekopgave voor 2030 kan windenergie binnen gemeente Boxtel geen rol spelen. Bovengenoemd zijn alleen de harde belemmeringen voor windenergie, maar er zijn ook zachte belemmeringen voor windenergie die getoetst moeten worden aan artikel 5.51 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (windturbines in landelijk gebied). Daarvoor is van belang dat de windturbines passen in de gewenste ontwikkeling van het gebied. Voor windenergie is in het kleinschalige karakter van het landschap binnen het Nationaal Landschap van Gogh geen ruimte. Gezien de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden in de gemeente is de kans klein dat een rendabel cluster van minimaal 3 windturbines ingepast kan worden in de gemeente.
Voor windturbines met hoogtebeperking (tiphoogte 150 meter) is in de SDE++ subsidieregeling een afzonderlijke categorie opgenomen, maar daarbij wordt uitgegaan van rendabele clusters van 15 megawatt, wat neerkomt op clusters van minimaal 5 turbines. De kans dat hiervoor binnen de gemeente een passende invulling wordt gevonden binnen het voorgestelde gebied is klein. Daarom rest voor de invulling van de RES opwekopgave voor 2030 volgens het NPRES begrippenkader alleen grootschalig zon op gebouw en zon op veld. Potentie grootschalig zon op gebouw en zon op veld In de NOVI is de Voorkeursvolgorde zon (ook wel zonneladder), geïntroduceerd. Hierin wordt de gewenste prioritering aangegeven voor locaties voor de opwek van zonne-energie. De voorkeursvolgorde kent 4 treden: 1. Zonne-energie op daken en gevels; 2. Zonne-energie op terreinen en objecten binnen bebouwd gebied; 3. Zonne-energie op terreinen en objecten in het landelijk gebied; 4. Zonne-energie op landbouw- en natuurgronden. TKI Urban Energy onderzocht in 2023 samen met Generation Energy in opdracht van de landelijke overheid (RVO) de potentie van zonnestroom op gebouwen en parkeerplaatsen. Op basis van deze studie en data van het CBS en het Kadaster is de realistische potentie van grootschalige zonnestroom op gebouwen in de gemeente bepaald en is de praktische potentie van zonnestroom op parkeerplaatsen bepaald.
Trede 1: Realistische potentie zonnestroom op daken en gevels De realistische potentie wordt beperkt door een aantal belemmeringen: • de vormfactor (die grillig gevormde of smalle dakvlakken van gebouwen uitsluit), • of er al bestaande PV-panelen liggen op dakvlakken, • of het dakvlak onderdeel is van een monument, • of de eigendomssituatie beperkingen op legt (bv bij huur), • of er obstakels (schoorstenen, dakramen) op dakvlakken aanwezig zijn, • of de constructie van het dak een belasting met zonnepanelen toelaat, • of er sprake is van een asbesthoudende dakbedekking, • of er sprake is van congestie in grootverbruik.
30
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
Aan de hand van kengetallen van het NPRES begrippenkader is de realistische potentie van grootschalige zonnestroom in beeld gebracht (>15 kWp per installatie, installaties aangesloten op kleinverbruik aansluitingen ‘achter de meter’ tellen mee bij de besparingsopgave). De kengetallen zijn: 2,3 m2 nodig per m2 paneel, 350 Wp per paneel, 900 vollasturen per jaar en panelen met een oppervlakte van 1,63 m2. Bij elke belemmering is de potentie afgeschaald met een percentage en bij 3 belemmeringen of meer is ervan uitgegaan dat dit dakvlak geen realistische potentie bezit. Aantal belemmeringen
Aantal TWh
0 belemmeringen
0,0099
1 belemmering
0,0112
2 belemmeringen
0,00085
3 belemmeringen
Nihil
4 belemmeringen
Nihil
5 belemmeringen
Nihil
TOTAAL
0,0220
Tabel 1: Realistische potentie grootschalige zon op gebouwen
In bovenstaande tabel is de realistische potentie in beeld gebracht en wordt de opwek ingeschat op 0,0220 TWh, oftewel 27,5% van de opgave. Uit de 5e monitor van de RES NOB blijkt dat 0,029 TWh gerealiseerd is of in de pijplijn zit (oftewel 36,5%). Er is of wordt dus nu al meer dan de realistische potentie gerealiseerd en deze potentie zal ondanks de netcongestie tot 2030 naar verwachting nog enigszins groeien. De potentie voor zonnestroom op gevels is niet onderzocht, omdat hiervoor geen data of kengetallen beschikbaar zijn, maar er wordt niet verwacht dat de realistische potentie hiervoor groot is. De potentie in trede 1 wordt ingeschat op 36,5% van de lokale RES opwekopgave. Trede 2: Potentie op terreinen en objecten binnen bebouwd gebied Op parkeerplaatsen Er is data beschikbaar (bron: AHN4, kadaster/RVO) waaruit de praktische potentie van zonnestroom op parkeerplaatsen bepaald kan worden. Uitgangspunten hierbij zijn dat de parkeerplaats geschikt is voor installaties > 15 kWp en door de complexiteitsfactor van de belemmeringen blijkt 35% van de parkeerplaatsen geen belemmeringen te hebben. Eenheid
Waarde
Totaal te benutten panelen Totale potentie TWh
40003 0,0137
Tabel 2: Potentie zon op parkeerplaatsen
Uit bovenstaande tabel blijkt een praktische potentie van 0,0137 TWh, oftewel 17% van de lokale RES opwekopgave. Het is echter niet realistisch te veronderstellen dat 35% van alle parkeerplaatsen in de gemeenten bedekt kunnen worden met zonnepanelen.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
31
POU240041.007.001.R4/RHA
Ten eerste omdat veel parkeerplaatsen worden gebruikt voor evenementen of markten en de overkappingen niet gewenst zijn. Ten tweede omdat niet alle overkappingen op parkeerplaatsen stedenbouwkundig gewenst zijn of anderszins niet passen in gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld verkeerskundig of veiligheid). Zo vraagt de vastgestelde Strategie Klimaatadaptatie 2022-2026 om meer openbaar groen om waterberging te realiseren en hittestress te voorkomen. Enexis heeft een energietransitieroute bekend gemaakt, waarin ze de komende jaren het elektriciteitsnet in alle buurten van de gemeente verzwaren. Daarvoor worden tientallen transformatorhuisjes bijgeplaatst. Op of nabij deze locaties zijn er kansen om binnen de concessie van Vattenfal openbare laadpleinen te combineren met overkapte parkeerterreinen met zonnepanelen. Daarbij lijkt het overkappen van een klein aantal parkeerplaatsen haalbaar en kan de opwek rechtstreeks gebruikt worden voor het laden van voertuigen. De mogelijkheden hiervoor kunnen onderzocht worden en hiervoor kan in het omgevingsprogramma duurzaamheid en het omgevingsplan ruimte geboden worden. Dit vraagt tijd en tot 2030 is het niet realistisch dat hiervoor meer dan 100 parkeerplaatsen overkapt kunnen worden.
