Bijlage 4 Omgevingsplan Laar Nieuw Laar_Toelichting (1396680)
Tekst van het document
72
Uitsnede risicokaart
Vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen vindt in de gemeente plaats over de A2 en de A67. Deze wegen zijn gelegen op meer dan 3,5 km afstand van het plangebied. Dit betreft een zodanige afstand dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. In de omgeving van het plangebied liggen geen wegen die deel uitmaken van het Basisnet weg. Over de wegen in en rond het plangebied kunnen incidenteel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gezien de (zeer) lage vervoersintensiteit levert dit geen relevante risico's op. In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen, spoorwegen of waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze aspecten hebben geen invloed op onderhavig plan.
Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn geen inrichtingen gevestigd, die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO). In de omgeving van het plangebied zijn ook geen inrichtingen gelegen waarbinnen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen.
73
Buisleidingen Midden in het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen die in beheer is bij de Gasunie. Het betreft de volgende leiding: Z-523-01: 12 inch, 40 bar . In dit bestemmingsplan is de ‘veiligheidszone – leiding’ op de verbeelding opgenomen. Ter plaatse is de bouw van kwetsbare objecten niet toegestaan. De bouw van beperkt kwetsbare objecten is hier ook niet toegestaan, met uitzondering van de herbouw van bestaande beperkt kwetsbare objecten op dezelfde locatie. Middels een opgenomen wijzigingsmogelijkheid kan de aanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ worden gewijzigd. Conclusie Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat het plangebied niet is gelegen in de omgeving van een Bevi-bedrijf. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van Bevibedrijven. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied ook buiten het invloedsgebied van wegen en spoor ligt. In het plangebied is echter wel een buisleiding gelegen. Binnen de veiligheidszone en het bijbehorende invloedsgebied zijn geen ontwikkelingen voorzien. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatieve wijzigingen tot gevolg voor de benodigde inzet van hulpdienstverleningen en voor de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied.
5.6.3.
Fijn stof / luchtkwaliteit
Fijn stof wordt gezien als één van de meest schadelijke stoffen van luchtverontreiniging. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (PM 10) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst, met een verschillende chemische samenstelling. Concentratie van veehouderijen kan de kans op overschrijding van de fijn stof normen verhogen. Alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van luchtkwaliteit (o.a. fijn stof) hebben in 2007 geleid tot een aanpassing van de Wet milieubeheer op het gebied van de luchtkwaliteitseisen. Het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn in 2007 in werking getreden en het Besluit luchtkwaliteit 2005 is komen te vervallen. Medio 2008 is het verspreidingsmodel ISL3A uitgekomen, aangevuld met de handreiking en per 24 december 2008 is ook het te hanteren toetsingskader vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In het toetsingskader is opgenomen dat de concentratie van fijn stof uitsluitend wordt beoordeeld op woonlocaties en op locaties die voor het publiek toegankelijk zijn. Een bedrijfswoning van een veehouderij wordt ook beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van veehouderijen in de omgeving.
Alleen de eigen bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen de belasting van fijn stof afkomstig van de eigen veehouderij. Met behulp van dit toetsingskader en de tabel met emissiefactoren fijn stof kan en zal de gemeente de milieuaanvragen toetsen op het onderwerp fijn stof.
74
Voor fijn stof gelden de volgende landelijke normen: • •
Een jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3 fijn stof in de buitenlucht. Een daggemiddelde concentratie van 50 μg/m3 welke maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden. De wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit liggen een stuk hoger dan de gezondheidskundige advieswaarden. Het gezondheidsadvies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor fijn stof bestaat uit een maximum jaargemiddelde concentratie PM10 van 15 μg/m3.
Zeer fijn stof (PM2,5) In de EU richtlijn luchtkwaliteit van 2008 zijn normen opgenomen voor zeer fijn stof (PM2,5). Deze zijn in de Wet milieubeheer overgenomen. PM2,5 is naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10. De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op een algemene vermindering van concentraties in stedelijke achtergrondgebieden. Dit bereikt men via een nationale streefwaarde en een nationale blootstellingsconcentratieverplichting, in combinatie met een streef- en grenswaarde. Voor de vergunningverlening van veehouderijen is alleen de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie belang. Deze geldt vanaf 1 januari 2015, naast de grenswaarden voor PM10. De grenswaarde voor PM2,5 vraagt geen aanvullende toetsing voor de agrarische sector. De gezondheidskundige advieswaarde van de WHO bedraagt 5 μg/m3. De emissie van primair PM2,5 uit veehouderijen is beperkt in verhouding tot de emissie van PM10. Als de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen. Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde. Uit onderzoek van RIVM blijkt dat bij een PM 10concentratie lager dan 32,5 μg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 norm kleiner dan 1% is.
Plangebied Met het voornemen wordt de bouw van nieuwe woningen mogelijk gemaakt alsmede woningsplitsingen, waarbij geen wezenlijke toename van verkeersbewegingen wordt verwacht en zullen agrarische bedrijven hun bedrijfsactiviteiten volledig beëindigen. Op basis van de berekende mogelijke toename aan verkeersbewegingen blijkt dat dat het extra verkeer ten gevolge van het plan ruim onder de 3% grens voor PM 10 of NO2 ligt en het plan ten aanzien van verkeer ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Heersende achtergrondconcentraties De achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) ligt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in vrijwel het hele plangebied rond de 16 -17 μg/m3. De achtergrondconcentraties liggen in het hele plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 μg/m3 en benadert de gezondheidskundige WHO-advieswaarde van 15 μg/m3. De achtergrondconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) ligt volgens de GCN binnen het hele plangebied rond de 8-9 μg/m3 en ligt ruim onder de grenswaarde van 25 μg/m3 en benadert de WHO-advieswaarde van 5 μg/m3.
75
Bijdrage veehouderijen De indicatieve cumulatieve bijdrage vanuit veehouderijen is voor het PlanMER (zie bijlage 1) inzichtelijk gemaakt. Hieruit volgt dat de bijdrage vanuit veehouderijen binnen het plangebied klein is ten opzichte van de heersende achtergrondconcentratie (bijdrage ligt in de range van 0-1 µg/m3). Mestbe- en verwerking Mestbewerking Laar 31 Op Laar 31 is naast de varkenshouderij ook mestbe- en verwerking mestbewerking vergund en onderdeel van het planvoornemen. Binnen de mestverbewerkingsloods worden enkele producten opgeslagen waar stof bij vrij kan komen. Voor de emissie factoren hiervan is aansluiting gezocht bij het rapport ‘’Emissiefactoren van stof bij de open overslag van stortgoederen, emissiefactoren voor fijnstof; rapportnummer R86/205’’. Gelet op het drogestofpercentage is voor digestaat en champost uitgegaan van stofklasse S5 en voor de compost van S3. De overige producten betreffen allemaal vochtige producten waarbij geen sprake is van stofemissie. De lucht van de mestverbewerkingsloods wordt afgezogen en naar een luchtwasser en een nageschakelde biofilter. Gezien het feit dat de ingaande lucht van een biofilter nagenoeg stofvrij dient te zijn en de biofilter een vochtige omgeving is valt niet te verwachten dat er enige vorm van fijnstof uit de biofilter komt.
