CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Omgevingsplan Laar Nieuw Laar_Toelichting (1396680)

Beeldvormende informatieavond 14 januari 2026, gemeente boxtelBij agendapunt: Herstelbesluit Laar-Nieuw Laar34.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Alleen ten aanzien van geur dient de gemeente op basis van de eigen Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen een extra afweging te maken over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefmilieu, conform de uitzonderingsbepalingen uit deze Beleidsregel. Tenslotte vormt het aspect stikstof in relatie tot de Wet natuurbescherming nog een aandachtspunt voor het bestemmingsplan. Er is als Aanvulling op het PlanMER een passende beoordeling gemaakt voor dit bestemmingsplan en in het bijzonder voor de ontwikkelplannen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a (bijlage 5 bij de toelichting). Hieruit volgt dat de referentiesituatie in de plantoets wordt gevormd door de feitelijk situatie en niet de Wnb-vergunde situatie. De Wnb-vergunningen kunnen op basis van actuele inzichten niet één op één ingepast worden en zijn voor vaststelling weer uit het bestemmingsplan gehaald. Ten opzichte van de feitelijke situatie (referentie plantoets Wnb) is bij Laar 31 en Nieuw Laar 5a sprake van een toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. Dit komt omdat beide veehouders de niet-gerealiseerde Wnb-vergunde ruimte inzetten voor interne saldering. Uit de passende beoordeling volgt dat Laar 31 een aanpassing in zijn ontwikkelplan moet doen om de depositietoename weg te nemen of extern te salderen (of een combinatie van beiden).

Aanpassing kan door middel van een beperkte verkleining van het aantal aangevraagde varkens of door het toepassen van een zogenaamd ‘dubbel-emissiearm stalsysteem’ (een brongericht emissiearm stalsysteem i.c.m. een gecombineerde luchtwasser). Voor Nieuw Laar 5a is de conclusie dat alleen externe saldering tot een uitvoerbaar plan leidt. Hiervoor is een koopovereenkomst gesloten met saldogevende veehouderij Onrooi 12 en zijn de onderbouwende stukken opgenomen in de passende beoordeling. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de externe saldering voldoende zeker is en daarmee is het ontwikkelplan uitvoerbaar.

50

5.2. Archeologie en cultuurhistorie 5.2.1.

Archeologie

In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect ‘archeologie’. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. In 2009 is de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart vastgesteld. Deze kaart vormt samen met het archeologisch beleidsplan de grondslag voor het gemeentelijk archeologiebeleid. Het hierin opgenomen beleid voor de gebieden met archeologische verwachtingswaarden is in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen en overeenkomstig overgenomen in dit nieuwe plan.

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart 2010

51

Het merendeel van de gronden in het plangebied is aangeduid met een lage archeologische verwachting. Enkele gronden ten noorden van Nieuw Laar zijn echter aangeduid met een hoge archeologische verwachting. Daarnaast geldt voor enkele overige bebouwde locaties een middelhoge archeologische verwachting. Deze gronden met een archeologische verwachtingswaarde zijn in dit bestemmingsplan beschermd door middel van een archeologische dubbelbestemming. Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm beneden maaiveld, met een grotere omvang dan 100 m2 kan hier een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Ten behoeve van de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Rapportnummer V1836, 12 feb 2020). Deze onderzoeksrapportages zijn als bijlage 6 en 7 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Doel van het archeologisch vooronderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan. Voor 19 locaties waarvoor in dit bestemmingsplan een bestemmingswijziging wordt voorgestaan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Aanvullend is voor 10 locaties waar daadwerkelijk gebouwd gaat worden ook een archeologisch inventariserend booronderzoek uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van onderhavig booronderzoek kan de deels middelhoge verwachting naar beneden bij worden gesteld tot ‘laag’ en blijft de archeologische verwachting voor de overige door boringen onderzochte deelgebieden in het plangebied ‘laag’. Nader archeologische onderzoek is voor de locaties waar gebouwd kan worden dan ook niet noodzakelijk. Op basis van de resultaten van het onderzoek en het gemeentelijk selectiebesluit, bijgevoegd als bijlage 8 bij de toelichting, is voor de betreffende deellocaties de archeologische dubbelbestemming op de verbeelding verwijderd. Voor de overige delen van het plangebied is ter bescherming van mogelijke archeologische waarden van het gebied voor toekomstige bodemingrepen in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen, conform het gemeentelijk beleid met betrekking tot de bescherming van archeologische waarden. Hiermee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2.2.

Cultuurhistorie

Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft hiertoe in haar Interim omgevingsverordening cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid. Deze gebieden verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden.

52

Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten. Provincie Het gehele plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied. Het plangebied maakt conform de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ook geen onderdeel uit van een overig waardevol historisch geografisch vlak. De bestaande wegen zijn wel aangeduid als historische weg van redelijk belang. Met de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen vindt er evenwel geen aantasting van de bestaande wegenstructuur plaats. Binnen het plangebied bevinden zich een 4-tal langgevelboerderijpanden, die op basis van een nadere cultuurhistorische onderbouwing aangeduid zijn als ‘cultuurhistorisch waardevol’. Deze onderbouwingen zijn als bijlage 4 (a t/m e) aan de regels van dit bestemmingsplan gevoegd. Dit betreft de locaties Oud-Laar 9, Laar 11, Laar 27, Laar 32/32a en Plein 26. Laar 27: betreft een boerderij-pand, dat is gebouwd in de jaren dertig. Het betreft een van de weinige vooroorlogse boerderijen die de verwoestingen van de oorlog hebben doorstaan.