Dan gaat het om zo’n 750 panelen oftewel 1,8% van de praktische potentie en wordt de realistische potentie op parkeerplaatsen in geschat op minder dan 0,3% van de RES opwekopgave. Trede 3: Potentie op terreinen en objecten in het landelijk gebied In bijlage 2 bij de RES 1.0 NOB is in het rapport “achtergrond verbruik en potentie” het potentieel van de opwek van zon op restgronden (tabel 4.10, blz. 53) ingeschat op 3 TJ. Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen restgronden binnen (trede 2) of buiten (trede 3) stedelijk gebied, maar dat komt overeen met 1% van de RES opwekopgave (0,000833 TWh). In de toelichting van artikel 5.54 moet bij meervoudig ruimtegebruik uitgegaan worden van ruimte op gronden of objecten langs spoorlijnen en wegen, op water, op stortplaatsen, grond- en slibdepots, op vloeivelden, RWZI-terreinen of ten dienste van de agrarische functie (agri-PV). Langs de Rijksweg A2 en spoorlijnen zijn er mogelijkheden, maar Rijkwaterstaat heeft bekend gemaakt dat er op zijn vroegst in 2029 ruimte is voor een voorverkenning in de regio naar de potentie in het kader van het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER).
De potentie langs de A2 wordt voor het gehele traject tussen ’s-Hertogenbosch en Eindhoven ingeschat op bruto 48 hectare, maar moet verdeeld worden over 4 gemeenten en uit de (voor-)verkenning kan alleen maar blijken dat die bruto potentie netto minder wordt. Gezien deze onzekerheden wordt geen bijdrage ingeschat voor de RES opwekopgave tot 2030. Daardoor is deelname aan het programma OER een optie voor de opgave vanaf 2030. Oppervlaktewater van enige omvang is binnen gemeente Boxtel alleen beschikbaar op de Langspier, maar die wordt recreatief te intensief gebruikt om deze te benutten voor een drijvend zonnepark. Er zijn enkele voormalige stortplaatsen beschikbaar, maar die zijn te klein van omvang om een rendabele exploitatie als zonnepark mogelijk te maken. Te meer omdat deze percelen doorgaans als landbouwgrond in gebruik zijn, gaat het niet om ongebruikte gronden. Het RWZI-terrein is en wordt in de toekomst al benut voor de eigen energievoorziening van waterschap De Dommel en door Dommelstroom. Op voormalige agrarische bebouwing (VAB) is in het VAB-beleid geen specifieke ruimte opgenomen. Dit is maatwerk en op voorhand kan hiervoor geen potentie bepaald worden. De potentie in trede 3 wordt dus ingeschat op 1% van de lokale RES opwekopgave.
32
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
Trede 4: Potentie op landbouw- en natuurgronden Op natuurgronden (binnen NNB) zijn zonneparken niet toegestaan en op landbouwgronden alleen nog bij uitzondering of op basis van overgangsrecht. De totale potentie in trede 1, 2 en 3 wordt ingeschat op 0,029+0,00024+0,0008 = 0,0291 TWh oftewel 36,3% van de RES opgave voor Boxtel Omdat binnen de gemeente Boxtel geen windenergie benut kan worden is voor de realisatie van de RES opwekopgave additioneel de opwek van 0,051 TWh zon op veld noodzakelijk . Daarvoor is van 16 december 2020 tot 1 februari 2021 een tender voor zonneparken opengesteld in de gemeente en is op juni 2022 door het college besloten om 48 hectare te gunnen aan 4 initiatiefnemers door in te stemmen met de ingediende principeverzoeken voor 4 zonneparken. Daarmee wordt 0,042 TWh opgewekt. Samen met de potentie uit de treden 1, 2 en 3 houdt dit in dat daarmee in totaal 0,0713 TWh gerealiseerd is of wordt voorbereid. Dat is 89% van het RES opwekdoel. Uit bovenstaande onderbouwing blijkt dat trede 1, 2 en 3 niet voldoende potentie bieden om het RES opwekdoel te kunnen behalen. Om die reden wordt met voorliggend project gebruik gemaakt van trede 4 van de zonneladder zoals bedoeld in artikel 5.54 lid 1 van de Omgevingsverordening NoordBrabant. Onderbouwing sub b; ontwikkelingsrichting De gronden binnen het besluitgebied zijn volledig in handen van de gemeente Boxtel.
De gronden zijn in de huidige situatie in gebruik als akkerbouwgronden waar onder andere aardappel- en maïsteelt plaatsvindt en grasland aanwezig is. De gemeente is sinds jaar en dag op zoek naar een passende invulling voor de gronden binnen het besluitgebied. De locatie ligt op een afstand van 600 meter ten opzichte van het bestaand stedelijk gebied van de kern Boxtel. Parallel aan de Esschebaan zijn twee buisleidingen van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) gelegen. Het brandaandachtsgebied van de buisleidingen is tot binnen het besluitgebied gelegen. Aan de zuidzijde van het besluitgebied liggen drie buisleidingen van de Gasunie. De PR10-8contour en het brandaandachtsgebied van deze leidingen liggen tot binnen het besluitgebied. Op grotere schaal is ten oosten en zuiden van het besluitgebied liggen de spoorlijnen Boxtel – Den Bosch en Boxtel – Tilburg. Gezien de ligging van de locatie ten opzichte van het bestaand stedelijk gebied is op termijn de toevoeging van een stedelijke ontwikkeling voorstelbaar. In het kader van omgevingsveiligheid en de aanwezigheid van een groot aantal buisleidingen (met bijbehorende explosie- en brandaandachtsgebieden) is onderhavige locatie op korte termijn niet geschikt voor bijvoorbeeld een grootschalige woningbouwlocatie.