Enige vorm van emissie die wel kan plaatsvindt, is diffuse emissie wanneer de deur(en) van de loods geopend zijn voor het doorlaten van voertuigen. De bijdrage is ten opzichte van de stalemissies te verwaarlozen. Verkeer (NIBM) In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt onder andere onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plaatste van de voorgenomen ontwikkelingen en of er sprake is van een dreigende normoverschrijding. Ten aanzien van verkeer zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide NO2, fijn stof PM10 en zeer fijn stof PM2,5 van belang. In het besluit NIBM staat vermeld dat een project NIBM is bij een toename van maximaal 3% van de grenswaarde (zijnde 1,2 μg/m³) voor de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10. Wanneer een project als NIBM kan worden beschouwd, vormt de luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor de doorgang van dat project. Met de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën aangewezen die in elk geval NIBM bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ter vergelijking: een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt.
Het bestemmingsplan ziet toe op 21 nieuwe woningen en 8.800 m2 extra bedrijfsbestemming met een beperkte verkeersaantrekkende werking. Uit paragraaf 6.2 volgen als worstcase (inclusief seizoensgebonden vrachtverkeer voor aanvoer CCM op Laar 31) 756 extra verkeersbewegingen per weekdagetmaal, waarvan 24 extra vrachtverkeer (=3,2%). Om te bepalen of de NO2- en PM10-emissie ten gevolge van een toename van verkeersbewegingen aan te merken is als ‘Niet In Betekenende Mate’, kan de NIBM-tool van het Ministerie van I&M / InfoMil gebruikt worden.
76
Het omslagpunt voor extra verkeer ligt bij 756 extra verkeersbewegingen op een aandeel vrachtverkeer van 9,7%. Dit betekent dat er voldoende marge is voor eventueel (incidenteel) extra vrachtverkeer, onder andere ten behoeve van de niet-agrarische bedrijfsbestemmingen en recreatiebestemmingen. Uitgaande van aandeel zwaar verkeer van 3,2% ligt het omslagpunt op 1.370 extra verkeersbewegingen. In ieder geval geven de omslagpunten aan dat er voldoende marge is om te kunnen oordelen dat het extra verkeer ten gevolge van het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2 ligt en het plan ten aanzien van verkeer ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
756
Aandeel vrachtverkeer
3,2%
NO2 in μg/m3
0,66
PM10 in μg/m3
0,13
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Bron: NIBM-tool 2022 InfoMil
In het plangebied is geen sprake van een (dreigende) normoverschrijding. Hier wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De gezondheidskundige advieswaarden worden benaderd. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat en gezien de lage achtergrondconcentratie is er geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico ten gevolge van fijnstof door de bestaande veehouderijen. Ten aanzien van fijn stof is binnen het plangebied nog milieugebruiksruimte aanwezig. Fijn stof is geen beperkende factor voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen. Hiermee kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit voldoet aan de normen die gesteld zijn in de Wmb. Het aspect fijn stof staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
5.6.4.
Endotoxinen
Blootstelling aan stoffen uit de veehouderij (met name pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving) kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan ontwikkeling van een landelijk toetsingskader is de notitie "Handelsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen.
77
Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. Hierdoor kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. De gemeente hanteert het voorlopig endotoxine toetsingskader bij vergunningenprocedures (omgevingsvergunning) en ruimtelijke procedures voor veehouderijen en voor nieuwe kwetsbare functies in de omgeving van veehouderijen. Met toepassing van dit toetsingskader kan een toename van het blootstellingsrisico voorkomen worden, maar andersom ook worden voorkomen dat bij functiewijzigingen op VAB-locaties woningen of andere gevoelige functies binnen endotoxine risico-contouren worden toegevoegd (voorkomen van een toename van het aantal blootgestelden). Op basis van het voorlopig toetsingskader mag in bestaande situaties waar woningen binnen de endotoxinen-risicocontour van één of meerdere veehouderijen liggen, de fijn stof emissie van de veehouderij niet toenemen. Er liggen geen nieuwe of bestaande woningen binnen de individuele en de cumulatieve risico-contouren van de bestaande, resterende veehouderij bedrijven. Er zijn voor de bestaande en nieuwe woningen geen verhoogde gezondheidsrisico’s ten gevolge van endotoxinen uit stallen. Endotoxinen vormt geen belemmering voor realisering van het voornemen.
5.6.5.
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 2007 het beoordelingskader voor geur (stank) bij de afgifte van omgevingsvergunningen voor veehouderijbedrijven. De wet stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Op grond van deze wet kunnen gemeenten een geurverordening opstellen waarin zij - binnen bepaalde wettelijke marges - hun eigen geurnormen stellen. Als een gemeente geen gebruik maakt van deze bevoegdheid gelden de vaste wettelijke waarden. Een gemeente die eigen geurbeleid wil voeren, moet daarvoor wel de huidige geursituatie in kaart brengen en een gebiedsvisie opstellen. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Nieuwe ontwikkelingen (met name uitbreiding van agrarische bedrijven, maar bijvoorbeeld ook realisering van nieuwe geurgevoelige objecten door woningsplitsing), mogen er niet toe leiden dat er vanuit het aspect geur een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat gaat ontstaan.
Hiervoor dient beoordeeld te worden of wordt voldaan aan de normen en afstanden uit de gemeentelijke geurverordening (individueel en cumulatief).
78
Als de nieuw op te richten woning/geurgevoelig object het dichtstbijzijnde object wordt is de gemeentelijke geurverordening van toepassing. Als de nieuwe woning niet het dichtstbijzijnde object wordt hoeft uitsluitend te worden getoetst op basis van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om eigen normen en afstanden vast te stellen. Op 19 februari 2017 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel een gemeentelijke geurverordening (voorgrondbelasting) en een beleidsregel voor geur en ruimtelijke plannen (voorgrond- en achtergrondbelasting) vastgesteld. De geurverordening en de beleidsregel zijn beiden op 17 maart 2017 in werking getreden. De vier te onderscheiden gebieden zijn woonkernen, bedrijventerreinen, bebouwingsconcentraties en buitengebied. Deze zijn aangeduid op bijbehorende normenkaart (Normenkaart behorende bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel).
Uitsnede geurverordening kaart 2017
De afwijkende vaste afstand van 40 meter in de geurverordening (voor bedrijfswoningen bij veehouderijen en voormalige bedrijfswoningen waarvan op of na 19 maart 2000 de veehouderij beëindigd is) is niet van toepassing op het planvoornemen. Hiervoor geldt de wettelijke vaste afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom. De beleidsregel bevat geurnormen voor bedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld (o.a. varkens, pluimvee) en afstanden voor bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren (o.a. paarden, melkrundvee). De geurnormen in de beleidsregel zien toe op zowel de voorgrondbelasting (gelijk aan de normering in de geurverordening) als de achtergrondbelasting van geur (cumulatieve geurbelasting ten gevolge van meerdere veehouderijen).