Laar 11, Laar 32, Oud-Laar 9 en Plein 26 betreffen boerderijen, die zijn gebouwd in 1950 respectievelijk 1949, 1949 en 1948. Deze boerderijen zijn typologisch gezien karakteristiek voor de boerderijen die in de jaren na 1945 op grote schaal in het buitengebied van de gemeente Berlicum werden gebouwd. Ter plaatse wordt woningsplitsing toegestaan, ter bescherming en behoud van deze cultuurhistorisch waardevolle panden. Ter nadere juridische borging van de instandhouding van de cultuurhistorische waarden is een voorwaardelijke verplichting in de regels van het plan opgenomen. Aangezien bij Laar 11 nog sprake is van een agrarische bedrijfswoning, is de eventuele woningsplitsing nog niet in het plan opgenomen. In voorkomend geval dient namelijk ook de agrarische bedrijfsbestemming te worden omgezet in een woonbestemming. Hiertoe is een wijzigingsmogelijkheid in de juridische regeling opgenomen. Paraplu hooibergen De paraplu hooiberg oftewel éénroeder is een speciaal soort hooiberg. De éénroeder komt veel voor in Salland, Graafschap en Twente, rond de IJssel, maar ook in delen van Noord Brabant. Volgens de literatuur is de parapluberg pas medio 19e eeuw ontstaan en werd deze gebruikt voor graanopslag. Later werden ze vrijwel alleen nog gebruikt voor hooi. Kenmerkend is dat de hooibergen bestaan uit één paal in het midden.

De constructie van de kap is een bijzondere: de kap moet immers kunnen bewegen en aan een centrale roede hangen. Daarvoor kennen we de constructie met behulp van kruishouten. Het heffen van de kap ging met de hand, met de verstekhaal of rikrak en later met katrol en lier (aan de paal of buiten de berg), of met een dommekracht.

53

In eerste instantie waren de paraplu’s rond en hadden ze een dak van stro. Door de ontwikkelingen in de landbouw (de mechanisatie) zijn na verloop van tijd de meeste paraplu’s verdwenen, maar enkele zijn bewaard gebleven. Van de zeker 300 die er na de oorlog stonden, zijn er nog zo’n 20 over binnen de gemeente, zowel ronde als vierkante. De gemeente wil deze parapluhooibergen graag behouden vanwege de cultuurhistorisch waarden. Voor parapluhooibergen, die zijn gelegen binnen een agrarisch bouwvlak biedt de geldende planologische regeling voldoende beschermingsmogelijkheden voor instandhouding en/of herstel. Om de instandhouding en/of herbouw van parapluhooibergen, die zijn gelegen buiten een agrarisch bouwvlak en/of binnen een woonbestemmingsvlak planologisch te borgen is in het bestemmingsplan “Buitengebied, tweede actualisatie” (14 juni 2018 vastgesteld) voor deze locaties een juridischplanologische regeling opgenomen middels een specifieke aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – parapluhooiberg’ respectievelijk ‘specifieke vorm van agrarisch – parapluhooiberg’. Deze regeling is in dit bestemmingsplan voor de betreffende locaties overgenomen. Dit betreft onder meer: Nieuw Laar 16, Nieuw Laar 25, Plein 31 en Schellekesveld 14.

Overige elementen Er bevinden zich geen overige (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische elementen die ‘aangetast’ worden met het voorgenomen initiatief.

5.3. Natuur en landschap 5.3.1.

Wetgeving

Wet Natuurbescherming De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. vereenvoudiging van regels. Op basis van deze Europese richtlijnen is Nederland verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Daarvoor worden gebieden aangewezen waar deze soorten en habitats voorkomen. Voor deze aangewezen gebieden, veelal reeds onderdeel uitmakend van de Natuur Netwerk Brabant, geldt een speciaal beschermingsregime. Bij uitbreiding of verandering van activiteiten of bij nieuwe activiteiten in of in de nabijheid van deze gebieden moet er getoetst worden of er significante gevolgen zijn voor de gebieden. De Wet natuurbescherming vormt tevens het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient tevens onderzocht te worden of deze ingrepen en /of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. De wet is bedoeld om soorten te beschermen, niet individuele planten of dieren. Het gaat erom dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt.

54

5.3.2.

Gebiedsbescherming – Natura 2000

Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Bosschebroek & Moerputten) ligt op ca 7 km afstand ten westen van het gebied. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden alsmede de lokale, kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000gebieden als gevolg van verstoring. Met betrekking tot stikstofdepositie vindt met het voornemen op zes locaties sloop van intensieve veehouderij stallen plaats. Met de definitieve beëindiging van deze veehouderij locaties vindt een afname plaats van de vergunde stikstofdepositie. Daarnaast zal met het voornemen het totaal aantal vergunde verkeersbewegingen afnemen. Met name stikstofdepositie ten gevolge van ammoniakemissie door de twee blijvende veehouderijen kan echter negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000gebieden. Voor plannen en projecten die nadelige effecten kunnen hebben op een Natura 2000gebied, dienen de effecten op de kwalificerende natuurwaarden te worden onderzocht. Als uit de voortoets volgt dat het plan mogelijk negatieve effecten heeft voor Natura 2000-gebieden dient een passende beoordeling te worden opgesteld. De feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan vormt de uitgangssituatie van de plantoets. Dit betreft de referentiesituatie.

De stikstoftoename van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen moet tegen deze referentiesituatie worden afgezet. Zeer kort samengevat betekent dit (onder andere) dat de stikstoftoename als gevolg van de met het (nieuwe) bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten, “weggestreept” mag worden tegen de stikstofafname als gevolg van verdwijnende activiteiten die onderdeel vormen van de referentiesituatie. Zonder een stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan is niet uit te sluiten dat een toename van de stikstofdepositie leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van beschermde natuurgebieden (Natura2000 gebieden en Natuurnetwerk). Daarom is in de planregels voor gebruik en bouwen een stikstofplafondregeling opgenomen die een relevante toename van de stikstofemissie- en depositie uitsluit.

Passende beoordeling Natura2000 gebieden Voor de plantoets is een passende beoordeling conform de Wet natuurbescherming uitgevoerd (Passende beoordeling Wet natuurbescherming Natura2000 gebieden, Pouderoyen Tonnaer, 7 november 2023, rapportnummer P1863326.016.R3). Deze is bijgevoegd als bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Deze passende beoordeling ziet toe op de beoordeling van effecten voor Natura 2000gebieden als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, met name de uitbreiding van de twee intensieve veehouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a en nieuwbouw van woningen.

55

Naar aanleiding van de passende beoordeling wordt het volgende geconcludeerd: •

Gezien de afstand van het plangebied tot de Natura2000 gebieden en de aard van de activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt zijn nadelige effecten voor Natura2000 gebieden door stikstofdepositie niet uit te sluiten, maar kunnen ‘overige effecten’ worden uitgesloten.