Daarom is de gemeente Boxtel op zoek naar een andere invulling van de gronden waarbij het bijdragen aan een oplossing van maatschappelijke vraagstukken centraal staat. Met voorliggend project wordt voor een periode van maximaal 25 jaar een ecologisch verbindings-zonnepark gerealiseerd waardoor bijgedragen wordt aan de energietransitie en verduurzaming van Noord-Brabant. Hierbij moet vermeld worden dat een ecologisch verbindingszonnepark nadrukkelijk geen stedelijke ontwikkeling betreft. Aan de hand van een gerichte gebiedsanalyse is aangetoond dat onderhavige locatie hiervoor geschikt is. Zie het landschapsplan in bijlage 1. De klimaatadaptieve inrichting van het perceel ziet toe op de toevoeging van 0,7 hectare aan wadi’s waardoor tevens de bestaande wateroverlast aan de Esschebaan wordt opgelost.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
33
POU240041.007.001.R4/RHA
Onderbouwing sub c; maatschappelijke meerwaarde In het voortraject van de ontwikkeling van het EVZ-zonnepark heeft zeer intensief contact met omwonenden plaatsgevonden. Het participatietraject is uitvoerig omschreven en toegelicht in hoofdstuk 5. Met het project is zo goed als mogelijk maatschappelijke meerwaarde gecreëerd. Onderbouwing sub d; tijdelijkheid zonnepark Het ecologisch verbindings-zonnepark wordt 25 jaar na ingebruikname weer ontmanteld. De gemeente Boxtel zal deze voorwaarde opnemen in de te verlenen omgevingsvergunning voor de realisatie van de zonnepanelen, waarmee dit aspect is geborgd. Onderbouwing sub e; borging omkeerbaarheid Het ecologisch verbindings-zonnepark wordt 25 jaar na ingebruikname weer ontmanteld. De gemeente Boxtel zal deze voorwaarde opnemen in de te verlenen omgevingsvergunning voor de realisatie van de zonnepanelen, waarmee dit aspect is geborgd. Er worden geen ingrepen gedaan die onomkeerbaar zijn. Onderbouwing sub f; regionale afspraken In de RES NOB 1.0 zijn afspraken gemaakt over de lokale opwekopgave van de 10 gemeente in regio Noordoost Brabant (waaronder gemeente Boxtel) voor de realisatie van het RES doel voor 2030. Vanwege de luchtvaartbelemmeringen in de regio zijn de mogelijkheden voor windenergie in de regio beperkt en is de regio voor een groot deel aangewezen op zonneparken op landbouwgronden.
Er zijn regionaal nagenoeg geen mogelijkheden voor samenwerking in de realisatie van de lokale opwekopgave. Onderhavig project past binnen de regionale afspraken, zoals nader toegelicht in paragraaf 3.3. Onderbouwing sub g; afstemming netwerkbeheerder Het projectvoornemen wordt afgestemd met de regionale netwerkbeheerder. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de zonnepanelen worden gesprekken gevoerd met de netwerkbeheerder. Gedeputeerde Staten kunnen gevallen aanwijzen van een provinciaal belang dat niet doelmatig of doeltreffend door een gemeente kan worden uitgeoefend. In de aangewezen gevallen moet de gemeente als zij een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit willen verlenen, advies met instemming vragen bij Gedeputeerde Staten (artikel 16.15a, onder d en artikel 16.16 Omgevingswet). Op grond van artikel 4.37 van het Omgevingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat zij afzien van instemming. Voor artikel 5.54 van de Omgevingsverordening NoordBrabant geldt dat de Gedeputeerde Staten gebruik maken van die bevoegdheid (dus afzien van instemming). Aangezien de openbare voorbereidingsprocedure wordt doorlopen is er geen advies van de provincie vereist (volgens het Omgevingsbesluit). Tijdens de openbare voorbereidingsprocedure kan de provincie via het indienen van een zienswijze haar belangen inbrengen.
De provincie NoordBrabant wordt uiteraard in de procedure betrokken door de ontwerp omgevingsvergunning aan te melden via een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld e-formulier. Conclusie Gelet op bovenstaande is het projectvoornemen in lijn met de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
34
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
3.3
Regionaal beleid (RES NOB 1.)
Er zijn flinke maatregelen nodig om de doelstellingen uit het Klimaatverdrag van Parijs (2015) en het Nederlandse Klimaatakkoord (2019) te halen. Overheden werken met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen om de CO2-uitstoot in 2030 met 49% ten opzichte van 1990 te verminderen. Hiervoor is op regionaal niveau een gezamenlijke strategie opgesteld. Nederland is opgedeeld in 30 energieregio’s: de RES-regio’s. Vier van die regio’s liggen in Brabant. Zij maken ieder een eigen Regionale Energiestrategie (RES). De gemeente Boxtel ligt binnen de regio Noordoost-Brabant. Met de RES maken gemeenten, waterschappen en provincie in de regio een plan om invulling te geven aan het Klimaatakkoord. Bij deze invulling is maatschappelijk draagvlak van belang en worden inwoners, bedrijfsleven en belangenorganisaties betrokken. In de RES worden keuzes gemaakt voor het opwekken van duurzame elektriciteit, het besparen van energie en het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Bij de opwekking van elektriciteit gaat het in de periode tot 2030 vooral om het plaatsen van windmolens en zonnepanelen. Wat betekent dit voor de gemeente Boxtel? Op basis van de RES heeft de gemeente Boxtel een opgave van 0,08 TWh, waarvan 0,01 TWh gerealiseerd is en 0,07 TWh nog gerealiseerd moet worden. Conform de visie zit er voor 0,00 TWh in de pijplijn.
Met betrekking tot gemeente Boxtel is het volgende opgenomen: • De gemeente Boxtel heeft een ambitieuze doelstelling geformuleerd: energieneutraal in 2030. Om deze doelstelling te behalen heeft de gemeente eind 2020 een tender uitgeschreven voor 50 hectare zonnepark. De inschrijving is nu beëindigd en de beoordeling kan beginnen. • Een tender voor zonneparken heeft volgens de gemeente een aantal grote voordelen. Ten eerste zorgt het ervoor dat initiatiefnemers maximaal worden uitgedaagd om aan de hand van de zonneladder maximaal te scoren op door de gemeente geformuleerde criteria: ruimtelijke kwaliteit, participatie, toename van biodiversiteit, maatschappelijke kosten en een vergroting van de toeristisch of recreatieve waarde. Citaat beleidsmedewerker duurzaamheid en binnen de RES betrokken voor beide gemeenten: “Hiermee worden koppelkansen in het gebied zoveel mogelijk benut. Daarbij kan ook de maatschappelijke meerwaarde van zonneparken verantwoord worden aan de omwonenden en inwoners van de gemeente.” • De gemeente heeft voor gemeentegronden ook een principeverzoek voor een zonnepark van 18 hectare ingediend.