79
Bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen worden, als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ uit stallen van veehouderijen, de toetswaarden uit de beleidsregel gehanteerd die gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten. Voor alle normen en afstanden geldt dat deze alleen bij ontwikkelingen van veehouderijen of nieuwe ruimtelijke functies aan de orde zijn als toetsingscriterium. Er is in de huidige wet- en regelgeving geen verplichting opgenomen voor bedrijven om aan de norm te gaan voldoen. Als intensieve veehouderijen een geurbelasting hebben die hoger is dan de geurnorm, hoeven ze niet aan de norm te voldoen, uitgaand van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Via de zogenaamde 50% regeling moet een uitbreiding van het aantal dieren wel gepaard gaan met een gedeeltelijke afname van de geurbelasting. Eerder opgebouwde rechten t.a.v. de maximale geurbelasting zijn in die regelgeving op deze wijze beschermd. Voor bedrijfswoningen en voormalige bedrijfswoningen waarvan op of na 19 maart 2000 de veehouderij beëindigd is stelt de beleidsregel geen geurnormen, maar een minimale vaste afstand van 25 meter buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) verbiedt het overschrijden van de geurnorm bij gevoelige objecten en beperkt daarmee de milieugebruiksruimte voor(intensieve) veehouderijen.
Bij bestaande overschrijdingen hoeft niet direct voldaan te worden. Als een veehouderij gaat uitbreiden mag 50% van de behaalde geurwinst gebruikt worden voor de uitbreiding (de zogenaamde 50%-regeling). De geurbelasting is afhankelijk van de afstand van gevoelige objecten tot veehouderijen en de geuremissie. Net zoals voor ammoniak zullen veehouderijen die willen groeien in dierplaatsen gebruik moeten maken van emissie reducerende technieken en/of maatregelen moeten treffen om de geurbelasting te beperken (‘end-of-pipe’ maatregelen zoals verhogen van uittredesnelheden en/of emissiepunten). Hiervoor zijn technieken beschikbaar en vergunbaar, maar zullen ook vanuit bedrijfseconomisch oogpunt betaalbaar moeten zijn. De Crisis- en herstelwet en het Schone Lucht Akkoord bieden de gemeente de mogelijkheid om de geursituatie te verbeteren. In de provincie Noord-Brabant is er experimenteerruimte voor overbelaste situaties vanwege veehouderij (21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet). De gemeente kan maatregelen aan veehouderijen opleggen om de overbelasting naar de omgeving toe te beperken, zoals het voorschrijven van geur reducerende maatregelen als sprake is van onaanvaardbare geurhinder en de nadelige gevolgen van geuremissies verder kunnen worden beperkt vanwege ontwikkeling technische mogelijkheden.
Om te bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder moet rekening worden gehouden met lokaal geurbeleid, historie van klachten, de bestaande en de verwachte geurhinder van de veehouderij en de kosten en baten van de technische voorzieningen en gedragsregels in de veehouderij. Met onderhavig bestemmingsplan worden burgerwoningen toegevoegd door nieuwe RvR- woningen en woningsplitsingen planologisch mogelijk te maken. Daarnaast bevat het plan twee woningverplaatsingen vanuit een overbelaste situatie naar een plek waar aan de geurnormen wordt voldaan.
80
Twee bestaande varkensbedrijven (iv-bedrijven) worden uitbreidingsmogelijkheden geboden. In ruil hiervoor dienen de betreffende varkensbedrijven bedrijfsspecifieke maatregelen te nemen om het huidige woon- en leefklimaat te verbeteren. In het PlanMER (bestaande uit bijlage 1, 2 en 3 bij de toelichting) is een uitgebreide analyse en toetsing opgenomen ten aanzien van het aspect geur. Navolgend worden de meest relevante geuraspecten ten aanzien van het planvoornemen en in het bijzonder de twee ontwikkelplannen van varkenshouderijen Laar 31 en Nieuw Laar 5a samengevat. Verbetering leefklimaat en afname geurbelasting door ontwikkelplannen Laar 31 en Nieuw Laar 5a in planvoornemen Door het treffen van maatregelen bij de blijvende veehouderijen op Laar 31 en Nieuw Laar 5a wordt een knelpunt voor het woon- en leefklimaat op het aspect geur opgelost. Daarnaast zorgt de herbestemming van de inmiddels gestopte veehouderijen ervoor dat betreffende veehouderijen niet kunnen reactiveren met bijbehorende geuroverlast van dien. Drie situaties zijn relevant in de beoordeling van de overbelasting in relatie tot artikel 3.53 lid 2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV): 1. Vergunde situatie inclusief stoppers in 2018/2019 2. Vergunde situatie alleen Laar 31 en Nieuw Laar 5a, dus zonder de stoppers 3.
Ontwikkelplan Laar 31 en Nieuw Laar 5a 7 m/s Maximale mogelijkheden bestemmingsplan ten aanzien van het houden van varkens op Laar 31 en Nieuw Laar 5a Het maximum aantal te houden varkens mag volgens de regels in het vastgestelde bestemmingsplan niet meer bedragen dan maximaal 9.000 varkens op Laar 31 en maximaal 3.878 varkens op Nieuw Laar 5a. De stikstofplafondregeling waarborgt aanvullend dat er geen toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden kan plaatsvinden en de gemeentelijke geurnormen en geurregels waarborgen de maximale geurbelasting ten gevolge van het bestemmingsplan. Deze regeling sluit het houden van uitsluitend vleesvarkens niet uit. In de tweede gewijzigde vaststelling worden de mogelijkheden ten aanzien van de te houden varkens op Laar 31 en Nieuw Laar 5a verder aangescherpt door in de regels voor uitbreiding van de intensieve veehouderij een maximaal aantal varkens per soort varkens op te nemen, overeenkomstig de ontwikkelplannen waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is aangevraagd (= planvoornemen). Op basis van volgende tabel kan worden vastgesteld dat (t.o.v. de uitgangssituatie in 2018/2019) ter plaatse van 9 bestaande burgerwoningen een overbelaste situatie wordt opgelost door het treffen van maatregelen voortvloeiend uit de ontwikkel c.q. verbeterplannen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a.
Als hierbij ook de stoppers worden betrokken wordt op 14 woningen de overbelaste situatie opgelost. Hierbij dient vermeld te worden dat V-stacks gebied v2020 een iets hogere geurbelasting berekend dan v2010 (een berekening in v2020 geeft bij de ontwikkelplannen van Laar 31 en Nieuw Laar 5a een lichte overschrijding op Nieuw Laar 15 en 16, welke met v2010 nog niet aan de orde was). Op het niveau van het plangebied dient derhalve te worden geconcludeerd dat de ontwikkel c.q. verbeterplannen resulteren in het opheffen van een overbelaste situatie.