•

De ontwikkelplannen van de twee varkenshouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a resulteren in de gebruiksfase in een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen binnen meerdere Natura2000 gebieden, waar de huidige achtergronddepositie al de Kritische Depositie Waarde overschrijdt. Door een stikstofplafondregeling op te nemen in het bestemmingsplan kunnen significant nadelige gevolgen door het bestemmingsplan worden uitgesloten. Uit de passende beoordeling (plantoets Wnb) volgt dat op basis van actuele inzichten de onherroepelijke natuurvergunningen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a niet één op één ingepast kunnen worden in het bestemmingsplan en daardoor niet kunnen dienen als referentiesituatie voor de plantoets. Ten opzichte van de feitelijke situatie resulteren de ontwikkelplannen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a (gebruiksfase) in een toename van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is aangetoond in de Passende beoordeling. Voor Laar 31 is het plan uitvoerbaar met een beperkte verkleining van het aantal varkens of het toepassen van brongerichte emissiearme stalsystemen i.c.m. een gecombineerde luchtwasser. Voor Nieuw Laar 5a geldt dat alleen externe saldering tot een uitvoerbaar plan leidt.

Hiervoor is een koopovereenkomst gesloten met saldogevende veehouderij Onrooi 12 en zijn de onderbouwende stukken opgenomen in de passende beoordeling en is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Op basis hiervan is de externe saldering als mitigerende maatregel voldoende zeker en daarmee is ook het ontwikkelplan van Nieuw Laar 5a uitvoerbaar.

•

Gebruiksfase Laar 31 Voor Laar 31 geldt dat bij wijziging van de dierbezetting en/of toepassen van een brongericht emissiearm stalsysteem in de nieuw te bouwen stallen er geen toename van stikstofdepositie optreedt ten opzichte van de feitelijke situatie (= de referentiesituatie voor het stikstofplafond in het bestemmingsplan). De ondernemer kan ook kiezen voor (gedeeltelijke) externe saldering zodra de vergunningenstop door de provincie is opgeheven en het afromingspercentage bij externe saldering bekend is.

•

Gebruiksfase Nieuw Laar 5a Voor Nieuw Laar 5a levert het intern wijzigen van diercategorieën en dieraantallen onvoldoende stikstofruimte op voor de beoogde uitbreiding met een nieuwe vleesvarkensstal. Alleen als alle bestaande stallen én de nieuwe stal voorzien worden van een brongericht emissiearm stalsysteem i.c.m. gecombineerde luchtwassers met 85% ammoniakreductie, kan een toename van stikstofdepositie uitgesloten worden. Het is denkbaar dat het aanpassen van alle bestaande stallen in verhouding tot de uitbreiding in aantallen varkens dier hiermee mogelijk wordt gemaakt niet haalbaar en betaalbaar is, waardoor uitvoerbaarheid van het

56

ontwikkelplan te onzeker is en om deze reden hieraan geen planologische medewerking kan worden verleend. Voor deze locatie resteert als realistisch scenario de mogelijkheid tot externe saldering (of een combinatie met het toepassen van een dubbel emissiearm stalsysteem in één of meerdere stallen). Hiervoor is een koopovereenkomst gesloten met saldogevende veehouderij Onrooi 12 en een intrekkingsverzoek ingediend ten behoeve van het ontwikkelplan van Nieuw Laar 5a. Alle onderbouwende documenten zijn opgenomen als bijlage bij de passende beoordeling in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierbij is een voorwaardelijke verplichting in de planregels worden opgenomen, die regelt dat de activiteiten waarmee extern gesaldeerd wordt eerst beëindigd zijn, voordat met de nieuwe activiteit mag worden gestart. •

Realisatiefasen Laar 31 en Nieuw Laar 5a De stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan geldt ook voor de realisatiefasen en voorkomt significant nadelige effecten op Natura2000 gebieden. Voor de stikstofbronnen tijdens de tijdelijke realisatiefasen is voldoende stikstofgebruiksruimte aanwezig. Daarbij is tijdens de realisatiefase van iedere stal geen sprake van stalemissies. Ammoniakemissies leveren een vele malen hogere stikstofdepositie dan de tijdelijke NOx-emissies in de realisatiefase. Ook zijn er voldoende mogelijkheden om emissiearm of emissieloos te bouwen.

•

Nieuwe woningen en niet-agrarische bedrijvigheid De gebruiksfase en realisatiefasen van de extra woningen, toename van oppervlakte bedrijfsbestemming en toename aantal kampeerplaatsen binnen het plangebied passen ruim binnen de stikstofgebruiksruimte in het plangebied, ook in cumulatie met elkaar. Daarbij geldt dat een aantal van deze activiteiten direct samenhangen met beëindiging van veehouderijen binnen het plangebied. De stoppers hebben hun stikstofruimte namelijk niet al een keer elders ingezet voor externe saldering of een opkoopregeling (geen sprake van dubbelgebruik en er zijn ook niet-agrarische bedrijfsactiviteiten die in de bestaande situatie al planologisch legaal plaatsvinden.

Maatregelen in de planregels van het bestemmingsplan t.b.v. goede werking luchtwasser Naar aanleiding van de passende beoordeling zijn er maatregelen opgenomen in de regels van het bestemmingsplan ten behoeve van de goede werking van de luchtwassers, zie navolgend kader:

57

A. Voldaan moet worden aan de eisen voor luchtwassers zoals opgenomen in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit (artikelen 3.124, 3.125 en 3.126) en eisen voor monitoring zoals opgenomen in de Regeling Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.99 en 3.100): •

In een elektronisch monitoringsysteem worden ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters geregistreerd: a)

de zuurgraad van het waswater;

b)

de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter;

c)

de spuiwaterproductie in kubieke meter;

d)

de drukval over het filterpakket in pascal;

e) het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur. Van de parameters onder c en e worden tevens de cumulatieve waarden geregistreerd. •

Het waswater van het luchtwassysteem is voorzien van een laagdebietalarmering..

•

De geregistreerde waarden van de parameters worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.

•

Voor de registratie van voorgaande parameters zijn doelmatige meetvoorzieningen aanwezig die voldoen aan het volgende: -

Voor het meten van de spuiwaterproductie is per spuiwaterstroom in de spuileiding een elektromagnetische flowmeter geïnstalleerd.

-

Ten minste eenmaal per zes maanden worden de EC-elektrode en de pH-elektrode gekalibreerd door een deskundige op het gebied van het kalibreren van elektrodes.