Citaat wethouder Ruimtelijke ontwikkeling, volkshuisvesting, milieu en duurzaamheid: “Door zelf de regie te nemen kan maximale maatschappelijke meerwaarde gerealiseerd worden en leggen we de lat hoger voor de andere initiatiefnemers.” • De tender draagt bij aan de lokale resultaatverplichting uit de RES. Andersom ondersteunt de RES deze tender door het kader te scheppen en handreikingen te bieden voor de uitvoering en regionale samenwerking. • “Het betrekken van lokale belangengroepen bij het bepalen van de voorkeursvolgorde en het duidelijk aangeven op welke criteria initiatieven beoordeeld gaan worden is heel belangrijk, ook in de RES”, aldus Peter. Ook participatie, een omgevingsdialoog en maatschappelijke meerwaarde zijn aspecten waar grote waarde aan moet worden gehecht. Onderhavig projectvoornemen wordt 1 op 1 benoemd in het beleidsstuk Regionale Energie Strategie Noordoost Brabant en betreft een uitwerking van de tender voor zonneparken. [Voortgangsrapportage RES NOB 2023]
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
35
POU240041.007.001.R4/RHA
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Boxtel 2011 Gemeente Boxtel is op dit moment bezig met het opstellen van de Omgevingsvisie Boxtel 2040. In afwachting van deze omgevingsvisie wordt getoetst aan de Structuurvisie Boxtel 2011, zoals in juli 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is de ambitie opgenomen dat Boxtel voorop blijft met duurzaamheid. Met onderhavig project wordt hier mede invulling aan gegeven. Naast het duurzaamheidsaspect heeft gemeente Boxtel de ambitie om natuurgebieden met elkaar te verbinden. Als voorbeeld wordt de verbinding van Het Groene Woud met andere belangrijke natuurgebieden in de Meierij zoals het Wijkbosch Broek, de Loonse en Drunense Duinen, het Aaldal en het Dommeldal. Met onderhavig ecologisch verbindings-zonnepark wordt bijgedragen aan de verbinding van natuurgebieden. Tevens bestaat de ambitie om in te zetten op de ontwikkeling van robuuste beeksystemen van de Dommel, de Aa en de Essche Stroom, waarin naast duurzame waterhuishouding ook de landschappelijke kwaliteit van het watersysteem versterkt wordt, zodat de ruimtelijke verschillen tussen de systemen van Aa en Dommel beter beleefbaar worden. Op grote schaal kan het besluitgebied tot het beeksysteem van de Kleine Aa gerekend worden. Met onderhavig project wordt bijgedragen aan het verbeteren van hemelwaterinfiltratie en -afvoer.
Met de landschappelijke inpassing wordt de landschappelijke kwaliteit van het watersysteem eveneens aanzienlijk versterkt. De Esschebaan wordt door de landschappelijke inpassing vormgegeven als groene laan tussen (hoog)stedelijke gebieden, waarmee aangesloten wordt bij de structuurvisie. Gelet op bovenstaande is het projectvoornemen in lijn met de ‘Structuurvisie Boxtel 2011’. 3.4.2 Visie zonne- en windenergie In september 2020 is de Visie zonne- en windenergie door de gemeenteraad vastgesteld. In de visie zonne- en windenergie heeft de gemeente Boxtel richting gegeven aan een toekomst waarbij er op verschillende manieren op een duurzame manier in energie voorzien kan worden in de gemeente. Dit komt voort uit de wens om te voldoen aan de ambities van het Klimaatakkoord en eigen ambities van de gemeente. Uit de visie vloeit ook het afwegingskader voort, wat aangeeft wat de gemeente belangrijk vindt bij initiatieven. Naast de locatie, is bepalend in welke mate een project voldoet (of excelleert) op de algemeen geldende voorwaarden en locatie specifieke voorwaarden. De visie geeft ruimte voor realisatie van 50 hectare aan zonneparken binnen de gemeente Boxtel met een maximum bruto-grootte van 20 hectare per project. Bij initiatieven voor zonneparken is een onderbouwing gegeven aan de hand van de zonneladder.
De insteek van de gemeente is dat de landschappelijke inpassing in maat en schaal aansluit bij de omvang van het park en het park moet aansluiten op de gemiddelde perceelgrootte. Voor een rendabele business case mogen terreinen echter weer niet te klein zijn, waarbij tegenwoordig ongeveer 10 hectare steeds vaker als ondergrens wordt gezien. De combinatie van de percelen zoals voorzien leent zich daarom goed voor een rendabele business case in combinatie met de overige doelstellingen.
36
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
Het initiatief betekent een structuurversterking van het landschap. Hoe we hierin voorzien is feitelijk de rode draad door dit principeverzoek. Hierbij richt het initiatief zich niet op koppelkansen bij het zonnepark, maar draait de casus juist om door een rendabele business case voor zonne-energie in te passen in de overige doelstellingen. Gezien de beschikbare ruimte (het gehele besluitgebied is 18 hectare groot) bestaat de ambitie om het ecologisch verbindings-zonnepark in te bedden in een robuuste groene zone. Ingespeeld wordt op de natuurwaarden in de omgeving waarbij sprake zal zijn van een verbindingszone. Daarom geven we prioriteit aan de gemeentelijke voorwaarden A1 t/m A5 boven de standaard bedrijfseconomische afwegingen. Op deze voorwaarden wordt in onderstaande alinea’s ingegaan. Omgevingsparticipatie Het besluitgebied wordt samen ingevuld: door de initiatiefnemer, de omwonenden en andere belangstellenden en belanghebbenden in Boxtel. Dit doen we middels een integer en doordacht participatietraject en dat leggen we vast in een omgevingsdialoog. Dit is uitvoering toegelicht in hoofdstuk 5. Biodiversiteit Het besluitgebied wordt een groene zone die een robuuste ecologische verbinding schept en/of als stapsteen dient binnen een breder kader van natuur- en biodiversiteitsontwikkeling in de gemeente.