81
Tabel: Berekende achtergrondbelasting >10 Ou op bestaande burgerwoningen Overbelaste (>10 OU) Achtergrondbelasting geur [OU/m3] bestaande 1. Wm vergund 2. Wm vergund 3. Ontwikkelplannen burgerwoningen in incl. stoppers Laar 31 en Laar 31 en Nieuw Laar 5a plangebied L-NL 2018/2019 * Nieuw Laar 5a 7 m/s V-Stacks Gebied v2010
V-Stacks Gebied v2020
V-Stacks Gebied v2020
Nieuw Laar 25 Nieuw Laar 15
22,96 14,98
19,41 12,56
17,20 10,55
Nieuw Laar 16
16,14
12,75
10,65
Nieuw Laar 18
11,89
9,58
8,02
Nieuw Laar 8
17,12
13,95
11,77
Nieuw Laar 33
12,37
6,16
5,32
Schellekensveld 7
15,97
9,95
8,55
Schellekensveld 7a
14,66
9,60
8,24
Laar 29 Laar 29a (sloop en verplaatsing)
22,49 22,61
12,81 15,16
7,74 8,78
Laar 29b (sloop en verplaatsing)
21,09
16,32
9,01
Laar 34
17,98
15,04
9,49
Laar 36 Laar 38
14,71 13,94
12,58 11,81
9,63 8,96
Laar 42
12,14
10,06
7,52
Laar 45
10,48
8,35
6,59
Laar 32 – A wordt W Laar 32a – A wordt W
15,69 15,60
12,05 12,05
7,04 7,47
# woningen > 10 Ou
18
13
4
* De achtergrondbelasting is voor de uitgangssituatie in 2018/2019 berekend met de vorige versie van V-stacks gebied v2010 en kan afwijken van berekeningsresultaten met de actuele versie v2020. De met V-stacks gebied v2010 berekende geurbelasting (achtergrondbelasting) geeft de uitgangsituatie weer op basis waarvan het gebiedsproces in Laar – Nieuw Laar destijds is ingezet en het plan is gemaakt.
82
Tabel: Voorgrondbelasting geur Laar 31 en classificatie woon- en leefklimaat voor ontwikkelplan op selectie van geurgevoelige objecten (de volledige lijst met getoetste geurgevoelige objecten is opgenomen in de Bijlagen van het PlanMER) Geurgevoelig object
Geurnorm
Type
Feitelijke situatie
Ontwikkelplan 7 m/s Laar 31
Geur OU
Leefklimaat
Geur OU
Leefklimaat
Toetswaarde beleidsregel
RVR R01-nieuw
10
RVR
1,0
goed
0,6
z.goed
goed
RVR R02-nieuw
10
RVR
1,0
goed
0,6
z.goed
goed
RVR R03-nieuw
10
RVR
1,1
goed
0,6
goed
goed
RVR R04-nieuw
10
RVR
1,1
goed
0,7
goed
goed
RVR R05-nieuw
7
RVR
3,7
matig
2,9
r.goed
goed
RVR R06-nieuw
7
RVR
3,5
matig
2,6
r.goed
goed
RVR R07-nieuw
7
RVR
2,6
r.goed
1,5
goed
goed
RVR R08-nieuw
7
RVR
2,9
r.goed
1,6
goed
goed
RVR R09-nieuw
7
RVR
3,1
matig
1,8
r.goed
goed
RVR R10-nieuw
7
RVR
5,6
t.slecht
3,7
matig
goed
RVR R11-nieuw
7
RVR
2,2
r.goed
1,6
goed
goed
RVR R12-nieuw
10
RVR
2,7
r.goed
2,1
r.goed
goed
RVR R13-nieuw
7
RVR
4,9
t.slecht
3,4
matig
goed
RVR R14-nieuw
7
RVR
4,1
matig
2,9
r.goed
goed
RVR R15-nieuw
7
RVR
2,4
r.goed
1,7
r.goed
goed
RVR R16-nieuw
10
RVR
2,6
r.goed
2,0
r.goed
goed
RVR R17-nieuw
7
RVR
4,7
matig
>50m
10
RVR
7,8 3,9
slecht
RVR R18-nieuw
matig
3,0
matig
goed
Laar 27
7
A wordt W
7,7
z.slecht
4,5
matig
>25m
Bij Laar 27
7
A wordt W
8,5
-
4,8
matig
>25m
Laar 32
7
A wordt W
8,2
-
4,3
>25m
Laar 32A
7
A wordt W
6,5
z.slecht
4,0
matig t.slecht
Schellekesveld 2
10
A wordt W
5,1
-
4,0
matig
>25m
Plein 15
10
A wordt W
1,7
-
0,9
goed
>25m
Bij Plein 15
10
A wordt W
1,9
-
1,0
goed
>25m
Oud Laar 17
7
A wordt W
3,9
-
2,3
r.goed
>25m
Laar 19
7
A wordt W
2,0
r.goed
1,5
goed
>25m
10
A wordt B
3,4
matig
2,6
r.goed
>25m
Relevante bestaande overbelaste woningen (door Laar 31) W Laar 34 7 10,9 z.slecht
Laar 11
Laar 36 Laar 38 Laar 29
>25m
6,5
t.slecht
nvt
7
W
8,1
slecht
5,8
t.slecht
nvt
7
W
7,6
slecht
5,4
t.slecht
nvt
7
W
10,0
z.slecht
5,3
t.slecht
nvt
A = Agrarisch, W = Wonen, B = Bedrijf, RvR = Ruimte voor Ruimte woning Berekend met V-stacks Vergunning v2020 Coördinaten woningen zijn vanwege de gebiedsgerichte benadering van dit PlanMER gebaseerd op middelpunt van het BAG-object. Voor vergunningverlening / -aanvraag dient de aanvrager te toetsen op dichtstbijzijnde gevel van de woning.
83
Tabel: Voorgrondbelasting geur Nieuw Laar 5a en classificatie woon- en leefklimaat voor ontwikkelplan op selectie van geurgevoelige objecten (de volledige lijst met getoetste geurgevoelige objecten is opgenomen in de Bijlagen van het PlanMER) Geurgevoelig object
Geurnorm gebied
Best.