-

Bewijzen van de kalibraties worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.

B. Voldaan moet worden aan de regels voor gedragsvoorschriften zoals opgenomen in artikel 3.101 van de Activiteitenregeling: •

In gedragsvoorschriften wordt ten minste aangegeven: -

wanneer en op welke wijze de schoonmaak en het onderhoud van het luchtwassysteem door een deskundige op het gebied van luchtwassystemen zullen plaatsvinden;

-

wanneer en op welke wijze de visuele controles en schoonmaak van het luchtwassysteem door de drijver van de inrichting zullen plaatsvinden;

-

op welke wijze de waarden en instellingen van het luchtwassysteem die bepalend zijn voor de goede werking worden gecontroleerd, en

-

welke maatregelen onmiddellijk worden getroffen als uit de registratie blijkt dat de parameters die van belang zijn voor een goede werking worden overschreden.

C. Voldaan moet worden aan de eisen van de stalbeschrijving (leaflet) van de toegepaste gecombineerde biologische luchtwasser (in de ontwikkelplannen is dit BWL 2009.12.v5): •

Instelling parameters en controle: -

A1: de zuurgraad van het waswater in de biologische luchtwassers is minimaal gelijk aan pH = 6,5 en mag niet meer zijn dan pH = 7,5

-

A2: de geleidbaarheid van het waswater in de gecombineerde luchtwasser is maximaal 20 mS/cm

•

Reiniging: -

B1: reiniging filterpakket in de biologische wasser minimaal éénmaal per jaar

-

B2: reiniging druppelvanger minimaal éénmaal per jaar

58

-

B3: reiniging van de wateropvangbak (afvoer gesuspendeerd materiaal) minimaal éénmaal per zes maanden.

•

Onderhoud: -

C: met betrekking tot het onderhoud van het luchtwassysteem dienen in overeenstemming met het Activiteitenbesluit milieubeheer gedragsvoorschriften te worden opgesteld.

•

Registratiesysteem: •

D: het meet- en registratiesysteem dient te worden gebruikt, gecontroleerd en onderhouden zoals is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

D. Aanvullend op de wettelijk voorgeschreven eisen moet voldaan worden aan de volgende extra maatregelen om een goede werking te kunnen waarborgen: •

In de gedragsvoorschriften moet worden vastgelegd op welke wijze de geregistreerde data worden verwerkt en gepresenteerd.

•

Bijhouden van calamiteiten, uitgevoerd onderhoud, reparaties en storingen in een papieren logboek.

•

Een onderhoudscontract met de leverancier of een andere deskundige partij voor jaarlijkse controle, het onderhoud van het luchtwassysteem en het uitvoeren van een onderhoudsbeurt waaronder de halfjaarlijkse kalibratie van de pH- en EC-elektroden. Ook gaat het onderhoudscontract in op taken voor de veehouder.

•

Uitbreiding van het elektronisch logboek met één of meerdere debietmeters bij de waswaterpomp(en).

•

Toepassen van een automatische doseerinstallatie voor de Ph-regeling en meten en registreren van verbruik aan zuur of base.

•

Definiëren van de locatie van de pH-meting, waarop de voorgeschreven pH range is gebaseerd.

•

De pH- en EC-meter in de luchtwasser dient periodiek gecontroleerd te worden met bijvoorbeeld een handmeter, zodat mogelijke afwijkingen in de sensoren worden geconstateerd en deze dan opnieuw gekalibreerd kunnen worden of vervangen indien noodzakelijk.

•

Emissie-metingen met sensortechnologie. De ammoniaksensoren moeten zo geplaatst worden dat deze voortdurend het ammoniakgehalte van de ingaande en van de uitgaande lucht meten. Het ventilatiedebiet moet gemeten en gelogd worden. De informatie die beschikbaar is in de klimaatcomputer moet worden ontsloten en toegepast ten behoeve van de metingen.

E. In de regels dient per veehouderijbedrijf een ammoniakemissieplafond te worden vastgelegd. Indien uit metingen blijkt dat de gemeten emissies het emissieplafond overschrijden dient de veehouder direct en adequaat bij te sturen en de noodzakelijk maatregelen te treffen om te zorgen dat de gemeten ammoniakemissie voldoet aan het emissieplafond. Dit kunnen maatregelen zijn ten aanzien van techniek, voer, temperatuur of luchtinlaat, maar ook het houden van minder varkens.

59

Natuurnetwerk Brabant Het dichtstbijzijnde NNB gebied ligt op ongeveer 1.000 meter afstand ten noordoosten en zuidoosten van het plangebied. De voorgenomen activiteiten in het plangebied zullen door hun lokale aard geen aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de omgeving en daarmee niet leiden tot negatieve effecten op het NNB.

5.3.3.

Soortenbescherming

Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing. In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Door Staro B.V. is in 2018 een quickscan flora en fauna uitgevoerd van alle ontwikkellocaties in het plangebied. Dit onderzoek richt zich zowel op de beschermde gebieden als op de beschermde soorten. Vervolgens is in 2021 een update van de quickscan uitgevoerd, mede als gevolg van enkele wijzigingen in de begrenzing en aard en omvang van de ontwikkelingen.

Deze onderzoeksrapportage (Quickscan flora en fauna Gebiedsvisie Laar – Nieuw Laar te Berlicum, Rapportnummer 21-0099, april 2021, Staro BV) is als bijlage 9 toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan.

Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Op de ontwikkelingslocaties zijn geen huismussen, gierzwaluwen of roofvogels (waarvan het nest jaarrond beschermd is) aanwezig. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor diverse vogels. De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten hebben ten aanzien van foerageer- en/of broedgebied van vogels mits geen bomen en struiken met nesten van vogels worden verwijderd/gesnoeid. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. In het plangebied zijn meerdere steenuilterritoria aanwezig, blijkt uit onderzoek (Staro, 2018). De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de aanwezige verblijfplaatsen of het functioneel leefgebied van de steenuilen.