Door de toepassing van innovatieve montagesystemen wordt de volle 18 hectare bodemruimte benut voor natuurontwikkeling en -herstel. Het besluitgebied ligt in een zeer interessante zone voor het stimuleren en herstellen van biodiversiteit, namelijk op de rand van de dekzandrug en het beekdal. Die ligging, in de gradiënt van droog naar vochtig, maakt het aantrekkelijk om niet ‘alleen maar’ een zonneweide te realiseren, maar juist eerst te kijken naar de significante ecologische bijdrage die deze ontwikkeling kan bieden. Ruimtelijke kwaliteit De ruimtelijke kwaliteit is geborgd met een landschappelijk inpassingsplan. In de ‘Handreiking Kwaliteitsverbetering’ is, op basis van landschaps- en randenpakketten, door de gemeente Boxtel een overzicht opgenomen van beplantingssoorten die zijn toegestaan per landschapstype. Het gaat hierbij om bomen en hagen op de erven en in de tuinen, bomen langs de weg en houtsingels/wallen. Voor het in het heideontginningslandschap gelegen besluitgebied komen diverse soorten beplanting in aanmerking voor toepassing bij landschappelijke inpassing. Dit is uitgewerkt is het landschappelijk inpassingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 2 en opgenomen in bijlage 1. Maatschappelijke kosten netwerk Er wordt actief gezocht naar samenwerking met andere zonneparken in de nabijheid.
Wanneer bekend is welke dat zijn kan van eventuele ‘cable-pooling’ kansen gebruik maken (lagere infrastructurele investeringen/MW). Ook helpt het toepassen van innovaties en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van ‘dip- en peak-shaving’ om de belasting van het net te minimaliseren. Andere vormen van buffering en energieopslag zijn in de nabije toekomst niet per definitie uitgesloten.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
37
POU240041.007.001.R4/RHA
Recreatieve/toeristische waarde Dit aspect van het project heeft ruimtelijk een beperkte impact voor wat betreft recreatie en toerisme, maar kan positieve en negatieve effecten hebben op de directe omgeving. Aan de Renbaan worden een wandelpad, een toegang tot infopunt en een uitkijkplateau gerealiseerd. Het project zorgt voor een aantrekkelijke wandelomgeving met interessante inkijkjes in het park en biedt rond herstelde landschappelijke elementen aantrekkelijke rustplaatsen, zoals het Hondsven aan de Renbaan. Gelet op bovenstaande is het projectvoornemen in lijn met de Visie zonne- en windenergie. 3.4.3 Beleidsakkoord 2021-2026 ‘Samen aan de slag’ Op 12 februari 2021 heeft de gemeenteraad van Boxtel het Beleidsakkoord 2021-2026 vastgesteld. Klimaatverandering en energietransitie zijn dé grote uitdagingen van deze tijd. Gemeente Boxtel richt haar beleid op besparen, opwekken en aanpassing aan nieuwe omstandigheden. Ze streeft ernaar dat Boxtel met een maximale inspanning en kosteneffectief zo snel mogelijk energieneutraal wordt. De gemeente maakt zich sterk voor het gebruik van groen gas, zonnepanelen op daken en zonnevelden. Een beperkte mate van windenergie wordt - in samenwerking met buurgemeenten Vught en SintMichielsgestel en met draagvlak onder Boxtelse burgers – gezien als een mogelijkheid.
Als actiepunt is omschreven dat Boxtel een eigen zonnepark krijgt aan de Renbaan ter grootte van 20 hectare. Met voorliggend project wordt concreet invulling gegeven aan dit actiepunt van het Beleidsakkoord 20212026 ‘Samen aan de slag’. 3.4.4
Visie Duurzaam Boxtel 2030
De gemeente Boxtel heeft het beleid 'Visie duurzaam Boxtel 2030' vastgesteld, met als doel om in 2030 energieneutraal te zijn. Volgens de gemeente staat Duurzaamheid nu internationaal en nationaal hoog op de politieke agenda. ‘’Onze samenleving groeit en onze behoefte aan grondstoffen neemt alleen maar toe. De vraag is nu al zo groot, dat dit het herstellend vermogen van onze planeet overschrijdt. Dit heeft consequenties voor toekomstige generaties. We moeten nu ingrijpen om onze samenleving toekomstbestendig te kunnen houden.’’ In 2011 sprak de gemeenteraad al een ambitieuze doelstelling uit met de nota 'Boxtel Energieneutraal 2040'. Deze ambitie werd in 2016 verder aangescherpt naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente Boxtel wil vooruit in duurzaamheid en wil haar beleid dan ook up-to-date houden. Deze visie is daarom ook aanvulling op de duurzaamheidsuitgangspunten uit de eerdere beleid. Volgens deze visie zal het verwachte energieverbruik 1,94 PJ bedragen, wat overeenkomt met ongeveer 486 hectare aan zonnevelden. Om de doelstellingen te bereiken, moet de energietransitie versneld worden, waarbij ook grootschalige energieopwekking wordt overwogen. Volgens de visie ze gemeente in op professionalisering en opschaling van lokale duurzame energieproductie-initiatieven. Zonneparken kunnen bijdragen aan deze opwekopgave.
Met het onderhavig project wordt de ontwikkeling van een ecologisch verbindings-zonnepark planologisch mogelijk gemaakt. Het zonnepark Renbaan-Esschebaan is 18 hectare groot. Het zonnepark heeft een opgesteld vermogen van 13 megawattpiek (hierna: MWp) en voorziet met circa 20.000 tot 21.000 zonnepanelen van 620 Wp ongeveer 3.500 huishoudens van stroom. De ontwikkeling van zonnepark Renbaan-Esschebaan sluit daarmee aan bij de Visie duurzaam Boxtel 2030.
38
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
4
Aspecten van de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk worden de meest relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving tegen het licht gehouden, waaruit moet blijken dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij komen de aspecten activiteiten en milieuzonering, ecologie, bodem, archeologie en cultuurhistorie, geluid, omgevingsveiligheid, milieueffectrapportage, luchtkwaliteit, water, licht en elektromagnetisme.