Feitelijke situatie
Ontwikkelplan 7 m/s Nieuw Laar 5a
Geur OU
Leefklimaat
Geur OU
Leefklimaat
Toetswaarde beleidsregel
RVR R01-nieuw
10
RVR
1,0
goed
0,5
goed
goed
RVR R02-nieuw
10
RVR
0,9
goed
0,5
goed
goed
RVR R03-nieuw
10
RVR
1,0
goed
0,5
goed
goed
RVR R04-nieuw
10
RVR
1,0
goed
0,5
goed
goed
RVR R05-nieuw
7
RVR
5,4
t.slecht
2,9
r.goed
goed
RVR R06-nieuw
7
RVR
5,0
t.slecht
2,7
r.goed
goed
RVR R07-nieuw
7
RVR
1,6
goed
0,8
goed
goed
RVR R08-nieuw
7
RVR
1,7
r.goed
0,8
goed
goed
RVR R09-nieuw
7
RVR
1,8
r.goed
0,8
goed
goed
RVR R10-nieuw
7
RVR
2,6
r.goed
1,4
goed
goed
RVR R11-nieuw
7
RVR
1,3
goed
0,8
goed
goed
RVR R12-nieuw
10
RVR
1,6
goed
1,0
goed
goed
RVR R13-nieuw
7
RVR
2,4
r.goed
1,4
goed
goed
RVR R14-nieuw
7
RVR
2,1
r.goed
1,2
goed
goed
RVR R15-nieuw
7
RVR
1,4
goed
0,8
goed
goed
RVR R16-nieuw
10
RVR
1,5
goed
0,9
goed
goed
RVR R17-nieuw
7
RVR
matig
1,7
r.goed
>50m
RVR R18-nieuw
10
RVR
3,1 5,7
t.slecht
3,2
matig
goed
Laar 27
7
A wordt W
3,1
matig
1,6
goed
>25m
Bij Laar 27
7
A wordt W
3,3
matig
1,7
r.goed
>25m
Laar 32
7
A wordt W
3,5
matig
1,7
r.goed
>25m
Laar 32A
7
A wordt W
2,8
r.goed
1,5
r.goed
>25m
Schellekesveld 2
10
A wordt W
8,7
z.slecht
4,9
t.slecht
>25m
Plein 15
10
A wordt W
1,1
goed
0,5
z.goed
>25m
10
A wordt W
1,1
goed
0,5
z.goed
>25m
Oud Laar 17
7
A wordt W
2,0
r.goed
1,0
goed
>25m
Laar 19
7
A wordt W
1,3
goed
0,8
goed
>25m
10
A wordt B
1,9
r.goed
1,1
goed
>25m
Bij Plein 15
Laar 11
Relevante bestaande overbelaste woningen (door Nieuw Laar 5a)
Nieuw Laar 8 Nieuw Laar 25
7
W
9,6
z.slecht
4,1
matig
nvt
7
W
12,6
ext.slecht
6,3
t.slecht
nvt
A = Agrarisch, W = Wonen, B = Bedrijf, RvR = Ruimte voor Ruimte woning Berekend met V-stacks Vergunning v2020 Coördinaten woningen zijn vanwege de gebiedsgerichte benadering van dit PlanMER gebaseerd op middelpunt van het BAG-object. Voor vergunningverlening / -aanvraag dient de aanvrager te toetsen op dichtstbijzijnde gevel van de woning.
84
Chw-bevoegdheid voor kunnen afwijken van de 50%-regeling In de gemeente Sint-Michelsgestel is al gemeentelijk geurbeleid aanwezig met normen die strenger zijn dan in de Wet geurhinder en veehouderij. Maar in het plangebied LaarNieuwe Laar zijn na realisatie van de ontwikkelplannen nog twee bestaande burgerwoningen overbelast, met name Nieuw Laar 25 en (in mindere mate) Nieuw Laar 8. Het bestemmingsplan heeft een planhorizon van minimaal 10 jaar. De Crisis- en herstelwet (Chw) biedt de gemeente de mogelijkheid om bij eventuele nieuwe vergunningaanvragen van één van de veehouderijen in het plangebied de overbelaste situatie op alle bestaande woning op te lossen door af te wijken van de zogeheten ‘50%regeling’ voor geur. Na realisatie van de ontwikkelplannen op Laar 31 en Nieuw Laar 5a kunnen namelijk aanpassingen aangevraagd worden die passen binnen planologische mogelijkheden en binnen bestaande dierenverblijven. Dit biedt de mogelijkheid om een verdere geurreductie op de nog overbelaste woningen te verplichten.
Als de gemeente gebruik wil maken van deze Chw-bevoegdheid dan is dat toepasbaar voor die situaties waarbij sprake is van een beoordeling van een ontwikkelplan van een veehouderij, waarbij er sprake is van een sterke overschrijding van de voorgrondnorm op één of meerdere woningen en een beoordeling van die situatie die leidt tot een slecht woon- en leefmilieu vanwege die geurbelasting. Ook moeten er concrete mogelijkheden zijn om via de inzet van beschikbare en betaalbare technieken de geuremissie en geurbelasting te beperken, rekening houdend met het type en grootte van het bedrijf en de bijdrage van het bedrijf aan de te hoge achtergrondbelasting. Inzet van extra Chw-bevoegdheden is slechts in incidentele gevallen voorzien, maar wel betrokken in de regels van het bestemmingsplan. Geurcontouren Werststeeg 35 in relatie tot nieuwe RvR woningen Groeneweg De geurcontouren van rundveehouderij Werststeeg 35 zijn in beeld gebracht. De vaste afstandscontour van 50 meter ligt buiten het bestemmingsvlak wonen. De 10 OU contour rondom de benutbare delen van de stallen overlapt het beoogde bestemmingsvlak wonen, waardoor deze contour op de verbeelding moet worden overgenomen met de aanduiding ‘geurgevoelige objecten uitgesloten’.
Hiermee wordt gewaarborgd dat de veehouderij niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt wordt door de nieuwe Ruimte voor Ruimte woningen en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat volgens de beleidsregel. Monitoring geur reducerende maatregel verhoogde uittredesnelheid 7 m/s Om te kunnen garanderen dat de berekende geurbelasting in werkelijkheid ook daadwerkelijk gehaald wordt dienen middelvoorschriften (met betrekking tot de technische uitvoering van het ventilatiesysteem en monitoringsplicht voor een goede werking) en/of doelvoorschriften (met betrekking tot een maximale geurbelasting op maatgevende woningen) opgenomen worden in het bestemmingsplan. Hiertoe zijn in de regeling in het bestemmingsplan extra randvoorwaarden opgenomen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijbedrijven.
85
Mestbewerking uitgesloten op Nieuw Laar 5a In de tweede gewijzigde vaststelling wordt mestbewerking uitgesloten op Nieuw Laar 5a. (de definitie ‘mestbewerking’ in de regels is breed geformuleerd en ziet toe op alle technieken die de aard, samenstelling of hoedanigheid van mest wijzigen). Geur door mestbewerking op Laar 31 Voor vaststelling is in het plan-MER de cumulatie van geur uit stallen op Laar 31 en Nieuw Laar 5a én de geur door mestbewerking, mestvergisting en algenteelt op Laar 31 onderzocht op basis van de onderzoeksresultaten uit het rapport “Toets geurimmissie concentratie Heijvar te Berlicum. Geuronderzoek in het kader van een aanvraag milieuvergunning., rapportnummer BL2021.10419.01-C01, Buro Blauw Luchtkwaliteit, 16 maart 2021”. Dit onderzoeksrapport is niet als bijlage bij het vastgestelde bestemmingsplan gevoegd. Na vaststelling van het bestemmingsplan is een geactualiseerde versie ingediend bij de aanvraag om een omgevingsvergunning: “Toets geurimmissie concentratie Heijvar te Berlicum. Geuronderzoek in het kader van een aanvraag milieuvergunning., rapportnummer BL2025.11979.01-V01, Buro Blauw Luchtkwaliteit, 6 januari 2025”. Dit onderzoeksrapport is voor de tweede gewijzigde vaststelling bijgevoegd als bijlage 19 bij de toelichting.