60

Ter plaatse van Laar 19 is in 2018 een steenuilverblijfplaats aangetroffen. Deze bestaande steenuilkast is inmiddels verplaatst. Daarnaast wordt ten noorden van de 2 voorziene RvR woningen een groenstrook ingericht. Hiermee is een ontheffingsaanvraag voor deze locatie niet noodzakelijk. Ter plaatse van Oud Laar 9 is in 2021 een vaste steenuilverblijfplaats aangetroffen in een steenuilkast ter plaatse. Op deze locatie zijn echter geen fysieke ingrepen beoogd (de kast blijft gehandhaafd), maar wordt uitsluitend de feitelijk reeds gerealiseerde woningsplitsing planologisch nader geborgd. Daarnaast is een nieuw steenuilkast geplaatst op het terrein van Laar 29, nabij de landschappelijke inrichting, waardoor extra nestruimte beschikbaar is. En door het herinrichten van de beek en de sloot, wordt meer geschikt foerageergebied gecreëerd voor de steenuil. Per saldo zullen de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op verblijfplaatsen van steenuilen of het functioneel leefgebied.

Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op het foerageergebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Na de uitvoering van de werkzaamheden is het plangebied nog steeds even geschikt als foerageergebied en ook in de directe omgeving blijft voldoende alternatief, even geschikt, foerageergebied behouden. Wanneer de bebouwing op Laar 27 wordt gesloopt, wordt een paarverblijfplaats van vleermuizen vernietigd en worden mogelijk individuen gedood. Voorafgaand aan de sloop en de werkzaamheden aan de bebouwing op locatie 2 dienen derhalve mitigerende maatregelen te worden genomen en dient een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te worden verkregen. De landschapsmaatregelen ter hoogte van Laar 29, kunnen een negatief effect hebben op overwinterende kamsalamander en poelkikker en, op het landhabitat en het voortplantingshabitat van deze soorten, afhankelijk van de periode van uitvoering van de werkzaamheden. Indien mitigerende maatregelen worden genomen, is een negatief effect op de poelkikker en kamsalamander en overtreding van de Wet natuurbescherming uit te sluiten.

Soorten van paragraaf 3.3. van de Wet natuurbescherming Ter hoogte van Laar 29 is een dassenburcht aanwezig. De voorgenomen plannen (landschappelijke inrichting en mogelijke aanleg en gebruik van een onderhouds- en toegangspad) hebben mogelijk een negatief effect op de burcht. Door het verstoren van de burcht door de werkzaamheden kan de burcht permanent verlaten worden. Ook kan de toename van recreanten en passanten (al dan niet met hond) een negatief effect hebben op de rust in de burcht. Het vernietigen van een burcht is een overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.

61

Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen ten aanzien van de das(senburcht) dient een mitigatieplan te worden opgesteld op basis van de precieze planning, werkzaamheden en inrichting met daarin opgenomen de precieze maatregelen om een negatief effect op de dassenburcht te voorkomen. Indien een negatief effect op de burcht wordt voorkomen is overtreding van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk en hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden. Voor de meeste algemenere soorten (konijn, egel en algemene (spits)muizensoorten) geldt in de provincie Noord-Brabant een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten zijn derhalve geen mitigerende maatregelen noodzakelijk, maar geldt wel de zorgplicht. Voor wezel en hermelijn geldt deze vrijstelling niet. Het is echter in relatie niet noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren naar deze diersoort. Het is wel verplicht om mitigerende maatregelen te nemen. Het is niet aannemelijk, maar niet geheel uit te sluiten dat grote modderkruiper voorkomt in de landbouwsloten die langs de RvR-kavels lopen. Het dempen van een klein deel van de landbouwsloten ter plaatse van een inrit heeft echter geen negatief effect op grote modderkruiper indien mitigerende maatregelen worden genomen.

De amfibiesoorten gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander, Alpenwatersalamander en bastaardkikker gebruiken het grasland in het plangebied mogelijk als landhabitat. Als gevolg van de voorgenomen plannen kunnen exemplaren van deze soorten worden verstoord en verdwijnt tijdelijk mogelijk land- en overwinteringshabitat. Voor de amfibiesoorten gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker geldt in provincie Noord-Brabant, in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel blijft voor deze soorten de zorgplicht gelden. Voor Alpenwatersalamander geldt geen vrijstelling. De voorgenomen landschaps-verbeteringsmaatregelen ter hoogte van Laar 29, kunnen een negatief effect hebben op overwinterende Alpenwatersalamander en op het landhabitat en het voortplantingshabitat, afhankelijk van de periode van uitvoering van de werkzaamheden. Indien mitigerende maatregelen worden genomen, is een negatief effect op Alpenwatersalamander en overtreding van de Wet natuurbescherming echter uit te sluiten.

Nader vleermuizenonderzoek Om eventuele overtreding van de huidige Wet natuurbescherming te kunnen voorkomen, heeft in navolging van de resultaten van de eerdere quickscan in de periode half mei t/m september 2018 een nader onderzoek plaats gevonden naar eventuele aanwezigheid en mogelijke aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen op Laar 11. (Memo Resultaten onderzoek vleermuizen Laar 11 te Berlicum, projectnr P18-0237, 12 november 2018, Staro BV). Deze memo is bijgevoegd als bijlage 10 bij de toelichting bij het bestemmingsplan.

62

Uit de memo blijkt dat zich in het gedeelte van de boerderij Laar 11 dat mogelijk in gebruik wordt genomen als woonhuis een paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis bevindt. Indien bij het splitsen van de boerderijwoning werkzaamheden worden uitgevoerd is het noodzakelijk dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming wordt verkregen en dienen maatregelen te zijn genomen. In de huidige regeling is de voorgenomen woningsplitsing uitsluitend indirect toegestaan, via een wijzigingsbevoegdheid. Ook voor de locatie Laar 27 is een nader vleermuizenonderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 11 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. Uit dit recente onderzoek (18 oktober 2023) blijkt dat er geen verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld in de te slopen stallen. De te slopen stallen hebben geen negatief effect op verblijfplaatsen of onderdelen van het leefgebied in de omgeving van de te slopen stallen. Tijdens de werkzaamheden wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Het nemen van aanvullende maatregelen ten aanzien van vleermuizen is niet nodig. Met inachtneming van de beschreven maatregelen levert het aspect natuur geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3.4.