4.1
Activiteiten en milieuzonering
4.1.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Daarbij kan het rapport 'Milieuzonering nieuwe stijl' van de VNG gehanteerd worden alsook de staalkaart voor bedrijfsmatige activiteiten. Bij de milieuzonering nieuwe stijl wordt per bedrijfsmatige activiteit een gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe leidt tot milieunormen die niet primair worden gesteld vanuit het belang van de bescherming van het milieu, maar vanuit een ruimtelijk belang, om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er wordt gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Deze ruimtelijke milieunormen bestaan náást de normen in het milieuspoor. Het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor de milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het Omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Hiermee krijgt ieder bedrijf zijn eigen gebruiksruimte. Dit kan per zone zijn vastgelegd, of bij bedrijven buiten een bedrijventerrein, specifiek per bedrijf. Onder de Omgevingswet wordt een bepaalde mate van gebruiksruimte per bedrijf toegestaan. Op termijn wordt deze gebruiksruimte in de regels van het Omgevingsplan opgenomen. Aangezien de gebruiksruimte nog niet in de regels van het Omgevingsplan Boxtel zijn opgenomen is voor voorliggend plan aangesloten bij de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Binnen het besluitgebied is sprake van de aanleg van een ecologisch verbindings-zonnepark.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
39
POU240041.007.001.R4/RHA
4.1.2
Toetsing
4.1.2.a Hindergevoelige functie Een ecologisch verbindings-zonnepark wordt niet aangemerkt als een hindergevoelige functie. Milieubelasting uit de omgeving hoeft om deze reden niet te worden beoordeeld. De realisatie van het ecologisch verbindings-zonnepark leidt niet tot belemmeringen voor omliggende functies. Ook hier geldt dat met de realisatie van een ecologisch zonnepark geen sprake is van een hindergevoelige functie en dat er daarom geen beperkingen optreden ten aanzien van de duurzame ontwikkeling van omliggende hinderveroorzakende functies. 4.1.2.b Hinderveroorzakende functie Een ecologisch verbindings-zonnepark vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Eventuele geluidhinder zou door transformatoren kunnen ontstaan. Het betreft transformatoren die vergelijkbaar zijn aan die in woonwijken. Voor transformatorstations geldt een te hanteren richtafstand van 30 meter. Voor de op te richten transformatorstations wordt voor onderhavig project een afstand van 50 meter (20 meter meer dan de richtafstand) aangehouden tot omliggende woningen. Aan de zuidzijde van het besluitgebied wordt een batterijopslag van maximaal 800 m2 aangelegd. Een batterijopslag bestaat uit batterijmodules waarbij bij de koeling geluidproductie plaatsvindt. De batterijopslag ligt op circa 270 meter van de meest dichtbijgelegen woning.
In de paragraaf ‘geluid’ is ter volledigheid het uitgevoerde akoestisch onderzoek toegelicht om aan te tonen dat hierbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderhavige ontwikkeling leidt daarmee niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. 4.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect activiteiten- en milieuzonering geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie.
4.2
Natuur: doeltypen onderzoek
Voor het ontwerp van de natuur inclusieve inpassing van het ecologisch verbindings-zonnepark is ook een ecologisch doeltypen onderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Het doeltypen onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen welke doelgroepen flora en fauna in de huidige en toekomstige situatie binnen het besluitgebied voor (kunnen) komen en welke habitatseisen deze doelgroepen aan hun leefgebied stellen. De habitatfuncties worden ondersteunt met diverse maatregelen waarbij aanplant van specifieke plantsoorten en inrichting een bepalende rol hebben. Daarbij zijn er ook beheersmaatregelen noodzakelijk om de instandhouding van de leefgebieden te waarborgen. Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is het besluitgebied op te delen in een kruidenrijk biotoop, waterrijk biotoop en bosrijk biotoop. Voor deze biotopen en overige beschermde doelsoorten zijn maatregelen voorgesteld in het ecologisch doelgroepen onderzoek. Op basis van dit doeltypenonderzoek en genoemde maatregelen is het landschapsplan ontworpen voor een kruidenrijk biotoop, waterrijk biotoop en bosrijk biotoop. Dit is beschreven in paragraaf 2.2 van deze BOPA-motivering. In dit kader wordt er nog op gewezen dat voor de alpenwatersalamander, de hazelworm en de Das aanvullende maatregelen zijn voorgesteld (§ 4.3 van deze motivering).
40
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
4.3
Natuur: soortenbescherming
4.3.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuur Netwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlagen van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: • Óf er soorten aanwezig zijn; • En indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.
Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, ofwel bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. 4.3.2 Toetsing Met voorliggend project vindt de realisatie van een ecologisch verbindings-zonnepark plaats. De realisatie vindt plaats ter plaatse van agrarische gronden. Hierbij is sprake van een flora- en faunaactiviteit. Om op voorhand uit te kunnen sluiten dat met onderhavig project afbreuk wordt gedaan aan beschermde soorten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten. De quickscan flora- en fauna is als bijlage 3 bijgevoegd. De resultaten en in acht te nemen maatregelen worden hieronder weergegeven. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit Omgevingswet en het Bal. Onder artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Bal zijn specifieke zorgplichten opgesteld.
De zorgplicht geldt voor ieder die een activiteit uitvoert waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben op in het wild levende dieren, planten en bomen maar ook natuurgebieden. Volgens de zorgplicht dient men redelijkerwijs de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en indien de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt achterwegen te laten. Voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten geldt in praktijk dat onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden. In het kader van de algemene zorgplicht zijn hieronder in acht te nemen maatregelen beschreven:
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
41
POU240041.007.001.R4/RHA
•
•
•
•
In de sloten en greppels zijn vrijgestelde kikkersoorten en algemene libellen waargenomen. Om een overtreding van de zorgplicht te voorkomen dient rekening te worden gehouden met deze soorten. De werkzaamheden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de soorten kunnen wegvluchten. Voor het te realiseren ven wordt geadviseerd om deze aan te leggen voordat sloten en greppels worden gedempt. Het dempen van de sloten en greppels moet gefaseerd en in één richting worden uitgevoerd om opsluiting en bedelven van soorten te voorkomen; Tijdens de geplande werkzaamheden dienen tijdelijke plassen en poelen te worden voorkomen, om te voorkomen dat de rugstreeppad in deze tijdelijke plassen eieren kan afzetten wat tot een vertraging van de werkzaamheden kan leiden; Het besluitgebied dient als foerageergebied voor de das en marterachtigen. Om versnippering van habitat van deze soorten te voorkomen dient het te realiseren hekwerk minimaal 30 cm boven de grond geplaatst te worden. Voor de geplande ingreep worden de bomen en struiken langs de sloot gerooid. Bomen en struiken kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten. Ook kunnen grondbroeders op de akkers broeden. Door de geplande ingreep kunnen deze nesten verstoord worden.