De berekeningsresultaten van 2025 zijn (ten opzichte van de berekeningsresultaten van 2021) ten aanzien van de 95-percentiel waarden gelijk gebleven en ten aanzien van de 99,9-percentielwaarden lager geworden. Zie navolgende tabellen. Geuronderzoek mestbewerking en algenteelt op Laar 31 In het geuronderzoek voor Laar 31 zijn de vergunde situatie en het planvoornemen onderzocht, maar ook een ‘wens-scenario’ dat niet mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan; ook niet in de tweede gewijzigde vaststelling. Het onderzoeksrapport is opgesteld voor de aanvraag omgevingsvergunning. Voor het bestemmingsplan is de vergunde situatie niet relevant, omdat de referentiesituatie van het bestemmingsplan bestaat uit de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie. De vergunde mestbewerking en algenteelt zijn feitelijk niet gerealiseerd. Geur door mestbewerking en algenteelt op Laar 31 en cumulatie met geur uit stallen Ten opzichte van het vastgestelde bestemmingsplan Laar-Nieuw Laar zijn er voor Laar 31 en Nieuw Laar 5a geen wijzigingen doorgevoerd in de dieraantallen, stalsystemen en emissiepunt-parameters van stallen. De rekenmodellen V-stacks Vergunningen en Vstacks Gebied zijn ook niet gewijzigd. De uitgangspunten in het plan-MER inclusief aanvulling en de toelichting bij het vastgestelde bestemmingsplan zijn ten aanzien van geur uit dierenverblijven nog steeds actueel.
In de volgende tabel zijn de berekeningsresultaten uit het geuronderzoek van Buro Blauw Luchtkwaliteit van 2021 en 2025 weergegeven. Uit deze rekenresultaten volgt dat het planvoornemen voor Laar 31 ten aanzien van geur door mestbewerking, covergisting en algenteelt voldoet aan de richt- en grenswaarden voor 98-percentiel en 99,9-percentiel voor een aanvaardbaar hinderniveau in gemengd gebied, conform de
86
geldende provinciale Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant. Het planvoornemen resulteert door de mestbewerkingsactiviteiten in een beperkte rekenkundige toename van de geurbelasting op omliggende woningen ten opzichte van de feitelijke situatie, maar is wel vergunbaar (uitvoerbaar). Tabel: Berekende geurbelasting 98-percentiel door mestverwerking, co-vergisting en algenteelt voor het planvoornemen Laar 31 Berekende geurbelasting 98-percentiel [OUE(H)/m3] Adres woning richtwaarde/ grenswaarde
planvoornemen onderzoek 2021
planvoornemen onderzoek 2025
Laar 29a
0,5 / 1
0,2
0,2
Laar 34
0,5 / 1
0,2
0,2
Laar 36
0,5 / 1
0,2
0,2
Nieuw Laar 8
0,5 / 1
0,2
0,2
Nieuw Laar 25
0,5 / 1
0,3
0,3
Nieuw Laar 15
0,5 / 1
0,3
0,3
Bebouwde kom – Coudeborch 12
0,25/ 0,5
0,0
- (<0,0)
Bebouwde kom – Christinastraat 2
0,25 / 0,5
0,0
- (<0,0)
Tabel: Berekende geurbelasting 99,9-percentiel door mestverwerking, co-vergisting en algenteelt voor het planvoornemen Laar 31 Berekende geurbelasting 99,9-percentiel [OUE(H)/m3] Adres woning richtwaarde/ grenswaarde
planvoornemen vastgesteld bestemmingsplan onderzoek 2021
planvoornemen tweede gewijzigde vaststelling onderzoek 2025
Laar 29a
2 /4
1,1
0,8
Laar 34
2 /4
1,6
0,9
Laar 36
2 /4
1,2
0,7
Nieuw Laar 8
2 /4
1,0
0,7
Nieuw Laar 25
2 /4
1,2
0,9
Nieuw Laar 15
2 /4
1,6
1,2
Bebouwde kom – Coudeborch 12
1/2
0,4
0,2
Bebouwde kom – Christinastraat 2
1/2
0,4
0,2
In het plan-MER bij het vastgestelde bestemmingsplan is met de onderzoeksresultaten het onderzoeksrapport van Buro Blauw Luchtkwaliteit uit 2021 een indicatieve beoordeling van de cumulatieve geurbelasting gemaakt door een optelling van de berekende achtergrondbelasting geur uit stallen en de berekende geurbelasting door mestverwerking, co-vergisting en algenteelt Laar 31 (de berekende 98-percentielwaarde, aangezien de berekende geurbelasting uit stallen ook een 98-percentielwaarde betreft).
87
Met de indicatieve optelsom is in het plan-MER geconcludeerd dat de cumulatieve geurbelasting ook voldoet aan de gemeentelijke geurnorm in de gemeentelijke beleidsregel en de provinciale omgevingsverordening (deze geurnormen gelden wettelijk gezien alleen voor geur uit stallen) en dat het woon- en leefklimaat t.a.v. geur als aanvaardbaar beoordeeld kan worden en het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Het geactualiseerde geurrapport van Bureau Blauw Luchtkwaliteit van 2025 resulteert niet in afwijkende berekeningsresultaten voor de geurbelasting als 98-percentielwaarde ten opzichte van het eerdere geurrapport van 2021. Dit betekent dat de beoordeling van de cumulatie van geur in het plan-MER nog actueel is. Het geuronderzoek van Buro Blauw Luchtkwaliteit is uitgevoerd ten behoeve van de omgevingsvergunning en bevat de berekende geurbelasting op de maatgevende, bestaande woningen rondom Laar 31. De nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt liggen op grotere afstand dan deze woningen. De hoogst berekende geurbelasting door mestverwerking van maximaal 0,3 OUE(H)/m3 kan daarom als worstcase aangehouden worden voor de nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
Het is zeker dat de indicatieve cumulatieve geurbelasting op de nieuwe ruimte voor ruimte woningen ruim onder de toetswaarde van 10 Ou voor een aanvaardbaar leefklimaat blijft (deze toetswaarde staat in de gemeentelijke beleidsregel en geldt strikt genomen alleen voor geur uit stallen). Ook ter plaatse van de te herbestemmen voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen blijft de indicatieve cumulatieve geurbelasting onder de toetswaarde van 10 Ou. De bedrijfswoning van de gestopte veehouderij Schellekensveld 2 ligt hierboven, maar dit is een voormalige bedrijfswoning waarvan op of na 19 maart 2000 de veehouderij is beëindigd en hiervoor stelt de beleidsregel geen geurnorm, maar een minimale vaste afstand van 25 meter buiten de bebouwde kom. Ter plaatse van de maatgevende bestaande woningen ligt de indicatieve cumulatieve geurbelasting nog boven de 10 Ou, maar de beleidsregel van de gemeente stelt alleen geurnormen voor nieuwe geurgevoelige objecten. De kwalificatie van het woon- en leefklimaat (bijvoorbeeld goed, redelijk goed, matig, slecht etc.) is voor alle woningen hetzelfde bij de indicatieve cumulatieve geurbelasting door alleen stallen als bij de indicatieve cumulatieve geurbelasting door stallen plus mestverwerking. Zie volgende tabel.