Landschap

Het landschap in het gebied Laar- Nieuw Laar is de laatste 150 jaar ingrijpend veranderd. De grootschalige openheid van de oude bouwlanden is verdwenen door de uitbreiding van de kernen Berlicum en Middelrode. De kleinschalige percelering die van oorsprong in de noordoostkant van het gebied voor kwam, heeft plaats gemaakt voor grotere en beter te bewerken landbouwkavels. Daarbij is de beplanting aan de perceelsranden veelal verdwenen. Vrijwel alle gebouwen zijn in de tweede wereldoorlog verwoest. Wat er nu staat is bijna allemaal van na die periode. De hoeveelheid bebouwing en de maatvoering van gebouwen is bovendien veel groter. De loop van de Wambergsche Beek is verlegd, zodat deze waterloop past binnen de nieuwe verkaveling van het gebied. En hoewel het wegenpatroon bijna overal zijn oorspronkelijk verloop nog heeft, zijn de wegen zelf breder geworden en verhard. In het hele gebied geven de beplante wegen het landschap structuur, maat en schaal en bieden ze tegenwicht aan de grootschaligere agrarisch gebruikte ruimtes die tussen die wegen in liggen. Het contrast tussen de door beplanting en erven besloten wegen en de open ruimtes is een belangrijke kwaliteit van het gebied. Ook de erven zijn fraai, met veel opgaand groen wat vaak een mooie tegenhanger vormt voor de op het erf aanwezige bebouwing.

De bebouwing zelf is niet monumentaal, maar wel aantrekkelijk met over het algemeen een ‘gebiedseigen’ architectuur. Door de dynamiek in het gebied staat de landschappelijke kwaliteit onder druk: •

Door de toename van de hoeveelheid bebouwing komt de openheid, landelijkheid en het groene karakter in het geding.

63

• •

•

Wanneer bebouwing erg groot is (met name moderne stallen) past die niet meer in de maat en schaal van het landschap en worden de gebouwen storende elementen. Bedrijfsbeëindiging gaat gepaard met de afbraak van stallen en schuren. Vaak komt daar (minder) nieuwe bebouwing voor terug. Op zich is dat een positieve ontwikkeling, mits die nieuwe bebouwing en de bijhorende erfinrichting passend zijn voor het gebied. Bedrijfsbeëindiging kan ook gepaard gaan met het verlies van de functie van de bijhorende agrarische gronden, vooral wanneer die gronden te klein zijn om een nieuwe rol te krijgen in de agrarische bedrijfsvoering. Geen agrarisch gebruik kan leiden tot ander gebruik, braak liggende percelen, versnippering en verrommeling van het buitengebied. Dit komt met name de open ruimtes in het landschap niet ten goede. Toename van verkeer (en toename van zwaar verkeer) vermindert de kwaliteit als woongebied en maakt wandelen en fietsen minder aantrekkelijk.

In het kader van het opgestelde gebiedsplan is tevens een landschapsplan opgesteld. Op basis van de bestaande kwaliteiten van het gebied, de kansen en knelpunten en de veranderingen die te verwachten zijn, is een landschapsvisie voor het gebied Laar-Nieuw Laar ontwikkeld. Deze visie zet in op het behoud en verder ontwikkelen van de identiteit van het landschap van Laar – Nieuw Laar. Dit landschapsplan is in onderhavig bestemmingsplan doorvertaald. Zo is ondermeer een robuuste groenstrook voorzien ten westen van Laar 31. In het plan wordt tevens een gedeeltelijke verlegging van de Wambergse beek voorgesteld. Deze eventuele verlegging zal echter pas in een later stadium worden opgepakt. De haalbaarheid van de verlegging is op dit moment onvoldoende onderbouwd en onvoldoende verzekerd en maakt derhalve geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De bestaande watergang is derhalve geconsolideerd in het bestemmingsplan opgenomen. Bovendien is voor alle locaties waar ruimtelijke ontwikkelingen plaats vinden een individueel erfinrichtingsplan opgesteld, dat middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan is geborgd. Deze afzonderlijke landschapsplannen zijn gebundeld als bijlage 3 bij de regels van het bestemmingsplan toegevoegd.

5.4. Waterhuishouding 5.4.1.

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.

64

Beleid Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) Binnen de Waterwet, en straks de nieuwe Omgevingswet, vormt het RWP van de provincie Noord-Brabant, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerplannen van de waterschappen, het planstelsel voor het waterbeleid. Provincies leggen op regionaal niveau de strategische doelen vast. In de waterbeheerplannen van de waterschappen worden de voorwaarden voor uitvoering daarvan opgenomen. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaatrobuust water- en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Een belangrijk uitgangspunt van het programma is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water-en bodemsysteem in 2050. Het RWP beschrijft de KRW-doelen, de vertaling naar de uitvoering, de randvoorwaarden voor de te behalen doelen en bijgaande onzekerheden en hoe daarmee omgegaan wordt. Dit alles met als doel om in 2027 te voldoen aan de normen van de Europese KRW waarbij de grondwatervoorraad weer in balans is en de hydrologische randvoorwaarden voor natuur op orde zijn.

Ook wordt met het RWP voldaan aan de verplichtingen uit de Europese Richtlijn OverstromingsRisico’s (ROR). Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking, ofwel abiotische en biotische systemen zoveel mogelijk intact laten. De rode draad in de aanpak van het RWP is gericht op het optimaal gebruiken van de wettelijke kaders en instrumenten, het sluiten van kringlopen en benutten van de economische waarde, het verbinden met de samenleving, kennisontwikkeling en innovatie en data-gedreven werken. Binnen het plangebied zijn geen specifieke thema’s uit het RWP aan de orde. Waterschap Aa en Maas Op 19 november 2021 heeft het waterschap Aa en Maas het waterbeheerplan 20222027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2022-2027 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt: • • •

goede bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; een hydrologisch en ecologisch goed functionerend watersysteem, óók in extreem droge en extreem natte tijden; goed transport en een goede zuivering van het afvalwater in ons werkgebied.

Om deze doelstellingen te bereiken zijn een drietal programma’s opgesteld: • • •

Programma waterveiligheid; Programma klimaatbestendig en gezond watersysteem; Programma schoon water.

In het kader van haar programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ tracht het waterschap te zorgen voor een goed functionerend watersysteem voor een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting en landgebruik, om bestand te zijn tegen weersextremen.