De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden om nesten van grondbroeders op de akkers en nesten in de opkomende wilgen langs de sloot te ontzien. Als dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
4.3.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor het projectvoornemen
4.4
Natuur: gebiedsbescherming
4.4.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie.
Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving).
42
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). 4.4.2 Toetsing Natura 2000-gebieden Het besluitgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied, waardoor uitsluitend sprake is van externe werking. Op een afstand van 1,6 km ten zuidwesten van het besluitgebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Op een afstand van 6,7 km ten noordwesten van het besluitgebied is het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ gelegen.
Figuur 22 Ligging besluitgebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden
4.4.2.a Stikstof Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Voor voorliggend project is een stikstofnotitie inclusief bijlagen opgesteld en als bijlage 5 toegevoegd. Om de haalbaarheid van het plan aan te tonen is ervoor gekozen om uit te gaan van de worst-case (hoge) inschatting voor de inzet van materieel in de realisatie- en gebruiksfase. Uit de (verschil)berekeningen blijkt dat op basis van de worst-case inschatting geen toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt. De omkeerbaarheid van het project is eveneens aangetoond.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
43
POU240041.007.001.R4/RHA
Op basis deze uitgangpunten kunnen significant nadelige effecten op omliggende Natura 2000gebieden ten gevolge van de realisatie- en gebruiksfase op voorhand worden uitgesloten. Het projectvoornemen zou in deze situatie niet aan te merken zijn als een Natura 2000-activiteit waarvoor een passende beoordeling aan de orde zou zijn. Echter: Op basis van de recente uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 mag in de voortoets per direct geen gebruik meer worden gemaakt van de referentiesituatie (intern salderen). Omdat voor de aanleg van het zonnepark landbouwgronden uit productie worden gehaald, is met de referentiesituatie gerekend. Als hier géén rekening mee wordt gehouden, is uitgaande van de worstcase inschatting van de inzet van materieel in de aanleg- en gebruiksfase sprake van een lichte toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In dat geval zou voor de aanleg van het zonnepark ook een omgevingsvergunning ‘Natura 2000 activiteit’ bij de provincie NoordBrabant moeten worden aangevraagd. Mogelijk kan wel nog gebruik worden gemaakt van het additionaliteitsbeginsel: salderen mag alleen als de maatregel (inzet referentiesituatie) niet ook nodig is om natuur te behouden, herstellen of verslechtering te voorkomen.
De definitieve afweging of voor de realisatie en gebruik van het zonnepark daadwerkelijk een natuurvergunning nodig is, zal op basis van de dan geldende wet- en regelging (state-of-the-art) in een later stadium plaatsvinden. [https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/december/rechtspraak-over-intern-salderen-wijzigt/] 4.4.2.b Overige aspecten Gerelateerd aan de afstanden van het besluitgebied op beide Natura 2000-gebieden kunnen negatieve effecten ten gevolge van het projectvoornemen door licht, geluid, trillingen of mechanische effecten op voorhand worden uitgesloten. 4.4.3 Toetsing Natuur Netwerk Brabant Aan de noordzijde grenst het besluitgebied aan het Natuur Netwerk Brabant. Met het projectvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de natuurwaarden van het NNB. Sterker nog, met de aanleg van het ecologisch verbindings-zonnepark wordt bijgedragen aan het versterken van de ecologische waarden binnen het besluitgebied en de omgeving. Het besluitgebied voorziet in de aanleg van 5,6 hectare landschappelijke inpassing. De ontwikkeling zorgt voor een meerwaarde op locatie en brengt omliggende NNB-gebieden met elkaar in verbinding. Bestaande groenelementen, ecologische verbindingszones en NNB in directe omgeving van het besluitgebied is in onderstaande figuur weergegeven.
44
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
Figuur 23: Bestaande groenelementen, ecologische verbindingszones en NNB in directe omgeving besluitgebied
De zonnepanelen worden gerealiseerd op bestaande agrarische gronden waar op dit moment geen houtsopstanden aanwezig zijn. Er zijn geen negatieve effecten op houtopstanden voorzien. 4.4.4 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect gebiedsbescherming geen belemmering voor het projectvoornemen.
4.5
Bodem
4.5.1 Wettelijk kader Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij afwijking van het Omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het besluitgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Dit is in het omgevingsplan Boxtel (nog) niet gedaan.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
45
POU240041.007.001.R4/RHA
4.5.2 Toetsing Voor het besluitgebied is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt over (potentiële) verontreinigingen, verontreinigingsbronnen en activiteiten die tot een verontreiniging hebben geleid. Dit vooronderzoek is als bijlage 6 bij deze BOPA-motivering toegevoegd. De percelen binnen het besluitgebied worden momenteel gebruikt voor agrarische doeleinden. Uit historisch kaartmateriaal volgt dat het besluitgebied vanaf 1925 in gebruik is geweest voor agrarische doeleinden. Ook blijkt dat de situering van de watergangen niet gelijk is gebleven door de jaren heen en zijn verschillende watergangen gedempt. Uit de resultaten van het vooronderzoek volgt dat binnen het besluitgebied mogelijk sprake kan zijn van bodemverontreiniging: • Het aantreffen van materiaal als asfalt en plastic op het maaiveld duidt op een menselijke invloed op het terrein en heeft mogelijk geleid tot bodemverontreiniging; • In het noordwestelijk deel van het terrein (omgeving Esschebaan 19) is puin op het maaiveld waargenomen.