88
Tabel: Achtergrondbelasting geur uit stallen Laar 31 en Nieuw Laar 5a en geurbelasting door mestbewerking Laar 31 (95-percentielwaarden) als indicatie cumulatieve geurhinder Geurgevoelig object
type
RVR R01-nieuw RVR R02-nieuw
Realistisch scenario
Maximaal scenario
geur uit stallen V2022
geur mestbewerking
cumulati e geur indicatief
geur uit stallen v2022
geur mestbewerking
Cumulatie geur indicatief
RVR
3,94
max 0,3
4,24
4,25
max 0,3
4,55
RVR
4,08
max 0,3
4,38
4,37
max 0,3
4,57
RVR R03-nieuw
RVR
3,69
max 0,3
3,99
4,14
max 0,3
4,44
RVR R04-nieuw
RVR
3,65
max 0,3
3,95
4,10
max 0,3
4,40
RVR R05-nieuw
RVR
7,84
max 0,3
8,14
4,50
max 0,3
4,80
RVR R06-nieuw
RVR
7,14
max 0,3
7,44
4,82
max 0,3
5,12
RVR R07-nieuw
RVR
3,58
max 0,3
3,88
4,93
max 0,3
5,23
RVR R08-nieuw
RVR
3,73
max 0,3
4,03
7,19
max 0,3
7,49
RVR R09-nieuw
RVR
3,86
max 0,3
4,16
3,95
max 0,3
4,25
RVR R10-nieuw
RVR
5,69
max 0,3
5,99
5,04
max 0,3
5,34
RVR R11-nieuw
RVR
3,10
max 0,3
3,40
6,50
max 0,3
6,80
RVR R12-nieuw
RVR
3,80
max 0,3
4,10
5,85
max 0,3
6,15
RVR R13-nieuw
RVR
5,16
max 0,3
5,46
4,25
max 0,3
4,55
RVR R14-nieuw
RVR
4,59
max 0,3
4,89
4,37
max 0,3
4,67
RVR R15-nieuw
RVR
3,25
max 0,3
3,55
4,19
max 0,3
4,49
RVR R16-nieuw
RVR
3,67
max 0,3
3,97
4,86
max 0,3
5,16
RVR R17-nieuw
RVR
6,84
max 0,3
7,14
8,77
max 0,3
9,07
RVR R18-nieuw
RVR
8,17
max 0,3
8,47
9,29
max 0,3
9,59
Laar 27
A wordt W
6,59
max 0,3
6,89
8,72
max 0,3
9,02
Bij Laar 27
A wordt W
7,03
max 0,3
7,33
9,13
max 0,3
9,43
Laar 32
A wordt W
7,04
max 0,3
7,34
8,99
max 0,3
9,29
Laar 32A
A wordt W
7,47
max 0,3
7,77
9,49
max 0,3
9,79
Schellekesveld 2
A wordt W
11,45
max 0,3
11,75
12,67
max 0,3
12,97
Plein 15
A wordt W
2,56
max 0,3
2,86
3,39
max 0,3
3,69
Bij Plein 15
A wordt W
2,66
max 0,3
2,96
3,59
max 0,3
3,89
Oud Laar 17
A wordt W
4,22
max 0,3
4,52
5,65
max 0,3
5,85
Laar 19
A wordt W
3,08
max 0,3
3,38
3,95
max 0,3
4,25
Laar 11
A wordt B
4,38
max 0,3
4,68
5,55
max 0,3
5,85
Schellekesveld 14
W
6,05
max 0,3
6,35
7,18
max 0,3
7,48
Schellekesveld 7
W
8,55
max 0,3
8,85
9,99
max 0,3
10,29
Laar 29
W
7,74
max 0,3
8,04
9,98
max 0,3
10,28
Laar 34
W
9,49
0,2
9,59
11,92
0,2
12,12
Laar 36
W
9,63
0,2
9,83
11,65
0,2
11,85
Laar 38
W
8,96
max 0,3
9,26
10,81
max 0,3
11,11
Laar 42
W
7,52
max 0,3
7,82
8,81
max 0,3
9,11
Laar 45
W
6,59
max 0,3
6,89
7,61
max 0,3
7,91
Nieuw Laar 8
W
11,77
0,2
11,97
12,87
0,2
12,97
Nieuw Laar 15
W
10,55
0,3
10,85
14,21
0,3
14,51
Nieuw Laar 16
W
10,65
max 0,3
10,95
11,76
max 0,3
12,06
Nieuw Laar 18
W
8,02
max 0,3
8,32
9,12
max 0,3
9,42
Nieuw Laar 25
W
17,20
0,3
17,50
16,74
0,3
17,04
89
5.6.6.
Geluid
Geluid kan een belasting van het woon-, werk- en recreatie- leefklimaat van de mens met zich meebrengen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde ‘geluidgevoelige objecten’ wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. Als geluidsgevoelige bestemmingen gelden in ieder geval woningen en woonwagenlocaties, scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen met de daarbij behorende terreinen. Op grond van de Wet geluidhinder hebben alle wegen een geluidszone, tenzij sprake is van een woonerf (30 km/uur). Op grond van de wet mag de geluidbelasting op gevels van nieuw te realiseren woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger zijn dan de in de wet bepaalde normen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde bij wegverkeerslawaai is daarbij 48 dB. Met onderhavig plan worden diverse burgerwoningen toegevoegd (rvr-woningen en woningsplitsing), waarbij de meeste woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszoekszone van enkele wegen. Gelet hierop is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk waarin de geluidsbelasting wordt berekend.
Indien de geluidsbelasting boven de wettelijke voorkeursgrenswaarde uitkomt dient een procedure hogere grenswaarde te worden gevolgd. De maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB en voor agrarisch dienstwoningen (boerderijen) 58 dB. Hogere grenswaarden kunnen alleen bij een vaststelling, een herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit worden verkregen. Het bevoegd gezag hiervoor zijn Burgemeester en Wethouders van de gemeente. Wanneer blijkt dat een hogere grenswaarde benodigd is, kan geen gebruik worden gemaakt van de omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels, maar zal een (postzegel)bestemmingsplan of projectbesluit moeten worden. Voor de locaties waar woningen worden toegevoegd is derhalve een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Target Advies, waarin de geluidbelasting op de gevel (gevelbelasting) is berekend ten gevolge van het omliggende wegennet voor het jaar 2023+ 10 jaar na realisatie en getoetst aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Daarnaast is bepaald wat de cumulatieve belasting ter hoogte van de voorgenomen woningbouwprojecten is, zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Deze rapportage is als bijlage 14 bij de toelichting bij het ontwerp bestemmingsplan worden opgenomen.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de wegen Groeneweg, Plein, Nieuw Laar en Oud Laar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de voorgenomen bouwplannen overschrijdt.