65

Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de huidige Keur vastgesteld, die op 16 november 2018 partieel is herzien (‘Eerste partiele herziening Keur waterschap Aa en Maas 2015’) ten behoeve van enkele ondergeschikte tekstuele verduidelijkingen, nuanceringen en taalkundige verbeteringen. Deze herziening van de keur is evenals de Keur uit 2015 in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor sprake is van een uniforme Keur. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeente Het waterbeleid van de gemeente is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). Momenteel is voor de gemeente het VGRP 2020-2024 van toepassing. Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente heeft drie zorgplichten t.a.v.

waterbeheer: • Inzamelen en transporteren van al het stedelijk afvalwater wat vrijkomt binnen haar grondgebied naar een zuiveringstechnisch werk; • Doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater binnen de bebouwde kom dat perceelseigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen verwerken. Eventueel kan de gemeente hiervoor maatwerkvoorschriften of een gebiedsverordening instellen; • Treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voorwaarde hierbij is dat de maatregelen doelmatig zijn en niet tot de zorg van het waterschap/provincie behoren. De gemeente dient het loket te zijn waar belanghebbenden zich toe kunnen richten voor alle grondwatervraagstukken binnen haar beheersgebied. Vertrekpunt bij nieuwbouw is dan ook het principe dat afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij ontwikkelplannen waar het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 250 m2 , verwacht de gemeente dat er invulling wordt gegeven aan de bergingsopgave (60 mm). Dit is een aanscherping op de regels van de keur van het waterschap waar dit pas geldt bij een verhardingstoename van meer dan 500 (voorheen 2.000) m2. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’.

Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor omgang met hemelwater is als volgt: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5. afvoeren naar de riolering.

66

Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Bergingsvoorzieningen dienen te worden gedimensioneerd conform de richtlijnen van waterschap.

5.4.2.

Bestaande situatie

Bodemopbouw De gronden van het plangebied bestaan overwegend uit hoge zwarte enkeerdgronden, opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Het maaiveld van het plangebied in het plangebied varieert van ca 15 meter + NAP in het zuiden/zuidwesten tot ca 3 meter +NAP in het noordoosten van het plangebied (Bron: Actueel Hoogte Bestand Nederland). Grondwater De gronden in het plangebied hebben een grondwaterstand van VI (bron: Bodematlas, Provincie Noord-Brabant). Hiervoor geldt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is gelegen op een diepte van 40 tot 80 cm beneden maaiveld. Een groot gedeelte van het plangebied kan worden aangeduid als infiltratiegebied. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noord noordwestelijke gericht en bevindt zich op een hoogte van gemiddeld 5 m +NAP. Het plangebied is niet gelegen binnen een keur of een attentiegebied. Waterlopen In het plangebied komen diverse waterlopen voor. In dit bestemmingsplan zijn uitsluitend de hoofdwatergangen (zgn. A-watergangen volgens de legger watergangen van het waterschap) op de verbeelding opgenomen en tot ‘Water’ bestemd. Betreffende gronden mogen enkel in overeenstemming met hun functie gebruikt worden. De bijbehorende beschermingszone (5 meter aan weerszijde van de waterloop) wordt reeds voldoende geregeld in de Keur en Legger en is derhalve niet apart in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.

67

Uitsnede legger oppervlaktewateren Waterschap Aa en Maas

Afvoer hemelwater - Infiltratie In de huidige situatie stroomt het hemelwater van de verharde oppervlakken af naar de omringende bodem. Riolering De ontwikkellocaties zijn vanwege de bestaande functies (agrarische bedrijven met bedrijfswoning) reeds aangesloten op het gemengde rioolstelsel van de gemeente. Het afvalwater wordt door middel van een drukriolering getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

5.4.3.

Toekomstige situatie

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van diverse vrijstaande woningen en (mogelijkheid tot) realisering van bijgebouwen waarbij echter diverse voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Daarnaast vindt op 2 locaties uitbreiding plaats van het bestaande agrarische bedrijf. Waterlopen In het opgestelde landschapsplan behorend bij de gebiedsvisie wordt tevens een gedeeltelijke verlegging van de Wambergse beek voorgesteld; ter hoogte van Plein 8 wordt een meer westelijke situering beoogd. De verlegging en herprofilering met natuurvriendelijke oevers is op grond van de keur vergunningplichtig. Hiervoor is een watervergunning noodzakelijk, waarbij onder meer wordt beoordeeld of met de verlegging sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling qua oppervlakte, maar ook qua waterbergend vermogen van de te wijzigen waterloop.

68

Daarnaast dient ook een 5 meter brede beschermingszone rondom de te wijzigen Awatergang te worden geborgd ten behoeve van het toekomstig doelmatig beheer en onderhoud van deze A- watergang. Deze eventuele verlegging van deze A-watergang zal pas in een later stadium in nader overleg met het waterschap worden opgepakt en maakt derhalve geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Compensatie Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dienen negatieve hydrologische gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen te worden geneutraliseerd om te voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt, waarbij met name het hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld dient te worden van het rioleringsstelsel. Aangezien de ontwikkeling weliswaar voorziet in toevoeging van woningen met bijgebouw en mogelijkheid tot geringe uitbreiding van de bestaande veehouderijbedrijven, maar hierbij tevens sloop van bestaand bedrijfsgebouwen plaats vindt wordt per saldo in het gebied slechts voorzien in een zeer beperkte toename aan bebouwing cq. verharding. Indien de bebouwings-/verhardingstoename op een locatie minder dan 500 m2 bedraagt wordt er door het waterschap (op basis van de Keur 2015) geen extra compensatie verreist.

Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in het VGRP, geldt echter reeds een waterbergingsverplichting bij een toename van 250 m 2 bebouwing/verharding. Voor de geboden ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat de uitgangssituatie van het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren. Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Het hemelwater dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden verwerkt. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd in de bodem. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld van het riool en zal gedurende het grootste deel van het jaar vertraagd infiltreren in de bodem. Het plangebied biedt hiervoor de ruimte en de lokale bodemkundig /hydrologische gesteldheid is geschikt voor infiltratie. Niet aannemelijk is dat er, ook in extreme situaties, overlast ontstaat op eigen terrein of bij derden. Om effectief te zijn dient de bodem van een waterbergende voorziening boven de GHG te liggen.