Omdat de herkomst niet bekend is, moet dit puin als verdacht op het voorkomen van asbest worden beschouwd; • Zuidwestelijke en noordoostelijke terreindelen zijn tussen 1955 en 1998 als boomgaard gebruikt. Hierdoor is de bodem verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen met OCB’s; • Ter plaatse van het westelijk terreindeel van bevinden zich een aantal gedempte watergangen. Omdat niet bekend is waarmee de sloten zijn gedempt, zijn deze sloten verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen van onbekende aard. • Verder is uit onderzoek gebleken dat zware metalen in de bodem terecht kunnen komen bij (lichte) beschadigingen van zonnepanelen en corrosie van de metalen onderconstructie. Dit speelt vooral aan het einde van de levensduur. Referenties van een aantal onderzoeken zijn in bijlage 4 van het vooronderzoek (bijlage 6 bij deze motivering) opgenomen). Op basis van voornoemde bevindingen op het voorkomen van potentiële bodemverontreinigingen is geadviseerd een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. De aard, de omvang en het uitvoeringstijdstip van dit bodemonderzoek wordt echter bepaald door de doelstelling van dit bodemonderzoek. Te denken valt aan het vaststellen van: 1. de actuele bodemkwaliteit bij verkoop van locaties; 2. de nul-situatie in het kader van het BKL en het Bal (om een referentiesituatie te creëren); 3.
de bodemkwaliteit bij wijzigen van het omgevingsplan naar een milieugevoeligere functies, bij voorbeeld bij de nieuwbouw van woningen? 4.5.3 Conclusie Momenteel zijn nog niet alle aspecten voor het bepalen van de specifieke onderzoeksdoelstelling bekend. In een adviesmemo, die als bijlage 7 aan de BOPA-motivering is gevoegd, volgt dat de invloed van een eventuele bodemverontreiniging op de financiële haalbaarheid van het project uitermate gering is. Het verkennend bodemonderzoek kan in een later stadium worden uitgevoerd als de specifieke onderzoeksdoelstelling(en) bekend is(zijn).
46
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
POU240041.007.001.R4/RHA
Hiertoe wordt als voorschrift in de omgevingsvergunning bij deze BOPA-motivering de verplichting opgenomen dat voorafgaand aan de realisatie van dit zonnepark een verkennend bodemonderzoek moet zijn uitgevoerd. De gemeente Boxtel zal te zijner tijd samen met de ontwikkelaar/ exploitant een Plan van Aanpak voor het verkennend bodemonderzoek opstellen. Een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie is met de uitvoering van het onderzoek (en de daaruit volgende adviezen) geborgd.
4.6
Archeologie en Cultuurhistorie
4.6.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl).
Deze regels gaan over: • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten; • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan is op dit moment nog geen beschermingsregime voor het cultureel erfgoed opgenomen. Hierom is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ geraadpleegd. Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Leefgebied soorten van half-open cultuurlandschap’ zijn de gronden in het besluitgebied, behalve voor de andere daar voorkomende belemmeringen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het leefgebied van soorten van halfopen cultuurlandschap, waaronder begrepen agrarische gronden met een half-open karakter en de daarbij behorende natuurkwaliteiten, extensief gebruikte perceelsranden en overhoekjes. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren. Tevens is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – Categorie 3’ van toepassing.
De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk die betrekking heeft op de voor ' Waarde - Archeologie - Categorie 3 ' aangewezen gronden, dient een rapport over te leggen op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
BOPA-motivering EVZp Renbaan-Esschebaan Boxtel Pouderoyen B.V.
47
POU240041.007.001.R4/RHA
4.6.2 Toetsing archeologie Uit een eerste analyse van het besluitgebied bleek dat op dit terrein al eerder archeologisch onderzoek was verricht. Het betreft een bureauonderzoek met enkele verkennende boringen dat door RAAP voor het grootste deel van de noordelijke helft van het besluitgebied is uitgevoerd (Peeters, M., 2008) en een bureauonderzoek met karterend booronderzoek dat door BAAC voor het zuidelijke deel van het besluitgebied is uitgevoerd (Otter den, Y., 2005). Gebaseerd op de resultaten en conclusies uit deze onderzoeken is in juni en augustus 2024 door ArcheoPro voor deze ontwikkeling een aanvullend bureauonderzoek met booronderzoek uitgevoerd. Dit is als bijlage 8 bij deze BOPA-motivering toegevoegd. Uit dit aanvullend archeologisch onderzoek blijkt het volgende. • Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het besluitgebied door de ligging in een relatief slecht ontwaterd gebied, een lage verwachting voor resten van landbouwers uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.
Om deze zelfde reden en vanwege de ligging tot in de negentiende eeuw op de Tongersche heide en niet nabij historische bebouwing, geldt ook een lage verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd; • Door de voormalige aanwezigheid van het Hondsven geldt in een zone van tweehonderd meter rond dit voormalige ven tenminste een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum; • Het zuidelijke deel van het besluitgebied is al in 2005 afdoende onderzocht. Voor dit deel van het besluitgebied wordt derhalve geen verder onderzoek geadviseerd. • Op basis van het door RAAP verrichte onderzoek voor het noordelijke deel van het besluitgebied is geadviseerd om in een zone van tweehonderd meter rond het voormalige Hondsven een verkennend booronderzoek te verrichten om na te gaan of hier resten van jagers-verzamelaars aanwezig kunnen zijn. Dit onderzoek is op 2 augustus 2024 uitgevoerd. Op basis van de resultaten kunnen de onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: o Hoe is de bodem opgebouwd binnen het besluitgebied? De bodem bestaat uit een 30 tot 40 centimeter dikke toplaag van humusrijk zand met daaronder veelal een verploegde tussenlaag die overgaat in witgeel ongeoxideerd zand of in geel zand met oxidatievlekken.
Resten van podzolvorming zijn nergens aangetroffen o In welke mate is de bodem verstoord? Overal is de bodem tot in de C-horizont verstoord. De top van de ongeroerde dekzandbodem ligt binnen het onderzochte deel van het besluitgebied tussen veertig en zestig centimeter beneden het maaiveld. o Kunnen binnen het besluitgebied nog behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn? Zo ja, in welke zones en op welke diepten is dit het geval? Vanwege de ligging van het overgrote deel van besluitgebied in een zone met regelmatig een hoge grondwaterstand, is de kans op de aanwezigheid van resten van bewoning uit de prehistorie klein. Hiermee sluiten de resultaten van het onderzoek aan bij die van BAAC met betrekking tot het zuidelijke deel van het besluitgebied. De bodemverstoring tot veertig centimeter beneden het maaiveld maakt overigens de kans klein dat de veelal ondiep grondsporen van de binnen het besluitgebied verwachte tijdelijke nederzettingen van jagers-verzamelaars, nog bewaard gebleven zijn. De op het oostelijke deel van het besluitgebied uitgevoerde oppervlaktekartering heeft bovendien geen archeologische indicatoren opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van dergelijke grondsporen zouden kunnen wijzen.