90
Op 1 deellocatie (ter plaatse van de 4 RvR woningen aan de Nieuweweg) overschrijdt de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Nieuweweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Aangezien er overwegende bezwaren van landschappelijke, verkeerskundige en financiële aard zijn om de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen (aanleg van een geluidwal of –scherm danwel toepassen van stiller wegdek) terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde op deze locaties en de 53 dB contour niet zal worden overschreden is voor deze locatie een hogere waarde besluit genomen, zie bijlage 16 bij de toelichting. Aangezien de cumulatieve geluidbelasting op bovenstaande deellocatie ook hoger is dan 53 dB dient er tevens een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Industrielawaai In het plangebied zijn geen nieuwe inrichtingen toegestaan die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. De voorziene nieuwe woonlocaties zijn tevens niet gelegen in een geluidzone van een bedrijf of bedrijventerrein, maar wel in de nabijheid van enkele bestaande bedrijven. Binnen het plangebied is sprake van gemengde activiteiten; een combinatie van wonen, agrarische bedrijvigheid en lichte bedrijfsactiviteiten. Er zijn binnen het plangebied geen scholen en zorginstellingen aanwezig. Lokaal kan ter plaatse van woningen nabij de agrarische bedrijven sprake zijn van geluidhinder als gevolg van de agrarische bedrijfsvoering. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handig hulpmiddel voor het vormgeven en beoordelen van de situatie bij bedrijven. Deze hanteert een richtafstand voor geluid van maximaal 50 meter. De naastgelegen woningen Laar 29A en 29B liggen binnen 50 meter van de bestaande veehouderij locatie aan Laar 31. Deze woningen worden echter gesloopt en wegbestemd. Alle overige woningen liggen op meer dan 50 meter van de bedrijfsgebouwen. Een tweetal bestaande woningen bevindt zich op ca. 90 meter. Verder liggen alle woningen op meer dan 100 meter afstand en wordt dus ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden met betrekking tot geluid.
Voor de bestaande veehouderijen is ten behoeve van de voorgenomen uitbreidingen een akoestisch rapport opgesteld. Op basis van de berekende geluidbelasting op de maatgevende (bestaande) woningen en de voorziene situering van de nieuwe woningen op grotere afstand van beide veehouderijen kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting ter plaatse van nieuwe woningen lager zal zijn. Deze woningen zullen derhalve de eventuele ontwikkelingsmogelijkheden van de resterende iv-bedrijven niet belemmeren.
91
5.6.7.
Bedrijven en milieuzonering
Vanuit het aspect ‘goede ruimtelijke ordening’ dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Bovenstaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel van de voorgenomen ontwikkeling zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel van de voorgenomen ontwikkeling kwetsbaar is voor hinder. Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als maatgevend beschouwd. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden, die indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening. De publicatie geeft vier factoren (geur, stof, geluid en gevaar) op basis waarvan bepaald wordt in welke categorie een activiteit geplaatst kan worden. De publicatie biedt geen wettelijk vastgestelde norm. Bij de toetsing van concrete situaties dient maatwerk te worden geleverd. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd. De in de publicatie opgenomen generieke richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk.
Gezien de situering aan enkele uitvalswegen waar sprake is van bestaande functiemenging (van burgerwoningen en enkele niet-agrarische bedrijven) kan de planlocatie worden beschouwd als een gemengd gebied. Hier is reeds sprake van een zekere verstoring en een andere (hogere) milieubelasting dan in een rustig woongebied. In dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie met één afstandstap worden verlaagd. Een overschrijding van de wettelijk norm is echter niet toelaatbaar. Het planvoornemen voorziet in beëindiging van enkele milieubelastende bedrijven, toevoeging van een aantal extra woningen en voortzetting van een tweetal agrarische bedrijven. De bedrijfsbeëindiging en woningtoevoegingen leiden niet tot milieuhinder voor omwonenden. Voor deze locaties dient wel getoetst te worden of bestaande bedrijven met het voornemen niet extra worden belemmerd en of de extra woningen niet worden blootgesteld aan onaanvaardbare hinder van omliggende bedrijven. Uit de voorgaande milieu-paragraven kan worden geconcludeerd, dat de bestaande bedrijven met het voornemen niet extra worden belemmerd en de extra woningen niet worden blootgesteld aan onaanvaardbare hinder van de omliggende bedrijven.
92
6.
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.1. Economische haalbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzocht worden of het plan economisch uitvoerbaar is. In een aantal gevallen moet een exploitatieplan worden vastgesteld. De bouw van de nieuwe woningen vindt plaats onder verantwoording van particulieren c.q. de initiatiefnemers. De in het buitengebied aan de orde zijnde ontwikkelingen, mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan, in de vorm van functiewijzigingen dan wel uitbreidingen betreffen particulier initiatieven. De kosten voor verwezenlijking van deze ontwikkelingen worden gedragen door de desbetreffende particulieren. Algemene (procedure)kosten die uit het project en de ruimtelijke procedure voorvloeien worden ten laste gebracht van initiatiefnemer. Daarnaast zullen in een exploitatieovereenkomst alle op de initiatiefnemer te verhalen kosten worden opgenomen met betrekking tot de realisatie van het plan. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan dient middels een planschadeovereenkomst, de opdrachtgever zich bereid te verklaren om de voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren. Deze planschadeovereenkomst maakt deel uit van de exploitatieovereenkomst. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig.
Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen financiële consequenties voor de gemeente. Voor de gemeente zijn geen kosten verbonden aan het bestemmingsplan anders dan bestemmingsplan- en procedurekosten. De gemeente acht de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd.
6.2. Maatschappelijke aanvaardbaarheid Vooroverleg In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Hiertoe is het concept ontwerpbestemmingsplan conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar diverse overleg instanties worden verzonden. Drie overleginstanties hebben gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan, waarbij de provincie tevens een aanvullende reactie heeft ingediend. De ingediende inspraak- en vooroverlegreacties zijn in de nota vooroverleg en inspraak samengevat weergegeven en voorzien van een reactie van de gemeente alsmede een conclusie of de ingebrachte
93
inspraak- en vooroverlegreacties hebben geleid tot het doorvoeren van wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan. De nota is als bijlage 17 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De binnengekomen reacties hebben aanleiding gegeven het voorontwerp bestemmingsplan op een aantal onderdelen aan te passen. Ontwerp Het ontwerp bestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht samen met de ontwerp planMER gedurende zes weken vanaf vrijdag 23 december tot en met donderdag 2 februari ter inzage gelegen. Binnen deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Er zijn binnen de gestelde termijn 13 zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen zijn in de ‘Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen’ samengevat en vervolgens voorzien van een gemeentelijke reactie en een navolgende een conclusie in relatie tot eventueel noodzakelijke aanpassingen van het ontwerp bestemmingsplan. Daarnaast is het ontwerp bestemmingsplan gewijzigd naar aanleiding van enkele ambtshalve aanpassingen, mede als gevolg van de advisering van de commissie voor de m.e.r.. De doorgevoerde ambtshalve aanpassingen van het ontwerp bestemmingsplan zijn eveneens opgenomen in de ‘Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen.’ De nota is als bijlage bij het vaststellingsbesluit van dit bestemmingsplan opgenomen.
Vaststelling Op 21 december 2023 wordt het bestemmingsplan met inachtneming van de ingebrachte zienswijzen ter vaststelling behandeld in de gemeenteraad. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt gepubliceerd. Belanghebbenden kunnen eventueel beroep aantekenen bij de Raad van State.
94