Deze ligt in het gebied op een diepte van 40 tot 80 cm beneden maaiveld. Een waterbergingsvoorziening mag onder voorwaarden een noodoverloop hebben naar de omliggende sloten (B-watergangen rond de RvR-woningen); hiervoor gelden eveneens algemene regels van het waterschap. Het is niet toegestaan het hemelwater versneld af te voeren naar de oppervlaktewater en B- watergangen. Bij de feitelijke realisering zal de dimensionering en nadere detaillering

69

van de waterbergingsvoorziening nader worden uitgewerkt. In de regels is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd ten behoeve van de borging van de vereiste waterberging ten behoeve van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voor de op te richten RvR-woningen is uitgegaan van een toename van bebouwing/verharding van in totaal 500 m2 per woning. Uitgaande van de bergingsnorm van 60 mm per m2 toename verharding dient derhalve per nieuwe RvR woning te worden voorzien in een waterbergingsvoorziening van 30 m3. De percelen van deze woningen bieden voldoende ruimte voor realisering van een dergelijke voorziening. Voor de hydrologische neutrale ontwikkeling van de voorziene uitbreiding van het agrarische bedrijf aan Nieuw Laar 31 zal de bestaande waterbergingsvoorziening (vijver) ten oosten van de bestaande stallen worden uitgebreid. Bij de dimensionering van de voorziening dient rekening gehouden te worden met een maximale diepgang van 80 cm gezien de GHG (gemiddelde hoogste grondwaterstand) ter plaatse van de bergingsvoorziening. Initiatiefnemer is voornemens de bestaande waterbergingsvoorziening uit te breiden tot een totale oppervlakte van 1.900 m2, waarmee kan worden voorzien in de berging van 1.500 m3 water.

Met deze afmetingen is de infiltratievoorziening van voldoende omvang om het hemelwater afkomstig van het gehele verharde oppervlak van de bedrijfslocatie te kunnen bergen. Het hemelwater wordt zowel middels buizen als oppervlakkig afgevoerd naar de voorziening. Voor de hydrologisch neutrale ontwikkeling van de voorziene uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan Nieuw Laar 5a is voorzien in realisering van een waterbergingsvoorziening van ca 200 m2 ten noorden van de op te richten stallen. De toename aan verharding bedraagt ca 2.000 m2. Conform de generieke rekenregel leidt dit tot een minimale vereiste waterbergingscapaciteit van ca. 120 m 3. Uitgaande van een GHG van 60 cm zou een waterbergingsvoorziening van 200 m2 volstaan. Bij de feitelijke realisering van de uitbreidingen zullen de dimensionering en nadere detaillering van de waterbergingsvoorzieningen nader worden uitgewerkt. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter borging van de vereiste waterberging ten behoeve van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Afvoer vuilwater - riolering In de beoogde situatie wordt het huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woningen middels een nieuwe aansluiting op de drukriolering afgevoerd.

Duurzaam waterbeheer Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit nietuitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water.

70

Overleg Waterschap Het concept ontwerp bestemmingsplan is in het kader van het regulier vooroverleg aan het waterschap toegezonden. De in het door het waterschap toegestuurde wateradvies opgemerkte aanpassings- en verbetervoorstellen zijn in onderhavig ontwerp bestemmingsplan opgenomen. In de nota vooroverleg, die als bijlage 17 bij deze toelichting is opgenomen is de reactie van het waterschap samengevat van een gemeentelijke reactie voorzien. Aanvullend heeft het waterschap nog enkele aanvullende opmerkingen gemaakt, die als ambtshalve wijziging in het definitieve bestemmingsplan zijn verwerkt. Met onderhavige ruimtelijke ontwikkelingen, vindt in totaal slechts een zeer beperkte bebouwings- en verhardingstoename plaats. Per ontwikkelingslocatie wordt zonodig voorzien in waterbergingscompensatie van de eventuele toename aan verharding. Dit is met een voorwaardelijke verplichting nader in de regels geborgd. Realisatie van onderhavig plan leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.5. Verkeer en parkeren De nieuw toe te voegen woningen zullen via een eigen oprit direct worden ontsloten op de bestaande wegen. De ontsluiting en bereikbaarheid van de woningen zijn daarmee gegarandeerd. De toevoeging van enkele woningen danwel functiewijziging naar caravanopslag, waarbij tevens diverse agrarische bedrijven worden beëindigd hebben nauwelijks effect op de huidige verkeersbewegingen. Met betrekking tot parkeren worden de parkeerkencijfers (publicatie 381) van CROW aangehouden. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,4 per woning (waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers). Dit betekent dat er fysieke ruimte aanwezig moet zijn op het perceel voor 3 voertuigen. Op het eigen perceel is voor de nieuwe woningen fysiek voldoende ruimte aanwezig voor drie opstelplekken. Hiermee kan worden voldaan aan de minimale parkeernorm ten behoeve van de toekomstige bewoners. Voor de blijvende veehouderijen geldt dat het parkeren in de huidige situatie reeds plaats vindt op het erf. Dit blijft ongewijzigd. Op eigen terrein is hiervoor voldoende ruimte Teneinde te waarborgen dat daadwerkelijk wordt voorzien in de aanleg en het behoud van voldoende parkeergelegenheid is hiervoor in de regels een bepaling opgenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

71

5.6. Overige milieuaspecten 5.6.1.

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Op diverse locaties in het plangebied is sprake van (voormalig) bedrijfsmatig agrarisch gebruik waar een planologische wijziging naar een milieugevoeligere functie (wonen) plaatsvindt. Voor deze locaties is een nader bodemonderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor woondoeleinden. Ten behoeve van de planontwikkeling is door Aelmans ECO B.V. voor diverse locaties een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd conform de Nederlandse Normen NEN-5707 en NEN-5740 bodemonderzoek. Deze onderzoeken zijn als bijlage 12 en 13 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënische oogpunt geen beperkingen of belemmeringen verbonden zijn aan de beoogde bestemminsplanwijzigingen en het beoogde gebruik als zijnde woondoeleinden op de betreffende (deel)locaties. Er bestaan geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek met dien verstande dat ter plaatse van deellocatie Plein 26 volledigheidshalve nog wel een aanvullend asbestonderzoek wordt verricht als gevolg van een verhoogde concentratie asbest in één van de grondmonster.

5.6.2.

Externe veiligheid

Algemeen De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Plangebied Aan de hand van de provinciale risicokaart zijn de risicobronnen bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=eae97f43-fa1a-4bfc-bd51-02e91f9a9db5